Hij heeft den kapitein alleen aan de heupen vastgehouden en daarbij ontwaard , dat de kapitein in éénen zak van kogels en in

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 151-164)

en dat heeft besch. ook vroeger erkend

A. Hij heeft den kapitein alleen aan de heupen vastgehouden en daarbij ontwaard , dat de kapitein in éénen zak van kogels en in

den ander van patronen voorzien was. Het schot van den kok is vol-strekt niet geketst, maar wel degelijk afgegaan.

De 2de, P A SENO (tandil). Heeft reeds lang gevaren en

ver-schillende reizen gedaan. Hij was nog maar zóó groot (dit

aanwij-zende), toen hij begon te varen. Is voorts getrouwd. Zijne vrouw

woont te Soerabaija, en hij heeft twee kinderen. Den ouderdom zijner

vrouw weet hij niet, den zijnen evenmin. Op de vraag,hoe het komt,

dat hij zijn' ouderdom niet weet, zegt hij , dat het anders is bij de

Javanen als bij de blanken. Sommigen weten hunnen ouderdom ,

an-deren niet. Sommigen weten te schrijven, anan-deren niet. Gevraagd, of

hij niet denkt veertig jaren oud te zijn , zegt hij dit niet te weten. Of

hij dan niet denkt zeker twintig jaren oud te zijn, antwoordt hij:

— 148

«Wel neen , veel m e e r ; ik denk wel veertig jaren oud te zijn."

W o r d t aanteekening gedaan in het proces-verbaal der teregtzitting, dat de beschuldigde denkt wel veertig j a r e n oud te zijn.

Hij geeft voorts te k e n n e n , dat hij behoord heeft onder h e n , die aan boord der Twenthe ontevreden waren over het voedsel, en wel voornamelijk om den visch, die hun te bitter was. Hij heeft dat eten dan ook wel eens aan den kapitein en aan den stuurman getoond, als niet geschikt om te gebruiken. Terwijl de J a v a n e n bij den wa-terschout hunne gagie ontvingen , heeft de Serang hun v e r z e k e r d , dat het eten goed zou zijn. Hij , besch., heeft zich van de waarheid niet kunnen overtuigen, omdat zij allen buiten stonden, maar zij wisten niet beter te d o e n , d a n , omdat zij een' Serang h a d d e n , aan hem hunne belangen dienaangaande op te dragen. Hij echter was niet d e g e n e , die bepaald op zee ontevreden was over den S e r a n g , dat hij h u n n e belangen niet genoeg zou hebben voorgestaan omtrent de voe-d i n g , m a a r h i j h a voe-d hem gezegvoe-d: . T r a c h t toch te zien bij voe-den kapitein , wat gij gedaan kunt krijgen.» Hij bekent te zijn geweest onder h e n , die op 11 A u g . het werk hebben gestaakt. Hij h a d , toen hij met werken was uitgescheiden, den kapitein en den stuurman over het eten aangesproken en daarbij zelfs gehuild. Hij zou den volgenden morgen wel gewerkt h e b b e n , indien de kapitein maar een weinigje had toegegeven, want de J a v a n e n zijn al met zoo weinig tevreden. I n de plaats van dien bitteren visch vroegen zij slechts een klein beetje vleesch. Indien zij slechts tweemalen in de week wat vleesch hadden gekregen (en zij hadden den Serang het verzoek daartoe opgedragen) zouden zij zeer tevreden zijn geweest. Ten tien ure in den ochtend van den 12 was ook hij op het dek g e k o m e n , omdat hij door den S e r a n g was g e r o e p e n , om tegenwoordig te zijn bij hetgeen deze den kapitein zou z e g g e n , en welke oproeping door middel van het fluitje was geschied. E r was echter niet afgesproken om zóó of zóó te flui-t e n , maar heflui-t fluiflui-ten geschiedde," zoo als daflui-t op de koopvaardij-schepen gebruikelijk is. Hij was al verder op zekeren afstand op het dek blijven staan. De S e r a n g zeide toen tot den kapitein: . H e b toch medelijden met de Javaansche schepelingen. Geef ons toch een klein beetje vleesch. Die visch is niet om te eten.» De kapitein gaf toen dit antwoord: «Neen; jelui hoeft over dien visch niet meer te s p r e k e n , willen of niet, j e krijgt geen anderen.» Daarop heeft de kapitein d e n timmerman geroepen en is deze boos naar de kajuit g e g a a n , en evenzeer de k o k . Vervolgens heeft de kapitein naar beneden gespro-k e n met de E u r o p e a n e n ; waarover weet de besch. n i e t , en toen is e i n schot uit de kajuit gevallen. Op dat schot is de Serang nog niet gevallen , maar wel op dat van den kapitein. Hij ontkent hetgeen h e m thans de Voorzitter voorhoudt, dat de kapitein niet geschoten heeft, omdat ook hij (Pa Seno) hem het schieten heeft belet, dat ook h i j , besch., onder de aanvallers is erkend door den kapitein en ook door de stuurlieden en Bat ends. Ilij blijft volhouden, dat de kapitein den aanval heeft begonnen. W e l heeft hij het pistool, het-welk de Serang den kapitein ontnomen had en op het dek geworpen, over boord gegooid. Hij behoorde echter niet tot d e g e n e n , die den kapitein wilden over boord werpen. Op de herhaalde vraag van den Voorzitter , of hij , beseh., niet bepaaldelijk den kapitein gesleurd heeft tot den rand van het schip , en zoo doende getracht heeft, even als de a n d e r e n , den kapitein over boord te w e r p e n , — blijft hij daar-omtrent bij zijne ontkentenis. Kasidin en hij hebben den kapitein alleen vastgehouden , om hem het schieten te beletten , niet om hem in zee

