Ut misschien bestaat er weer eene speciale fictie voor dit geval, waar- waar-door Afrika wordt geacht Europa te zijn

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 42-46)

— 89 —

Maar ook die stelling z e l v e , dat een Bchip deel u i t m a a k t r a n bet land, welks vlag het v o e r t , is onjuist en valsch.

Door die stelling geeft men aan de bepaling van art. 1 der Grondwet eene ongeoorloofde uitbreiding.

T o t het grondgebied van het Kijk behooren alleen de d â â r opge-noemde provinciën.

W a t daar buiten ligt is buitenland.

Ligt een schip in eene Nederlaudsche h a v e n , dan bevinden zich de schepelingen op Nederlandsch grondgebied; ligt het niet in eene onzer havens of op een onzer wateren of stroomen, dan bevinden de schepe-lingen zich buiten 's lands.

AVil men eene fictie aannemen en zeggen: wat werkelijk het geval i s , is niet het g e v a l ; wat buitenland i s , is binnenland, dan moet men het bestaan dier ficiie bewijzen.

Dan moet men de wet a a n t o o n e n , waarbij die fictie is ingevoerd.

E e n e fictie, waardoor aan de natuurlijke gesteldheid der zaken wordt gederogeerd, die in tegenstrijd is met wettelijke bepalingen, moet op eene uitdrukkelijke wettelijke bepaling rusten.

Zoodanige wettelijke bepaling heeft men n i m m e r k u n n e n a a n -toonen.

W e l heeft men zich somtijds op enkele wettelijke bepalingen b e -roepen , maar geen dezer bewijst iets voor die fictie.

Zoo heeft men veel geschermd met het bekende Avis du conseil d'&tat van 20 November 1 6 0 6 , sur la compétence en matière de délits commis à bord des vaisseaux neutres dans les ports et rades de France.

H e t beroep op dat advies is echter ten eenenmale ijdel.

Het is w a a r , dat men het vindt in de verzameling van F O R T U I N en EONDONNEAD ; dat het ook voor ons land verbindende is verklaard.

Maar het is even w a a r , dat het sedert is afgeschaft.

Volgens de toenmalige F r a n s c h e Constitutie kon de Staatsraad advie-zen geven ter interpretatie van wetten; welke advieadvie-zen, wanneer ze niet binnen zekeren termijn van inconstitutionaliteit waren overtuigd, als uitvloeisels der wetgevende magt werden beschouwd.

H e t advies n u van 20 Nov. 1806 strekte tot interpretatie van a r t . 3 van den Code N a p . , waarbij bepaald is, dat de strafwet voor allen, die zich op het grondgebied bevinden, verbindende is.

A l s interpretatie van dat artikel m a a k t het een integrerend deel uit van den Code N a p . , is het begrepen onder de besluiten en verorde-ningen , behoorende tot de F r a n s c h e w e t b o e k e n , en met deze onher-roepelijk afgeschaft.

I n Frankrijk moge het nog verbindende k r a c h t h e b b e n , omdat d â â r nog de Code Nap. g e l d t , bij ons is dit niet langer het geval.

Geene enkele regterlijke beslissing is mij dan ook b e k e n d , welke dit advies bepaaldelijk als nog van geldende kracht e r k e n t .

Maar bovendien er is nog eene tweede reden, waarom men zich op dat advies niet k a n beroepen tot bewijs der voornoemde ficiie.

H e t handelt daarover niet. E r hadden zich twee gevallen voorge-d a a n , voorge-dat een livoorge-d voorge-der equipaavoorge-dje van een Amerikaansch schip in eene der Fransche havens zich had schuldig gemaakt aan mishandeling van een ander lid derzelfde equipaadje aan boord van het schip. De Staatsraad besliste, dat in het algemeen de Fransche regter bevoegd was van de feiten, aan boord der schepen.in Fransche havens gepleegd, kennis te n e m e n ; maar dat alleen ingeval het feiqdoor vreemdelingen tegen vreemdelingen was gepleegd, zonder in eeiiig opzigt de rust en veiligheid der haven te s t o r e n , en zonder dat de hulp der locale

- 40 —

autoriteit werd ingeroepen, de F l a n s c h e regter zich van de kennis-neming moest om houden.

