De Voorzitter. Ik zal aan de verdediging mijn voornemen mededeelen

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 61-75)

•i

58 —

omtrent de wijze, waarop de verklaringen der getuigen aan de beschuldigden zullen worden kenbaar gemaakt. I k zal aan de b e schuldigden doen overbrengen , wat voornamelijk ter hunner v e r -dediging noodig is. E n als de Proc.-Gen. of de ver-dediging mogteu b e m e r k e n , dat ik iets vergeten h e b , dan gelieven zij dit te zeggen.

I k verzoek den tolk hen in hun eigen belang over te brengen wat hier is gebeurd, in het v e r t r o u w e n , dat hij goed zal hebben gehoord.

De Voorzitter vraagt n u , door middel van den tolk , aan de be-schuldigden op welke voeding zij zijn aangemonsterd en wat er ten deze tusschen den waterschout en den S e r a n g is voorgevallen.

Beschuldigden antwoorden, dat zij aan den kapitein niets hebben g e v r a a g d , maar dat zij dit wel degelijk aan den waterschout hebben g e d a a n , die hun bevredigende antwoorden heeft gegeven. Zij hadden niets anders v e r w a c h t , dan dat de voeding, die zij vroeger genoten b a d d e n , zou doorgaan.

Aan den besch. Medin wordt gevraagd , welke voeding hij op de Twenths verlangd of verwacht heeft.— Deze a n t w o o r d t , dat hij reeds te Rotterdam aan den kapitein andere voeding gevraagd heeft, en dat dit herhaald is , toen hij aan boord wras. De kapitein had echter g e -antwoord , dat dit eene onmogelijkheid w a s , daar de reederij hem m e t niets anders had uitgerust.

Dezelfde vraag wordt gerigt aan Sidin, die daarop a n t w o o r d t , dat de bemanning reeds bij het weggaan over de voeding heeft geklaagd.

N u wordt aan sommige der beschuldigden de vraag g e d a a n , of zij bij de aanmonstering gevraagd h e b b e n , welke voeding zij zouden verkrijgen en of daar bepaaldelijk over gesproken is. Sommige dei-beschuldigden, waaronder Tjiplis . hebben daarop te k e n n e n gegeven, dat daar niet naar gevraagd is. Iiasidin z e g t . dat hij met den w a t e r -schout , den heer Rijk , daarover wel degelijk heeft gesproken en dat hij goed eten gevraagd heeft, hetgeen deze beloofd had.

Getuige Rijk zegt, dat er niet bepaald over de voeding gesproken i s , anders dan dat zij goed zoude zijn,zoadat niet werd uitgemaakt, of de Indische bemanning Europesche of Indische voeding zou bekomen.

De Voorzitter. Is kapitein Coopmans niet in November 1856, hetzij a l l e e n , hetzij met den eersten stuurman Soff, bij u gekomen en heeft er toen geen gesprek plaats g e h a d , bepaaldelijk over de monsterrol?

Getuige antwoordt : De kapitein en de stuurman zijn destijds bij mij g e k o m e n , ten einde over de monsterrol te s p r e k e n , w a a r i n , volgens hen , vergeten was te vermelden , dat er Indische voeding zou worden gegeven. Op de vraag om dit alsnog daarop te v e r m e l d e n , heeft g e -tuige g e a n t w o o r d , dat hij geen titel of j o t a op de monsterrol kon veranderen. Toen heeft de kapitein g e v r a a g d , of getuige zich dan niet h e r i n n e r d e , dat de menschen alleen op Javaansche voeding waren a a n g e n o m e n , hetgeen hij zich volstrekt niet h e r i n n e r d e , want er was alleen gezegd, dat zij op dezelfde wijze als op het schip Jannetje zouden worden behandeld.

De Voorzitter. W a s de bepaalde reden van de komst van den k a -pitein dus , om over de monsterrol te spreken en te trachten daarin eeue verandering te brengen?

Getuige beantwoordt die vraag bevestigend. Hij mögt dit niet doen.

H e t zou het eerste schip (gedurende dat hij watersehout is) zijn g e -weest , waarmede iets dergelijks zou hebben plaats gehad.

De heer Mr. van Stipriaan Luiscius doet aan getuige de vraag o n -derwerpen , of in de Indische monsterrol ook steeds opgenomen is eerst de lndi<che voeding en daarna de Europesche?