- 149 —

te werpen. Op de v r a a g , of dan juist niet de kapitein hun slagtoffer zou zijn geworden , zoo hij n i e t , om zich staande te h o u d e n , zijn voet aan het hek had vastgeklemd, en de stuurman V e r m e u l e n , om hem te ontzetten , er op de massa met een sabel had ingehouwen , - antwoordt besch. andermaal ontkennend. Zoo ontkent hij ook , dat hij op dat oogenblik eene wonde aan het hoofd door een sabelhouw van Ver-meulen had gekregen. Hij had den kapitein reeds lang losgelaten, toen de stuurman op hem is afgekomen en hem den houw op het hoofd heeft toegebragt. Ook heeft hij niet medegeholpen om den kapitein en de verdere schepelingen in de kajuit op te sluiten. Evenmin om daarin allerhande brandende voorwerpen te werpen. — De Voorzitter komt terug op de omstandigheid van den sabelhouw, en vraagt den tolk Veenhuyzen , wat de besch. thans bepaaldelijk hieromtrent opgeeft.

Uit het antwoord blijkt, dat de besch. alleen was geraakt, waartegen de Voorzitter overstelt, dat de besch. gisteren had gezegd, dat h e m werkelijk eene wonde was toegebragt, zoodanig , dat hij niet w i s t , wat hij deed.— Omtrent het halen van de kool vuur 'uit de kombuis en het werpen in de bezaan, zegt P a Seno v o o r t s , d a t , toen hij -zijn hoofd geheel kwijt was» en hij verward was door het schieten regts en l i n k s , hij het vuur in de bezaan heeft geworpen. W a a r o m ? O m d a t , als hij zijne hersens bij elkaar had g e h a d , hij zoo gek niet zou g e -weest zijn.

Voorz. Hij heeft vroeger voor den regter gezegd : . I k b e k e n , ik heb schuld; ik spreek de w a a r h e i d , al laat gij mij ook ophangen.»

Besch. Het is ook de waarheid; ik ben bang om te liegen ; want ik vrees onzen Lieven Heer.

Op de verdere vragen geef hij te kennen , ten eerste . wat het zich meester maken van eene handspaak betreft gedurende de worsteling, d a t , toen d e s a b e l s heen en weder werden geslagen, hij die handspaak heeft genomen om zieh te verweren , maar hij heeft daarmede den a r m van stuurman Barends niet stuk geslagen. Hij heeft de ramen der kajuit niet digtgespijkerd gezien ; want toen dat moest geschied zijn , was hij reeds lang gevlugt in de rust van den fokkemast.

De Voorz. Hij heeft vroeger voor den regter te Rotterdam verklaard gezien te hebben , dat de kajuit was digtgemaakt. H o e dat kon geschied z i j n , wist hij niet ; maar de deur was ook digt ; dat had hij gezien.

A. Dat weet hij niet.

H i e r m e d e is het verhoor der beschuldigden af;eloopen.

