SPRUITKOOL ZW497 CULTUUR- EN GEBRUIKSWAARDE-ONDERZOEK LATE RASSEN

In document RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK VOUEGRONDSGROENTEN GLASGROENTEN 1994 AKKER-EN A TUINBOUW WESTMAAS (pagina 83-96)

INLEIDING

In het seizoen 1994/1995 werd op ROC Westmaas Cultuur- en gebruikswaarde onderzoek (CGO) uitgevoerd aan de late spruitkoolrassen.

In deze proef zijn de gegevens van het voortgezetonderzoek en de rassenlijstrassen van de proefplaats Westmaas over het seizoen 1994/1995 weergegeven. Ter vergelijking staan ook de landelijke gemiddelden over de laatste vijf jaar vermeld.

PROEFOPZET

Het CGO aan late spruitkoolrassen werd in 1994/1995 uitgevoerd op de volgende drie proef-plaatsen: ROC Westmaas, PAGV te Lelystad en ROC 'de Kollumerwaard'.

Alle proefplaatsen hadden drie oogsttijdstippen per ras.

Er werden in Westmaas tien rassen onderzocht, waarvan drie rassenlijstrassen, twee rassen in het voorgezetonderzoek en vijf rassen in het vooronderzoek. De rassen van het vooronderzoek worden hier verder niet besproken, omdat er nog niet is vergaderd over deze teelt.

PROEFVELDGEGEVENS EN UITVOERING

Enkele proeftechnische gegevens van de proef te Westmaas worden hieronder weergegeven.

Zaaidatum: 6 april 1994

Plantdatum: 18 mei 1994

Type plant: kluitplant

Plantafstand: 75 x 40 Aantal planten per oogst: 40 Aantal oogsten per ras: 3

De planten werden gezaaid en opgekweekt in superseedlingtrays bij Jongerius bv te Houten.

Bij de oogst werd per veldje, per oogstdatum en per sortering de opbrengst bepaald waaruit de sorteringsverhouding en de totale opbrengst berekend werden. Op elk oogsttijdstip werd tevens de spruitkwaliteit beoordeeld waarbij cijfers van 1 t/m 9 gegeven werden voor de eigenschap­

pen kleur, vleugels, smet, gele blaadjes, vastheid, graterigheid en algemene indruk. Ook werd na een week uitstallen bij 12 °C nogmaals de kwaliteit van de spruiten beoordeeld (uitstalle­

ven).

Als optimale oogstdatum werd die datum gekozen waarbij het gebruikswaarde cijfer minimaal een zes was en de opbrengst maximaal. Wanneer van een object alle gebruikswaardecijfers lager dan een zes waren, is de datum met het hoogste gebruikswaardecijfer als optimale oogst­

datum genomen.

RESULTATEN

In de tabellen 1 en 2 zijn de beoordelings- en produktiecijfers van de verschillende rassen opgenomen.

Tabel 1. Beoordelings- en produktiecijfers late spruitkool, (éénjarige gemiddelden) Westmaas 1994/1995.

Ras vroegheid netto sorteringsverhouding kleur smet gele algemene uitstal­

opbrengst %A %B blaadjes indruk leven

(ton/ha)

Silverline 217 13,3 82 5 8,0 6,7 6,3 6,0 2,1

Tavernos 228 8,5 81 7 6,5 4,8 6,7 4,8 4,2

Stephen 228 11,6 66 27 7,0 6,0 7,7 6,0 3,6

Warrior 238 12,5 60 27 7,0 6,7 7,3 6,7 3,0

Estate 238 15,2 58 37 6,7 7,0 8,0 6,0 4,4

Gemiddeld 230 12,2 69 21 7,0 6,2 7,2 5,9 3,5

Tabel 2. Beoordelings- en produktiecijfers late spruitkool, landelijke vijfjarige gemiddelden.

