SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP

296  Download (0)

Full text

(1)

BEGTSGEDING

D E 22 M A L E W E R S ,

SCHEPELINGEN AAN BOORD YAN HET KOOPVAARDIJSCHEP

X W E K f B E .

.ÖESCHUXDIOD VAN

WEDERSPANNJGHEID JEGENS HUNNE MBEKDEHEN m KANG, POGING TOT MOEDWILLIGEN DOODSLAG,

MOEDWILLIGE VERWONDING.',

MOEDWILLIGE 'JBUANDSTICHïîNG m EEN.SCHM'.

.ï*eJiau«leld v o o r l i e t P r o v i n c i a a l CVlerv^tnIioJ' i n . K u l d l i o l l a n i l .

-sccc*-»-

'« K i R l l E X H i e E ,

'GSEBROEDERS B E L I N F A N T E .

1857.

(2)
(3)

Mi

(4)
(5)

REGTSGEDING

TEGEN

DE n M A L E I J E I I S ,

SCHEPELINGEN AAN BOORD VAN HET KOOPVAARDIJSCHIP T W E S T H E ,

BESCHULDIGD VAN

WEDERSPANNIGHEID JEGENS HUNNE MEERDEREN IN RANG, POGING TOT MOEDWILLIGEN DOODSLAG,

MOEDWILLIGE VERWONDING,

EM

MOEDWILLIGE BRANDSTICHTING IN EEN SCHIP.

B e h a n d e l d voor liet Provinciaal « e r e g t s l i o f in SEuidliolIand.

< M 3 C C C * - ^

'S R R A V E 1 H A K K ,

GEBROEDERS B E L I N F A N T E .

1857.

(6)

Itekdruttcrij GEBB0EDEK5 BELWFANTE, '« Gravenhage.

(7)

ARREST VAN VERWIJZING.

I N N A A M D E S K O N I N G S .

Het Provinciaal Geregtshof in Zuidholland, in raadkamer vergaderd ,

Gehoord het verslat; van den Procureur-Generaal op de procedures, door den Regter-Commissaris bij de Arrondisse- ments -Regtbank, zitting houdende te Rotterdam, ter requisitie van den Officier bij dezelve Begtbank geïnstrueerd te<*en :

I. S I D I N , wiens ouderdom is onbekend, geboren op

•Branjer ;

II. P A SENO, wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija ;

I I I . K A P I D I N , volgens zijne opgave oud 30 j a r e n , geboren te Samarang ;

IV. KASIDIN, volgens zijne opgave oud 30 jaren, geboren te Rembang;

V. B A T J O O K I , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Macasser ;

VI. BATJOOK I I , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Kylie;

V I L SOKDIN, wiens ouderdom is onbekend, geboren to Soerabaija ;

VIII. AMAT , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija ;

IX. LINGO , volgens zijne opgave oud 50 jaren , geboren te Soerabaija;

X . D O O L A H , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Pontejana ;

XI. KLAAS LEDESMA, volgens zijne opgave oud 27jaren, geboren te Manilla;

X I I . SETRO, wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija ;

X I I I . NGANGSI , wiens ouderdom is onbekend , geboren te Palembang ;

XIV. MAKIDIN, wiens ouderdom is onbekend, geboren te

Soerabaija ;

(8)

_ 4 —

X V . SID I N , volgens zijne opgave oud 18 j a r e n , geboren te Soerabaija ;

X V I . T J I P L I S , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija;

X V I I . OSMAN, wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija ;

X V I I I . N G A I T I N , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija;

X I X . SIMIN, volgens zijne opgave oud 20 jaren, geboren te Soerabaija ;

X X . P A W A E I N A , volgens zijne opgave oud 24 jaren, geboren te Soerabaija;

X X I . KIMAN, wiens ouderdom is onbekend, geboren te Samarang , en

X X I I . M E D I N , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija ;

Allen, als zeevarenden ter koopvaardij, behoord hebbende tot de equipage van het barkschip Twenthe, de eerste als boots- man, de tweede en derde als bootsmaten, de vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende en elfde als roergangers, de overigen als matrozen, laatst gewoond hebbende te Soerabaija, zijnde thans gedetineerd te Rotterdam ; — houdende hetzelve verslag, dat uit de instructie zoude zijn geresulteerd, dat de beklaagden op den twaalfden Augustus achttien honderd zes en vijftig, aanboord van het Nederlandsche barkschip Twenthe, in zee ter hoogte van Madeira, gekomen in staat van muiterij en verzet, en gedeeltelijk op dien dag, gedeeltelijk reeds ten vorigen dage, dienst weigerende, zich hebben gesteld onder de aanvoe- ring van den eersten beklaagde, met het opzet, om hetzij in ieder geval, hetzij bij niet-voldoening door hunnen kapitein ANSCO COOPMANS, aan hunnen eisch om ander voedsel, of om aan land te worden gezet, dezen hunnen kapitein en de stuur- lieden aan te vallen, en dat de beklaagden alstoen :

1°. met messen gewapend eenen aanval op den kapitein en de stuurlieden hebben gedaan ;

2°. dat de eerste, tweede en vierde beklaagden, tijdens deze wedérspannigheid, den kapitein ANSCO COOPMANS , welken zij hadden aangegrepen, hebben toegebragt eene gestokene wonde onder den linkerschouder ; de eerste denzelven een pistool heeft op de keel gezet en toen getracht dit af te schieten, hetgeen hem echter niet gelukte, ten gevolge van den staat, waarin dat schieto-eweer verkeerde, met welks wijze van behandeling hij niet bekend w a s , en deze met de iiceede en vierde beschuldigden

heeft gepoogd den kapitein in zee te werpen, in welke tegen

het leven des kapiteins gerigte gewelddadigheden zij zijn gestuit

(9)

— 5 —

door de tusschenkomst van twee der stuurlieden, welke den kapitein hebben ontzet en de beklaagden op de vlugt gedreven;

3°. dat, almede tijdens gezegde wederspannigheid en voor- meld opzet, de kapitein ANSCO COOPMANS, na in voege evengemeld te zijn ontzet, door eenige beklaagden op nieuw aangevallen , een zeventiental wonden aan de linkerhand heeft bekomen, toegebragt door snijdende werktuigen; de eerste stuurman CHARLES GUILLAUME SOFF heeft bekomen eene ge- stokene wonde in de linkerzijde onder de korte ribben en twee gehouwen wonden op het hoofd, van welke verwonding des kapiteins en des eersten stuurmans de daders niet vol"

doende kunnen worden aangewezen , en aan den derden stuur- man ARY PIETER BARENDS, door den tweeden beklaagde, met eene hnndspaak de regier-voorarm is stuk geslagen;

4°. dat nog, tijdens dezelfde wederspannigheid, de tweede beklaagde opzettelijk in bovengemeld barkschip de Twenthe, door middel van door hem uit de kombuis genomen gloeijende steenkool, den brand heeft gestoken ;

Gezien de stukken, tot deze zaak betrekkelijk;

Gezien hot requisitoir van den Procureur-Generaal, door denzelven onderteekend aan het Hof overgegeven, daartoe tenderende, dat het Hof de teregtstelling van de voormelde beklaagden zal bevelen , ter zake van:

Wederspannigheid door aantasting en wederstand, feitelijk en gewelddadig gepleegd, door mindere schepelingen, ten ge- tale van meer dan twintig gewapende personen, jegens hunne meerderen in rang, zijnde de schipper en stuurlieden van een koopvaardijschip, en alzoo jegens ambtenaren, werkzaam ter uitvoering der wet;

daarenboven:

De eerste, tweede en vierde beklaagden, poging tot moord, welke, door uiterlijk bedrijf gebleken en tevens tot een begin van uitvoering overgeslagen , niet dan door toevallige en van der daders wil onafhankelijke omstandigheden weerhouden is en hare uitwerking gemist heeft;

De eerste beklaagde:

Moedwillige verwonding van drie personen, uit twee van welke ziekte of beletsel om te werken van meer dan twintig dagen is ontstaan, gepleegd met voorbedachten rade;

De tweede beklaagde :

Moedwillige verwonding, uit welke ziekte of beletsel om te werken van meer dan twintig dagen is ontstaan, gepleegd

met voorbedachten rade, en "

Moedwillige brandstichting in een schip, van dien aard, dat

te voorzien w a s , dat daardoor menschenlevens in gevaar

(10)

- ß —

J „„(,„„!• en dezelve verwijzen naar de open- souden ™

d

« « f * * ^ p

r o v i n c

i a a l Geregtsfaof, met last, r

6

• " h l ™ « « uren de beteekening, vermeld bij artikel r Ä w S l Strafvordering, zullen worden

° ^ ^ x £ d : t : ^ d ï z i r ^ ; v o b , o e n d e

-^-str^enï^onrrr

: C r n'de stuurde"« zijn geschied ten gevolge van e

T e v l l t d î t alle de beklaagden zullen worden teregtgesteld

^ d e r s ^ i g h e i d door aantasting en wederstand, feitelijk V Y e a e r s p » g _ , _

l e e ( r d 8 a n

boord van een koopvaardij-

en gewelddad.g gepleegd, »< j

d a n

«chin door mindere schepelingen, xen gei<u

S i » "ewapende personen, jegens hunne meerderen m r a n g , H d e ^ d e T h i p p J e n «Uuurlieden van dat schip , en alzoo