H e t Hof gelast, dat al de beschuldigden weder op hunne plaatsen in de geregtszaal worden teruggeleid.

De Voorzitter v r a a g t , of de heeren advokaten andermaal verlangen , dat aanteekening geschiede in het proces-verbaal der teregtzitting, dat hij aan de beschuldigden niet heeft overgebragt, wat in hunne afwe-zigheid is geschied, dan is hij daartoe b e r e i d , want het is weder hetzelfde geval als in de vorige teregtzitting.

M r . VAN S I I P E I A A N Luïseius z e g t , dat de verdedigers daarvan thans niet weder aanteekening verlangen. Hij stelde er slechts prijs o p , d a t van de zaak bleek , en zij k u n n e n dus genoegen n e m e n , dat h u n reeds eenmaal daarvan acte is verleend.

De Voorzitter z e g t , dat het geenszins eene omissie zijnerzijds w a s , maar dat hij expresselijk zoo gehandeld heeft, op grond van de wet.

Hij laat vervolgens den getuige Coopmans andermaal voor zich ver-schijnen , en zegt hem hoofdzakelijk het v o l g e n d e : Kapitein, gij zijt nu tegenwoordig geneest bij het v e r h o o r , dat het Hof zich getroost

— 150 —

heeft aan eiken beschuldigde afzonderlijk te doen ondergaan. H e t Hof heeft besloten , in het belang van de z a a k , en omdat het gebleken i s , dat de beschuldigden veel hebben n a g e p r a a t , wat de eerste hunner opgaf, eu opdat niet kon gezegd worden , dat alles slechts napraten w a s , iederen beschuldigde geheel afgezonderd te hooren. Ziedaar waarom ik tot dusverre alzoo heb gehandeld. Dat verhoor is nu afge-loopen. E n nu is er nog ée'u p u n t , dat ik mij verpligt acht u af te vragen. Zijt gij wel overtuigd van het gewigt van de z a a k , want van u w geiuigenis hangt zeer veel af. Is het wel z e k e r , d a t , vóórdat gij door ée'n der beschuldigden waart aangevallen , door u niet een p i s -tool is gelost?

Coopmcms. N e e n , toen ik aangevallen w e r d , k w a m het eerste schot van beneden.

V . W a a r t gij dan niet in het bezit van een pistool ? A . De revolver was mij ontrukt.

V . Hebben de J a v a n e n , op het gezigt der p i s t o l e n , toen ge uw jas geopend h a d t , u dadelijk aangevallen , en hebt gij toen niet eenige daad van geweld tegen hen g e b r u i k t ?

A . N e e n .

V . Ook niet g e d r e i g d ? A . N e e n .

V . D u s , volgens uwe v e r k l a r i n g , zijt gij onmiddellijk aangevallen bij het openen v a n uwen j a s ?

A . J a .

V . H e b t gij den Serang niet zien vallen?

A . N e e n .

V . H e t beweren is , dat de Serang daarop dadelijk is gevallen. Maar ik hoor nu van u , dat door u geene de minste daad van geweld is gepleegd.

A . N e e n .

V . aan get. Sojf. Ook aan u heb ik dezelfde vraag te doen. K u n t gij de stellige verklaring afleggen, dat er van de zijde des kapiteins geene enkele daad tegen de J a v a n e n is g e d a a n , vóórdat de aanval begonnen was ?

A . J a .

V . De tolk gelieve dan aan al de beschuldigden over te b r e n g e n , dat de kapitein voor onwaar heeft verklaard hetgeen zij beweerd h e b ben , en bepaald heeft te kennen gegeven , dat zij het eerst hem, k a -pitein , hebben aangevallen, vóórdat hij een pistool heeft gelost.

De vierde besch., Kasidin, a n t w o o r d t , dat de kapitein h u n het eerst heeft aangevallen.

V . B r e n g dan over, dat ook de stuurman Soff heeft verklaard , dat door den kapitein geene enkele daad van geweld is gepleegd.

De 1ste b e s c h . , de Serang Sidin, houdt v o l , dat de kapitein den aanval heeft begonnen.