Ras vroegheid netto sorteringsverhouding kleur smet gele algemene uitstal­

opbrengst % A % B blaadjes indruk leven

(ton/ha)

Adonis 222 17,6 63 30 6,3 6,8 7,2 6,1 5,0

Tavernos 231 16,2 59 34 5,5 6,0 7,3 5,8

-Silverline 227 19,9 63 30 7,2 6,0 6,6 6,1

-Stephen 233 17,3 59 34 6,8 6,5 7,6 6,3 5,1

Skios 234 18,9 75 13 6,9 6,7 6,4 6,4 3,3

Warrior 242 17,0 56 36 7,3 5,9 7,0 6,1

-Estate 241 17,0 40 53 6,3 5,5 6,6 5,6 3,6

Gemiddeld 233 17,7 59 33 6,6 6,2 7,0 6,1 4,3

Legenda behorende bij de tabellen 1 en 2 Vroegheid : aantal dagen vanaf planten

kleur: 1 = erg licht 9 = donkergroen

smet 1 = veel smet 9 = geen smet

gele blaadjes: 1 = veel geel blad 9 = geen gele blaadjes algemene indruk: 1 = erg slecht 9 = erg goed.

uitstalleven: 1 = erg slecht 9 = erg goed

RASBESCHRIJVINGEN

De rassen worden per onderzoeksfase in volgorde van vroegheid behandeld.

Voortgezet onderzoek Tavernos (S&G Seeds)

Gewas: Laat ras met een matige opbrengst. De sortering is gemiddeld. Het gewas is vrij kort met een goede stevigheid.

Spruiten: Een erg lichte, ronde en vaste spruit met een matige gebruikswaarde. De kwaliteit na een week bij 12 °C is redelijk.

Warrior (Bejo)

Gewas: Laat ras met een redelijke opbrengst. De sortering is gemiddeld. Het gewas is vrij kort met een goede stevigheid.

Spruiten: Een donkere, gladde, iets lange en vaste spruit. Hij lijkt wel iets gevoelig voor smet.

De gebruikswaarde was matig tot voldoende. De kwaliteit na een week bij 12 °C is matig.

Rassenlijstrassen Silverline (Huizer)

Gewas: Een laat ras piet een goede opbrengst en een vrij fijne sortering. Het gewas is vrij lang en vrij stevig.

Spruiten: De vaste, donkere, gladde en vrij ronde spruiten hadden een voldoende gebruiks­

waarde. De kwaliteit na een week bij 12 °C is slecht, vooral door de gevoeligheid voor gele blaadjes.

Adonis (S&G Seeds)

Gewas: Middenlaat tot laat ras met een vrij kort gewas en een goede stevigheid. De opbrengst is gemiddeld en de sortering is gemiddeld tot iets fijn.

Spruiten: De iets bleke spruiten zijn glad, vrij rond en hebben een voldoende gebruikswaar­

de. De kwaliteit na een week bij 12 °C is redelijk.

Stephen (S&G Seeds)

Gewas: Laat ras met een gemiddelde lengte en een vrij goede stevigheid. De opbrengst is matig met een gemiddelde sortering.

Spruiten: De spruiten zijn vrij rond, glad en vast en hebben een voldoende gebruikswaarde.

De kwaliteit na een week bij 12 °C is redelijk.

Skios (S&G Seeds)

Gewas: Laat ras met een goede opbrengst en een fijne tot zeer fijne sortering. Het gewas is lang en heeft een matige tot voldoende stevigheid.

Spruiten: Gladde, erg ronde en vaste spruiten, maar wel wat gevoelig voor geel blad. De gebruikswaarde is voldoende. De kwaliteit na een week bij 12 °C is slecht, door de gevoeligheid voor smet en gele blaadjes.

Estate (Royal Sluis)

Gewas: Laat ras met een matige tot voldoende opbrengst en een vrij grove sortering. Het gewas is kort en stevig.

Spruiten: Vrij ronde, beetje vleugelige spruit en gevoelig voor smet en geel blad. De gebruiks­

waarde voor deze plantdatum is matig. De kwaliteit na een week bij 12 °C is matig, vooral door de gevoeligheid voor gele blaadjes.