• C „

s

ambtenaren, werkzaam ter uitvoering der wet, daarenboven, de tente, tweede en vierde beklaagden S DIN, p X o e KA8IWN, ter zake van poging tot moedwühgen doodslag v e r g o l d van eene andere misdaad en voor zoo- Ä ' J i beklaagde betreft g e v o l g d ^ J ^ « ^ S

„ene derde misdaad en van een wanbedrijf, doch met g e « » M S e i d e om het plegen J M ^ - d a d e n °J

f

£ J ^ g g

Z ™ r t V o S ^ p o ^ : door uitere bedrijf

eïïeken en tevens tot een begin van uitvoering overgesla- gebleken en

a U i e n v a n

der daders wil onaf- E Ä t Ä Ä weerhouden en hare uitwerking i n l o g t tweede beklaagde P A S

E

KO ter zake van:

Moedwillig verwonding, uit welke ziekte of beletsel om te w e °a„ meer dan twintig dagen is ontstaan en van

Moedwillige brandstichting in een schip, van dien aard

J te voorzien was, dat daardoor menschenlevens in gevaar

konden worden gebragt;

(11)

Verwijst alle de beklaagden, ook wat het door den tweeden beklaagde bedreven wanbedrijf betreft, ter gezamenlijke en gemeenschappelijke behandeling met de geheele zaak, naar de openbare teregtzitfing van dit Provinciaal Geregtshof;

Last en beveelt, dat de beklaagden , die in hechtenis zijn, zullen worden gebragt naar de gevangenis, bestemd voor de gevangenen , welke ter openbare teregtzitting van het Provin- ciaal Geregtshof in Zuidholland moeten worden teregtgesteld , en zulks binnen acht en veertig uren na de beteekening, bij artikel 145 van het Wetboek van Strafvordering vermeld.

Gedaan en gewezen in 's Gravenhage, den zeventienden Augus- tus achttien honderd zeven en vijftig, bij de Heeren en Mrs.

BDTSKES , President, D E FKKMBRY en SCHMOLCK, Raden in den

Hove, die deze hebben onderteekend, benevens den Griffier.

(Geteekend) Mr. P . BUYSKES, V. P.

P . J . DE F R E M E R Y . S C H M O L C K .

C. VOSMAER, S. G.

IN KENNIS VAN MIJ GRIFFIER, {Geteekend) LOOIJEN.

ACTE VAN BESCHULDIGING

tegen :

I . SIDIN (Seraog), X I I . SETRO , I I . P A S E N O , X I I I . N G A N G S I , I I I . K A P I D I N , X I V . M A K I D I N , I V . K A S I D I N , X V . SIDIN (Matroos;,

V. BATJOOK I , X V I . T J I P L I S , VI. B A T J O O K I I , X V I I . OSMAN, V I I . S O E D I N , X V I I I . N G A I T I N , V I I I . AMAT, X I X . SIMIN,

I X . L I N G O , X X P A W A E I N A , X . D O O L A I I , X X I . K I M A N , X I . KLAAS LEDESMA, X X I I . M E D I N .

De PROCUREUR-GENERAAL bij het P R O V I N C I A A L G E R E G T S H O F I N ZUIDHOLLAND geeft te kennen:

dat, bij arrest van teregtstelling van hetzelve Hof, in raad-

kamer vergaderd, van den 17 Augustus 1 8 5 7 , naar de open-

bare teregtzitting van het Hof verwezen zijn geworden :

(12)

_ 8 —

I. SiDiN, wiens ouderdom is onbekend, geboren op Branjer;

II. P A SENO , wiens onderdom is onbekend, geboren te Soerabaija;

III. KAPIDIN , volgens zijne opgave oud 30 jaren , geboren te Samarang ;

IV. KASIDIN , volgens zijne opgave oud 30 jaren, geboren te Rembang;

V. BATJOOK I , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Macasser ;

VI. BATJOOK I I , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Kylie ;

VII. SOEDIN , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija ;

VIII. A M A T , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija ;

I X . LINGO , volgens zijne opgave oud 50 jaren , geboren te Soerabaija ;

X. DOOLAH , wiens ouderdom i3 onbekend, geboren te Pontejana ;

X I . KLAAS LEDESMA, volgens zijne opgave oud 27 j a r e n

i

geboren te Manilla ;

XII. SETRO, wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soe- rabaija ;

X I I I . NGANGSI, wiens ouderdom is onbekend, geboren te Palembang ;

X I V . M A K I D I N , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soerabaija ;

X V . S I D I N , volgens zijne opgave oud 18 jaren, geboren te Soerabaija;

X V I . Ï J I P L I S , wiens ouderdom is onbekend, geboren te »Soe- rabaija ;

X V I I . OSMAN, wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soe- rabaija ;

X V I I I . NGAITIN , wiens ouderdom is onbekend, geboren te Soe- rabaija ;

X I X . SIMIN, volgens zijne opgave oud 20 j a r e n , geboren te Soerabaija ;

X X . P A WAUINA, volgens zijne opgave oud 24 j a r e n , gebo- ren to Soerabaija;

X X I . KIMAN , wiens ouderdom is onbekend,geboren te Sama- rang, en

X X I I . MEDIN , wiens ouderdom is onbekend, 'geboren te Soe' rabaija;

Allen als zeevarenden ter koopvaardij behoord hebbende tot

(13)

ûe équipage van bet barkschip Twenthe, de eerste als bootsman, de tweede en derde als bootsmaten, de vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende en elfde als roergangers, de overigen als raatrozen, laatst gewoond hebbende te Soerabaija, thans gedetineerd te -Rotterdam ;

En verklaart de Procureur-Generaal, dat uit de instructie dezer procedure resulteert:

Dat de beschuldigden, van welke de beide eersten en de ze- vende tot den twintigste op de Jannetje, kapitein L U P C K E , en de overigen op de Vrije handel, kapitein VAN K E T W I C H , als sche- pelingen van Java naar Nederland waren gekomen, in de maand Junij 1 8 5 6 , ten overstaan van den waterschout ANDREAS P A U L NICOLA AS R U K , te Rotterdam, zijn aangemonsterd en aldaar in dienst getreden, om met het Nederlandsch barkschip Twenthe, kapitein ANSCO COOPMANS, eene reis te doen van die plaats naar Java en aldaar te worden ontslagen; alles op de voorwaarden, in de ten processe aanwezige copie-monsterrol beschreven;

Dat de schepelingen, van de Jannetje afkomstig, door den ka- pitein zelven , en d i e , van den Vrijen handel gekomen, door den eersten stuurman zijn aangenomen;

Dat de eerste beschuldigde als serang of bootsman aan boord was het hoofd der beschuldigden ;

D a t , buiten de beschuldigden en voormelden kapitein, de equipage bestond uit:

CHARLES GUILLAUME S O F F , als eersten stuurman;

WILLEM HENDRIK VERMEULEN, als tweeden stuurman;

A E T PIETER BARENDS, als derden stuurman;

ADOLPHUS WILHELMUS VA^N D O U W E , als doctor;

THOMAS DE M O E S , als eersten timmerman;

JACOBUS GERIIARDUS O N E L , als tweeden timmerman ; JOHANNES BEKNARDUS H A L D E E D E LA L A I N E , als hofmeester;

J A C O B U S D U N N E W I J K , a l s k o k ;

JOHAN DIEDERIK B L A N K E N , I J N S E DE H A A N en P E T R U S

CAMMËNGA, als jongens, en de reis daarenboven werd mede- gemaakt door de echtgenoote des kapiteins, met name TJITSKE VAN D A M , en de naar haar vaderland terugkeerende Javaan- sche dienstbode SARINA;

Dat het schip, al spoedig van Eott/rdam naar Hellevoetsluis gezeild, den 15 Julij 1856 in zee is gesleept;

Dat de beschuldigden tot den 11 Augustus daaraanvolgende

steeds hun pligt volbragt hebben, tot tevredenheid des kapiteins,

behoudens een voorval ten dage, waarop het schip in zee zou

worden gesleept, als wanneer, toen door den derden stuurman

BARENDS vier man voor de giek waren gekommandeerd, om de

echtgenoote des doctors aan wal te brengen, de eerste beschul-

(14)

— 10

digde, omdat dit geschiedde, terwijl schaften bevolen en het volk daarmede bezig was, boos is geworden, en zijne ontevredenheid daarover aan den kapitein en den eersten stuurman heeft be- tuigd en betoond, zijn etensbakje toornig op het dek nederwer- pende, en zeggende, toen laatstgemelde hem daarover onderhield en bij de borst vatte, in het maleisch, volgens den kapitein:

„ I k zal je wel vinden, als gij op zee komt," of pas o p , pas op, als wij op zee zijn," en volgens den eersten stuurman: „ d a t hij hem wel zou betrekken, als ze maar eens in zee waren,"

of „ p a s op, stuurman, laten wij maar eerst in zee wezen;" • van' welke woorden de doctor VAN DOUWE heeft verstaan :

„wacht op zee," — hoedanig zeggen de eerste beschuldigde heeft ontkend te hebben geuit, het noemende zeer onbehoorlijke woorden, terwijl hij het voorval overigens heeft erkend; en de kapitein nog verklaard heeft, dat de eerste beschuldigde, den volgenden dag door hera over zijn gedrag onderhouden, ver- schooning had verzocht, en beloofd had zich beter te zullen gedragen ;