— 59 —

Getuige antwoordt, (lat hij dit nooit daarin gevonden heeft. E r wordt daarin meest gezegd, dat zoodanige bemanning Javaansche voeding h e b -ben zal. In den laatsten tijd werden er dikwerf contracten gesloten , waarin dit bepaaldelijk werd opgenomen.

I I . MAKTINITS J O N K H E E R , k l e r k bij den waterschout te Rotterdam.

Zijne verklaring komt hierop neder: De beschuldigden werden te Rotterdam aangemonsterd. Hij was daarbij tegenwoordig. Dit is ge-schied in twee partijen, eerst de zes eersten, later de zestien overigen, die op het schip Jannetje uit I a d i e herwaarts waren gekomen.

De Voorzitter h e r i n n e r t , dat hij vroeger heeft opgegeven, dat de monsterrol voor de Twenthe op 18 Junij 1856 werd g e o p e n d , ten einde de monstering niet onder de w e r k i n g van de nieuwe wet te doen plaats vinden.

Antwoord. Dit is geschied op verzoek van den kapitein.

Vraag. W a t denkt g i j , dat de reden daarvan w a s ?

A. I k weet n i e t , welke reden daartoe bestaan heeft. Waarschijnlijk was het om de moeijelijkheden, die de nieuwe wet o p l e v e r d e , te ontduiken.

V. I n de monsterrol worden gewoonlijk opgenomen de voorwaarden , waarop de aanmonstering plaats heeft ; is er nu bij de a a n -monstering ook over de voeding gesproken ?

A. E r is noch door den kapitein noch door den stuurman iets over de voeding gesproken. A a n iederen J a v a a n s c h e n schepeling zijn door den waterschout de gebruikelijke vragen g e d a a n , maar over de voe-ding is niet bepaald gesproken. De heer Rijk heeft alleen g e v r a a g d , of zij tevreden waren met dezelfde voeding en gelijke behandeling , als zij vroeger, bij h u n n e komst h e r w a a r t s , op Ned. schepen hadden ondervonden. Daarmede stelden zij zich tevreden. H u n werd d a a r n a verzekerd dezelfde behandeling en dezelfde voeding als vroeger.

Eindelijk werd getuige ondervraagd over het gebeurde in November 1856. Zoo werd hem gevraagd , of de kapitein bij zijne komst te Rotterdam geen verandering van de m o n s t e r r o l , ten opzigte van de voeding, verlangd heeft?

Getuige antwoordt daarop bevestigend. H e t was een gewone monster-rol , zooals die steeds op het kantoor wordt gebruikt. De heer Rijk had bepaald geweigerd eenige verandering in de monsterrol te brengen.

I I I . ANSCO COOPMANS , kapitein , gevaren hebhende op de Twenthe, die geen e e d , maar eene belofte aflegt van de waarheid te zullen spreken.

De Voorzitter. I k zal u over onderscheidene punten moeten onder-houden. T e r v o o r k o m i n g van v e r w a r r i n g , zal ik dat achtervolgens doen op deze w i j s : 1». over uwe vorige loopbaan, voor zoover die betrekking heett tot deze z a a k ; 2". wat er gebeurd is bij de a a n m o n -stering te R o t t e r d a m ; 3". wat er aan boord is voorgevallen tot 12 A u g . ; 4". de gebeurtenissen op 12 A u g . ; 5". wat voorgevallen is n a 12 Aug. tot uwe komst te Rotterdam ; en 6°. wat bij of n a die t e r u g -komst te Rotterdam geschied is.

V. Gij hebt reeds vroeg gevaren?

A. J a .

V. Gij hadt reeds onderscheidene reizen gedaan?

A. J a .

V. Ge waart als scheepsjongen begonnen en hadt het tot koop-vaardijkapitein gebragt?

— 60 —

A. J a .

V. Ge hebt bepaaldelijk de drie reizen Kaar Indië gedaan tact kapitein H e r m a n ?

A J a , en wel als stuurmaneleorling, als jongen en als ligt matroos.

V. H e b t gij niet eene reis als 3de stuurman naar S u r i n a m e heen en terug gedaan ; vooris met den vice-admiraal Rijk naar J a v a mede heen en t e r u g ; wijders als 2de stuurman naar Oost-Indië ; als 1ste stuurman eene reis rondom de wereld ; en eindelijk de ongelukkige reis met de Tiuenthc als koopvaardij-kapitein ?