De Voorzitter geeft thans te k e n n e n , dat de heer advokaat van Stipiiaan Luïscius de beleefdheid heeft gehad hem op schrift te b r e n -gen de vra-gen , die aan den heer A l i x als getuige à décharge zonden moeten worden gerigt. Het komt hem echter moeijelijk voor die v r a gen als zoodanig aan den heer A l i x te d o e n , omdat het meer v r a -gen betreft, die aan een deskundige kunnen worden gedaan, d a n wel bij een getuige te pas kunnen komen. H e t Hof wil evenwel gaarne aan het verlangen der heeren verdedigers voldoen; maar hij heeft g e -meend h e n op deze omstaudighoid opmerkzaam te moeten maken.

— 151

-M r . VAN STIPPJAAN LUÏSCIUS z e g t , dat de verdedigers, bij nader i n z i e n , ook van gevoelen zijn, dat de heer A l i x meer als deskundige dan als getuige zon dienen te worden gehoord , en zij wijzigen dus in zoover den door hen kenbaar gemaakten wensch , dat de heer A l i x alsnog als deskundige moge gehoord worden.

Voorzitter. Dan neemt het Hof terug zijne beslissing, z o o e v e n g e -n o m e -n , om de-n heer Alix als getuige te h o o r e -n , e-n beveelt, dat hij zal worden gehoord als deskundige.

De heer Alix verschijnt hierop voor het Hof e n , als door het Hof benoemd tot d e s k u n d i g e , legt den eed af van als zoodanig naar beste weten verslag te doen van hetgeen aan hem zal worden voorgesteld. Hij geeft op te heeten Pierre Jacques Alix , ond 68 j a r e n , en voorts te zijn gepensionneerd Oost-Indisch ambtenaar en gewezen adsistent-resident van S a m b a s , wonende te ' s G r a v e n h a g e ; hebbende de beschuldigden niet g e k e n d , noch met hen in familie- of dienstbetrekking staande.

Sedert twaalf j a r e n woont hij hier ter stede , terwijl hij sinds 23 j a r e n zich weder in Nederland bevindt.

Voorz. H e t is op verzoek der verdedigers, dat ik u drie vragen h e b voor te stellen, en wel in de eerste p l a a t s , of het de gewoonte is in het l a n d , waar de beschuldigden w o n e n , om nimmer eenig werk te d o e n , als zij bezig zijn te eten ?

A . Volstrekt niet ; als ik mijne ondergeschikten iets vroeg om te d o e n , terwijl zij aan hunnen maaltijd w a r e n , dan zeide één h u n n e r : . W i j zitten te e t e n , , en ik kon niets van hen gedaan krijgen.

V . Zijt gij d a s van oordeel, d a t , als er eens een lek in een schip k w a m gedurende den maaltijd, de J a v a n e n , die zich e r o p b e v o n d e n , zich maar zouden laten verdrinken ?

A . N e e n , zoover gaat die gewoonte niet.

V . Dus k u n n e n er wel uitzonderingen bestaan op dien r e g e l ? A . Zeer z e k e r , maar alleen bij hooge noodzakelijkheid.

V . In de tweede plaats wensch ik u te vragen , wat de J a v a n e n van deze klasse gewoonlijk e t e n ?

A. Gemeenlijk rijst, gedroogden visch, dinding, zijnde vleesch, aan reepjes gesneden en met t a m a r i n d e , zout of peper ingewreven en gedroogd. Zij krijgen ook wel wat groenten , hetgeen natuurlijk aan boord niet k a n plaats hebben; maar d a n wordt dit vervangen door boontjes, erwten en dergelijken.

V . Behoort zoutevisch ook tot het Indische voedsel ? A . N e e n , die is in Indië onbekend.

V . In de derde plaats wenscht men v a n u te weten , of de andere kleeding dan gewoonlijk, die de beschuldigden droegen op den dag van het voorval, k a n worden beschouwd als een bewijs van beleefd-heid jegens den kapitein.

A . Dat is iets, wat ik niet zoo stellig kan beantwoorden; want de J a v a n e n hebben zoo vele gewoonten, die ik niet alle ken.

Voorz. Indien niemand verlangt nog iets aan de getuigen of aan de beschuldigden te v r a g e n , dan stel ik voor aan de getuigen en den deskundige te vergunnen heen te g a a n , zonder verpligt te zijn t e r u g te keeren.

M r . VAN STIPRIAAN LTJÏSCIUS w e n s c h t e , ook namens de overige v e r dedigers, dat alleen een onderscheid mögt worden gemaakt ten a a n -zien van de getuigen Coopmans en Soff. H e t zou toch kunnen zijn, dat men van hen , ook na de pleidooijen , nog eer.e of andere inlich-!

