INLEIDING

In 1994 werd er op ROC Westmaas Cultuur- en Gebruikswaardeonderzoek (CGO) aan tuin­

boonrassen uitgevoerd. Het betrof vooronderzoek aan rassen welke geschikt zijn voor indus­

triële verwerking.

PROEFOPZET EN UITVOERING

De proeven zijn uitgevoerd op het ROC Westmaas en op het PAGV te Lelystad. De proeven werden in drie herhalingen aangelegd waarbij binnen een herhaling op drie tijdstippen geoogst is. Te Westmaas is het gewas op zwad gemaaid en gedorst met een zelfrijdende dorsmachine.

Van de proefplaats Lelystad werden er monsters van het gesorteerde produkt diepgevroren en gesteriliseerd op het ATO. De belangrijkste proeftechnische gegevens zijn samengevat in tabel 1.

Tabel 1. Proeftechnische gegevens CGO-tuinboon voor industrie 1994.

aspect Westmaas Lelystad

31 mei en 16 juni: schoffelen 27 juni en 8 juli:

0,5 I Pirimor 22-23 juli 15 mm 26 juli t/m 3 augustus Danko, Optica, Foxton Tabel 2. Opbrengst en sorteringsgegevens tuinboon 1994.

Ras oogstdag opbrengst sortering

netto %S1 %S2

oogstdag: aantal dagen vanaf 1 janari tot oogstdag TM-waarde van 140 opbrengst: netto opbrengst in ton/ha

%S1: percentage sortering l= 9,0 -12,0 mm doorsnede

%S2: percentage sortering II = 12,0 -15,0 mm doorsnede

RESULTATEN

De opkomst van de proeven was over het algemeen goed. Het gewas kon regelmatig door­

groeien en er kon onder gunstige omstandigheden geoogst worden. De afrijping verliep door de warme weersomstandigheden zeer snel. Desondanks kon elk ras in zijn optimale periode geoogst worden. De vroegheidsverschillen tussen de rassen waren door de snelle afrijping erg klein. De diverse gewaswaarnemingen zijn zoveel mogelijk uitgevoerd bij TM = 140.

Per herhaling is drie keer geoogst waarbij gestreefd werd te oogsten bij TM-waarden tussen de 120 en 160. De oogstresultaten zijn per veldje verwerkt waarbij met behulp van een regressie­

analyse de opbrengst en sorteringsverhouding bij de TM-waarden 120, 140 en 160 geschat zijn. Op deze wijze zijn de verschillende rassen onderling goed te vergelijken. In tabel 2 staan de gegevens bij een TM-waarde van 140 vermeld.

WINTERPEEN ZW601

HELEN

INLEIDING

Na de oogst van winterpeen geldt het advies het produkt snel terug te koelen. Bij een lage tem­

peratuur blijft de kwaliteit over het algemeen beter behouden. In de bewaring treden echter nogal eens problemen op die te maken hebben met rot en uitdroging van de wortels. In een proef werd bekeken of het om dit te voorkomen zinvol is, bij winterpeen eerst de wonden te laten helen (bij circa 10 °C) alvorens verder te koelen naar de gewenste bewaartemperatuur.

PROEFOPZET

In tabel 1 staan de in dé proef opgenomen objecten vermeld.

TabeM. Objecten in de proef.

objectcode natmaken helen 10°C

in plastic inkoelen bewaren

D1H1 niet niet in plastic in plastic

D1H2 niet 6 dagen in plastic in plastic

D1H3 niet 10 dagen in plastic in plastic

D2H1 wel niet in plastic in plastic

D2H2 wel 6 dagen in plastic in plastic

D2H3 wel 10 dagen in plastic in plastic

De helft van de peen is natgemaakt om een nat geoogste partij te simuleren. De stapelkisten zijn in dicht folie verpakt om uitdroging te voorkomen, waarbij de onderkant open is gelaten en bovenin een aantal openingen van circa 10 cm zijn aangebracht om te voorkomen dat de lucht-samenstelling veranderd. De proef is in drievoud uitgevoerd.

In elke stapelkist zijn drie vooraf gewogen monsters in netzakken ingebracht van circa 20 kg in het midden van de kist. Nummer één op circa 1/5, nummer twee op 1/2 en nummer 3 op 4/5 hoogte in de kist. Totaal 18 x 3 = 54 monsters.

De stapelkisten zijn zodanig geloot dat alle objecten zich ook in de onderste, de middelste en bovenste laag kisten bevinden.

UITVOERING EN WAARNEMINGEN Uitvoering

De peen is aangekocht van een perceel te Numansdorp. Het betrof het ras Karotan dat eind oktober (1993) is gerooid onder vrij natte omstandigheden en opgeslagen in de luchtkoeling te Numansdorp bij 6-8 °C tot 26 november. Op 24 november zijn de monsterzakken gevuld.

Op 26 november zijn de kisten gevuld en de monsterzakken ingebracht. Vervolgens zijn de helft van de kisten met de brandslang zeer nat gemaakt. Na het inpakken in folie is het object H1 geplaatst bij 0-1°C celluchttemperatuur en H2 en H3 bij 8-10 °C celluchttemperatuur. Op 2 december is het object H2 bij 0-1 °C gebracht en op 6 december zijn alle kisten volgens sche­

ma bij 0-1 °C geplaatst.

Waarnemingen

De temperatuur tijdens het inkoelen en bewaren is waargenomen aan de rand en in het mid­

den van de stapelkist. Wegen van de monsters peen, ontdaan van teveel grond, voor het plaat­

sen in de stapelkisten en na de bewaring.

Na de bewaring (25 mei 1994) is per kist en monster een cijfer gegeven voor uitloop van het blad, haarwortels en zichtbaar rot met de code 1 = bijna geen; 2 = matig en 3 = veel.