A. J a .

V. Hebt ge op die reizen dikwerf met J a v a n e n of Maleijers o m -gang of verkeer gehad ?

A. Niet anders dan op J a v a , en behalve dat op eene der reizen een Javaan de kajuit bediende.

V. W a a r o m hebt ge bij de eerste reize , die ge als kapitein d e e d , juist 22 J a v a n e n of Maleijers in dienst genomen ?

A. Omdat ik met het grootste genoegen met de Javanen in Indië h e b gewerkt. Bij preferentie heb ik met de koelies aldaar gearbeid.

Die herinnering heeft mij op de gedachte g e b r a g t , d a t , als ik eenmaal gezagvoerder w e r d , ik dan J a v a n e n zou in dienst nemen , omdat onze eigene equipage soms zeer ruw en onaangenaam is. D a t h a d i n e n juist van J a v a n e n of Maleijers minder te wachten.

V. Kendet ge het Malei*ch?

A. I k verstond genoeg M a l e i s c h , om met hen te kunnen omgaan en hun de werkzaamheden aan te wijzen, die ze te verrigten hadden.

V. W a s de Twenthe niet een nieuw gebouwd s c h i p , behoorende aan eene Nederlandsche reederij, bestemd naar B a t a v i a , om aldaar eene lading voor de Ned. Handelmaatschappij in te nemen ?

A. J a .

V. W a a r o m bevond het zich te R o t t e r d a m ?

A. H e t was te Delfshaven gebouwd en moest te Rotterdam worden gemonsterd. Toen het daar k w a m , was het reeds geballast, wijl het anders daar niet had kunnen k o m e n .

V. H o e k w a a m t gij aan de 22 Maleijers?

A. Den 6 of 7 Junij kwam een persoon aan boord, om mij 6 J a -vanen aan te bevelen, die met het schip Vrijhandel, kapitein K e t w i e h , te Amsterdam waren gekomen. Zoodra die manschappen waren overg e k o m e n , heb ik ze dadelijk te eten doen overgeven. Zij overgaven hun v e r -langen te k e n n e n , gaarne spoedig gemonsterd te w o r d e n , ten einde de reis mede te m a k e n . Zij werden aangenomen op de gewone voe-ding der J a v a n e n , dat is op rijst, visch, Spaansche p e p e r , thee en suiker. I k heb aan den waterschout gevraagd , of dat niet op de m o n -sterrol staan m o e s t , waarop hem geantwoord werd , dat dit niet be-hoefde, omdat deze schepelingen het toch niet konden lezen. L a t e r werd ik in de gelegenheid gesteld nog 16 J a v a n e u in dienst te nemen , die met het schip Jannetje herwaarts waren gekomen en ook deze

•werden op hetzelfde voedsel aangemonsterd.

V. Zijn er binnen 's lands ook eeuige moeijelijkheden over de voeding ontstaan ?

A. Neen , zij hebben geene bezwaren kenbaar gemaakt.

V. W e r d e n de 6 eersten niet door u aangenomen met den stuur-man Soff, en de 16 laatsten door n a a n g e m o n s t e r d ?

A. J a .

V. W e l k denkbeeld hadt ge over de v o e d i n g , waarop «e zijn aan-genomen ?

- 61 —

A. Dat ze Indische voeding zouden bekomen.

V. Ge hadt de monsterrol aan boord van het schip. W a s dat geen stuk van gelijken inhoud als waarvan eene copie onder de proces-stukken voorkomt er. u is en wordt onderworpen?

A. J a .

V. Als eene zaak h a a r beslag heeft gekregen . dan ziet men g e -woonlijk het opgemaakte stuk in , en dan had men dadelijk kunnen o n t w a r e n , dat daarop niet voorkwam de voeding, waarop ge de m a n -schappen hebt aangenomen.

A. Dat contract was ter goeder trouw opgemaakt d o o r e e n öecier-landsch a m b t e n a a r , zoodat het niet noodig was daarmede naar een advokaat of notaris te gaan. D e E u r o p e s c h e equipage was ook gemon-sterd op hetgeen daarin voorkwam.

V. Ge meent d u s , dat de Javanen waren aangemonsterdop Indison voedsel en dus niet op vleesch ?

A. J a , zij waren op Indisch voedsel aangemonsterd.

V. Ge hebt daarnaar uwen inslag gedaan ?

V. Toen zij aangemonsterd waren , zijn ze dadelijk aan board gegaan ?

A. Zoover ik mij h e r i n n e r , j a .

V. De equipage van het schip bestond uit de H o l l a n d e r s , eene Javaansche meid, die n a a r l n d i ë terugkeerde en de 22 beschuldigden 1

N u werd door den tolk aan de beschuldigden overgebragt de ver-k l a r i n g van den ver-kapitein, dat zij op Indische of Javaansche voeding waren aangemonsterd.