SPRUITKOOL ZW702

MYCOS

INLEIDING

Mycos adviseert spruitkooltelers bij de bestrijding van Mycosphaerella in spruitkool. Het is een geautomatiseerd systeem op basis van een weerstation en een programma op de PC. Het sys­

teem is gebaseerd op de criteria zoals ze al jaren in de praktijk worden gebuikt. Het systeem bepaalt of er infectiekansen zijn geweest door te kijken naar langdurige perioden met een hoge luchtvochtigheid in het gewas. Of een geconstateerde infectiekans ook leidt tot een advies om te spuiten, hangt o.a. af van de volgende factoren:

- tijdstip in het seizoen - voorvrucht

- tijdstip van de laatste bespuiting - gebruikte middel bij de laatste bespuiting

In deze proef wordt het programma getoest door middel van een kunstmatige infectie met Mycosphaerella-bladvlekken. Deze proef is zo uitgevoerd om in een jaar met weinig infectie toch wat over het programma te kunnen zeggen.

PROEFOPZET

In de proef lagen de volgende objecten:

A onbehandeld

B Mycos, eerste bespuiting Benlate en volgende bespuitingen Dorado C Mycos, gespoten met Dorado

D Praktijk volgens studieclub Hoeksche Waard

E vast spuitschema: vanaf half juli om de drie weken spuiten met Benlate

Deze proef werd aangelegd in drie herhalingen. Het spruitkoolgewas is kunstmatig geïnfec­

teerd met Mycosphaerella aangetast koolblad van vorig jaar. Deze bladeren zijn aan de lucht gedroogd en zijn op 3 augustus tussen de planten in de proef gelegd.

PROEFVELDGEGEVENS EN UITVOERING

Voorvrucht: wintertarwe

Ras: Roger en Philemon

Plantdatum: 13 mei 1994

Plantafstand: 75 x 40 cm

Oogstdatum: 8 december 1994

Kunstmatige besmetting: 3 augustus 1994

Object B is gespoten op 23 augustus (Benlate), 13 september en 6 oktober (Dorado) Object C is gespoten op 23 augustus, 19 september en 14 oktober (Dorado)

Object D is gespoten op 8 september (Benlate), 19 september (Dorado) en 14 oktober (Dorado) Object E is gespoten op 27 juli, 11 augustus, 31 augustus, 19 september en 14 oktober (Benlate)

Om de aantasting te bepalen werden er per veldje 10 planten geoogst, waarvan het aantal spruiten met Mycosphaerella en het totaal aantal spruiten werden geteld. Ook is van die plan­

ten het aantal bladvlekken geteld.

RESULTATEN

Op 13 Oktober zijn alle veldjes beoordeeld. Er is toen gekeken of er Mycosphaerella in het veld aanwezig was. Bij object A, C en D was er zowel Mycosphaerella als Alternaria aanwezig. Bij object B was er een beetje Mycosphaerella en een beetje Alternaria aanwezig. In object C was er geen Mycosphaerella en Alternaria aanwezig.

In tabel 1 is het aantal door Mycosphaerella aangetaste spruiten weergegeven als ook het aan­

tal bladvlekken.

Tabel 1. Percentage door Mycosphaerella aangetaste spruiten en aantal bladvlekken van 10 planten, Westmaas 1994.

object Roger Philemon

% mycosphaerella- aantal % mycosphaerella- aantal

spruiten bladvlekken spruiten bladvlekken

A 15 400 9 200

B 0 2 0 0

C 0 1 0 0

D 0 4 0 2

E 0 10 0 9

LSD (5%) 5,01 255,3 1,3 9,4

Uit tabel 1 blijkt dat er tussen de twee rassen verschillen zitten. Het ras Roger werd meer aan­

getast dan het ras Philemon. Het onbehandelde object heeft significant meer door Mycosphaerella aangetaste spruiten en meer bladvlekken dan de andere objecten.

Bij de objecten A en C was op sommige velden veel Alternaria zichtbaar.

In tabel 2 zijn de opbrengsten van de proef weergegeven.

Tabel 2. Opbrengstgegevens Mycosphaerella in spruitkool, Westmaas 1994.

object Roger Philemon

netto A+B % A % B netto A+B % A % B

(ton/ha) (ton/ha) (ton/ha) (ton/ha)

A 12,6 11,6 57 34 18,0 16,6 80 11

B 12,8 11,6 57 34 18,7 17,1 74 18

C 14,3 13,3 56 37 17,6 15,8 75 15

D 13,3 12,1 60 30 18,7 16,9 79 12

E 13,8 12,9 56 37 19,2 17,4 76 15

Er zaten geen significante verschillen in opbrengst tussen de objecten.

