ORIËNTEREND TEELTSYSTEMENONDERZOEK IN EEN TWEE- EN VIER-RIJENTEELT

In document RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK VOUEGRONDSGROENTEN GLASGROENTEN 1994 AKKER-EN A TUINBOUW WESTMAAS (pagina 51-57)

INLEIDING

Snijbonen worden gerekend tot de kleine gewassen onder de vruchtgroenten. Over het ideale teeltsysteem is weinig informatie beschikbaar. In de praktijk wordt zowel het 2-rijén systeem als het 4-rijen systeem toegepast. De keuze voor een bepaald teeltsysteem lijkt ook regionaal gebonden te zijn. Naast verschillen per regio speelt de teeltduur een rol. Ook het teeltmedium, in de grond of op substraat, en het watergeefsysteem kunnen van invloed zijn op de keuze tus­

sen een 2- of 4-rijen-systeem. Door het produceren in zetsels en de vaak wisselende hergroei en kwaliteit wordt door een aantal bedrijven na de oogst van het eerste zetsel opnieuw geplant.

Andere bedrijven daarentegen oogsten meerdere zetsels van hetzelfde gewas.

In een heteluchtteelt is de invloed van een 2- of 4-rijen-systeem onderzocht op de produktie en kwaliteit van de snijbonen. De teeltproef is uitgevoerd op ROC Westmaas en aanvullend door een praktijkbedrijf.

PROEFOPZET

Om de teeltsystemen goed met elkaar te kunnen vergelijken is uitgegaan van hetzelfde aantal planten per vierkante meter, nl. 2,1 planten/m2. Aanvullend zijn waarnemingen gedaan in de praktijk.

Bij vier rijen per kap is de afstand tussen de planten in de rij tweemaal zo groot dan bij twee rijen per kap. De werkbaarheid en lichtinval zijn hierdoor anders. Bij het 2-rijen-systeem wordt een 'dak' gevormd, waardoor uiteindelijk een 'tunnel' ontstaat. Het werken in een 2-rijen-sys-teem lijkt voordelen te hebben door een betere overzichtelijkheid.

In de proef op ROC Westmaas zijn doorteelten aangehouden en zijn meerdere zetsels geoogst. Ook zijn seizoensinvloeden onderzocht en is de proef in het voorjaar en in het najaar uitgevoerd. Naast de produktie waarnemingen is ook gekeken naar de gewasontwikkeling.

Bij het 2-rijen-systeem is het gedeelte tussen de middelste gewasdraden onder de nok niet

In de voorjaarsteelt is de plant 12 dagen beheerst. De planten mochten pas bij het bereiken van de draad doorwortelen. Desondanks is een vrij zwaar gewas ontstaan. De vegetatieve groei is zoveel mogelijk beperkt met behulp van een temperatuurverschil in stooktemperatuur tussen dag en nacht. In de najaarsteelt is niet beheerst en zijn de planten meteen op het plantgat uit­

gezet. De eerste teeltweken in het najaar begonnen met tropische hitte en werden gevolgd door donker en wisselvallig weer. Het gewas ontwikkelde zich sterk vegetatief. Bladplukken werd snel noodzakelijk. Voor de tijd van het jaar liet de eerste oogst lang op zich wachten. De gehe­

le produktie in het najaar was matig en traag. De produktie in de voorjaarsteelt verliep volgens verwachting.'

De gewasbescherming heeft biologisch plaatsgevonden. De natuurlijke vijanden zijn preventief ingezet tegen witte vlieg en trips. Na constatering van bladluizen zijn tevens natuurlijke vijan­

den uitgezet. De bestrijding is succesvol verlopen en heeft niet geleid tot onacceptabele situ­

aties.