Dat de beschuldigden, welke tevreden waren over de hun, tot aan hunne komst in zee, verstrekte voeding, geen genoegen hebben genomen in hetgeen hun, toen zij op zee waren, ver- schaft werd, en vóór den elfden Augustus meermalen van die ontevredenheid hebben doen blijken, en deze, evenzeer als hun verlangen om ander voedsel te ontvangen, kenbaar hebben ge- maakt °of doen maken aan den kapitein, de stuurlieden en andere leden der Europesche equipage, hetgeen ten gevolge heeft ge- had , dat hun den 4 Augustus , toen zij gezamenlijk met hun rantsoen achteruit waren gekomen, ten einde klagten daarover in te brengen, eene wijziging in de voeding is toegestaan, door twee dagen 's weeks den zoutevisch door stokvisch te vervangen, vermits hunne klagten bepaaldelijk raakten den zoutevisch, als zullende zijn te zout om op den duur te nuttigen, dagelijks, drie malen, zonder afwisseling met anderen visch of met vleesch ;

Dat den zevenden Augustus, der beschuldigden nieuwjaars- dag, hun door den kapitein een vrije dag is gegeven, en zij ont- haald zijn, onder meer, op gedroogde aardappelen met zout- vleesch en pannekoeken met spek, waarvoor zij den kapitein zijn komen bedanken, met uitzondering van den eersten be- schuldigde, die ziek in zijne kooi lag;

Dat op den elfden Augustus, na de schafting, des namiddags ten één ure, volgens de verklaring van den derden stuurman BARENDS, niemand op het dek kwam;

Dat als toen de eerste stuurman SOFF den kapitein heeft

gewaarschuwd, dat de beschuldigden niet verkozen hun werk

te hervatten, waarop deze beiden hen tot zich hebben doen

(15)

_ 11 —

komen, om de oorzaak hiervan te vernemen, als wannee.r door één der beschuldigden, zoo de kapitein meent de elfde, KLAAS LEDESMA, is geantwoord, dat ontevredenheid over de voeding de oorzaak was, en dat zij verlangden voedsel, gelijk de vijf vóór de mast zijnde Earopesche zeelieden, waarbij ge- voegd werd, dat zij ten gevolge der voeding zwak waren;

Dat hierop door den kapitein aan de beschuldigden us voor- gehouden, dat hij tot de verlangde voeding niet was uitgerust, en ze dus niet konde geven, met herinnering tevens aan de monsterrol, waarbij, zoo als de kapitein zeide, door hen Indisch voedsel was bedongen, doch welk beweren, dikwijls herhaald, door de monsterrol niet wordt bevestigd;

D a t , daar de beschuldigden volhielden niet te werken, de kapitein heeft te kennen gegeven, d a t , wie niet werkte ook niet zoude eten, en ten twee ure alle de beschuldigden (met uitzondering des eersten, welke ziek was) op het dek zijn ge- roepen, en aan hen is voorgesteld de vraag: wie wilde werken ,

•wie niet? waarop een negental hunner tot voortzetting van den arbeid bereid werd bevonden, zijnde do l i l d e , V d e , I X d e , X l l d e , X l V d e , X V d e , X V I d e , XIXde en X X I s t e , hebbende van dezen de Vde spoedig daarop den arbeid mede

rjpof pt O Ir f *

Dat de' I l d e , IVde , Vde, V i d e , V i l d e , V l I I s t e , X d e , X l d e , X l I I d e , X V I I d e , X V I I I d e , XXste en XXIIste beschuldigden, erkennende den arbeid op den elfden Augustus niet te hebben voortgezet, als aanleiding daartoe hebben opgegeven het on- voldoende hunner voeding;

Dat de beschuldigden, die hebben voortgewerkt, hunne gewone voeding den 11 Augustus hebben ontvangen , doch de overigen niet, en de kapitein, opdat, de laatstbedoelden geen drinken zouden erlangen, aan den kok DUNNEWUK order had gegeven , dat de pomp uit het watervat moest worden genomen , -waaraan deze heeft voldaan, over welke onthouding van alle spijs en drank de kapitein den eersten stuurman heeft geraad- pleegd, die verklaart den maatregel te hebben goedgekeurd;

Dat de kok DUNNEWUK heeft verklaard, dat de kapitein hem

den elfden Augustus, des namiddags ten vier u r e , in de kajuit

bij zich heeft geroepen, waar zich ook de eerste stuurman

bevond, en hem gevraagd heeft, of hij op hem rekenen k o n ,

als er iets gebeurde met het volk, welke vraag bij toestem-

mend beeft beantwoord, tevens met den raad om toe te geven ,

daar de zachtste weg de beste w a s , en de eerste beschuldigde

hem verzekerd had , dat de beschuldigden allen zouden werken,

als zij maar tweemaal in de Week vleesch kregen, hetgeen de

kapitein weigerend beantwoordde , zich ook thans op de aan-

(16)

— 12 —

monstering beroepende en ontkennende, dat de beschuldigden op Europesehen kost waren aangemonsterd ; — dat de kapitein zeide uit voorzorg de vuurwapenen gereed te zullen maken

r

gelijk hij dan ook met den eersten stuurman in de kajuit zes geladen pistolen heeft nedergelegd, terwijl die beiden daaren- boven zich ieder van twee geladen zakpistolen hebben voorzien;

Dat, nadat de nacht rustig was voorbijgegaan, in den morgen van den twaalfden Augustus, naar luid der verklaring van den aan boord met het uitgeven der voedingsmiddelen belasten derden stuurman BAP.ENDS, die zegt dit zeker te weten, voor de werkende beschuldigden stokvisch is uitgegeven, hetgeen evenwel hun kok, de zestiende beschuldigde, ontkent, welke volhoudt, dat zij dien ochtend zoutevisch gegeten hebben;

Dat ten half tien u r e , toen de wacht van den jongen D E HAAN was afgeloopen, deze aan de beschuldigden, op hunne vraag om brood, vermits zij geen eten hadden gehad, een stuk of tien beschuiten heeft gegeven ;

Dat in dien morgen , volgens de verklaringen van den ka- pitein, de stuurlieden SOFF en BARENDS, den timmerman DE

M O E S , den kok DUNNEWIJK , den hofmeester HALDER D E LA LAINE en de jongens DE HAAN en CAMMENGA, ook diegenen

der beschuldigden, welke het werk ten vorigen dage niet hadden geweigerd, mede hetzelve hebben gestaakt;

Dat de zestiende beschuldigde dien dag, ten ongeveer negen ure, bij den derden stuurman niet is gekomen om het rantsoen, en op de vraag van dezen , of hij geen eten moest hebben voor het volk, heeft gezegd van neen, en dat niemand meer te eten wilde hebben en zij niet meer wilden werken; zijnde deze verklaring des derden sluurmans door den zestienden be- schuldigde bevestigd, die daarbij heeft medegedeeld, dat de overige acht hem gezegd hadden, dat zij niet meer eten en niet meer werken wilden, en dat hij met hen had medegedaan ; Dat de eerste beschuldigde, ten acht u r e , bij den kapitein op liet dek gekomen, met dezen een gesprek gevoerd heeft, hou- dende, volgens den kapitein, te-kennen-geving, dat de be- schuldigden niet langer aan boord verkozen te blijven, maar wenschten in eene Portugesche bezitting aan land te worden gezet, waarop de kapitein verklaart te hebben geantwoord, dat dit onmogelijk w a s , en de eerste beschuldigde zich heeft verwijderd ;

Dat de eerste beschuldigde beweert, dat dit gesprek gestrekt heeft om medelijden met zijne manschappen en vervanging van visch te verzoeken, welke door den kapitein werd geweigerd;

Dat de tweede stuurman VERMEULEN, die zich in de nabij-

keid aan het roer bevond, heeft verklaard van het tusschen

(17)

— 13 —

den kapitein en den eersten beschuldigde desUjds gesprokene alleen te hebben verstaan, dat de kapitein gezegd heeft : „ dat hij geen ander eten geven k o n , " en de eerste beschuldigde:

..dat zii seen moeite maken zouden;"

Dat men den elfden Augustus, aan boord van de Twen- the, het eiland Madeira in het gezigt had, doch dit in den morden van den twaalfden het geval niet meer was ;

Dat de kapitein en de eerste stuurman hebben verklaard het eisehen van ander voedsel te beschouwen als voorwendsel ter bereiking van een ander doel, door hen aan de beschul- digden toegeschreven, te weten om in eene Portugesche be- zitting aan wal te komen, waaromtrent de eerstgenoemde heeft verklaard, dat het hem vreemd is voorgekomen, dat de beschuldigden, vóórdat men Madeira naderde aan de stuurlieden hadden gevraagd , of hetzelve geene Portugesche bezitting w a s , en, op het bekomen van een ontkennend ant- woord, één van hen had gezegd, dat men hem te Rotterdam had gezegd, dat het wèl eene Portugesche bezitting w a s , heb- bende de kapitein hier echter later bijgevoegd dat deze omstandigheid hem vreemd is voorgekomen, „zonder er even- wel iets bepaalds uit te durven afleiden;"

