Ziet hier u medegedeeld eene algemeene beschouwing omt-ent het karakter van den bewoner van den Indischen Archipel, vooral van

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 180-193)

den Javaan De nadere bevestiging daarvan erlangt ieder, die het v.eten wil, doo,

;

het te vragen aan die onzer landgenooten, die eeni-gen ,jd ra In, ie met de eilanders in aanraking zijn geweest Als om stnjd verklaren zij, dat het karakter van den Javaan zoó gedwee is, dat hij zielig zoo oneindig minder dan de blanke gevoelt en voor dezen zoo onbegrensde.! eerbied heeft, dat hij zich a l ' h e t E S A " ? •

e n

i '

a

v

k e Z a l , a , e n

™ ' e

e v a

» °

n e

« hechts door nood-dwang zich tot verdediging zal laten brengen.

En, President en Raden! meer dan wij konden hopen, is in dit geding geWeken. De kapitein van de Tweïthe zelf heefivoor dit Hof moeten erkennen, dat hij op Java de geschiktheid van den inlander zoo zeer heeft leeren kennen en waarderen , dat het. toen hij stuurman was steeds zijn wensch is geweest, om later, als kapitein, J a ™ n dienst te nemen, aan wie hij verre de voorkeur gaf boven

Hoi-Iandsche schepelingen.

m

— 177 —

Bepaaldelijk omtrent deze beschuldigden persoonlijk zijn de g u n -stigste getuigenissen ten processe aanwezig.

Reeds uit de instructie dezer z a a k , die met zooveel onpartijdig-heid gevoerd i s , blijkt voldoende, dat de beschuldigden h u n n e n landaard niet verloochend hebben. I k verwijs naar de verklaringen van kapiteins en verdere Kuropesche schepelingen, m e t wie de be-schuldigden vroegere reizen gemaakt hebben. (Men zie pr"d. n°. 11 2 1 , 2 3 , 4 7 , 49 en 135.) Uit éenen mond getuigen zij, dat de be-schuldigden zich altijd behoorlijk gedragen h e b b e n , dat zij onder-geschikt w a r e n , al d e d e n , wat men van hen v e r l a n g d e , in alles h u n n e n pligt vervulden. Dat die beschuldigden ook menschen zijn m e t een gevoelig, dankbaar h a r t , het blijkt o. a. zoo goed uit h e t -g e e n een hunner voormali-ge kapiteins v e r k l a a r t ; hij ze-gt, dat de zes beschuldigden, waarmede hij eene reis naar Nederland had gemaakt, zóó aan hem gehecht w a r e n , dat het treffend was te zien, hoe z i j , in Amsterdam gekomen , zich niet van hem wilden laten scheiden en h e m ten laatste alleen onder die belofte lieten v e r t r e k k e n , dat de eerste en tweede stuurman nog eenigen tijd bij hen zouden blijven.

E n die personen zouden zoo plotseling van aard zijn v e r a n d e r d ; zonder eenige aanleiding den eerbied voor den b l a n k e , waarin zij geboren en ipgewassen zijn, hebben afgelegd; zonder aanleiding tegen h u n n e Europesche superieuren zijn opgestaan !

A priori klinkt dat ongeloofelijk, e n , bij onderzoek der z a a k , blijkt die beschuldiging dan ook van allen grond ontbloot.

Allen waren als schepelingen aangemonsterd teSoerabaija voor eene reis naar Nederland en terug. Hier gekomen, werden zij met onder-ling goedvinden afgemonsterd van die beide schepen en te Rotterdam aangemonsterd voor de Twenthe, kapitein Coopmans, en zulks op de voorwaarden, in de monsterrol omschreven.

Bij de monstering hadden de beschuldigden nog uitdrukkelijk g e -vraagd , of de voeding op de Twenthe goed zoude zijn ; zij ontvingen daaromtrent gerust-tellend berigt, de verzekering, dat zij het, even goed zouden h e b b e n , als op eenig vroeger door hen bevaren schip. En wat zij op die audere schepen k r e g e n , wij weten het uit de verklaringen, straks door mij aangehaald: op sommige kregen zij steeds hetzelfde voedsel als de E u r o p e a n e n ; op a n d e r e , aan gene zijde van de K a a p , rijst, eene gedroogde soort van Javaansche vischjes, en dinding (ge-droogde en geprepareerd vleesch) en aan deze zijde van de K a a p het gewone Europesche voedsel; maar overal en altijd ontvingen zij

dus bepaaldelijk vlee-ch.