Uitvoering en waarnemingen

Iedere oogst is gesorteerd in kwaliteit I, II eg krom. Bij het bladplukken is de hoeveelheid blad gewogen. Dit resulteert in een overzicht waarin de produktie per systeem is weergegeven. Ter ondersteuning is getracht in de praktijk dezelfde proefopzet uit te voeren. Voor een goede ver­

gelijking van dit teeltsystemenonderzoek zijn grote kassen nodig, zonder gehinderd te worden door standplaatseffekten e.d. Bovendien zijn veel herhalingen nodig om betrouwbare uitspra­

ken te kunnen doen. Daarvoor is een beroep gedaan op de praktijk. Doordat slechts één prak­

tijkbedrijf bereid bleek mee te werken is het aantal herhalingen beperkt gebleven. Hierdoor kun­

nen geen uitspraken worden gedaan over resultaten van deze teelten. Het karakter van deze proef is daarom oriënterend.

RESULTATEN

Iri tabel 1 zit er in het voorjaar in de eerste periode een verschil tussen de twee teeltsystemen.

Hierbij geeft het 2-rijen-systeem een hogere produktie. In de tweede periode is dit verschil klei­

ner. In de derde periode is dit verschil niet meer aanwezig. Het percentage 1e soort is in de 1e periode hoger bij het 2-rijen systeem. Het percentage krom is lager dan het 4-rijensysteem, het­

geen een positieve invloed heeft op het percentage veilbaar. In de 2e en 3e periode zijn de ver­

schillen niet meer duidelijk aanwezig.

Deze uitkomsten komen overeen met de proef in de praktijk, waarbij eveneens de vroege pro­

duktie werd beïnvloed, waardoor het 2-rijen systeem een hogere produktie behaalde.

Tabel 2. Produktiegegevens najaarsteelt.

In tabel 2 worden de produktiegegevens van de najaarsteelt weergegeven. Uit de gegevens kunnen geen verschillen tussen de teeltsystemen worden afgeleid. Het 4-rijen-systeem lijkt in de 1e periode beter te reageren dan het 2-rijen-systeem. In de 2e periode zijn deze verschillen minder duidelijk als gevolg van verschillen tussen de herhalingen. Vanwege het feit dat in het najaar geen praktijkproef is aangelegd kan de uitkomst hiervan niet worden vergeleken. In de 1 e periode geeft de 2-rijen-teelt een hoger percentage 1 e soort dan de 4-rijen-teelt.

De verschillen zijn echter te klein om conclusies te kunnen trekken.

Tabel 3. Produktiegegevens hele seizoen.

voorjaar najaar

In de tabel 3 is de seizoensinvloed weergegeven. De invloed van het teeltsysteem lijkt vooral effect te hebben op de vroege produktie. De vrij kleine produktieverschillen treden op in het begin van de teelt. De produktieverschillen zijn in het voorjaar positiever bij het 2-rijen-systeem.

In het najaar is het verschil kleiner. Het 4-rijen-systeem wijkt, in vergelijking met de resultaten van de voorjaarsteelt, af van het 2-rijen-systeem. Het verschil is echter te klein om te kunnen spreken van een duidelijke invloed. Zowel in het voor- als najaar wordt in het 2-rijen-systeem een hogere percentage klasse I behaald.

Algemene resultaten Vroegheid

Uit de proefneming lijkt er een verschil in vroege produktie te zijn tussen de teeltsystemen. In het voorjaar blijkt het 2-rijen-systeem een hogere produktie te geven.

De hogere produktie blijkt met name te.ontstaan in de produktie van het eerste zetsel bij het 2-rijen-systeem. In het najaar worden deze vroegheidsverschillen niet meer gevonden. Een ver­

klaring voor deze meerproduktie wordt gezocht door de produktie uit het dak van het teeltsys­

teem.

Kwaliteit

Bij de kwaliteit werden dezelfde verschillen tussen de systemen gevonden als bij de produktie.

Het 2-rijen-systeem geeft een hoger % 1 e soort. Dit verschil is het grootst in het begin van de teelt.