Dat hieromtrent is verklaard : 1°. door den eersten stuur- man, dat een der beschuldigden, zonder te weten w i e , hem gevraagd heeft, of Madeira eene Portugesche bezitting i s ;

| » door den tweeden stuurman: dat de beschuldigden wel gevraagd hebben, Madeira ziende, of zulks aan de Portuge- zen behoorde, doch niet te hebben bespeurd, dat zij met geweld derwaarts wilden ; 3°. door den derden stuurman: dat meerdere der beschuldigden, waaronder de een en twintigste ( K I M A N ) , toen deze des nachts op den uitkijk stond, of er land m he gezigt k w a m , hem hebben gevraagd, of het eiland in het gezigt Madeira en Portugeesch was ; en 4 . door den kok D Ü N N F W K : dat de eerste beschuldigde hem heeft gevraagd, welk eiland men in het gezigt had, doch dat op zijn ant- woord, dat het Madeira w a s , door dien beschuldigde met is gevraagd, aan wie het behoorde, hebbende echter de eerste beschuldigde opgegeven niet gehoord te hebben welk land het was ; . ,

Dat geen der andere leden van de Europesche equipage aei Twenthe de beschouwing des kapiteins en eersten stuurmans, omtrent het verlangen der beschuldigden naar eene Portuge- sche bezitting, als hun doel en omtrent de klagten over de voeding als voorwendsel en middel tot bereiking van dat doei heeft verklaard te deelen ;

Dat den twaalfden Augustus ten tien ure de eerste bescluu-

(18)

14 —

digde op het dek is versohenen en op zijn bootsmansfluitje heeft gefloten , op welk teeken alle de beschuldigden op het dek tot hem gekomen zijn en zich bij hem verzameld hebben, dragende hunne scheepsmessen ter zijde;

Dat daarop de eerste beschuldigde naar achteren is gegaan, gevolgd door de overigen, die, terwijl de eerste beschuldigde zich op de campagne begaf, op het dek bleven staan ;

D a t , volgens de beschrijving des tweeden stuurmans, die destijds aan het roer stond, op de campagne de kapitein zich bevond stuurboordzijde, de eerste stuurman bakboordzijde ,

ook de doctor, terwijl de derde stuurman verklaard heeft, dat hij op het benedendek voor de kajuit stond ;

Dat de derde stuurman BARENDS, iets kwaads vermoedende , in de wapenkamer is gegaan, een sabel voor zich heeft genomen en een anderen aan den tweeden stuurman op het halfdek heeft toegeworpen, welke sabels niet gescherpt waren;

Dat de eerste beschuldigde alstoen tot den kapitein gerigt heeft de vraag om ander voedsel voor de beschuldigden, e n , op het herhaald weigerend antwoord des kapiteins, het verlan- gen heeft geuit om allen aan wal te worden gezet ; waarop de kapitein verklaart knorrig te hebben geantwoord: „als je naar den wal wilt, zwem er dan heen;" terwijl de eerste beschul- digde, volgens de verklaring van den kapitein en de stuurlieden VERMEULEN en BARENDS, welke laatste op dit punt zeer stellig verklaart, tot den kapitein op diens weigerend antwoord heeft gezegd, dat het schip dan noch in Holland, noch op Java zou terugkomen, welk zeggen de eerste beschuldigde echter heeft ontkend te hebben geuit; bewerende te hebben gezegd: „ a l s gij ons niet hebt, hoe kan het schip dan overzee komen?"

Dat de aanvang van het tusschen den kapitein en den eer- sten beschuldigde op de campagne gevoerd gesprek, bepaal- delijk met de vraag om ander voedsel, is bevestigd door de ver- klaringen der drie stuurlieden, terwijl de kapitein, die zich wel herinnert de vraag om allen aan wal gezet te worden, ten aanzien van den aanvang van het gesprek met de vraag om ander voedsel, heeft verklaard „ dat het mogelijk i s , maar hij het zich niet herinnert ; "

Dat de timmerlieden van den kapitein order bekwamen om de kajuit te bewaren, waar zij geladen pistolen zouden vinden en ook werkelijk gevonden hebben, welke door hen gedurende het oproer zijn afgeschoten, zonder te weten, of zij er iemand door getroffen hebben;

Dat op het gesprek, tusschen den kapitein en den eersten

beschuldigde gevoerd (terwijl volgens de verklaring des kapi-

teins de tweede beschnldigde middelerwijl ook op de campagne

(19)

- 15

was gekomen, en terwijl de jongen DE HAAN verklaart daar inmiddels ook te zijn gekomen), is gevolgd eene bestorming der campagne, terwijl de elfde beschuldigde, KLAAS LEDESMA , die voloeös getuigenis van den tweeden stuurman VERMEULEN , hierbij bet eerst de trappen van de campagne is opgekomen , riep- D j a c a l D j a g a ! hebbende die beschuldigde een en ander evenwel ontkend; terwijl, volgens de verklaring van den jon- gen DE H A A N , de bestorming plaats had op een gegeven tee- ken van een schreeuw van den liplap (zijnde de elfde beschul- digde aan boord de éénige alzoo genoemd wordende) ;

Dat bij gelegenheid dier bestorming een gewelddadige aanval heeft plaats gehad op de personen van den kapitein COOPMANS en den eersten stuurman S O E P ;

Dat de jongen DE H A A N , dien aanval ziende, door de kerks-

kap naar beneden is gevlugt; . Dat bepaaldelijk de eerste, tweede en vierde beschuldigden

(wat betreft den eersten en tweeden, volgens de verklaring des kapiteins, bevestigd door den tweeden stuurman VERMEULEN, en wat betreft den vierden, volgens de verklaring des laatstge- noemden) den kapitein hebben aangegrepen en met dezen ge- worsteld, gedurende welke worsteling den kapitein is toegebragt eene gestokene wonde onder den linkerschouder;

Dat de kapitein verklaard heeft , dat bij deze worsteling zijne aanvallers dadelijk zijne beide handen hebben vastgehou- den, doch dat hij, zijne regterhand vrij gekregen hebbende, een geladen revolver vóór uit zijn broekzak heeft getrokken en toen betracht heeft zijne linkerhand vrij te krijgen, ten einde zyn wapen in staat te brengen , om er gebruik van te kunnen ma- ken; dat echter de eerste beschuldigde hem dien revolver heeft ontrukt, hem denzelven tegen de keel gezet en den haan afge- trokken ; dat echter deze revolver, ofschoon geladen , met had kunnen afgaan, omdat de cilinder niet gerigt was, welke poging om den kapitein te doorschieten ook door den eersten stuurman SOEP is waargenomen;

Dat de genoemde eerste, tweede en vierde beschuldigden den kapitein vasthielden en wel, volgens de verklaring van den tweeden stuurman VERMEULEN, een hunner aan de beenen, ter- wijl zij hem , volgens de verklaring van den derden stuurman BERENDS, reeds ter halverwege over de ijzeren leuning hadden, ten gevolge waarvan deze beide stuurlieden, evenzeer als de kapitein, meenden, dat zij den laatstgenoemden over boord wilden werpen, hetgeen deze ook verklaart te hebben gekeerd, door zijn voet om een ijzeren hek te slaan;

Dat de tweede stuurman VERMEULEN, toegeschoten zijnde,

om den kapitein te ontzetten, met een sabel op diens aanvallers

(20)

— 16 —

heeft ingehouwen , den tweeden beschuldigde op zïjn hoofd en den vierden op zijn arm heeft geraakt, waarop zij den kapitein hebben losgelaten en met den eersten beschuldigde naar voren weggeloopen zijn ;

Dat de kok DUNNEAVIJK, die den eersten beschuldigde met den kapitein op de campagne bezig heeft gezien, dezen te^en het want drukkende, een pistool, dat hij vond liggen, heeft opgenomen en gezet op de borst des vierden beschuldigde, die met den eersten bij den kapitein stond, doch welk pistool wei- gerde , hebbende de vierde beschuldigde erkend, dat, gelijk hij het noemt, de kok op hem geschoten heeft, doch hem niet ge- raakt heeft;

Dat de kapitein, ontzet door den tweeden stuurman, zich willende begeven van de campagne langs den trap naar het dek, om de overige schepelingen te hulp te roepen, alstoen door eenige der beschuldigden op nieuw is aangevallen, welke hem met snijdende werktuigen een zeventiental wonden, meer of minder zwaar, aan de linkerhand hebben toegebragt;

Dat de eerste beschuldigde, de opgegeven toedragt van den Aanval op den kapitein wedersprekende, ontkennende hem te hebben gestoken, een pistool op de keel gezet of over boord willen werpen, heeft opgegeven, dat, terwijl hij met den ka- pitein stond te spreken, er een schot uit de kerklantaarn is gevallen, waardoor niemand gekwetst werd; dat de kapitein daarop zijn' jas open deed, waaronder twee pistolen waren verborgen, waarvan hij er ée'n trok, welks haan hij wilde spannen, waarom hij eerste beschuldigde hem dit pistool heeft uit de hand gerukt en het op het dek geworpen; dat de kapitein toen een tweede pistool heeft getrokken, hem eersten beschuldigde van zich heeft afgeduwd, die daardoor achteruit struikelde en viel, wanneer de kapitein dat pistool op hem, toen hij juist wilde opstaan, afschoot, en hem met den kogel in de linkerborst getroffen heeft, zoodat hij nederviel bij den trap der campagne en hij volstrekt niet weet, wat er verder met hem is gebeurd;