— 152 —

ting had te vragen. Indien zij dus vertrokken w a r e n , zou dit te laat zijn. Hij wëuscht d u s , dat bepaaldelijk de getuigen Coopmans en Soff ter teregtzitting tegenwoordig gebleven.

De Voorzitter doet vervolgens aan de beschuldigden o v e r b r e n g e n , d a t , op hun v e r z o e k , hier is verschenen eea deskundige en deze het Hof ingelicht heeft over de volgende p u n t e n : 1°. dat in h u n land bet de gewoonte i s , o m , als de J a v a n e n aan b e t e t e n zijn, niets van hen te v e r g e n ; 2". dat de deskundige heeft o p g e g e v e n , wat de J a -vaan gewoon is in zijn land te eten , en dat hij er bijgevoegd heeft, dat zouievisch een aan den J a v a a n onbekend voedsel is ; 3". dat hij ook gezegd heeft, dat hij zich niet kon uitlaten over de v r a a g , of, toen zij beter'gekleed op het dek k w a m e n , zulks k a n aange-m e r k t worden als een bewijs vau beleefdheid jegens den kapitein.

H i e r n a m e r k t de Voorzitter o p , dat het Hof gehoord heeft het verzoek van den advokaat VAN STIPRIAAN LCÏSCIÜS bepaald ten aan-zien van de getuigen Coopmans en Soft'. Ten opzigte van de overige getuigen zijn geene bedenkingen g e m a a k t , dat zij k u n n e n v e r t r e k k e n . Heeft mijnheer de proc.-gen. daartegen ook geene b e d e n k i n g ?

Adu.gen. zegt, dat ook hij geene bedenking heeft tegen het v e r -trek der overige getuigen , maar dat welligt kon worden te genioet gekomen aan het verlangen der heeren verdedigers, als aan de twee genoemde getuigen insgelijks vergund wierd heen te g a a n , onder bepaling, dat zij te 's Gravenhage verbleven en op de eerste oproe-ping weder verschijnen zouden.

D e Voorzitter zegt, dat de getuige Soff zeer verlangen zou n a a r A m s t e r d a m terug te k e e r e n , uit hoofde van huisselijke betrekkingen.

De heer Soß' geeft te kennen , dat hij twee jonge kinderen te huis heeft zonder moeder en onder geen voldoend opzigt.

De Voorzitter h e r n e e m t , d a t , als deze getuige dus hier in den H a a g zou moeten blijven, de man daardoor niet geholpen zou zijn; en als hij daarentegen n a a r Amsterdam terugkeerde en hij weer geroepen moest worden om herwaarts te k o m e n , zou de zaak welligt weer moeten uitgesteld worden. Hij vraagt d e r h a l v e , of de verdedigers op d e tegenwoordigheid van dezen getuige blijven a a n d r i n g e n ?

M r . VAN STIPKIAAN LUÏSCITJS verklaart hierop te desisteren van het gedane verzoek ten aanzien van den getuige Soff.

A a n al de getuigen wordt alsnu vergund heen te g a a n , zonder verpligt te zijn terug te k o m e n ; terwijl aan den getuige Coopmans wel vergund woidt te vertrekken , zoo hij dit mögt verkiezen, doch onder gehoudenheid om t e ' s Gravenhage te b l i j v e n , e n mits hij opgeve, w a a r h i j , zoo n o o d i g , te vinden i?.

Vermits de verdedigers niet verlangen, dat ook dit punt aan de beschuldigden worde overgebragt, wordt thans aan de tolken eene afzonderlijke plaats aangewezen tot na het te necnen requisitoir van den procureur-generaal.

A l s n u wordt aan het Openb. Min. het woord verleend.

De adv.-gen. FKAKÇOIS zegt in zin en substantie hoofdzakelijk het volgende:

Edel Groot Achtbare Heeren, President en Raden in dit Prov.

Geregtshof !