D e beschuldigden kwamen aan boord.

I n de eerste dagen viel er weinig bijzonders voor. Alleen is te ver-nielden eene quaestie, ter reede van Hel voet voorgevallen. Het is eene qnaestie van geringe beteekenis ; zoo gering.dat wij er verbaasd over zijn, hoe de proc.-gen. daaruit heeft willen bctoogen, dat de b e s c h . , van wien wij zooveel goeds weten , een afschuwelijk mensch is. I n t u s -schen dit is zeker, d a t , ter goedmaking dei-besehuldiging, deze en dergelijke kleinigheden gretig moeten worden gebezigd, want belang-rijke, groote omstandigheden, het Openb. Min. heeft er geene enkele.

W a t is er van dit p u n t ? Er was dien morgen druk werk geweest, zoodat het reeds 9 ure in den m o r g e n , en dus een uur later was geworden, dan gewoonlijk. De eerste stuurman zelf heeft h e t , schoon niet bij zijne eerste v e r h o o r e n , echter later erkend (prod.

n°. 77). Naanwelijks zijn de beschuldigden, vermoeid van den arbeid, aan hun sober maal b e g o n n e n , of vier hunner worden gekommandeerd

— 178

-voor de giek om de echtgenoot van den doctor aan wal te brengen.

Dat was i e t s , wat reeds vroeger had k a n n e n gebeuren ; en even goed kon liet n a schafttijd plaatshebben. Iedereen gevoelt, dat dit bevel dus op dat oogenblik niet aangenaam kon zijn Daarenboven is de J a v a a n er bijzonder aan gehecht om opetenstijd met rust gelaten te w o r d e n ; e n , wat men op Ja>a ook van den inboorling moge vergen, men gunt h e m zijne rnst onder etentijd: die lijd beeft iets heiligs voor den J a -v a a n ; op dien tijd stoort men hem n o o i t , dan in den hoogsten nood.

(Men herinnere zich de verklaring van den heer Alix.) De kapitein wist d a t , of althans, m e t J a v a n e n willende v a r e n , behoorde hij het te weten. Op het o n t v a n g e n k o m m a n d o werden de J a v a n e n o n t e v r e d e n ; zij klaagden tegen den Isten besch., die als Serang (boot-man) h u n hoofd was en als tusschenpersoon tusschen h e n en de Europesche schepelingen fungeerde, dat hij niet beter hunne belangen w a a r n a m , dat hij niet zorgde, dat men althans onder h e t schaften rust h a d . Hij verzocht dan ook dadelijk aan den eersten s t u u r m a n , dat zijne manschappen eerst mogten eten: hij drong dat a a n , door te z e g g e n , dat het toch reeds zoo laat was geworden met het schaften. Maar inschikkelijkheid tegenover de Javanen , dat was op de Twenthe eene onbekende zaak. De stuurman greep met de eene hand den S e r a n g bij den k r a a g , dreigde met de andere hand hem te s l a a n , schudde hem heen en w e e r , zeide h e m , dat hij zooveel praats niet moest hebben en vroeg h e m , of hij nu gehoorzaamen wilde, al dan niet.

D e Serang e r k e n t (en ik vind het vrij begrijpelijk), dat hij toen wrevelig is geworden, vooral ook omdat hij toch waarlijk voor zijne manschappen al het mogelijke deed en deze h e m verweten, dat hij niet goed voor hen zorgde Knorrig (hij heeft het van den aanvang toegegeven) knorrig wierp hij zijn etensbakje tegen den grond. Maar dadelijk daarop bleek weder zijn ondergeschikte a a r d ; hij liet gevolg geven aan het k o m m a n d o ; hij hielp zelf aan het uitzetten van den t r a p ; vier J a v a n e n gingen in de giek en de eerste besch., die k w a a d -aardige rebel ! ging ootmoedig aan d e n kapitein vergeving vragen voor zijne drift.