De ratio legis is hier duidelijk. Wel omvat de Flansche jurisdictie ook de havens van het Rijk met al wat daarin ligt. Maar wanneer èn dader èn beleëdigde geheel vreemd zijn aan F r a n k r i j k , wanneer het mis-drijf gepleegd is aan boord van een vreemd s c h i p , wanneer het iri geen opzigt de rust of veiligheid van de haven en dus van F r a n k r i j k heeft gestoord, en de hulp der Fransehe justitie niet is ingeroepen,

— dan gaat het feit F r a n k r i j k niet a a n ; dan is het eene zaak, die uit-sluitend de inwendige discipline van het vreemde schip betreft, waar-mede de locale autoriteit zich niet moet bemoeijen ('het advies zegt dit uitdrukkelijk), en dan moet ook de F r a n s c h e regterlijke magt zich onthouden.

Ziedaar den inhoud van het advies. Zoo het eenige fictie heeft inge-voerd , het zou deze zijn : dat in het gegeven geval de zaak moet beschouwd worden als buiten de haven geschied te zijn.

Daaruit echter te bewijzen, dat volgens de beslissing van den F r a n -schen StaaUraad een vreemd schip deel uitmaakt van het territoir van den S t a a t , welks vlag het voert, is geheel onmogelijk.

Veel minder nog wordt daarin beslist, dat een F r a n s c h schip in alle g e t a l l e n , waar het zich ook bevinden moge, deel van F r a n k r i j k is.

Eerst veel later, toen men naar bewijzen zocht voor die fictie, heeft men er dat advies bijgesleept, omdat men nu eenmaal had coedn 'e-vonden die fictie te willen a a n n e m e n , en men althans iets moest hebben om op te steunen.

Het is dan ook opmerkelijk, dat de Hooge E a a d , die meermalen geroepen werd zich daarover te verklaren steeds stilzwijgend dat advies ter zijde legde.

Niettegenstaande zoowel bij gelegenheid van het arrest van 12 Junij 1850 als bij dat van SO A u g . 1850 met a a n d r a n g de aandacht van den Raad op dat advies werd gevestigd, wordt het in beide arresten zelfs niet genoemd.

Het is alsof de Hooge Raad eene refutatie van de geldigheid van dat advies beneden zich achtte.

Behalve op dat advies heeft men zich evenwel nog op enkele artikelen van het Burgerlijk "Wetboek beroepen tot staving dier fictie, en wel op art. 35 en v o l g . , art. 60 en volg. en art. 994 B . W . Bij die artikelen wordt bepaald, hoe men moet handelen , ingeval aan boord van het schip hetzij eene geboorte , hetzij een sterfgeval plaats heeft, hetzij iemand o p e e n schip een uitersten wil verlangt te m a k e n . I n de twee eerste gevallen moet de acte van geboorte en overlijden in het dagregister worden overgeschreven en een uittreksel daarvan naar Nederland gezonden worden ten einde aldaar te worden inge-schreven.

De reden dezer bepalingen is zeer eenvoudie.

H e t is van het uiterste belang, dat de burgerlijke staat der p e r -sonen, en vooral hunne geboorte en hun overlijden geconstateerd worden.

Volgens onze wet moet dit geschieden op de plaats der geboorte of van het overlijden.

Heeft dat nu in het buitenland plaats dan m o e t h e t i n het buitenland geschieden op de wijze , daar voorgeschreven.

Heeft het op het schip plaats, dan moet het op het schip geschieden.

