Overzicht van den veestapel en de veeteelt

In document I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER (pagina 96-100)

i. De Gouvernements landbouwondernemingen

1. Overzicht van den veestapel en de veeteelt

De verdeeling van het aantal paarden en het groot hoornvee in 1931 blijkt uit de volgende cijfers:

P a a r d e n B u n d e r e n Buffels W e s t - J a v a 78 545 86 548 969 833 Midden-Java 5 1 1 2 3 537 911 6 5 1 0 3 1 Vorstenlanden 27 211 463 066 215 090 Oost-Java 93 308 2 668 147 422 068 Bali en Lombok 23 454 370 577 80 969 Timor en Onderh. (behalve Soembawa) 157 107 23 657 204 367 Celebes (behalve Manado) 156 698 7 400 425 960

Westerafd. van Borneo 75 1 1 3 9 4 354 S u m a t r a 40 607 398 357 366 310

Paardenstapel. E i n d e 1931 bedroeg het aantal paarden op J a v a 250 187. Bij vergelijking van dit cijfer m e t dat van voorafgegane jaar blijkt, dat de paarden-stapel op J a v a vrijwel constant is gebleven.

I n de Buitengewesten viel echter in 1931 eene vermindering' van den stapel t e constateeren. Vooral op de Kleine Soenda-eilanden verliest de paarden-fokkerij meer en meer hare beteekenis. Niet alleen verminderde de export van gebruikspaarden naar J a v a , waar tengevolge van de uitbreiding en verbetering van het wegennet het mechanisch transport toenam, m a a r ook buiten J a v a en Madoera werden door het toenemend autoverkeer steeds minder paarden voor transportdoeleinden noodig. Daarbij komt, dat de waardevermindering van het paard, welke sedert eenige jaren is ingetreden, door de economische depressie nog is toegenomen. H e t gevolg van een en ander is dat de paardenfokkerij in het algemeen bijna geen winst meer opleverde.

Runderstapel. Van den 3 755 672 stuks tellenden runderstapel op J a v a be-vond zich het grootste gedeelte (70 %) in Oost-Java en op het daarbij behoorend eiland Madoera, 27|- % m Midden-Java m e t inbegrip van de Vorstenlanden en slechts 2 | % in W e s t - J a v a .

Zoowel in de Buitengewesten als op J a v a , n a m het aantal runderen t o e ; op Bali b.v. steeg het aantal van ± 235 000 tot ± 250 000 stuks.

De runderfokkerij m o c h t zich in 1931 in dezelfde belangstelling van de be-volking verheugen als in de laatste jaren, hoewel in enkele streken de vraag naar Ongole-fokvee niet zoo groot was als vroeger.

I n Oost-Java vermeerderde het aantal dekstieren m e t 203, zoodat einde 198]

1386 dekstieren ter beschikking stonden, namelijk 674 Ongole-stieren, 673 Inland-sche, meest Madoereesche stieren en 39 De Wet-stieren (hooggekruiste zwart-bonte s t i e r e n ) . H e t aantal veeteeltvereenigingen breidde zich u i t ; m het regent-schap Djember werd eene vereeniging opgericht, welke zich ten doel stelt in samenwerking m e t den Provincialen Veeartsenijkundigen Dienst de belangen van de veeteelt in dat regentschap t e bevorderen.

I n Midden-Java werden voor de verbetering van den runderstapel 370 Ongole-stieren aan de bevolking verstrekt, waardoor het aantal Ongole-Ongole-stieren tot 1188 steeg. I n de Vorstenlanden zijn 209 dekstieren gestationneerd.

I n W e s t - J a v a bedroeg het aantal runderen 86 548, hetgeen vergeleken m e t het aantal 0p einde 1930 (72 478) eene vermeerdering van den runderstapel m e t meer dan 1/6 zou beteekenen. De rundveestapel is echter in werkelijkheid m e t zoo sterk toegenomen. De cijfers van 1931 zijn namelijk verkregen na de invoering van eene nieuwe veesterkteverordening, waardoor veel meer vee kon worden ge-registreerd dan vroeger werd opgegeven. H e t aantal Ongole-dekstieren is iels achteruitgegaan.

VEETEELT. 9 3 De volbloed Ongole-runderstapel op het eiland Soemba heeft een zoodanigen

omvang gekregen, dat niet alleen aan de vraag naar fokdieren volledig kon worden voldaan — 804 stieren en 210 vaarzen zijn in 1931 voor de verbetering van den veestapel naar J a v a en S u m a t r a uitgevoerd —, doch dat zich door overproductie zelfs moeilijkheden m e t den afzet van het vee begonnen voor te doen. I n verband hiermede werd het vormen en uitgeven van nieuwe koppels Bengaalsch vee dan ook zoowel op Soemba als op Soembawa tijdelijk stop gezet.

Op Bali en Lombok, waar sedert jaren maatregelen genomen zijn ter ver-betering van het rund in eigen ras, werden de selectie- en castratie-voorschriften, in overeenstemming m e t de daaraan gebleken behoefte, eenigszins gewijzigd.

Met de fokkerij van Bali-vee op Celebes en Timor en van Madoera-vee op Flores ging het in 1931 vrij goed.

Buffelstapel. Van den 2 258 022 stuks grooten buffelstapel op J a v a bevonden zich in Oost-Java slechts 422 068 stuks, terwijl Midden-Java samen m e t de Vorstenlanden 866121 en W e s t - J a v a 969 833 buffels bezat.