CONCLUSIES

Tussen de rassen zitten verschillen. Het ras Roger werd meer aangetast dan het ras Philemon.

Het onbehandelde object heeft significant meer aangetaste Mycosphaerella-spruiten en meer bladvlekken dan de andere objecten.

Er zat geen verschil in opbrengst tussen de verschillende objecten.

Mycos heeft in deze proef goed voldaan en was even goed als de objecten praktijk volgens stu­

dieclub Hoeksche Waard en het vaste spuitschema.

SPRUITKOOL 1993; ZW468

ONDERZOEK NAAR DE BESTRIJDINGSSTRATEGIE VAN SLAKKEN IN SPRUITKOOL

INLEIDING

Slakken kunnen in spruitkool veel schade veroorzaken. Het betreft hier vraatschadé aan de spruiten en daardoor grote financiële schade vanwege afkeuringen of declassering op de vei­

ling. Op percelen waar regelmatig schade door slakken optreedt, is het belangrijk een goede

bestrijdingsstrategie te kunnen uitvoeren. Hierbij speelt inzicht in de slakkenpopulatie en hun gedrag alsmede het tijdstip van bestrijden en het aantal maal dat een bestrijding moet worden uitgevoerd en het effect een belangrijke rol.

Door onderzoek uit te voeren naar deze factoren kan dit mogelijk een juiste strategie van bestrijden voor de praktijk tot gevolg hebben.

PROEFOPZET

In de proef op ROC Westmaas werden vijf bestrijdingsvarianten opgenomen.

A. Mesurai (methiocarb) na planten, bij gunstige omstandigheden voor de slakken of vanaf spruitzetting tot oogst om de twee weken.

B. Mesurai (methiocarb) vanaf spruitzetting tot oogst op basis van een relatieve luchtvochtig­

heid van minstens 75% en een temperatuur van >8 °C (veronderstelde werkingsduur mini­

maal twee weken).

C. Thiodicarb (niet toegelaten) vanaf spruitzetting tot oogst op basis van een relatieve lucht­

vochtigheid van minstens 75% en een temperatuur van >8 °C (veronderstelde werkingsduur minimaal drie weken).

D. Mesurai (methiocarb) vanaf spruitzetting tot oogst op basis van relatieve luchtvochtigheid van minstens 75% en een temperatuur van >8 °C (na vervloeiïng van de korrel) (veronder­

stelde werkingsduur minimaal twee weken).

E. Onbehandeld.

Het object A was bedoeld om door intensief slakkenkorrels te strooien het gewas vrij van slak-kenschade te houden. object). Tweemaal per week werden de slakken onder deze matjes verzameld en geteld. In het perceel stond een thermohygrograaf om de relatieve luchtvochtigheid en de temperatuur te meten.

Gedurende het seizoen werd op 28 september, 15 oktober, 29 oktober, 12 november en 10 december van vijf planten per veld het aantal door slakken aangevreten spruitjes geteld en het totaal aantal spruiten.

Het object A is op 16 en 30 augustus, 15 en 30 september, 14 en 25 oktober, 1 en 17 novem­

ber gestrooid (acht keer).

De objecten B en C zijn op 24 augustus, 15 en 30 september en 1 november gestrooid (vier keer).

Object D is op 24 augustus, 15 en 30 september, 1 en 17 november gestrooid (vijf keer).

De gebruikte dosering van beide middelen was 5 kg per hectare.

Vanaf begin september was de relatieve luchtvochtigheid in het gewas steeds boven de 75%.

Dit heeft gevolgen gehad voor de uitvoering van bestrijden. In de maand september werd een hoeveelheid neerslag gemeten over de drie decades (10 dagen) van respectievelijk 34,0, 47,7 en 45,3 mm. Op slechts zeven dagen werd geen neerslag gemeten. Voor de maand oktober was dit respectievelijk 12,7, 27,3 en 30,3 mm. In deze maand werd op 14 dagen geen neerslag gemeten. In november was het de tweede decade met veel neerslag namelijk 73,3 mm. De laatste decade was een periode met nachtvorst. Om het moment van bestrijding te bepalen is gelet op de vervloeiïng van de korrels met inachtneming van de veronderstelde werkingsduur.