D a t , met betrekking tot deze met de opgaven des kapiteins en tweeden stuurmans VERMEULEN niet te vereenigen voorstel- ling des eersten beschuldigde, nog door den eerstbedoelde is verklaard, dat, als HIJ den eersten beschuldigde getroffen heeft, dit stellig niet geschied is op de campagne na het gevoerde gesprek, en het dan eerst zou Tcunnen gebeurd zijn, toen hij de campagne reeds was afgekomen en de kajuit zoude binnen- gaan , als wanneer hij zijn tweede pistool heeft gelost, zonder echter te weten, of hij daardoor iemand getroffen heeft;

Dat de tweede en vierde beschuldigden beide almede hebben

(21)

- 1 7 -

o n t k e n d den k a p i t e i n te h e b b e n g e s t o k e n of over b o o r d te h e b b e n willen w e r p e n , en bevestigd de opgave des eersten beschuldigde ten aanzien van diens v e r w o n d i n g door den k a p i t e i n ;

D a t de tweede b e s c h u l d i g d e b e w e e r t , dat hij het e e r s t e d o o r den eersten beschuldigde van den kapitein afgenomen en op dek g e w o r p e n pistool heeft over b o o r d g e w o r p e n ; —- d a t de vierde b e s c h u l d i g d e d a a r o p , toen de eerste v e r w o n d w a s , den k a p i t e i n heeft om het lijf v a s t g e g r e p e n , om hem het n o g m a a l s laden te beletten , ten gevolge w a a r v a n de kapitein zijn pistool liet v a l l e n , h e t w e l k hij tweede beschuldigde toen mede heeft o v e r b o o r d g e w o r p e n ; — dat h e m , op het o o g e n b l i k , w a a r o p hij het pistool over boord w i e r p , door den tweeden s t u u r m a n twee slagen m e t een sabel op den r u g zijn t o e g e b r a g t , en d a t de vierde beschuldigde van denzelfden een s a b e l h o u w over den r e g t e r - s c h o n d e r heeft gekregen , toen hij den kapitein v a s t h i e l d ; D a t de vierde beschuldigde het evengemelde hem betreffende v a s t h o u d e n des k a p i i e i n s , om het a n d e r m a a l laden te b e l e t t e n , evenzeer als het bij die gelegenheid ontvangen van sabelhou- wen van den tweeden s t u u r m a n , heeft b e v e s t i g d ;

D a t de tiende beschuldigde ( D O O L A H ) bevestigt van den derden stuurman B A R E N D S een' hevigen s a b e l h o u w op het hoofd te h e b b e n g e k r e g e n , z e g g e n d e , d a t dit g e s c h i e d d e , toen hij w a s t o e g e s n e l d , om den eersten b e s c h u l d i g d e , die g e w o n d w a s , te helpen v e r v o e r e n , w e l k e s t u u r m a n h i e r o m t r e n t heeft v e r k l a a r d op de m a s s a te h e b b e n i n g e h o u w e n , m a a r niet to w e t e n , wie hij g e r a a k t heeft ;

D a t de e e r s t e s t u u r m a n S O F F , die v e r k l a a r d h e e f t , d a t , bij het begin van den a a n v a l , h i j , evenmin als de k a p i t e i n , den tijd gehad heeft om zijn pistool te t r e k k e n , en dat hij ter- stond door acht man is b e s p r o n g e n , g e d u r e n d e de w o r s t e l i n g m e t zijne a a n v a l l e r s heeft bekomen eene g e s t o k e n e w o n d e in de linkerzijde, o n d e r de k o r t e r i b b e , en twee gehouwen w o n - den op het hoofd, van w e l k e v e r w o n d i n g e n gezegde s t u u r m a n w è l v e r m e e n t , m a a r niet met z e k e r h e i d kan verklaren , d a t de g e s t o k e n e hem zou zijn t o e g e b r a g t door den el/den b e s c h u l - digde K L A A S L E D I S S M A , die zulks echter heeft o n t k e n d , ofschoon belijdende, d a t h i j , vreezende, dat de e e r s t e s t u u r m a n schieten z o u , hem wel b e d r e i g d heeft met zijn s c h e e p s m e s , om hem d a a r m e d e b a n g te m a k e n , toen hij beneden op het dek hij h e t t r a p j e van de c a m p a g n e s t o n d ;

D a t de e e r s t e s t u u r m a n nog heeft v e r k l a a r d , dat hem zijne pistolen zijn o n t n o m e n en dat een derzelve op hem is g e l o s t , zonder d a t hij kan zeggen door wien ;

D a t het den kapitein en e e r s t e n s t u u r m a n g e l u k t ^ i s do kajuit

(22)

— 18 —

te bereiken, w a a r , met uitzondering der beide andere stuur- lieden, alstoen alle de leden der Europesche bevolking van het schip aanwezig waren;

Dat de derde stuurman BARENDS verklaard heeft, dat, nadat de kapitein en eerste stuurman gewond in de kajuit waren gevlugt, hij ook, tot hulp des kapiteins toegeschoten, den trap van de campagne zullende opgaan en zich zooveel mogelijk met een' sabel verwerende, van den tweeden beschul- digde een slag met eene handspaak op den regterarm heeft bekomen, welke een breuk van het ondergedeelte van dien arm heeft te weeg gebragt; wordende het toebrengen van dezen slag door den bedoelden'beschuldigde ontkend;

Dat de eerste stuurman S O F F , ten gevolge der hem toe- gebragte verwondingen, van welke de genezing van die in de zijde dertig dagen, en van die aan het hoofd zes en twintig

«.of zeven en twintig dagen gevorderd heeft, den 20 September nog zeer zwak was en zijn gewoon werk toen nog niet kon verrigten, terwijl de derde stuurman BARENDS na dertig dagen weder iets met zijn arm heeft kunnen verrigten, en na zeven en dertig of acht en dertig dagen zijn gewoon werk heeft kunnen hervatten;

Dat de tweede stuurman VERMEULEN, nadat het vorenstaande had plaats gehad, heeft gezien, dat de tweede beschuldigde in de kombuis ging, daaruit met een tang vuur haalde, en meteen grooten boor, dien hij in zijne hand hield, zich in het voorluik begaf, welke tweede beschuldigde heeft beleden, brandende steenkool uit de kombuis genomen en in het schip geworpen te hebben ;

Dat daarna dezelfde tweede stuurman, zich op het achterdek bevindende, en aldaar blijvende, in de hoop, dat alle de onge- wondenen der equipage zich bij hem zouden vervoegen, den derden stuurman BARENDS tot zich zag komen, die hem zeide, met eene handspaak een' slag op den arm te hebben gekregen, waarna beschuldigden op deze beiden weder zijn afgekomen, met spaken als anderzins gewapend, ten gevolge waarvan deze stuurlieden, begrijpende het tegen zulk eene overmagt niet te kunnen uithouden, door de kerkskap naar beneden zijn gespron- gen in de kajuit, waar sij al de overige leden der Europesche bevolking van het schip vonden, terwijl zij door den woesten hoop zoo naauw op de hielen werden gevolgd, dat de kap ter- stond door hen omsingeld was;

Dat de hofmeester HALDEK DE LA LAINE heeft verklaard, dat de

tweede timmerman ONEL, den zestienden beschuldigde T J I P L I S

bij de kajnitslantaarn opmerkende, dezen in het Maleisch heeft

aangesproken, doch dat hij zijn mes liet zien ;

(23)

— 19 —

Dat de tweede stuurman, in de kajuit toevallig een pistool op tafel vindende liggen, dit terstond naar boven heeft afge- schoten , zonder met zekerheid te kunnen zeggen, of hij iemand geraakt heeft, ofschoon zulks vermeenende, daar het scheen, alsof beschuldigden iemand opraapten en wegdroegen, gelijk ook de derde stuurman heeft verklaard;

Dat de eerste beschuldigde, erkennende de éénige te zijn, die door een pistoolschot is getroffen , echter zijne boven om- schrevene met de waarheid strijdig bevondene opgave ten aan- zien van het schieten des kapiteins volhoudende, heeft ont- kend, dat het schot des tweeden stuurmans door de kerklan-

taarn hem zou hebben geraakt; _ Dat de Europesche bevolking van het schip de kajuit niet

konde verlaten, daar de beschuldigden, alles vernielende, de deuren hadden digtgespijkerd, voor de ramen, op het dek uit- komende, planken hadden bevestigd en de kap bleven bewa- ken, door welke (terwijl de kapitein, volgens den derden stuur- man BAEENDS, den beschuldigden toeriep, dat hij hun in alles genoegen zou geven, en, volgens deze, den tweeden stuurman

VERMEULEN, den kok DUNNEWIJK en den hofmeester HALDER DE

LA L A I N E , onder vertooning van een stuk ham, hun onder an- deren toeriep : cassi sampi (dat hij hun vleesch zou geven), aller- hande brandbare en brandende stoffen naar beneden in de kajuit werden geworpen , waar de daardoor ontstaande brand slechts met moeite werd tegengegaan door middel van wollen dekens, die door de openstaande lenspoorten ter bevochtiging in het water werden nedergelaten, en door middel van door gezegde poorten geschepte potten water;

Dat, onder het zooveel mogelijk blnsschen van den brand in de kajuit en nadat verscheidene uren daarin waren doorgebragt, de jongen BLANKEN door een patrijspoortje heeft gezien, dat de be- schuldigden in de barkas wegvoeren, hetgeen hij aan den kapi- tein heeft medegedeeld, die zich daarvan heeft vergewist, waarna, na vruchtelooze poging om de kajuitsdeuren open te maken, met alle krachten de kerkskap is opengebroken, waar- door de tweede stuurman VERMEULEN het eerst en vervolgens de overigen op het dek gekomen zijn, en de gewondene gehol- pen zijn ; . .