Gewasontwikkeling

In beide teelten was sprake van een bladrijk gewas. Hierdoor was regelmatig bladplukken noodzakelijk. Ten opzichte van vier rijen lijkt er bij twee rijen sprake te zijn van minder doorgroei bij een doorteelt. Uit de gewogen hoeveelheid bladafval blijkt er minder bladgeplukt te zijn in het 2-rijen-systeem.

Arbeidsaspekten

Uit een aantal tijdswaarnemingen blijkt in hèt 4-rijen-systeem de oogstsnelheid beduidend lager te liggen. Hierbij is in ieder systeem gekeken naar de plukprestatie per kg/uur.

De aanleg van een 2-rijen-systeem vraagt evenwel in het begin van de teelt meer aandacht. Bij het naar de draad groeien zal op een bepaald moment ook de werkelijke 'tunnel' gemaakt moe­

ten worden. Hiervoor worden door telers verschillende methoden gebruikt. In een 2-rijen-sys-teem is door een goed overzicht het oogsten gemakkelijker. De vrijhangende bonen in het hori­

zontaal groeiende dak leiden tot een betere arbeidsprestatie.

De indruk bestaat eveneens dat door de vorming van het 'dak' het klimaat in de zomer tussen het gewas beter beheersbaar is.

De uitkomsten van de proef op het ROC en van het praktijkbedrijf spreken elkaar niet tegen.

Door het gering aantal herhalingen is het niet mogelijk uitspraken te doen over de verschillen.

CONCLUSIE

Door de beperkte proefopzet is, mede door seizoensinvloeden, een goede vergelijking tussen het 2- en 4-rijen-systeem niet mogelijk. In deze oriënterende proef produceert het 2-rijen-sys­

teem in het voorjaar beter. In het najaar is het verschil onduidelijk. In de voor- en najaajsteelt is het percentage klasse I het hoogst bij het 2-rijen-systeem. Uit tijdswaarnemingen blijkt de oogstsnelheid hoger te liggen bij het 2-rijen-systeem. In het 4-rijen-systeem moet meer blad geplukt worden. De invloed van het teeltsysteem op de produktie en kwaliteit is vooral in het begin van de teelt aanwezig.

Het 2-rijen-systeem lijkt het meeste perspectief te geven.

TOMAAT (CHERRY) ZW563

ONDERSTAMMEN EN ENTEN TEGEN FUSARIUM IN EEN STOOKTEELT

INLEIDING

De meest geteelde rassen in de cherry-tomatenteelt zijn Favorita en Cherry Belle. Beide ras­

sen zijn gevoelig voor de verwelkingsziekte Fusarium en hebben geen natuurlijke resistenties.

Door de goede gebruikswaarde worden deze rassen massaal aangeplant. Uitval door Fusarium en Botrytis is een veel gehoorde klacht. De percentages van uitval van planten door Fusarium zijn soms vrij hoog. De economische schade is hierdoor groot. Het ontwikkelen van een Fusarium-resistentie in nieuwe rassen duurt te lang.

Een lichtpuntje in de strijd tegen dit probleem is enten. Enten kan als hulpmiddel tegen Fusarium oxysporum (vaatziekte) worden toegepast. Bij komkommerachtigen is deze methode jarenlang gebruikt om dergelijke ziekten te voorkomen.

Het enten geeft een kostprijsverhoging van het plantmateriaal. Er moeten ook eisen aan de onderstam worden gesteld. Ten eerste moet de onderstam resistentie hebben tegen de gevreesde vaatziekte. Ten tweede kan, door gebruik te maken van een groeikrachtige onder­

stam, mogelijkerwijs de groei en produktie verbeterd worden. Dit eisenpakket heeft uiteindelijk geleid tot drie verschillende onderstammen.

Twee onderstammen waren afkomstig van DeRuiterSeeds en één onderstam van S&G Seeds (voorheen Pannevis). Om de kostprijs van de onderstammen en het enten voor 'n gedeelte te kunnen compenseren kunnen twee stengels per plant worden aangehouden in plaats van de gebruikelijke hoofdstengel. Hierdoor kan het aantal benodigde planten met de helft worden gereduceerd.