RESULTATEN Tellingen

In tabel 1 worden de gesignaleerde slakken weergegeven. De voor spruiten schadelijke grau­

we akkerslak werd verspreid over het veld waargenomen. De aantallen getelde slakken waren gering. Gedurende de telperiode werd per object een vrij constant aantal slakken geteld, behoudens een duidelijke piek in oktober. In de maanden november en december werden min­

der slakken geteld. Dit is enerzijds het gevolg van het aantal tellingen en anderzijds de vorst­

periode in de periode eind november tot begin december.

Tellingen aan slakken met behulp van het slakkenmatje gaven bij het onderzoek geen duidelijk effect van bestrijding aan (tabel 2).

In tabel 3 wordt het aantal waargenomen slakken in geoogste planten weergegeven. Op oogst-datum 28 september werden de meeste slakken geteld. Op deze dag waren de weersomstan­

digheden duidelijk anders dan op de andere oogstdata. Een lichte motregen, weinig wind en een temperatuur rond de 15 °C heeft de activiteit duidelijk beïnvloed. Bij onbehandeld werd het hoogste aantal slakken in de plant geteld.

Tabel 1. Totaal aantal gesignaleerde slakken (grauwe akkerslak) in spruitkool per maand weergegeven te Westmaas (1993).

object maanden

augustus september oktober november december totaal

A 8x 17 10 23- 9 9 68

B 4x 9 15 33 14 6 77

C* 4x 10 17 19 22 3 71

D 5x 10 5 21 9 3 48

E 13 10 36 11 11 81

" Geen toelating.

Tabel 2. Totaal aantal waargenomen slakken (grauwe akkerslak) per 20 geoogste spruit-koolplanten bij vijf oogstdata te Westmaas (1993).

object oogstdatum

28 sept. 15 okt. 29 okt. 12 nov. 10 dec.

A 8x 8 0 0 0 1

B 4x 17 1 0 0 1

C* 4x 10 1 2 0 0

D 5x 10 2 0 1 0

E 37 7 0 7 0

"Geen toelating.

Slakkenvraat

In tabel 2 wordt het gemiddelde percentage spruiten met vraatschade per plant van de behan­

delingen per oogstdatum weergegeven.

Uit de resultaten blijkt dat bij alle objecten de vraatschade aan de spruiten toenam. Op het oogsttijdstip (10 december) van de spruiten, klaar voor afzet, bleek de vraatschade voor alle behandelde objecten gelijk te zijn. In de laatste maand is er nauwelijks toename geweest van slakkenvraat.

Bij onbehandeld werd op de laatste oogstdatum na, een forse toename van slakkenschade geconstateerd (tabel 3).

Tabel 3. Gemiddeld percentage vraatschade per plant in spruitkool op vijf oogstdata te Westmaas (1993).

object waarnemingsdatum

object

28 sept. 15 okt. 29 okt. 12 nov. 10 dec.

A 8x 4,0 3,7 6,1 7,6 8,5

B 4x 4,5 6,9 5,4 6,9 8,4

C* 4x 2,0 4,2 5,0 7,1 8,4

D 5x 1,6 4,6 5,9 8,1 8,5

E 8,0 17,8 25,5 32,5 33,4

* Geen toelating.

CONCLUSIES

Uit het onderzoek is gebleken dat slakken veel schade in spruiten kunnen veroorzaken. Het is de grauwe aardslak of akkerslak (Deroceras reticulatum) die als boosdoener moet worden gezien. De met behulp van het slakkenmatje (Bayer) gesignaleerde aantal slakken was niet in verhouding met de waargenomen schade. Uit de slakkentellingen bleek er weinig of geen behandelingseffect te zijn naar het aantal keren dat gestrooid is. Dat de met het slakkenmatje

geringe aantal waargenomen slakken veel schade kunnen veroorzaken mag duidelijk zijn. Dit zou kunnen betekenen dat het slakkenmatje alleen een goed hulpmiddel is om de slak te sig­

naleren. Om een relatie te leggen tussen waargenomen slakken en schade lijkt vooralsnog moeilijk.

Een toepassing met mollusciciden gaf een goede bescherming aan de spruiten tegen slakken-schade. Bij het niet bestrijden van de slakken werd bij eindoogst ruim 30% schade geconsta­

teerd.