De Serang Sidin antwoordt d a a r o p , dat zij zijn aangemonsterd op dezelfde wijze, als zij vroeger op andere schepen waren behandeld

Kapidin zegt. dat de kapitein hem gevraagd heeft wat hij verlangde te hebben; dat hij daarop gezegd heeft, visch en vleesch, en dat de kapitein toen te kennen heeft gegeven, dat dit goed was.

De kapitein. Bij de monstering is te kennen gegeven . wat zij zon-de» krijgen. Het spreekt van zelf, dat een kapiiein aan de schepe-lingen niet zou v r a g e n , wat zij zonden verlangen te oekomen.

De Voorzitter. W e l k e reden bestond er dan v o o r , dat ge aan boord hebt laten komen gedroogd en ander vleesch, dat later weder is weggevoerd ? Als ge geen vleesch te geven h a d , waarom het dan aan boord g e b r a s t ? . . . .

A. Dat geschiedde met het d o e l , om hen van tijd tot tijd eene versnapering te geven. I k heb van de Jannetje vleesch laten a f h a l e n , om hen als versnapering toe te dienen , maar dat is teruggezonden, o m -dat het bleek, -dat 'bet niet meer goed was.

De beschuldigden deswege o n d e r v r a a g d , h e b b e n , door middel van den tolk g e a n t w o o r d , dat zij geen woord daarover gehoord ot gesproken hadden. Wenigen hadden het vleesch g e z i e n , anderen niet.

l e n h u n n e r , die het gezien h a d , verklaart, dat het nat w a s , en dat toen gezegd was droog dat vleesch, waarop de stuurman gevraagd had het weder van boord te b r e n g e n , hetgeen dan ook geschied is.

De Voorzitter vraagt nu aan getuige: nu lag het schip zeilree het zeilt w e g , was er nu door de schepelingen over de voeding tot dusverre geklaagd?

A. N i m m e r .

V. Kregen zij hier te lande ander voedsel dan op z e e r A. Neen , hetzelfde.

— 62 _

eh1d?

r U e n h e t SeWP

'

:

'

ZCe gest

"

ken k

' -

wat heeft er toc

" P

las

>ts

A. De Serang heeft zich den 15 Julij 1 8 5 6 , toen het schip in zee gesleept w e r d , over een voorval driftig g e m a a k t , waarop de stuurman h e m bij de borst vatte. Toen werd de Serang in de kajuit geroepen en hem onder het oog g e b r a g t , dat hij van gedrag moest veranderen , waarop h y om vergeving verzocht en te kennen gaf, dat hij niet

wel gehandeld h a d . J

V Dat voorval o n t s t o n d , omdat den Serang het werken bevolen w e r d , terwijl hy schafte. Hebben de J a v a n e n nu ook een bepaalden tijd voor de schafting en voeding?

A. J a .

V Ontstond het geschil niet, omdat hem werk werd opgedragen op den tijd van het schaften ?

A. J a .

_ F . Is het ongenoegen niet ontstaan, omdat er vier man voor de giek waren g e c o m m a n d e e r d , om de echtgenoote des doctors aan wal te b r e n g e n , eu hebt ge hen hun onbehoorlijk gedrag niet onder het oog gebragt ?

A. J a .

F . Heeft de S e r a n g , bij die gelegenheid, niet eenige Maleische woorden gebezigd, die uwe aandacht t r o k k e n ?

A. J a .

V. W a t betoekenden die woorden ?

i ' IT h?o h"e|a a r a a n d ie betoekenis: pasop, pas op, als wij op zee zijn.

V. Heeft de Serang verder behoorlijke dienst g e d a a n , en gaf hij geen reden meer tot k l a g t e n ?

A. Neen. Zijn gedrag was verder behoorlijk.

5Tu werd door den tolk aan vier der beschuldigden gevraagd of ze de vrouw van den doctor niet aan wal hadden g e b r a g t , waarop zij een bevestigend antwoord gaven. Aan den S e r a n g werd gevraagd, ot op den d a g , dat de echtgenoote van den doctor van boord was gegaan , onaangenaamheden waren voorgevallen, of hij boos was g e -w o r d e n , en of hij zijn etensbakje toornig op het dek had ge-worpen?—

De berang a n t w o o r d d e , dat men eerst twee ankers had mVezet dat men toen aan het eten zou g a a n , maar wederom geroepen w e r d , dienst te doen. Daarover was men verstoord geworden , waarop de stuurman Soff hem bij de borst gevat h a d .