Dat, op het dek gekomen, men zag de beschuldigden zich in

de verte verwijderend en de Twenthe een verschrikkelijk tooneel

van verwoesting vertoonende, aan verschillende kanten in brand,

terwijl de tweede stuurman VERMEULEN zich desniettegenstaande

terstond naar voren begaf, om te zien, of er daar ook nog van

de beschuldigden verstoken waren, en hoe het dââr met den

brand gesteld was, doch niet naar beneden kon komen, daann

(24)

— 20 —

verhinderd door de hem te gemoet komende rook en vlammen ; Dat Vergeefsche pogingen zijn gedaan tot blussching van' den brand, welke pogingen niet in uitgebreide of afdoende mate konden worden aangewend, dair de brandspuit was ver- nield, de putsen niet werden gevonden, en de verwoesting, in welke de beschuldigden het schip hadden gebragt, en met de door hen weerloos gemaakte, van vlammen omringde, Euro- pesche bevolking, aan haar lot overgelaten , zoo groot was, dat

slechts een enkele koperen ketel en casserol aanwezig werd bevonden, welke geschikt waren om eenigermate bij de blus- sching te worden gebruikt;

D a t , vermits de weinige handen en onvoldoende blusch- middelen het meer en meer de overhand krijgende vuur niet konden meester worden, het schip noodwendig moest worden verlaten, terwijl ook gevreesd werd, dat het vuur het kruid mögt bereiken ;

Dat inmiddels ontdekt werd een schip, op de Twenthe aan- houdende, waarna is gebruik gemaakt van den e'énigen nog nevens het schip aanwezig bevonden sloep, welke . vol water zijnde, zoo goed mogelijk is uitgehoosd , waarin de Europesche leden der bevolking van het schip zich hebben begeven, met achterlating van al wat zij bezaten , en waaruit zij zijn opge- nomen op evenbedoeld schip, zijnde het Fransehe fregatschip

Talisman, gevoerd door kapitein VICTOK FOUBKET, welke ge- zagvoerder hen den 13 September te Rio de Janeiro heeft aan wal gebragt; alwaar voor den Nederlan dachen Consul- Generaal beëedigde verklaringen omtrent het voorgevallene zijn afgelegd, waarvan de processen-verbaal bij de gedingstuk- ken zijn overgelegd;

D a t , nadat de Twenthe was verlaten, de vlammen 'aan alle zijden zijn uitgebroken en kort daarna de groote en bezaans- mast over boord zijn gevallen;

Dat de beschuldigden den veertienden Augustus in de na- bijheid der haven van Funehal zijn aangehouden, allen gewa- pend met messen, welke hun aldaar zijn afgenomen;

Dat de beschuldigden hebben ontkend, dat zij' afspraak zouden hebben gemaakt, om, bij weigering van den kapitein om aan eischen van hunnentwege te voldoen, het schip in den brand te steken of moord te plegen;

Dat de eerste beschuldigde, ontkennende de anderen te

hebben aangezet om het werk te staken, heeft opgegeven,

dat zij, die den elfden Augustus nog doorgewerkt hadden,

hun werk den twaalfden ook hadden gestaakt, en dat zij allen

hem hadden gelast den kapitein nogmaals over de voeding te

gaan spreken, en wel zóó, dat zij het allen konden hooren,

(25)

21 —

opdat hij hen niets wijs maakte; dat hij, zich toen op het dek begeven hebbende, allen heeft opgefloten, waarop allen zijn gekomen met hunne messen op zijde, en hem zijn ge- volgd tot aan de campagne, hij alleen den trap is opgegaan tot "den kapitein, die met de eerste en tweede stuurlieden zich aldaar bevond; dat de kapitein daarop den eersten en twee- den timmerman heeft geroepen, die, nadat zij bij hem waren geweest, zich dadelijk naar de kajuit begaven; dat hij toen tot den kapitein gezegd heeft: „zij moeten allen hooren, wat ik tegen u spreek en wat u antwoordt;" dat daarop een gesprek is gevoerd, waarbij door hem is gevraagd om ande- ren visch of vleesch, doch geweigerd door den kapitein, door hem is gevraagd om die dan te koopen, hetgeen ook is gewei- gerd; door hem gevraagd om aan den wal te worden gezet, als er land in het gezigt kwam, doch door den kapitein ge- weigerd; door hem eindelijk gezegd: „kapitein, gij hebt te Rotterdam gezegd, dat wij goed te eten zouden hebben, deze schafting komt niet overeen met het boek van den waterschout;" dat daarop de kapitein naar beneden heeft gesproken , en onmiddellijk daarop is gevallen het schot uit de kerklantaarn, en verder is gevolgd, wat hierboven reeds, als door den eersten beschuldigde opgegeven, is vermeld;

Dat de overige beschuldigden hoofdzakelijk hebben opgege- ven, door het onvoldoende der voeding, die niet overeenkwam met hetgeen zij op de vroeger door hen bevaren schepen had- den genoten, en met hetgeen hun bij de aanmonstering voor de Twenthe was toegezegd, en die hen tot werken te zwak maakte, gedreven, den eersten hunner te hebben verzocht, den kapitein hierover te onderhouden en te trachten daarin verandering te verwerven ;

Dat deze den kapitein daarover heeft onderhouden, terwijl zij zich met hem op het dek hadden begeven, voor zooverre zij aldaar zich nog niet bevonden; dat alstoen een gesprek tusschen den kapitein en den eersten beschuldigde is gevoerd, hetgeen zij, die zeggen het te hebben kunnen verstaan, hoofd- zakelijk opgeven te hebben bestaan in de vraag om ander voed- sel en , op de weigering daarvan, in de vraag om dan aan wal gezet te worden, hetgeen ook werd geweigerd; d a t e r vervol- gens is geschoten;

D a t , behalve het door den vierden beschuldigde erkend vasthouden des kapiteins, gelijk hij zegt, ten einde dezen het weder laden te beletten, geen der beschuldigden het door hen plegen van eenigen aanval of gewelddadigheid tegen personen heeft erkend;

Dat, met uitzondering van de eerste, zeventiende, achttiende

(26)

en twee en twintigste beschuldigden, allen erkennen de kajuit gesloten te hebben gezien, doch opgeven niet te weten, wie dezelve heeft digtgemaakt, behoudens de opgave des vijfden beschuldigden, die heeft beleden planken voor de ramen der kajuit te hebben gezet, doch niet erkend die te hebben vast- gespijkerd ;

Dat, met uitzondering van do eerste, derde, tiende en een en twintigste beschuldigden, allen erkennen het schip in rook of brand te hebben gezien, doch opgeven niet te weten, wie den brand geslicht heeft, met uitzondering des tweeden be- schuldigde, wiens bekentenis te dezen opzigte boven is vermeld;

Dat overigens allen ontkennen brandende stoffen in de kajuit of elders in het schip te hebben geworpen of verspreid en de bluschmiddelen te hebben vernield of verwijderd ;

Dat allen erkennen het schip met de barkas te hebben verlaten, en, gelijk voormeld, te zijn aangehouden.

En worden mitsdien de beschuldigden:

I . SIDIN (Serang), X I I . S E T E O , I I . P A S E N O , x i l l . N G A N G S I , I I I . K A P I D I N , X I V . M A K I D I N , I V . K A S J D I N , XV. SIDIN (matroos),

V. BATJOOK I , X V I . T J I P L I S V I . BATJOOK I I , X V I I . OSMAN,' V I I . SOEDIN, X V I I I . N G A I T I N , V I I I . A M A T , x i X . S I M I N ,

I X . L I N U O , X X . P A W A B I N A , X . D O O L A H , X X I . K I M A N , en X I . KLAAS LEDESMA , X X I I . M E D I N ,

door den Procureur-Generaal beschuldigd van:

„ Wederspannigheid door aantasting en wederstand, feitelijk

„ e n gewelddadig gepleegd aan boord van een koopvaardijschip,

„door mindere schepelingen, ten getale van meer dan twintig

„gewapende personen, jegens hunne meerderen in rang, zijnde

„ d e schipper en stuurlieden van dat schip, en alzoo jegens

„ambtenaren, werkzaam ter uitvoering der wet-"

Daarenboven :

i)e eerste, tweede en vierde beschuldigden:

„Poging tot moedwillige,, doodslag, vergezeld van eene

„andere misdaad, e n , voor zooveel den tweeden beschuldigde

„betreft, gevolgd daarenboven van eene derde misdaad en

„van een wanbedrijf, doch niet gestrekt hebbende om het

„plegen van die misdaden of dat wanbedrijf voor te berei-

(27)

^*aaa pSffiMHfflB

, den, »emakkelijk te maken, of de ontdekking daarvan voor

„ t e komen; welke poging, door uiterlijk bedrijf gebleken en

„tevens tot een begin van uitvoering overgeslagen, niet dan ,door toevallige en van der daders wil onafhankelijke om- s t a n d i g h e d e n is weerhouden, en hare uitwerking gemist heeft;"

En nog de tweede beschuldigde :

„Moedwillige verwonding, uit welke ziekte of beletsel om

„ t e werken van meer dan twintig dagen is ontstaan; en

„Moedwillige brandstichting in een schip, van dien aard,

„ dat te voorzien was, dat daardoor menschenlevens in gevaar

„konden worden gebragt."

