Getuige Soff. Het is bepaald op hunne aanmerking weer naar de Jannetje gebragt

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 114-118)

V. Dan moest da kapitein toeh de overtuiging hebben gehad , dat de Javanen vleesch moesten hebben. Intusschen , hij heeft daarop ge-antwoord , dat hij niet verpligt was het te geven, maar dat, omdat zij het op de Jannetje hadden gehad, hij hun dit als eene versnape-ring wilde geven.

A. Dit is ook zoo ; maar op hunne aanmerking, dat het niet goed was , is het weer aan boord van de Jannetje gebragt.

V. tot getuige Conpmans. Hebt gij ook met den kapitein Lupcke over dat vleesch gesproken ?

A. Ja ; toen ik hem mijn verlangen te kennen gaf om het over te nemen, zeide hij: «dan moogt ge 't wel gaauw overnemen; maar ik heb nog een mandje gedroogden visch, als g'ij dat wilt, kunt gij het overnemen.. Ik heb het dan ook overgenomen, en wat het vleesch betreft, daar het dan toch niet aan het doel beantwoordde, om de vochtigheid, waarin het verkeerde, heb ik het weer naar de Jannetje teruggezonden.

V. Kon het dan niet gedroogd worden ?

A. Neen, dat kon niet meer. Het stond huu ook niet meer aan.

V. Kunt gij ook aanwijzen , welke Javanen van dit vleesch iets

— i n —

wi ten ? I k verzoet den tolk den Serang een$ te v r a g e n , wat hij van de dinding af weet?

A . Hij weet het niet.

E e n der anderen a n t w o o r d t , dat hij , als opvolger van den S e r a n g , belast was met het vleesch af te halen. Het was v o c h t i g , en er is toen gelast het te droogen.

V . tot getuige Coopmans. I s het w a a r , d a t , toen de eerste t i m m e r -man u verzocht verandering in de zaak te b r e n g e n , gij geantwoord hebt, dat gij dat niet kondet ?

A. De baas timmerman zeide: «Kapitein, ik zie er zóó geen gat o p . - Toen antwoordde ik: « B a a s , dit is wel mogelijk, m a a r één moet hier baas zijn, en ik wil mij niet laten dwingen. I k beroep mij op de monsterrol.»

V . T o t den heer Veenhuyzen. Zeg h u n , dat d e stuurman Barends verklaard heeft van P a Seno een slag m e t eene handspaak te hebben ontvangen.

Pa Seno a n t w o o r d t , dat hij op het dek was en een slag met een sabel van Barends had ontvangen; dat hij h e m toen alleen met de handspaak had gedreigd.

V . Blijkens de verklaring van den getuige B a r e n d s , is hij w e r k e -lijk door de handspaak getroffen en niet bloote-lijk er mede gedreigd.

Pa Seno antwoordt a n d e r m a a l , dat hij er niet mede had geslagen ; hij had er nog niet mede g e r a a k t ; maar de stuurman is weggeloopen en door de k e r k s k a p gesprongen. Hij (besch.) was reeds door den tweeden stuurman verwond en hij heeft zich vervolgens m e t eene handspaak verweerd.

W o r d t aanteekening gedaan in het proces-verbaal der teregtzitting, dat P a S e n o , blijkens zijne eigen e r k e n t e n i s , was in het bezit van eeue h a n d s p a a k , waarmede h i j , volgeus zijne o p g a v e , zich had v e r -weerd.

Pa Seno zegt vervolgens, dat Doolah was v e r w o n d , en dat hij toen nog geene handspaak bij zich had. Hij heeft die toen opgenomen, m a a r er niet mede geslagen.

V . tot den tolk. M e r k hem eens o p , dat thans alleen sprake is van stuurman Barends en niet van Vermeulen ; en Barends verklaart wel degelijk door hem met eene handspaak te zijn getroffen.

V . tot getuige Coopmans. Uit de verklaring, die nu zoo even ia voorgelezen, wordt al weder door stnurman Barends bevestigd, d a t gij een stuk vleesch in de h a n d h a d t en gezegd moet h e b b e n : cassisampi.

A . I k herinner het mij niet.

"Wordt voorlezing gedaan van het volgende verhoor van getuige B a r e n d s :

• V . W a s het niet laat geworden ter reede van Hellevoet door h e t ligten van een a n k e r , met het schaften van het v o l k , toen door u vier man voor de sloep gekommandeerd werd ?