E n nu beweert men wel , dat de eerste be^ch., bij gelegenheid van die quaestie, aan den eersten stuurman zou hebben toegevoegd eenige Maleische woorden, die de kapitein en eerste stuurman verklaren be-schouwd te hebben als eene b e d r c g i n g v a n : rik zal j e wel vinden, als gij op zee k o m t » of «pas o p , pas o p , als wij in zee zijn- of iets dergelijks, — m a a r Edel Groot Achtbare H e e r e n ! de eerste besch.

ontkent zoodanige bedreiging positief en wij protesteren er tegen, dat men uit een enkel w-oord van eene t a a l , die geen taal is , die in ieder geval niet is de moedertaal van den besch., een bezwaar tegen dezen zal gaan afleiden, vooral wanneer wij den eersten stuurman hooien erkennen , dat hij zelf van die t a d weinig verstaat, en den kapitein, dat hij daarin even ver is als de eerste s t u u r m a n ; vooral nu wij zelve niet in staat zijn door eigen, zelfstandig onderzoek onze over-tuiging te vestigen, of hier welligt d e r e d e is van w o o r d e n , die voor tweeërlei opvatting geschikt zijn.

Blijft men hier hangen aan een w o o r d . d e gevolgen zijn onbere-k e n b a a r . De Serang geeft o p , dat hij aan d e n stuurman gezegd heeft : h i e r a a n den wal vraag ik voor mijn volk rust onder schafttijd; w a c h t , tot wij op zee zijn, dan is het wat anders. T e r bevestiging hiervan geldt voorzeker het getuigenis van den doctor v a n D o u w e , die

ver-klaard heeft, dat hij van den SeraDg meent verstaan te hebben de woor-d e n : 'nanti woor-di hut,t wacht op z e e , maar woor-die er bgvoegt, woor-dat woor-da

— 179 —

S e r a n g nog meer gezegd h e e f t , wat hij getuige niet verstond, als onbedreven met het Maleisch. E n nu vraag ik met het meeste ver-trouwen, of men h i e r i n gemoede zal k u n n e n beslissen, dat de Serang niet heeft gesproken , niet heeft willen spreken in den nu opgegeven z i n , maar dat hij stellig en zeker heeft gezegd en niets anders heeft willen zeggen, dan dat hij op zee den stuurman wel vinden z o u , of eene dergelijke bedreiging?

Om u toch te doen z i e n , welk afschuwelijk mensch de S e r a n g i s , beroept zich de prnc.-gen. op de bewering van O n e l , dat de S e r a n g n a evengemeld voorval een ander mes is gaan d r a g e n , dan vroeger.

H e t is mogelijk; maar wat wil men er uit afleiden? Een mes droeg hij altijd; of hij nu op den eenen tijd een ander mes d r o e g , d a n op den a n d e r e n , ik verklaar niet in te zien, hoe dat bewijst het slechte k a r a k t e r van den besch. Maar in allen geval het feit is volmaakt onbewezen ; de Serang weet er niets v a n , en O n e l , die hier allerlei nieuws k w a m v e r k l a r e n , wat hij bij vroegere verhooren niet wist, is altijd maar één getuige en bewijst dus niets.

T e n één ure wordt de teregtzitting voor een half uur geschorst.

N a de heropening der zitting ten half twee ure verleent de Voorzitter het woord aan den heer Mr. VAN STIFBIAAN LTJÏSCIÜS , tot voortzetting zijner rede. Deze vervolgt a l d u s :

O p 15 Julij 185G verliet de Twenthe de reede van Heivoet. Da k a p i t e i n , des g e v r a a g d , e r k e n t , dat hij tot 11 en 12 A u g . d a a r a a n -volgende (de dagen , waarop het in dit proces veel aankomt) alle reden van tevredenheid heeft gehad over het gezag der J a v a a n s c h e schepelingen, dat deze ia alle opzigten h u n n e n pligt behoorlijk h e b -ben vervuld.

M a a r , Mijne H e e r e n ! nu is de beurt aan ons. N u zullen wij o p onze beurt de vraag b e h a n d e l e n , of de kapitein in dien tijd zijnen pligt heeft gedaan ?

A r t . 18 der monsterrol, waarbij deze beschuldigden zijn a a n g e -monsterd (prod. no. 3), zegt in w o o r d e n , verstaanbaar voor elk', die ze verstaan w i l : . e e n ieder zal zich tevreden moeten houden per week met een pond gezouten vleesch ; vijf oneen spek ; vijf oneen boter en k a a s ; erwten (groene); dito g r a a u w e ; g o r t ; g e n e v e r ; twee p o n d , twee oneen en vijfendertig wigtjes scheepsbeschuit.»

Zoolang die woorden e r i n stonden, en geene uitzondering voor de J a v a n e n was gestipuleerd, behoorde de kapitein van de Twenthe zich daaraan voor allen te houden. E n van al de spijzen , in de monsterrol v e r m e l d , gaf hij hun niets.