Gedaan in het Parket van het Provinciaal Geregtshof in Zuidholland, te '* Gravenhage , den 29 Augustus 1857.

(Geteekend) FRANÇOIS,

Advokaat- Generaal.

(28)
(29)

^^m

Zitting van Donderdag, 1 October.

Nadat de deurwaarder de rol h a d opgelezen, geeft de Voorzitter te k e n n e n , dat hij heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid, a a n hem toegekend bij a r t . 26 van het reglement betreffende de wijze van eeds-aflegging d e r onderscheidene regterlijke ambtenaren enz. , waarbij bepaald i s , dat d e voorzitter van ieder collegie de bevoegd- heid heeft om in zaken van veel gewigt of van grooten omvang een of meer raadsheeren of regters boven het bij de wet bepaalde getal als bijzitters t e benoemen.

Dien ten gevolge wordt de beschikking hieromtrent door den subst.- griffier M r . VOSMAER voorgelezen, waarbij d e raadsheer D E BOUDES in dit regtsgeding als bijzitter is benoemd.

H e t H o f is mitsdien zamengesteld, behalve den voorzitter, nit de r a a d s h e e r e n M r s . : E L O U I VAN S O E T E R W O U D E , D E B O R D E S , VAN D E R S A N D E en B E E L S .

De functiën van het Openb. Min. worden waargenomen door den adv.-gen. FRANÇOIS.

Als verdedigers der beschuldigden treden op de advokaten M r s . : C. VAM B E L L , A . M. VAN STIPKIAAN L Ü Ï S C I Ü S , B . L . KASCH en M.

S . P O L S .

De adv.-gen. FRANÇOIS vat het woord op en , aangezien de beschul- digden de Nederlandsche tnal niet genoegzaam magtig zijn, requireert, dat door het Hof, naar aanleiding van art. 196 Strafvord., eene benoe-

ming geschiede, ten einde als bij dat artikel is voorgeschreven. U i t hoofde echter van het groi.t aantal beschuldigden en de uitgebreidheid dezer zaak , heeft het Openb. Min. gemeend het Hof in de gelegen- heid te moeten stellen o m , daartoe termen vindende, zich niet te b e - palen tot de benoeming van één tolk , maar om twee tolken te kun- nen benoemen : het zijn de beeren G. Leeman en M. D. Emmcn, beiden door de zorg van het Openb. Min. ter teregtzitting aanwezig, overeenkomstig de te dezen opzigte bij dit Hof steeds in acht g e - nomen gebruiken. E n hij verzoekt van dit requisitoir acte.

H e t H o f verleent acte van dit genomen requisitoir.

Mr. 0 . VAN B E L L zegt het volgende:

Edel Groot Achtbare Heeren !

Bij gelegenheid van een bezoek, door de advokaten van de b e - schuldigden aan h e n in de gevangenis g e b r a g t , in tegenwoordigheid van den kolonel V e e n h u y z e n , hebben de beschuldigden zich aan ons ten zeerste beklaagd over den heer B m m e n , die door den geachten ambtenaar van het Openb. Min. in de tweede plaats als tolk is voor- gesteld. Zij hebben ons medegedeeld, dat die m a n h u n in de gevan- genis op eene onheusche, onbeleefde, j a onbeschofte wijze heeft toe-

2

(30)

— 26 —

gesproken, dat hij hun heeft toegesproken op eene wijze, zoo als de slaven worden bejegend, dat hij hen kortom als honden heeft behandeld.

Over die bejegeningen zijn zij ten hoogste gegriefd. Die bejegeningen waren dan ook even onverdiend als onbetamelijk en onverstandig.

Onbetamelijk, omdat de regterlijke magt in deze provincie zich zoo zeer beijverd heeft, gedurende den tijd, dat de beschuldigden in hechtenis zijn geweest, hen op eene menschlievende en edele wijze ie verzorgen.

Maar ook onverstandig, omdat, als de heer Emmen goed Maleisch kende, hij dan van het volkskarakter der Javanen zooveel wel had behooren te weten , dat die menschen op eene zekere voorkomend- heid gesteld zijn.

Die bejegening heeft bij de beschuldigden afkeer tegen dien tolk verwekt, tegenzin, wantrouwen. Zij hebben ons dringend verzocht met dien man niet meer in aanraking te komen, dat die man hun niet meer zou toespreken.

Indien beschuldigden als deze wantrouwen hebben in een tolk, dan hebben het ook de verdedigers, en daarom maken wij gaarne gebruik van de bevoegdheid, bij het tweede lid van art. 196 Strafvord.

aan de beschuldigden toegekend, om namens de beschuldigden den voorgestelden tweeden tolk te wraken en het Hof eerbiedig te ver- zoeken om in de plaats van dezen eenen anderen te benoemen.

Wij rekenen ons gelukkig, reeds terstond in de gelegenheid te zijn om, in de plaats van den heer Emmen, iemand anders voor te stellen ; iemand, die zeer bekwaam is in het laag-Maleisch, die jaren lang in Indië heeft verkeerd, door zijne betrekking van kolonel meermalen in krijgsraden heeft gezeten en dikwijls in het laag- Maleisch beschuldigden en getuigen heeft zien verhooren: het is de hoog edel gestrenge heer J. A. Veenhuyzen, ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, gepensionneerd kolonel vau het Oost- Indische leger , wonende te 's Gravenhage.

Die heer is eenmaal met de advokaten der beschuldigden in de gevangenis bij hen geweest en heeft ons het genoegen gedaan onze vragen aan de beschuldigden en hunne antwoorden te vertolken.

Xlïj gelegenheid van dat bezoek hebben wij gezien, niet slechts met hoeveel gemakkelijkheid die heer in het laag-Maleisch zich inet de beschuldigden wist te onderhouden, zóó zell's, dat geen enkelen keer één hunner nadere ophelderingen noodig had te vragen, maar wij zijn ook getuigen er van geweest, welk groot vertrouwen die heer aan de beschuldigden heeft ingeboezemd. Het was voor hen inder- daad eene vreugde, dien kolonel weder te ontmoeten. Hij toch was hun niet vreemd. Immers, zestien der beschuldigden zijn aan boord geweest van de Jannetje, kapitein Lupcke, en op dat schip, van Java naar Nederland terugkeerende , bevond zich de kolonel Veenhuyzen, die meermalen een goed woord tot die menschen heeft gerigt.

Wij zijn uit dien hoofde op het denkbeeld gekomen, of het niet zou zijn in het belang der verdediging, om gemelden heer te ver- zoeken eventueel tot tolk te willen verstrekken.

Na zijne herhaalde weigering is het ons eindelijk gelukt zijne toe- stemming te verkrijgen om zich aan het Hof als tolk te laten voor- dragen en, bij eventuele benoeming, die benoeming aan te nemen.

De verdediging stelt er hoogen prijs op, dat de kolonel Veenhuyzen

tot tolk worde benoemd, juist om het vertrouwen, hetwelk de be-

schuldigden Koo blijkbaar in hem hebben gesteld. Want het is niet

(31)

— 27 —

genoeg, dat de tolk het laag-Maleiseh verstaat, hij kan zelfs een groot taalgeleerde zijn; maar als hij niet het vertrouwen der beschul- digden geniet, deugt hij als tolk volstrekt niet.

Het betreft hier eene laai, die geheel eigenaardig en eigenlijk slechts aan de behoeften van bet dagelijksch en scheepsleven beantwoordt.

Als men in deze taal abstracte begrippen, of denkbeelden, die niet onder bet bereik van het gewoon verstand van den Javaan vallen , wil uitdrukken, dan is dit niet anders mogelijk dan door eene om- schrijving. Men kan aan die menschen zoodanige omschrijving niet geven, dan wanneer er met zekere vertrouwelijkheid wordt gespro- ken , zoodat zij op hun gemak worden gesteld en gaandeweg tot het doen van verklaringen of tot het begrip van hetgeen men hun vei>

klaren wil, komen.

Doch is de tolk daarentegen stug met hen, dan hebben die menschen vrees ; en zij zullen, door die vreesachtigheid, bf op alles ja zeggen , öf die vreesachtigheid zal hen wantrouwend maken en terughouden.

Ik herhaal: het is niet genoeg, het laag-Maleisch te verstaan;

maar de tolk moet bovenal het vertrouwen hebben van de beschul- digden.

Maar er is nog meer. Hoe meer vertrouwen de beschuldigden in den tolk stellen, hoe meer zij expansief worden in hunne antwoor- den ; en hoe meer zij antwoorden, hoe meer bet Hof, bet publiek Ministerie en de advokaten vernemen zullen wat tot hunne verde- diging kan strekken.

Het is aan de verdedigers reeds gebleken, dat, hoe meer de be- schuldigden spreken, hoe meer hunne handelingen in een beter licht komen.

Daarom vragen wij dan ook, dat de heer Emmen niet benoemd worde als tolk , maar dat in zijne plaats worde aangewezen de kolonel Veenhuyzen.

Wij verdedigers willen openlijk verklaren, dat, na hetgeen ons de beschuldigden gezegd hebben, wij niet het minste vertrouwen stellen in den heer Emmen als tolk, en dat wij geen waarborg hebben, dat door hetgeen hij vertolkt zal hebben van de opgaven der beschuldig- den, dit hunne bedoeling steeds zal uitdrukken.