Echter het aantal malen dat een bestrijding is uitgevoerd bleek onvoldoende geweest te zijn om de spruiten geheel vrij te houden van vraatschade.

Een behandeling uitgevoerd om de 14 dagen was onvoldoende frequent om vrij van schade te blijven. De natte omstandigheden zijn mogelijk van invloed geweest dat tussen het aantal malen strooien geen verschillen zijn geconstateerd. Wanneer kort na strooien van de slakken-korrels veel regen valt vervloeien deze gemakkelijk en daardoor wordt de werking minder.

Het middel thiodicarb heeft geen toelating in spruitkool.

SPRUITKOOL ZW498

ONDERZOEK NAAR DE BESTRIJDINGSSTRATEGIE VAN SLAKKEN IN SPRUITKOOL

INLEIDING

Slakken kunnen in spruitkool veel schade veroorzaken. Het betreft hier schade aan de sprui­

ten en daardoor grote financiële schade vanwege afkeuringen op de veiling. Op de percelen waar regelmatig schade door slakken optreedt, is het belangrijk een goede bestrijdingsstrate-gie te kunnen uitvoeren. Hierbij speelt inzicht in de slakkenpopulatie en hun gedrag alsmede het tijdstip van bestrijden en het aantal maal dat een bestrijding moet worden uitgevoerd en het effect een belangrijke rol.

Het onderzoek richt zich voornamelijk op de vraag naar een juiste strategie van bestrijden.

Gezien het_ verschil in werking van Mesurai (methiocarb) en Luxan Slakkenkorrels Super (methaldehyde) worden beide mollusciciden met elkaar vergeleken.

PROEFOPZET

In de proef werden de volgende objecten opgenomen:

A Mesurai (methiocarb; 5 kg per ha) vanaf spruitzetting tot oogst om de 10 dagen.

B Mesurai (methiocarb; 5 kg per ha) vanaf spruitzetting tot oogst op basis van weersomstan­

digheden of vervloeiing van de korrel (veronderstelde werkingsduur minimaal twee weken).

C Luxan Slakkenkorrels Super (methaldehyde; 5 kg per ha) vanaf spruitzetting tot oogst op basis van weersomstandigheden of vervloeiing van de korrel (veronderstelde werkingsduur minimaal twee weken).

D Luxan Slakkenkorrels Super (methaldehyde; 7 kg per ha) vanaf spruitzetting tot oogst op basis van weersomstandigheden of vervloeiing van de korrel (veronderstelde werkingsduur minimaal twee weken).

E Onbehandeld.

Het object A was bedoeld om door intensief slakkenkorrels te strooien het gewas vrij van slak-kenschade te houden.

PROEFVELDGEGEVENS EN UITVOERING Voorvrucht: tarwe

Ras: Ajax

Plantdatum: 13 mei Plantafstand: 75 x 45 cm Oogstdatum: 12 december 1994

De gebruikte plantafstand was 75 x 45 cm. In de objecten werd per veldje één slakkenmatje (Bayer) neergelegd (vier matjes per object). Tweemaal per week werden de slakken onder deze matjes verzameld en geteld. Gedurende het seizoen werd op 28 september, 17 oktober, 31

Oktober, 14 november, 28 november en 12 december van vijf planten per veld het aantal door slakken aangevreten spruiten (> 1 cm) geteld.

Het object A is op 15 en 26 augustus, 5,15 en 26 september, 4,14 en 27 oktober, 3,14 en 24 november en 1 december gestrooid (twaalf keer).

De objecten B, C en D zijn op 8 en 21 september, 7 en 27 oktober en 15 november gestrooid (vijf keer).

Om het moment van bestrijding te bepalen voor de objecten B, C en D is gelet op voor de slak gunstige omstandigheden of op de vervloeiing van de korrels met inachtneming van de veron­

derstelde werkingsduur.

In de laatste decade van augustus werd slechts 8,8 mm neerslag gemeten, waarbij op vijf dagen geen neerslag viel. In de maand september werd een hoeveelheid neerslag gemeten over de drie decades van respectievelijk 25,8 115,2 en 23,8 mm. Op slechts zes dagen werd geen neerslag gemeten. Voor de maand oktober was dit respectievelijk 37,4 0,4 en 78,3 mm.