I n de eerste dagen , toen zij aan boord w a r e n , gaf hij hun d a g e -lijks rijst, en , bij afwisseling, h a r i n g , gedroogde scharren en anderen visch. Niemand zal zeggen, dat die voeding zoo uitstekend w a s , en toch de beschuldigden, ligt t e v r e d e n , klaagden niet, schoon zij regt hadden op ander voedsel.

Aanvankelijk schijnt de kapitein nog getwijfeld te hebben. Althans te Rotterdam liet hij voor de J a v a n e n aan boord komen eene h o e -veelheid dinding (gedroogd geprepareerd vleesch). Dat vleesch, afkomstig van de •.Tonnetje, was echter op de reis van J a v a naar N e d e r -land oud geworden en nu bedorven. Kapitein Coopmans was dan ook, op aanwijzing van de beschuldigden, verpligt dat vleesch af te k e u r e n . T e dezer teregtzitting heeft de kapitein zelf moeten e r k e n n e n , dat het

— 180

-vleesch stonk. Hij liet het van boord gaan. Zelf scheen hij het ook niet te lusten. M a a r , nu de J a v a n e n zoo kieskeurig waren om geen bedorven vleesch te willen e t e n , nu zouden zij, schoon de monster-rol het gebood, in liet geheel geen vleesch krijgen.

Dat plan stond van nu af aan vast. President en Raden ! de verdedigers hebben over deze zaak gesproken met den heer Lupcke , k a p i -tein van de ^Jannetje,- die door eene zeereis thans verhinderd wordt hier tegenwoordig te zijn. A a n dien heer heeft kapitein Coopmans zijn plan medegedeeld om aan de MaJeijers niets dan visch te geven;

en op de bedenking van kapitein L u p c k e , dat de Maleijers met visch alleen zich niet konden voeden, dat zij daarop niet goed zouden k u n -nen w e r k e n , was het antwoord: dat h i j , kapitein Coopmans, hun dat wel leeren zoude.

E n aie les is dan ook begonnen, reeds te Rotterdam ; kon die les toen, in de nabijheid v a n d e n waterschout, bij wien men klagen kon, nog niet volledig worden gegeven, de tijd zou wel k o m e n , wanneer de kapitein alle ma'gt zoude hebben op zijn schip, wanneer niemand bij eenige autoriteit bescherming tegen wiliekeur zou kunnen v r a g e n , wanneer allen aan zijnen w i l , aan zijne m a g t , aan zijn alvermogen zonden zijn prijs gegeven.

En die tijd kwam. D e r e e d e van Heivoet, waar men ook nog klagen k o n d e , was naauwelijks verlaten, of de vooruiihedachte les begon , en zij werd dagelijks onvermoeid, onverbiddelijk gegeven.

Het schamel voedsel, dat van Rotterdam tot Holvoet aan de M a -leijers werd gegeven, was nog veel te goed voor hen.

Van nu voortaan zouden zij eten dag aan d a g , week aan w e e k , geregeld driemaal daags zoutevisch met rijst; niets meer; niets anders.

Daarop zouden zij leeren werken ! dut zouden zij eten ! dat en anders niets.

Straks zagen w i j , dat de beschuldigden steeds h u n n e n pligt deden.

Ziet hier het antwoord op de v r a a g , of de kapitein van de Twenths den zijnen heeft vervuld.

W a n n e e r nu de beschuldigden aanstonds hadden g e w e i g e r d , niets dan zoutevisch dagelijks, driemaal daags, te ontvangen, wanneer zij ander en beier eten gevorderd h a d d e n , dan hadden zij g e d a a n , w a a r -op zij regt hadden.

Maar de Javaan weet zich te buigen ; hij weet zijnen wil aan dien van den blanke te onderwerpen.

W e l klaagde men onder e l k a n d e r , dat men znlk eten nog nooit had ontvangen, dat men op zulk voedsel niet konde w e r k e n , wel kwamen die klagten reeds te Heivoet ter oore van den oppertirnmerman de M o e s ; wel klaagde men aan a n d e r e n , maar het duurde l a n g , eer men die klagten aan den kapitein of de stuurlieden durfde doen.