Na het spoelen (25 mei) is de peen verdeeld in zwaar rot en redelijk goede peen. Op 30 mei is de redelijk goede peen verdeeld in echt gave peen en peen met kleine zwarte vlekjes (licht rot).

Op deze datum is ook een cijfer gegeven voor de witte uitslag op de peen na het schoonspui­

ten.

! RESULTATEN Temperatuur

De produkttemperatuur bij het helen van 26 november tot 2 december en van 2 december tot 8 december was respectievelijk 9,5 °C en 8,5 °C.

De bewaartemperatuur van het produkt bedroeg 1,0 °C (± 0,3 °C). De celluchttemperatuur was 0,2 °C.

Bewaarresultaat

De resultaten worden per object in tabel 2 vermeld. Er zijn geringe betrouwbare verschillen tus­

sen de objecten. Er doen zich bijna geen interacties voor. De variatie in rot is zo groot dat hier­

bij geen betrouwbare verschillen tussen de objecten voorkomen.

Tabel 2. Bewaarresultaat.

objecten gewichtspercentage van het inslaggewicht uitloop

indroging grond rot blad haar­

zwaar licht totaal gaaf wortel

D1H1 -3,7 5,3 39,3 19,7 59,0 31,9 1,6 1,4

D1H2 -4,1 8,4 37,1 21,8 58,9 28,5 2,0 1,8

D1H3 -3,8 7,5 42,3 17,4 59,7 29,0 2,8 1,7

D2H1 -1,7 5,8 49,7 15,9 65,6 26,8 2,0 1,8

D2H2 -2,4 8,0 33,6 27,7 61,3 28,4 2,0 1,7

D2H3 -2,8 7,1 35,9 23,8 59,7 30,4 2,9 2,4

gemiddeld -3,1 7,0 39,6 21,1 60,7 29,2 2,2 1,8

LSD (5%) 1,26 2,65 14,29 10,12 7,63 8,58 1,02 0,67

Het rot werd vooral veroorzaakt door de schimmel Mycocentraspora acerina. Deze is volgens Noors onderzoek ongevoelig voor een helingsperiode. Tussen wel (D2) en niet natmaken (D1) is er verschil in uitslaggewicht of indroging en haarwortelontwikkeling.

De indroging van 3,1 (0,5% per maand) is laag geweest. Van de natgemaakte objecten D2 is de indroging van de peen 1,6% lager geweest dan van de niet natgemaakte peen (gemiddeld D1 = 3,9, D2 = 2,3; LSD = 0,32).

De natgemaakte objecten scoorden 0,33 punt betrouwbaar hoger in haarwortelontwikkeling dan de niet natgemaakte kisten (gemiddeld D1 = 1,63; D2 = 1,96; LSD = 0,17).

Tussen de helingsobjecten doen zich verschillen voor bij de hoeveelheid grond en de loofont-wikkeling. De hoeveelheid aanklevende grond is bij de helingsobjecten gemiddeld: H1 = 5,6;

H2 = 7,3 (LSD = 0,80). de oorzaak hiervan is moeilijk aan te geven. De loofontwikkeling is hoger naarmate de wortels langer bij een temperatuur van10°C hebben gestaan: H1 = 1,8; H2

= 2,0; H3 = 2,8; LSD = O,31).

Tabel 3. Verschillen in bewaarbaarheid door de plaats in de kist.

plaats indroging licht rot totaal rot goed cijfer voor rot

in de kist D1 D2

onder -4,4 17,9 58,1 31,2 2,1 1,8

midden -2,8 17,6 59,3 31,1 2,2 1,6

boven -2,1 27,8 64,7 25,3 1,8 2,3

gemiddeld -3,1 21,1 60,7 29,2 2,0 1,9

LSD (5%) 0,31 2,54 2,02 2,17 0,40 0,40

Hoewel niet betrouwbaar verschillend is bij de natgemaakte wortels de hoeveelheid rot lager en gave peen hoger naarmate langer is geheeld.

De meeste verschillen doen zich voor bij de plaats van de monsters in de kist (tabel 3).

Boven in de kist is de minste indroging, het meeste rot en 6% minder goede peen.

Bij het uithalen van de droge monsters (D1) werden aan de monsters boven in de kist een lager rotcijfer gegeven en bij de natte monsters juist een hoger rotcijfer.

BESPREKING VAN DE RESULTATEN

De uitvoering van de proef heeft niet beantwoord aan het doel van het onderzoek door de wor­

tels eerst ongeveer een maand op te slaan in een luchtgekoelde bewaarplaats bij vermoedelijk 6-8 °C. In feite is hierdoor reeds een helingsperiode aan de proef voorafgegaan. Mogelijk dat daardoor weinig verschillen tussen de objecten zijn ontstaan.

Bovendien is de proef overschaduwd door de grote hoeveelheid rot, veroorzaakt door de schimmel Mycocentraspora acerina die niet wordt beïnvloed door de helingsperiode maar wel door de mate van beschadiging tijdens het rooien onder natte omstandigheden. Deze invloed is door opslag in de luchtkoeling teniet gedaan.

De aangetoonde kleine verschillen zijn wel logisch. De natgemaakte objecten hebben gedeel­

telijk het vocht van de aanklevende grond aan de cellucht afgestaan. Door de vochtige omge­

ving van de natgemaakte monsters werden meer haarwortels gevormd. Naarmate de wortels langer bij een hogere temperatuur worden bewaard, is de loofgroei sterker. Bij de natgemaak­

te wortels is de tendens aanwezig van minder rot bij de geheelde wortels.

WITTE KOOL ZW470

In document RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK VOUEGRONDSGROENTEN GLASGROENTEN 1994 AKKER-EN A TUINBOUW WESTMAAS (pagina 98-101)