Gevraagd of hij , bij die g e l e g e n h e i d , ook eene bedreigin« gebe-zigd had , ontkende de Serang dit. Als hij dat gezegd h a d , voe»t hij er bij dan zou de kapitein hem wel niet naar zee hebben mede "•"nomen

Gevraagd of de kapitein hem over het voorgevallene heeft onder-houden , ea of hij niet beloofd h a d , zich beter te zullen gedragen antwoordt de Serang daarop . dat hij door den stuurman werd geroe-pen , en met dezen naar den kapitein gegaan is. E r werd hem toen g e v r a a g d , of de kapitein bang was vuor zijn v o l k , waarop de kapi-tein gezegd had : als ik bang was voor het volk , dan g i n " ik niet oj) zee.

De Voorzitter ondervraagt den getuige nu over hetgeen tot den 12 A u g . op zee is voorgevallen?

A. Eerst 14 dagen te voren had ik eenige klagten over het voedsel v e r n o m e n ; de visch was te zout; ik heb toen order gegeven om dien te ververschen ; m a a r dit bevredigde niet en toen heeft men gevraagd ot men stokvisch kon bekomen ? Intusschen had de Serang te Rotterdam v e r k l a a r d , dat de J a v a n e n geen stokvisch wilden eten. Het scheen

— 63

-echter dat "een der schepelingen daarvan iets wist. Zelfs heeft eert der J a v a n e n den S e r a n g aangevlogen, omdat hij dit gezegd had.

Hoezeer ik er dos niet op gerekend had aan de schepelingen stok-visch te geven, hen ik er toch toe overgegaan.

V W a n n e e r heht ge met het gevêü van stokvisch aangevangen.' Volgens de verklaring van den derden s t u u r m a n , was er in Augustus driemalen stokvisch afgeleverd.

A. Zoodra do klagt over den zoutevisch ontstond, heb ik Order rreo-eveii stokvisch af te leveren.

Hierover werden nu velschillende beschuldigden ondervraagd. De Serang heeft de klagt over de voeding aan den kapitein overgebragt.

Die klasten sloegen meer bepaald op den zoutevisch.

Hij ontkent dat hij te Rotterdam gezegd heelt, dat de Javanen geen stokvisch wilden hebben. De kapitein had hem gevraagd, of iij een-of tweemaal zoutevisch zouden e t e n , hetgeen hij had toegestemd.

Kapidtn o n t k e n t . d a t hij kwaad was op den S e r a n g , omdat deze zou eeze"d hebben, dat de Javanen geen stokvisch aten. _

A a n vijf verschillende beschuldigden, Batjook I , Makidin . Ngaitin , Kiman en M e d i o , wordt gevraagd, of zij in de laatste dagen van h u n n e reis ook met stokvisch gevoed zijn? Allen antwoorden daarop ont-kennend. , l u ' L j L i . ' I

D e Voorzitter. E r is toch werkelijk in den laatsten tijd stokvisch geschaft. .

De beschuldigden a n t w o o r d e n , dien niet te hebben gehad.

De kapitein blijft bij zijne v e r k l a r i n g , dat hij stokvisch heeft d< en afleveren. . ...

De Voorzitter. Ook uit de verklaringen van andere getuigen blijkt h e t , dal er stokvisch is afgegeven.

Do Voorzitter gaat n u over tot het gebeurde op 11 A u g . , d . i . de dag voor het noodlottig voorval. Hij vraagt aan den g e t u i g e , wat op dien dag is gebeurd?

A T e n 12 ure heeft men opgehouden te werken, d e n 1 u r e werd ik onderriot, dat de beschuldigden hun werk hadden gestaakt en het niet v e r k o l e n te hervatten. I k h e b hen toen bij mij doen komen om de oorzaak daarvan te v e r n e m e n , toen één der beschuldigden lieert g e a n t w o o r d , dat ontevredenheid over de voeding de oorzaak was en dat zij voedsel v e r l a n g d e n , gelijk de Europesche zeelieden. I k heb hen toen doen o p m e r k e n , dat ik tot de verlangde voeding niet was u u gerust en ze dus niet kon geven, en dat geen hunner zich op de m o n -sterrol kon beroepen, waarbij, naar mijne overtuiging, Indisch voedsel was bedongen. Een negental is kort daarop weder aan het werk gegaan ; de overigen zijn weigerachtig gebleven; waarop ik gezegd heb , dat die den arbeid niet voortzette, ook geen eten zou krijgen.