De proc.-gen. betoogde g i s t e r e n , dat men nooit over de voeding geklaagd had vo'ór 4 A u g . , dat men toen nog slechts anderen visch v e r l a n g d e ; en dat, eerst toen dit goedgunstig was toegestaan, vleesch gevraagd werd. M a a r , President en Kaden ! leest nu de verklaring van de M o e s , prod. n". 1 8 , en dan zult gij zien , dat reeds bij het begin der reis over het voedsel geklaagd i's en t e v e n s , dat al a a n -stonds niet slechts andere visch, maar bepaaldelijk ook vh/esch is vei langd. E n leest nu andere v e r k l a r i n g e n , b. v. van Barend* (prod, no. S I ) , die getuigt drie of viermalen die klagten der Javanen aan den kapitein te hebben o v e r g e b r a g t , dan zult gij de overtuiging erlangen , dat de voorstelling van het Openb. Min. ten deze niet juist is te achten.

— 181 —

D e kapitein vernam door tusschenkomst der Hollandsche schepe-lingen klagten genoeg. Barends getuigt, dat er over die klagten dik-werf genoeg aan boord werd gesproken.

Eer de Javanen echter zelve den moed hadden aan den kapitein te k l a g e n , z u l l e n , n a a r mijne b e r e k e n i n g , een dag of twaalf zijn verloopen.

Sedert werden echter die ^klagten onophoudelijk herhaald.

H e t mögt weinig balen. Ee'ns op de geheele reis zijn zij getrac-teerd op zoutvleesch. L e t wel! men bezigt het woord *getracgetrac-teerd>, toen de Javanen datgene k r e g e n , waarop zij, krachtens de monster-r o l , een wettig monster-regt hadden. Dat .tmonster-ractemonster-ren» had plaats op den

7 A u g . en men beweert in dit g e d i n g , dat het plaats had ter gele-genheid vnn het nieuwejanrsfeest der beschuldigden. Die bewering echter,Edel Groot A c h t b a r e H e e r e n ! toont alweder a a n , dat m e n deze beschuldigden niet begrijpt, en dat onbekendheid met h u n n e

«eden en gewoonten tot onjuiste opvattingen kan aanleiding geven.

De Mohammedanen toch vieren den nieuwejaarsdag niet als afzonderlijk feest; bovendien was in ons j a a r 1856 de eerste dag van het j a a r der Mohammedanen niet de 7 A u g . , m a a r de 1 Sept. W a t dus de b e -schuldigden eigenlijk bedoeld hebben met den 7 A u g . , wij weten het n i e t ; het is ons een raadsel ; het is weder een van die p u n t e n , welke doen z i e n , hoe gevaarlijk het standpunt i s , waarop de Neder-landsche regier hier geplaatst is.

I k keer terug tot liet gebeurde op de Twenlhe.

De voeding, of liever het gebrek lijden, bleef hetzelfde. H e t Openb. Min. heeft u gisteren willen betoogen , dat de beschuldigden steeds zeer tevreden waren met h u n n e voeding op de Twenthe. ïïet eerste argument w a s , dat de beschuldigden soms de rijst over boord wierpen. De k r a c h t van dat argument begrijpen wij n i e t , want ons d u n k t , dat zoodanig feit juist zou bewijzen ontevredenheid met h e t voedsel ; maar al zou het argument nog zooveel waarde hebben voor het Openb. M i n . , het zou weinig b a t e n , omdat het geheel onbewe-zen is. En nu het tweede argument. De Javaansche vrouw Sarina zou aan Mevrouw Coopmans hebben medegedeeld, dat de Javanen zoo tevreden waren over h u n n e voeding. Als bewijs tegen ons wil men dus doen gelden een testimonium de auditu en nog wel betrekkelijk hetgeen eene mede-beklaagde zou gezegd hebben. A a n zulke bewijzen houdt men zich in deze zaak vast. Maar wat heeft Sarina nu gezegd?

Dat de J a v a n e n veel van rijst hielden en dat zij die op de Twenthe meer kregen dan op de Jannetje. Maar dat bewijst n i e t , dat zij den zoutevisch zoo voortreffelijk vonden. E n nu het Openb. Min. zich beroept op , en zooveel hecht aan de woorden van S a r i n a , zal het ook wel deze hare woorden als waarachtig willen aannemen : • de zoute-visch was waarlijk te z o u t , wij lieten ze twee dagen te weeken staan en dan nog was zij te zout, en daarna bitter in don mond; wij moesten er zoo verschrikkelijk op d r i n k e n . .