H e t is n u reeds meer dan een j a a r geleden, dat in ons Vaderland veler gemoed met angst en schrik vervuld werd, ten gevolge van een b e r i g t , dat in de nieuwsbladen onder de scheepstijdingen gelezen

I l l

_ 153 -—

werd en gedagteekend 22 A u g . 1856. H e t was een berigt van v r e e s : selijken aard en wel geschikt om ontsteltenis te v e r w e k k e n , vooral bij hen , die in den loop van dat j a a r bloedverwanten en vrienden naar die gewesten zagen h e n e n g a a n ; en wij w e t e n , dat er in N e d e r -land zeer velen zijn. _ .

Dal berigt nu hield in de aankomst eener boot in Madeira , in welke boot zich een aantal schepelingen van minderen r a n g bevonden en die te verstaan gaven , dat zij J a v a n e n w a r e n , die verschil h a d -den gekregen met hunnen kapitein ; voorts dat zij h u n n e officieren overrompeld en opgesloten hadden enz.

W i e die officieren w a r e n , wie die bemanning w a s , bleef in het onzekere tot in October van het afgeloopen j a a r , toen het bekend w e r d , dat die 22 J a v a n e n waren geweest de schepelingen aan boord van hét barkschip Tioenthe, gezagvoerder C o o p m a n s , op welk schip

die voorvallen hadden plaats gehad. . Stelt u voor den toestand van hen , wier bloedverwanten of v r i e n

-den zeewaarts waren gegaan met dat schip op 15 J n l i j . Zij h a d d e n o u d e r s , b r o e d e r s , vrienden zien heengaan met dien b o d e m , en zij waren onzeker over h u n lot. Vreesselijke o n z e k e r h e i d !

Maar die onzekerheid werd o p g e h e v e n , toen later van den N e d e r -landschen consul-generaal te R i o - J a n e i r o het berigt ontvangen w e r d , dat de Almagtige God , op een oogenblik , dat de nood op het hoogst geklommen was en er naar menscheiijkeinzigten geene redding meer mofeliik was, — allen gered heeft door de zorg van den F r a n s c h e n schêepsbevelhebher F o u b e i t , die in Hoogerhand het middel was tot redding des levens van zoovelen , die anders reddeloos w a r e n v e r

-loren geweest * , . Gij hebt u, President en Raden , vele dagen bezig gehouden met tut

regts"eding ; gij hebt daarbij veel onmenschelijkheid en woestheid w a a r -g e n o m e n ; maar het is mij aan-genaam uwe aandacht daarvan even te k u n n e n afwenden om uwe gedachte te vestigen op zooveel mensch-lievendheid en hulpvaardigheid als door den genoemden vreemden schecpsgezagvoerder is aan den dag gelegd. A a n dien redder komt in de eerste plaats bijzondere dank toe. Maar dat is in N e d e r l a n d niet genoeg. Ook van onze zijde wordt zijn n a a m openlijk m e t d i e p e

hoogachting genoemd.

E n om nu op de z a a k , die ons bezig h o u d t , terug te k o m e n . zoo deden de nadere omstandige berigten k e n n e n , dat het schip lïaenthe was geweest het tooneel eener verschrikkelijke gebeurtenis , die g e -l u k k i g ze-ldzaam in de geschiedenis der misdaden v o o r k o m t , en dat deze beschuldigden daarvan de daders waren.

Nadat deze herwaarts waren overgebragt ; en nadat er een onder-zoek der zaak was ingesteld, een onderonder-zoek, dat, in het belang van de justitie en van de beschuldigden z e l v e , zoo volledig mogelijk is g e w e e s t , en waardoor zelfs eeaig meerder oponthoud noodzakelijk w e r d , is men , nadat de leden der Europesehe equipage als getuigen gehoord en geconfronteerd waren , hetzij o n d e r l i n g , hetzij met d e beschuldigden, — dan eindelijk tot de openbare behandeling gekomen.

Dit r e c e d i n g heeft in hooge mate d e algemeene belangstelling on^ewekr. De personen der beschuldigden gaven daartoe wel aanlei-ding; maar ik veronderstel, dat wel de meeste aanleiding zal zijn te vinden in het gruwzame en ijzingwekkende der gepleegde misdaden

Dit r e c e d i n g heeft in hooge mate d e algemeene belangstelling on^ewekr. De personen der beschuldigden gaven daartoe wel aanlei-ding; maar ik veronderstel, dat wel de meeste aanleiding zal zijn te vinden in het gruwzame en ijzingwekkende der gepleegde misdaden

In document SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP (pagina 151-164)

Outline

GERELATEERDE DOCUMENTEN