PROEFOPZET Behandelingen Onderstammen:

A Onderstam TMKNVF2FR; DeRuiterSeeds B Onderstam TMC5VF2FR; DeRuiterSeeds C Onderstam Hymem; S&G Seeds

D Geen onderstam; zaailing Favorita Plantafstand:

1 80 cm; 2 koppen per plant 2 40 cm; 1 kop per plant

Als ras stond Favorita op de drie verschillende onderstammen en als standaard op eigen wor­

tel.

PROEFOMSTANDIGHEDEN Teeltgegevens

Ras: Favorita Oogstdata: 18 maart - 3 nov. 1994

Zaaidatum: diversen Teeltsysteem: substraat/recirc.

Plantdatum: 12 januari 1994 Verwarmingssyst.: 5 buizen (enkelnet) Aantal plt/m2: 3,1/1,6 st (80x40/80cm) Aantal herh.: vier

Teeltverloop/gewasbescherming

Vanwege de vele proefbehandelingen moest de opkweek gefaseerd en gevarieerd worden uit­

gevoerd. Uiteindelijk is op 12 januari een uitgezette en afgekweekte plant naast het plantgat"

gezet en enkele weken beheerst. Op 8 februari zijn de behandelingen D1 en D2 als eerste op de mat gegaan. Op 11 februari mochten de andere behandelingen doorwortelen. De eerste bloei werd op 1 februari in behandeling D (geen onderstam) geconstateerd. Er volgde een evenwichtig gewasontwikkeling, waardoor een niet te schraal en te zwaar gewas ontstond. De bloei verliep goed en ongestoord. De teelt is onder MBT-normen en -richtlijnen uitgevoerd.

Naast preventief uitzetten van de sluipwesp Encarsia f. tegen witte vlieg is met succes Macrolophus geïntroduceerd. De teelt is zonder verdere bijzonderheden verlopen.

Uitvoering en waarnemingen

Om bij de start van de teelt gelijkwaardig plantmateriaal te krijgen zijn de onderstammen, afhankelijk van de kiem- en groeisnelheid, op verschillende data gezaaid. Door het wel of niet enten en het wel of niet koppen ontstaat een groeistagnatie, waarmee zoveel mogelijk rekening is gehouden. De helft van het benodigde plantmateriaal is tijdens de opkweek bij de planten-kweker getopt. Met deze planten is daarna met twee zijstengels verder geteeld. De andere helft is met één kop verder geteeld. Bij het uitplanten, half januari op steenwol, had het geënte plant­

materiaal en het getopte plantmateriaal een vrij gelijk plantgewicht. De ongeënte planten, de zaailingen van Favorita hadden een kleine voorsprong door een hoger plantgewicht.

Het plantmateriaal voor deze proef is volgens de zogenaamde Brielse methode geënt, oftewel door afzuigenting.

Naast de gebruikelijke produktie en veldwaarnemingen is gelet op de eventuele aanwezigheid van Fusarium en zijn plantlengte metingen gedaan aan het eind van de teelt.

RESULTATEN

Tabel 1. Produktiegegevens in kg/m2.

Object 80 cm 2 koppen/plant 40 cm 1 kop/plant

t/m 6 mei t/m 8 juli t/m 3 nov. t/m 6 mei t/m 8 juli t/m 3 nov.