In deze maand werd op 15 dagen geen neerslag gemeten. In de maand november was de hoe­

veelheid neerslag gering met respectievelijk 18,1 18,1 en 9,5 mm. In deze maand viel op negen dagen geen neerslag. In de maand december werd tot de oogstdatum van 12 december 32,1 mm neerslag gemeten.

RESULTATEN Tellingen

In tabel 1 en 2 worden de gesignaleerde slakken weergegeven. De voor spruiten schadelijke grauwe akkerslak (tabel 1) werd verspreid over het veld waargenomen. Over het seizoen gezien werd per object een vrij constant aantal slakken geteld. Op de veldjes waar vrij intensief met mesurol is gestrooid, werden betrouwbaar minder slakken gesignaleerd. Tussen Mesurai (B) en Luxan Slakkenkorrels Super (C en D) werden geen betrouwbare verschillen geconsta­

teerd. De zwarte wegslak werd in geringe mate waargenomen. De veronderstelling is dat de zwarte wegslak geen schade aan spruiten veroorzaakt.

In tabel 3 wordt het aantal waargenomen slakken in geoogste planten weergegeven. Op oogst­

datum 28 november werden slakken van enige betekenis waargenomen. In de onbehandelde veldjes werd hierbij het hoogste aantal slakken geteld. De weersomstandigheden van droog en rustig weer en een temperatuur van 12 °C in combinatie met een kletsnat gewas zijn kennelijk ideaal geweest voor de activiteit van de slak.

Tabel 1. Toename van het aantal gesignaleerde slakken (grauwe akkerslak) per matje in spruitkool over de periode augustus - december. Weergegeven te Westmaas 1994.

object maanden

aug. aug./sept. aug./okt. aug./nov. aug./déc.

A 12 x 0,5 1,0 1,5 2,3 2,5

B 5 x 1,0 3,3 5,5 6,8 7,5

C 5 x 0,3 2,3 3,5 4,3 4,5

D 5 x 1,8 3,3 5,0 7,3 8,5

E 1,0 4,8 6,8 7,8 9,3

LSD (5%) - - 3,1 3,7 4,2

Tabel 2. Toename van het aantal gesignaleerde slakken (zwarte wegslak) per matje in spruitkool over de periode augustus - december. Weergegeven te Westmaas 1994.

object maanden

aug. aug./sept. aug./okt. aug./nov. aug ./dec.

A 12x 0,3 0,5 0,8 0,8 1,0

B 5x 0,0 0,8 1,0 1,8 1,8

C 5x 0,0 0,3 1,0 1,5 1,8

D 5x 0,0 1,0 1,0 2,0 2,8

E 0,0 1,3 1,0 4,0 4,8

LSD (5%) - - - 2,0 2,1

Tabel 3. Totaal aantal waargenomen slakken (grauwe akkerslak) per 20 geoogste spruit-koolplanten bij zes oogstdata te Westmaas 1994.

object oogstdatum

In tabel 4 wordt het aantal aangetaste spruiten per plant en in tabel 5 het percentage aange­

taste spruiten weergegeven. Uit de resultaten blijkt dat bij alle objecten de vraatschade aan de spruiten in de maanden oktober en november weinig of niet toenam. De uiteindelijke schade op oogstdatum 12 december (spruiten klaar voor afzet) bleef beperkt tot 1% bij intensief strooien en 3 tot 8% bij strooien volgens opgezette strategie. Bij onbehandeld werd een schade van 22% geconstateerd. Het middel Mesurai (5 kg per ha) gaf in deze proef een betrouwbaar beter resultaat in vergelijking met Luxan Slakkenkorrels Super (5 kg per ha).

Een verhoging van Luxan Slakkenkorrels Super naar 7 kg per hectare gaf in deze proef geen betrouwbaar beter resultaat.

Tabel 4. Aantal aangetaste spruiten per plant op zes oogstdata te Westmaas 1994.

object oogstdatum

Tabel 5. Percentage aangetaste spruiten op zes oogstdata te Westmaas 1994.

Tabel 5. Percentage aangetaste spruiten op zes oogstdata te Westmaas 1994.

In document RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK VOUEGRONDSGROENTEN GLASGROENTEN 1994 AKKER-EN A TUINBOUW WESTMAAS (pagina 83-96)