Maar daar op het schip geen ambtenaar van den burgerlijken stand i s , geene registers zijn , daar een schip de ongeschiktste plaats is om bij

— 41 —

voortduring iets te b e w a r e n , zoo beveelt de we! eene tweede inschrij-ving in Nederland.

Hoe nu in deze bepaling eene erkenning kan liggen van de fictie, dat het schip Nederlandsch grondgebied i s , is moeijelijk te vatten.

Ook ingeval van een huwelijk in een vreemd land gebiedt de wet eene inschrijving hier te lande. Maar is daarom het huis van de bruid of wel h a r e woonplaats deel van het Nederlandsen grondgebied ? W i e zou dit durven beweren?

E n toch het is hier geheel hetzelfde geval.

E n wat nu betreft art. 994 B. W . , d e gevolgtrekking uit dit artikel is nog duisterder.

De wetgever e r k e n t testamenten a l l e e n , ingeval ze verleden zijn in den vorm en met inachtneming der formaliteiten , gebruikelijk op de p l a a t s , waar ze g e m a a k t worden.

I n het buitenland moet men dus buitenlandsche vormen in acht nemen.

Maar een schip heeft geene eigene wetgeving, geene eigene vormen , en daar toch de wetgever ook aldaar verleden testamenten wilde e r k e n n e n , moest hij wel voorschrijven, hoe die moesten verleden wor-den , om door hem erkend te worwor-den.

Uit niets b l i j k t , dat men bij die bepalingen zelfs in de verte dacht aan de fictie, die m e n e r nu in meent te vinden.

E n ik zou zelfs van deze artikelen geene melding hebben gemaakt ware het niet, dat men ze in het meergenoemde arrest van den H o o -gen Raad van 12 Junij 1850 vond aangehaald als uitvloeisels van deze fictie.

H e t is echter blijkbaar, dat de Hooge Raad zieh op een minder juist standpunt had geplaatst.

Dat collegie begon met aan te n e m e n , dat het een erkend en onbetwistbaar beginsel van regt w a s , dat een schip op zee een deel u i t m a a k t van het grondgebied van den S t a a t , waartoe het behoort. Dit was juist te bewijzen.

Dat beginsel nu werd als aangenomen verondersteld in de genoemde artikelen van het Burgerlijk W e t b o e k , en er bestond volgens den H . R.

geene reden , waarom het ook niet in strafzaken zou gelden.

Die reden echter bestaat wel degelijk en zij is afdoende.

W a n n e e r al in die artikelen van het Burgerlijk Wetboek die fictie werd gehuldigd, hetgeen ik meen aangetoond te hebben , dat niet eens het geval i s , maar zelfs gesteld ze ware daarin gehuldigd, dan zouden die bepalingen geheel exceptieve bepalingen zijn, dan zouden ze als exceptieve bepalingen geenerlei uitbreiding dulden.

E n nu kan men onmogelijk, alleen omdat in een drietal bepalingen van burgerlijk regt uitdrukkelijk eene fictie, eene afwijking van de natuurlijke gesteldheid der zaak is opgenomen, die fictie algemeen m a k e n , de exceptie tot regel verheffen, en haar ook stilzwijgend, zonder dat de we't er iets van weet, overbrengen op het geheel af-gescheiden gebied van het strafregt.

Ook hier geldt, wat ik van het Fransche advies zeide, men had zich nu eenmaal in het denkbeeld g e b r a g t , dat het schip een deel van het territoir i s , en wilde daarvoor bewijzen ook in de wet vinden.

E n dat men zoo naar bewijzen in de wet zoekt, is een sterk bewijs, dat men den g r o n d , waarop men vroeger die fictie b o u w d e , onder zich voelde wegzinken.

Die grond w a s : het algemeene volkenregt.

Men zegt gewoonlijk: volgens het algemeene volkenregt is een schip een deel van het la:>d , welks vlag liet voert.

3

_ 42 —

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 42-46)

Outline

GERELATEERDE DOCUMENTEN