A . I k herinner mij dat het schip voor twee ankers gelegen heeft en een a n k e r geligt w a s , doch of het daardoor laat geworden was met schaften, k a n ik mij niet herinneren.

V . K u n t gij u de vier Javaansehe roeijers h e r i n n e r e n , welke gij te Helievoet in de sloep hebt gekregen ?

A . J a , als ik ze zie.

Wij doen de beklaagden S i d i n , S i m i n , Ngangsi en Nguitin bin-nenleiden.

Getnige h e r k e n t hen voor dezelfden.

— 112 —

Zij worden afgeleid.

V . W i e heeft u gevraagd , of het eiland in het gezigt Madeira was-, en of dat een Portugesche bezitting w a s ?

A . E r zijn er meer geweest, maar van Kiman kan ik het mij alleen

herinneren. J

Wij doen K i m a n binnenleiden, en deelen hem mede wat de stuur-man gezegd heeft.

Hij onikent gevraagd te hebben of het l a n d , hetwelk men in liet gezigt moest k r i j g e n , Madeira w a s . of eene Portugesche bezitting

JJe genüge herinnert hem n u , dat hij hem dit g e v r a a g ! heeft toen de beklaagde des nachts op den uitkijk stond of er land in het gezigt k w a m , hetgeen men volgens het bestek verwachtte; bij die gelegen-heid zou hij bekl. gezegd hebben , wat moet dat toch voor land "zijn en is dat eene Portugesche bezitting.

Beklaagde zegt er zich niets van"te k u n n e n herinneren.

Hij wordt afgeleid.

V . K u n t gij n ook de acht menschen herinneren, die zijn blijven d o o r w e r k e n ? J ""Jv c">

A . I k zal ze mij wel herinneren als ik hen zie ; de Serang was destijds ziek en heeft bepaald niet geweigerd te wei ken

Wij doen binnenleiden den Tandil Kapidin , den J e r e m ^ e d i L i n g o matrozen b e t r o , M a k i d i n , K i m a n , Tjiplis, Sidin en Simin.

Getuige verklaart h e n voor de acht m e n s c h e n , die ziin biiiven

doorwerken. J

Zij worden afgeleid.

V . W a a r hebt gij die acht werkende menschen te eten gegeven en wat hebt gij hun te eten gegeven?

_ A . Den 11 A u g . des avonds ten zeven u r e in de k e r k van de k a -j u i t , en den volgenden morgen op het groote l u i k ; des avonds had het eten bestaan uit rijst, zoutevisch en t h e e . des anderen ochtends om vijf ure heb ik voor hen aan hun kok uitgegeven vier stokvisschen en rijst. I k heb er geen acht opgedagen of zij dien morgen dien stokvisch of zoutevisch gegeten hebben.

Wij doen den k o k Tjipüs binnenleiden en vragen h e m : wat hij aan de J a v a n e n des morgens bij het schaften te eten heeft gegeven en waarom hij de vier stokvisschen niet heeft opgediscl.t, die hij van den stuurman ontvangen heeft?

Beklaagde Ijiplis z e g t : dien dag heb ik geen stokvisch ontvan-gen ; ik heb toen rijst met zoutevisch te eien gegeven.

Getuige houdt v o l , dat hij hem vier stokvisschen gegeven heeft en dat hij dit zeker weet.

Tjiplis wordt afgeleid.

V . H e b t gij ook gezien, dat z i j , die gewerkt hebben des morgens

" t e - k ? h u m i e m e s s e nSe s l ePe a h e b b e n e " is dit geen scheeps-A . i k heb het slechts van een paar opgemerkt en herinner mij daarvan b e t r o , die den sleen diaaide. E r worden altijd messen aan

boord geslepen , juist niet altijd na het schaften.

V. Wanneer hebben de a c h t , die gewerkt hebbe:i, h u n werk g e -staakt en hoe hebben zij dit te k e n n e n gegeven?

4 A . Des morgens n a h e t schaften van acht ure op het groote luik"

zij hebben het mij niet g e z e g d , m a a r ik heb ge/.ien , dat zij niets meer uitvoerden, en toen de kok tusschen half negen en negen ure niet meer om het rantsoen k w a m , heb ik hem gevraagd of hij geen eten voor het volk moest hebben ; hij zeide toen van neen ; dat niemand meer

— 113 —

te eten wilde hebben en niet meer werken wilde; bij wilde zijn rijst niet ontvangen.

Wij doen Tjiplis binnenstaan en maken h e m m e t de verklaring van den getuige bekend.