Dat op den duur oneetbare voedsel werd dagelijks geschaft. _ E r blijkt van g é é n e , althans slechts van zeer zeldzame afwisseling in h e t onophoudelijk geven van zoutevisch. Zoo de opgaven der beschuldig-den i n d e instructie juist vertolkt z'jn , erkenbeschuldig-den z i j , (lat, op de tallooze klagten over den zoutevisch.éénnia.il st>>k visch is gegeven.De eerste stuur-man beweert, dat het vijfmaal gebeurd is (prod. n». 17 en 77). Maar de derde stuurman , die met de uitgifte van het eten belast was, bevestigt dat n i e t , en n o e m t , als eenige afwisseling, het tweemaal geven van stok-visch vóór 11 Aug. (prod. n". 69). De scheepsjongen Cammenga gewaagt

— 182

(prod. n*. 115) slechts ran ééne schafting van stokvisch. E n te dezer teregtzitting w e r d u de geheele outkemeuis der beschuldigden op dit punt medegedeeld. Dit laatste toont weder aan de juistheid van het-geen ik veronderstelde, dat de regter in deze z a a k , geheel afhan-kelijk van de t o l k e n , op een zeer gevaarlijk terrein slaat.

M a a r wat nu van die mogelijke enkele afwisseling zij , het is ons om het e v e n , want altijd staat toch dit v a s t , dat vooreerst de b e -schuldigden deels sedert 18 J u n i j , deels sedert 28 Junij tot 15 J u l i j . d u s gedurende 3 a 4 w e k e n , zijn uitgehongerd door onthouding van vleesch , door het ontvangen van niets dan visch, dat men daarna hen g r u w -zaam behandeld heeft, door h e n , na het reeds geleden g e b r e k , nog vier weken l a n g , onder zwaar scheepswcrk, te laten v e r k w i j n e n , door hun driemaal d a a g s , voor ontbijt, m i d d a g - e n avondeten te geven zoutevisch, altijd, zoutevisch , met hoogstens twee uitzonderingen van stokvisch.

E n nu zeggen w i j , dat zulk eene handelwijs door den kapitein van d e Twenthe nooit kan verantwoord worden.

De kapitein wil dan ook gaarne over dat alles heenstappen. Hij wil het liefst doen v o o r k o m e n , als dacht hij zijnen pligt te d o e n , als wist hij van niets.

Leest, Edel Groot Aclitb. Heeren ! de eerste verklaring van den kapitein, d i e , onder plegtigen e e d e , door hem voor den Nedeilandschen consul te Rio J a n e i r o is afgelegd (prod. n». 2 d.).

Hij gewaagt daar van eene k l a g t , door de beschuldigden op den 11 A u g . tot hem gerigt. Maar hij verzwijgt daarbij niet slechts de vele klagten en s m e e k i n g e n , door zijne o n g e l u k k i g e , uitgehongerde schepelingen reeds vroeger zoo herhaaldeliik en onophoudelijk aan h e m gedaan; hij gaat v e r d e r , hij verklaart (en het is verschrikkelijk), dat de Maleijers vóór den 11 A u g . niet alleen niet geklaagd hebben over h u n n e voeding, maar dat zij zich integendeel daarmede "volkomen tevreden hebben betoond.

Dat is onder eede getuigd door den kapitein en daarna zien wij optreden de geheele, zoowel Europesche, als Javaansche equipage der Twenthe, om u i t ée'nen mond die verklaring te bestrijden.

Wij hoorden hier h e t getuigenis van sommigen der Hollandsche e q u i p a g e : wij betreuren l i e t , dat een zoo groot deel der Europesche e q u i p a g e hier niet is k u n n e n tegenwoordig zijn.

M a a r d a a r o m zullen wij in d e z e , meer dan in eenige andere zaak, moeten verwijzen naar de verklaringen, in de insiructieafgelegd. Die v e r k l a r i n g e n , schoon geene geregielijke bewijskracht hebbende tegen d e beschuldigden, mogen wel degelijk ten voordeele der beschuldigden op uwe overtuiging werken. Gij zult die l e z e n , en dan zult gij vernemen , hoe de beschuldigden ononhouclelijk gejammerd en geklaagd

M a a r d a a r o m zullen wij in d e z e , meer dan in eenige andere zaak, moeten verwijzen naar de verklaringen, in de insiructieafgelegd. Die v e r k l a r i n g e n , schoon geene geregielijke bewijskracht hebbende tegen d e beschuldigden, mogen wel degelijk ten voordeele der beschuldigden op uwe overtuiging werken. Gij zult die l e z e n , en dan zult gij vernemen , hoe de beschuldigden ononhouclelijk gejammerd en geklaagd

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 180-193)

Outline

GERELATEERDE DOCUMENTEN