Wij geven nog het Hof in bedenking, of, indien twee tolken wor- den benoemd, het niet billijk is, dat er één zij van den kant der beschuldiging en één van de zijde der verdediging.

Wij vragen op grond van een en ander :

1°. dat de heer Emmen niet als tolk moge worden benoemd, maar in zijne plaats de kolonel Veenhuizen.

Mögt het Hof echter zwarigheid maken in dat verzoek te treden en op den heer Emmen gesteld zijn, dan strekt

2°. onze conclusie daartoe, dat de heer Veenhuyzen als derde tolk worde gevoegd bij de twee eerstgenoemden.

Mögt het Hof ook dit verzoek niet toestaan, en om onzerzijds een bewijs te geven, dat het der verdediging niet te doeu is om het Hof of het Openb. Min. te bemoeijelijken of den loop der zaak te entra- veren, maar alleen om een waarborg te hebben, dat de vertolking zij in het waarachtig belang van de verdediging, — zoo vragen wij ten slotte van den geachten president, dat hij het met de orde op de teregtzitting bestaanbaar zal willen achten, te vergunnen, datdeheer Veenhuyzen zich achter ons plaatse, ten einde ons, bij voorkomende gelegenheid, te kunnen voorlichten.

De adv.-gen. zegt hierop het volgende :

(32)

— 28 —

H e t behoeft naauwelijks aan 17 Edel Groot Achtbaren te worden herinnerd , dat de wet noch aan het Openb. Min. noch aan de ver- dediging eenigen invloed toekent op de benoeming van eenen tolk en deze alleen is opgedragen aan het Hof.

Alleen om geen oponthoud ie veroorzaken , heeft het Openb. Min.

overeenkomstig de bij dit Hof steeds gevolgde gebruiken zorg gedra- g e n , dat twee geschikte personen voor tolken aanwezig zijn.

N u echter de verdediging zwarigheid gemaakt heeft ten opzigte van den tweeden persoon , zal ik u mededeelcn, hoe het Openb. Min. er toe gekomen is om dezen voor te dragen.

De eerste tolk heeft reeds lijdens de instructie diensten bewezen aan de justitie. De verdediging heeft over hem geene zwarigheid in het midden gebragt en er kan dus verder over h e m worden gezwegen.

Maar ook een tweede tolk kwam aan het Openb. Min. wenschelijk voor, en het heeft daarom eene poging gedaan bij een h o o g l e e r a a r , en dezen uitgenoodigd om zijne diensten in deze zaak te leenen.

Die poging echter heeft schipbreuk geleden , omdat de taal . door de groote meerderheid der beschuldigden g e s p r o k e n , bleek niet te liggen in het bereik der kennis van dien hoogleeraar.

E r moest dus een ander in zijne plaats tot tweeden tolk worden voorgebragt, en daartoe viel de keuze op den heer Emreen.

H e t Openb. Min. heeft zich veel moeite gegeven om zich te ver- gewissen nopens zijne geschiktheid en bekwaamheid in het l a a g - M a - leisch ook door raadpleging van andere deskundigen, en de uitkomst van dat onderzoek heeft ten deze zoovele waarborgen opgeleverd, dat het Onenb. Min. geene zwarigheid heeft gevonden h e m als tweeden tolk voor te stellen.

De h e e r E m m e n is in de gelegenheid geweest met de beschuldigden te spreken , en als hij dan ook al welligt bij zijn eerste bezoek niet die voorkomendheid heeft in acht genomen als de verdedigers wenschelijk achten , zoo k a n het Openb. Min. de geruststellende verzekering g e - ven, dat de beschuldigden gedurende een paar uren zich in de tegenwoor- digheid van den tolk en van den proc.-gen. hebben bevonden, en dat de indruk daarbij is geweest, d a t , wel verre van bij de beschal- difden eenisien afkeer tegen dien tolk te o n t w a r e n , integendeel v e r - trouwen werd gezien , op te maken uit de v, ijze , waarop zij uit eigen beweging vragen aan E m m e n deden.

Uit overtuiging alzoo, dat de heer E m m e n allezins geschikt is om als tolk in de Maleische taal op te treden , spreekt het wel van zelf, dat, wegens het gemis van de door de verdedigers gewenschte mate van beleefdheid bij het eerste bezoek van dien tolk a a n de beschul- digden , het Openb. Min. niet kan toestemmen, dat die persoon op dien grond als tolk af te wijzen zou zijn.

Men heeft b e w e e r d , dat de billijkheid zou m e d e b r e n g e n , dat één tolk van de zijde van het Openb. Min. en een van den kant der verdediging zou worden benoemd.

Die beschouwing k o m t mij geheel onjuist voor. I k geloof, dat er niet moet zijn een tolk van de zijde van het Openb. M i n . , noch een van die der verdediging. De tolk moet zijn een onpanijdig persoon, die noch vriend noch vijand is van de beschuldigden.

Indien ik nu op den voorgrond stelle, dat de zaak v o r d e r t , dat als tolken onpartijdige personen moeten worden b e n o e m d , spreekt het echter van zelf, dat het niet in de verte mijn doel is om iets in het midden te brengen tegen den kolonel Veenhuyzen en alsof het O p e n b . Min. eenig wantrouwen in dezen heer zou stellen. D e s p r e k e r

(33)

__ 29 —

in deze teregtzittiiig beeft de eer niet den kolonel Veenhuyzen te k e n n e n . Maar om de aangevoerde redenen kan het Openb. Min. zich niet vereeiiigen met de conclusie om dien heer in plaats van E m m e n als tolk te benoemen. Als er toch reeds twee tolken worden benoemd in plaats van e e n , bestaat er geeue enkele aanleiding om den heer Veenhuyzen als derden tolk aan te wijzen. W a a r zou het einde zijn ?

Mögt er evenwel in den loop der zaak eenige moeijelijkheid op- riizene'en mögt het wenschelijk worden geacht nog meer licht te putten ook door een derden tolk , dan zal het Openb. Min. zich niet alleen niet verzetten, dat alsnog een derde worde benoemd, maar zelf c. q. het

initiatief n e m e n . , I k ga verder. Het Hof zal dit w e l , naar gelang van z a ^ e n , zeit

ambtshalve gelasten.

W a t eindelijk betreft het v e r z o e k , dat de heer Veenhuyzen zich moge plaatsen achter de verdedigers, daaromtrent behoort dezerzijds niet°s te worden ingebragt, omdat de beslissing daaromtrent geheel ter prudentie van 's Hofs geachten voorzitter staat.

M r . C. VAN B E L L zegt voor repliek :

De heer adv.-gen. heeft toegegeven, dat bij het eerste bezoek de tweede tolk hoog-t onbeleefd jegens de beschuldigden k a n zijn g e - weest , maar heeft er op laten volgen , dat de beschuldigden onlangs gedurende twee uren in tegenwoordigheid van den proc.-gen. geene blijken

van tegenzin in dien tolk hebben gegeven. __

I k geloof dat alleen te moeten toeschrijven aan het onbegrijpelijk r e s p e c t , dat de J a v a n e n van de lagere volksklasse in het algemeen hebben wanneer zij in tegenwoordigheid zijn van h u n n e meerderen.

Zij zullen zelve niet het initiatief nemen vau aanmerkingen of tegen- kanting. . . , , ,

Maar dit kan ik verzekeren , d a t nog weinige oogenblikken voor deze teregtzittiiig de eerste besch. aan een onzer herhaald heeft het verzoek , dat de tolk E m m e n niet zou optreden.

Aan die gelegenheid , waarbij de proc.-gen. zich met dien tolk bij de beschuldigden heeft bevonden, kan dus inderdaad niet veel worden gehecht. Men moet toch de individualiteit der beschuldigden k e n n e n , om te weten , dat zij als het ware over dien tolk confuus en ver- schrikt waren , en bet is n e t te verwonderen, dat niet zoo bepaal- delijk van hunnen afkeer tegen hem is gebleken.

E r is verder beweerd, dat er geen tolk benoemd w o r d t , hetzij van den kant van het Openb. M i n . , hetzij van den kant der verdediging, maar dat de regter benoemt tolken, die geheel onpartijdig moeten zijn.

In abstracto is dit zeer w a a r , en ik geef gaarne t o e , dat de tolken niet kunnen worden beschouwd als bedienden, hetzij van het Openb.

M i n . , hetzij van de advokaten. Maar wat de heer proc.-gen. hierbij voegde, dat zij onpartijdig hunnen pligt zullen vervullen, zoo kan men mijns inziens die onpartijdigheid niet aannemen ten aanzien van den tolk E m m e n , en naar hetgeen ik heb gehoord, is deze wel gedisponeerd om hetgeen hier te zijnen opzigte is gesproken, wel op de eene of andere wijze aan de beschuldigden tfhitis te brengen. Het Openb.

Min. z e g t , dat de tolk niet m a g zijn de vriend of vijand van den beschnldTgde. M a a r zoo de kolonel Veenhuyzen is aan te merken als een vriend der beschuldigden, voor wien zij sympathie gevoelen, zoo blijkt uit gedragingen van den heer E m m e n , dat deze tegen hen eene bepaalde antipathie koestert.

Die aniipathie nu is reeds op zich zelve een duchtige grond van

Figure

Updating...

References

Related subjects :