De Voorzitter doet de negen beschuldigden, die het werk hadden gestaakt en daarna het eerst weer hadden opgevat, opslaan, die dooi-den kapitein ook wordooi-den herkend. Hij vraagt hen. aan welke oorzaak d e ontstane moeijelijkheden moeten worden toegeschreven, ten gevolge waarvan zij aanvankelijk weigerden te w e r k e n . .

Zij antwoorden, dat het onvoldoende der voeding de aanleiding daartoe was. Eerst weigerden zij ie wei ken , maar toen de kapitein het h u n bepaaldelijk afvroeg hebben zij zich bereid verklaard den

arbeid voort te zetten. "

De Voorzitter (aan do beschuldigden). W a a r o m hebt gij het werk

*B! ä . Omdat wij het niot koudon uithouden, wegens de slechte

— 64 —

T O e Tri nS ' rW i j J k r e g e n e Q k e l zoutevisch, die nietalleen zont, m a a r bitter was.

V. W a s de overige voeding goed?

A. Wij kregen een klein weinigje rijst, m a a r niet genoeg.

F . W a s de zoutevisch zoo z o u t , d a t , wanneer m e n niets a n d e r s k r e e g , men daarvan last h a d ?

Ken der beschuldigden antwoordt d a a r o p , dat de visch zoo slecht en zout w a s , dat men dien over boord wierp.

V. Hoe en wanneer werden de schepelingen ge v oed ?

A. T e n eerste: 's morgens om 8 u u r ; dan kregen wij rijst met zoutevisch waarvan het zout niet w e g g i n g ; ten tweede werden wij om 12 uur op dezelfde wijs gevoed, en ten derde ' s avonds wederom zoutevisch met peper.

V. Of dit nu de geheele voeding was, die men den ganschen da<r

bekwam ? "

A. Wij hebben niets anders gehad.

Op de vraag aan Tjiplis, of men ook beschuit had gegeven , wordt eerst ontkennend g e a n t w o o r d , m a a r later g e z e g d , dat het bij wijze van tractement geschied was.

Op de vraag, of niet door een hunner aan de jongens om beschuit of iets anders gevraagd i s , wordt door een der beschuldigden geantwoord , dat hij toen een klein stukje brood heeft bekomen.

De Voorzitter aan den getuige (den kapitein). W o r d e n de J a v a n e n altijd zoo gevoed? Krijgen zij alleen rijst, zousevisch en peper? Geen b r o o d , geen beschuit, geen vleesch ? Niets van dien aard ?

A. N e e n , dat is Javaansche voeding.

V. V e r k e e r d e t gij in het d e n k b e e l d . d a t zij op geene andere v o e -ding w a r e n aangemonsterd ?

A. J a .

V. Gij meendet dus hun niets anders te moeten geven ? A. N e e n .

Mr. VAN STIPRIAAN LTJÏSCIUS doet aan getuige de vraag rigten of zoutevisch een Indisch voedsel i s ?

A. I k durf dit niet zeker zeggen. I k had bij de uitrusting g a a r n e meer gedroogden visch verlangd , m a a r ik kon dien niet krijgen.

V. Ge hebt eerst geen stokvisch gegeven, omdat de Serang verklaard h a d , dat de J a v a n e n het niet a t e n , m a a r ge hebt later, toen de klagten ontstonden, wel stokvisch doen afleveren.

A. I k h e b daartoe aan den eersten stuurman Soff order gegeven.

De zitting wordt voor een half uur geschorst.

N a de hervatting van de zittiug vraagt de adv.-gen.FRANÇOIS het woord. Met het oog op het bij den a a n v a n g van de behandeling dezer zaak gedaan verzoek en bij het blijkbaar vermoeijende van de taak der tolken in dit strafgeding, meent hij aan het Hof te moeten voor-stellen een derden tolk te benoemen en dien als zoodanig te beëedigen.

N a de hervatting van de zittiug vraagt de adv.-gen.FRANÇOIS het woord. Met het oog op het bij den a a n v a n g van de behandeling dezer zaak gedaan verzoek en bij het blijkbaar vermoeijende van de taak der tolken in dit strafgeding, meent hij aan het Hof te moeten voor-stellen een derden tolk te benoemen en dien als zoodanig te beëedigen.

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 61-75)

Outline

GERELATEERDE DOCUMENTEN