Hij erkent d i t ; de overige acht hadden hem g e z e g d , dat zij niet meer eten en niet meer werken wilden en hij had met hen m e d e gedaan.

Hij wordt afgeleid.

V . Hebt gij dolken of krissen bij de J a v a n e n g e z i e n , hoe velen en hij wie ?

A . Krissen heb ik niet gezien, dolken hel» ik bepaaldelijk ook niet gezien, m a a r wel zoogenaamde dolkmessen; bij een enkele heb ik twee messen gezien in zijne gewone b u i k r i e m ; ik kan niet z e g -gen bij wien.

V . H a d de Serang niet altijd een smal mes in zijne schede met een geel heft?

A . Dat heb ik niet o p g e m e r k t , ik weet niet welk soort van mes hij had.

V. W a n n e e r en door wien is het eerste schot gevallen en waar bevondt gij u toen?

A . Het eerste schot is gevallen uit de kajuit, op het oogenblik dat de Javanen den trap van de campagne bestormden : door wien weet ik n i e t , doch ik weet, dat beide timmerlieden zich op order van den kapitein in de kajuit hadden begeven; ik stond toen in het portaal van de kajuit en was juist teruggekomen uit de wapenkamer met een sabel.

V . Heeft de S e r a n g den kapitein g e s t o k e n ? A . I k h e b het niet gezien.

V . W i e heeft den eersten stuurman gestoken ? A . Dat heb ik niet gezien.

V . Hebt gij g e z i e n , dat men den kapitein wilde over boord w e r p e n ? A . Het maakte althans op mij dien i n d r u k ; zij hadden hem m e t hun drieën of vieren v a s t , ik kan niet zeggen wie.

V . H e b t gij een sahel in uwe hand gehad en was die scherp ? A . Toen de Javanen naar achteruit k w a m e n , heb ik een sabel uit de wapenkamer gebaald en een door de k e i k l a n t a a r n gegooid, die door den tweeden stuurman is opgenomen. Die sabels waren b o t , zoo als zij uit de fabriek komen.

V . Hebt gij Doolah eene wonde op het hoofd toegebragt, waar en w a n n e e r ?

A . Dat weet ik n i e t , ik heb op de massa ingehouwen en som-migen g e r a a k t , maar w i e , w e e t i k niet.

V . W a n n e e r is u w arm gebroken door den Tandil P a Seno ? A . Nadat de kapitein en eerste stuurman gewond in de kajuit waren gevlugt en ik den trap van do campagne wilde opgaan. I k verweerde mij zooveel mogelijk met mijn sabel.

Wij doen den Tandil \'n S e n o binnenleiden.

Deze ontkent den getuige met een bandspaak geslagen te hebben.

Hij wordt afgeleid.

Getuige zegt : ik weet bepaald , dat hij bet gedaan heeft.

V . Hoedanig hebt gij den Tandil P a Seno op reis leeren k e n n e n ? A . Als een goed zeeman ; met den eersten stuurman was ik reeds afgesproken, dat wij zouden trachten dien m a n als S e r a n g te k r i j g e n , op de reis terug van J a v a naar Nederland.

V. Wanneer is uw gebroken arm genezen?

— 114 —

A. Toen ik te Rio Janeiro aankwam; den 13 Sept. was mijn arm zoover genezen, dat ik er iets mêe verrigten kon, dus na dertig dagen. Drie weken daarna had ik mijn arm weer geheel tot mijn dienst. . .

V. Heeft de eerste timmerman de Moes, toen gij allen inde kajuit opgesloten waart, zich zelven het leven willen benemen?

A. J a , het pistool is hem herhaalde keeren afgenomen ; hij zeide liever zich zelven het leven te willen benemen , dan door de Javanen afgemaakt te worden.

V. Heeft de timmerman de Moes ook wel eens over zijn eten geklaagd?

A. Ja , hij klaagde, dat hij te weinig vleesch en spek kreeg, waarna hij meer heeft gekregen.

V. Was aan de groote sloep , waarin gij uw leven gered hebt, iets vernield of was dezelve alleen lek ?

A. Zij was alleen lek , er was niets aan vernield.

V. Verstaat de kapitein Maleisch, en kan hij het gemakkelijk

spreken? . . . A. Hij kan het niet gemakkelijk spreken , verstaat het weinig, de

eerste stuurman verstaat het beter , en daarom waren zij meest te

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 114-118)

Outline

GERELATEERDE DOCUMENTEN