Onderstam TMKNVF2FR 3,81 10,48 18,57 4,11 12,20 21,67 Onderstam TMC5VF2FR 4,03 12,28 21,33 3,91 11,13 19,77

Onderstam Hymem 4,26 11,94 20,24 4,20 11,88 20,89

Ongeënt Favorita 4,27 11,37 19,69 4,48 11,79 19,85

Toelichting en bespreking

In tabel 1 zijn de produktiecijfers in kg/m2 vermeld. In het begin van de teelt doet het ras Favorita op eigen wortel zijn naam eer aan. De produktie is het hoogst bij de planten met 1 kop door een groter aantal vruchten. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit veroorzaakt wordt door

de voorsprong van de planten bij de start. De onderstammen verschillen niet betrouwbaar van elkaar in produktie. Wat later in de teelt nemen de planten met één kop een voorsprong in het aantal vruchten per vierkante meter en het gemiddeld vruchtgewicht. Tot eind juni zijn deze ver­

schillen betrouwbaar. Daarna kunnen tot het eind van de teelt geen betrouwbare verschillen worden aangetoond.

In de "hete" zomerperiode zijn de produktiecijfers erg wisselvallig. De behandelingen reageren ieder afzonderlijk, sneller of langzamer, op deze situatie. De produktieniveaus van de geënte planten blijken hoger te zijn dan van de ongeënte planten, hetgeen een aanwijzing kan zijn dat de onderstammen een grotere groeikracht hebben. In het voorjaar was deze situatie immers andersom. De planten met twee koppen op de onderstam Hymem en de ongeënte planten behalen dezelfde produktie als de planten met één kop. De onderstammen van DeRuiterSeeds lijken verschillend te reageren. De eerste onderstam behaald met 1-kop een hogere produktie, terwijl de tweede onderstam juist met 2 koppen een hogere produktie geeft.

Aanvullend blijkt uit beoordelingen van de vruchtkwaliteit en het gewas dat er geen duidelijke verschillen waren tussen de behandelingen.

Evenmin blijken uit de vruchttellingen dat het aantal stuks/m2 en het gemiddeld vruchtgewicht verschillend zijn. Een uitzondering hierop vormt het begin van de teelt. De planten met één kop produceren betrouwbaar meer vruchten per m2 ten opzichte van de planten met twee koppen.

Tabel 2. Plantlengte bij einde teelt.

twee koppen per plant één kop per plant

A Onderstam TMKNVF2FR 9,40 9,39

B Onderstam TMC5VF2FR 9,70 9,98

C Onderstam Hymem 9,67 10,17

D Ongeënt 9,50 9,74

Toelichting en bespreking

In tabel 2 is de totale plantlengte in meters bij het einde van de teelt weergegeven in.

Onderstam A blijft het kortst, gevolgd door de ongeënte onderstam Favorita (D). De onder­

stammen B en C verschillen weinig van elkaar. Zoals uit de tabel blijkt zijn de planten met één kop doorgaans langer dan de planten met twee koppen.

CONCLUSIE

In de teeltproef is geen uitval door Fusarium opgetreden. Behalve enkele betrouwbare produk-tieverschillen in de oogstmaanden maart tot en met juni, worden later geen duidelijke verschil­

len gevonden.

De planten met één kop geven een hogere produktie in stuks/m2. In april hebben de planten met twee koppen betrouwbaar hogere gemiddelde vruchtgewichten. Door het hogere plantge­

wicht bij de start van de teelt is de ongeënte Favorita tot juni betrouwbaar hoger in produktie.

Uit de produktiecijfers blijkt dat de hogere plantkosten zullen worden niet gecompenseerd door een hogere opbrengst. In het begin van de teelt geven de ongeënte planten en de planten met 1 kop de hoogste produktie. Na afloop van de zomer lijkt het erop dat de onderstammen de zomer beter hebben doorstaan.

Het gemiddelde produktieniveau van de geënt planten is hoger dan van de ongeënte planten.

De behandeling met 1 of 2 koppen per plant reageren verschillend per onderstam.

Vanuit het oogpunt van produktieverlies bij uitval van planten door Fusarium lijkt het enten een goed alternatief, waardoor de economische schade beperkt kan worden.

VOLLEGRONDSGROENTEN

BLOEMKOOL ZW486

In document RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK VOUEGRONDSGROENTEN GLASGROENTEN 1994 AKKER-EN A TUINBOUW WESTMAAS (pagina 51-57)