I n Oost-Java en Midden-Java verminderde het aantal buffels m e t eenige duizenden, terwijl in W e s t - J a v a eene toeneming geconstateerd werd, welke echter eveneens wel op rekening van de hierboven reeds genoemde nieuwe veesterkte-verordening moet worden gesteld.

De uitvoer van buffels van de Kleine Soenda-eilanden naar J a v a en Zuid-S u m a t r a is, vergeleken m e t het vorige jaar, achteruitgegaan.

De bemoeienis van den Veeartserrijkundigen Dienst m e t de buffelfokkerij, juister gezegd buffelhouderij, welke op bijna alle eilanden van groot belang is voor de voorziening in de behoefte aan werk- en slachtvee, beperkte zich ook in 1931 tot selectie en castratie van buffelstieren en het tegengaan van het slachten van voor de voortteling geschikte buffelkoeien.

Kleinveestapel. De sterkte van den kleinveestapel is in W e s t - J a v a opnieuw opgenomen en bleek in het laatste kwartaal van 1931 te bedragen 968 187 schapen, 1 380 153 geiten en 83 203 varkens.

Voor S u m a t r a is de sterkte 59 980 schapen, 266 843 geiten en 297 895 varkens.

De schapenfokkerij is in W e s t J a v a van beteekenis, aangezien hier de r a m m e n -gevechten, welke vooral in Priangan een geliefkoosde sport zijn, de belangstelling aanwakkeren. Enkele d e k r a m m e n van het Priangan-ras werden t e n behoeve van de verbetering van het inheemsche schaap in het regentschap Bandjarnegara

(Midden-Java) ingevoerd. I n de Buitengewesten wordt een waardevolle schapen-stapel in het Paloe-dal (Midden-Celebes) aangetroffen.

Voor de geitenfokkerij bestaat bijna in alle deelen van den archipel belang-stelling. De bevolking beseft steeds meer, dat de kruisingsproducten van de in-heemsche geit m e t het E t a w a h - r a s in het algemeen hoogere m a r k t w a a r d e hebben dan de inheemsche geiten. De vraag naar Etawah-fokgeiten voor de verbetering van den geitenstapel is dan ook in 1931 weer zóór groot geweest, dat bij lange na niet aan die vraag kon worden voldaan. Vanwege het Gouvernement konden op J a v a slechts 26 Etawah-bokken worden verstrekt. De provinciale veeartsenij-kundige dienst in Oost-Java kocht een 50-tal bokken en geiten van particuliere fokkers aan voor verstrekking aan de bevolking. Ook in Midden-Java heeft m e n zooveel mogelijk door plaatselijken aankoop in de behoefte aan dekbokken voor-zien; hier moest m e n zich echter vaak m e t gekruiste Etawah-bokken tevreden stellen.

M e t de Etawah-geiten, welke op Soembawa in koppels aan de bevolking waren uitgegeven, ging het niet n a a r wensch. Besloten werd het fokken van E t a w a h s in het op 'dat eiland gelegen doorgangshuis voor vee t e L e n a n g Toepang Beroe ter h a n d t e n e m e n .

De varkensfokkerij wordt op J a v a , behalve door Chineezen, meer en meer door Europeanen gedreven. Veelvuldig wordt hier voor rasverbetering gebruik gemaakt van het Yorkshire-ras en het veredeld Duitsehe lahdvarken. De landschaps-fokkerijen van veredelde Duitsehe landvarkens en Yorkshires op Soemba moesten

94 DB ECONOMISCHE TOESTAND.

worden opgeheven, omdat gebleken is, dat deze rasvarkens niet bestand zijn tegen de levensvoorwaarden, welke aan de dieren k u n n e n worden geboden. Met dè rasvarkens van de Missie op Flores ging het goed. De resultaten van de kruising m e t het veredelde Duitsehe landvarken op het eiland Nias zijn bemoedigend.

Pluimvee stap el. H e t aantal kippen en eenden, die overal in Indië voorkomen, is buitengewoon groot. De belangstelling voor eene rationeele pluimveehouder!]

is echter bij de I n l a n d s c h e bevolking' nog niet groot, hoewel de waarde van den inheemschen pluimveestepel niet gering is. Zoo werden b.v. m 1931 van Madoera uitgevoerd 395 811 kippen, 7752 eenden, 2 538 970 kippeneieren en 1 6 3 3 / 2 1 eendeneieren. De eendenfokkerij is op Bali en Lombok, langs de Noordlmst van J a v a en ook in enkele streken van S u m a t r a voor menig Inlander een hoofdmiddel van bestaan.

Alqemecne gezondheidstoestand. De algemeene gezondheidstoestand van den veestapel was in 1931 gunstig. Van de geregeld voorkomende besmettelijke vee-ziekten hebben alleen miltvuur en septichaemie in enkele streken vrij ernstige verliezen aan den veestapel toegebracht.

De pluimveestapel heeft, evenals in vorige jaren, vrij ernstig geleden van het heerschen van pseudo-vogelpest.

Bij G. B . 3 Dec. 1926 n°. 20 werd eene commissie ingesteld, welke tot t a a k kreeg een onderzoek in t e stellen naar het voorkomen van Cysticercose onder den runder- en varkensstapel op het eiland Bali en naar de gevolgen daarvan voor den gezondheidstoestand der Balische bevolking en voor den veehandel. N a d a t het lid dezer commissie, de heer A. P . le Coultre, m November 1928 aan de links-Universiteit te U t r e c h t na verdediging van een academisch proefschrift, ge-titeld: „Cystecerci in het vleesch van rund en varken, een hygiënische studie naar aanleiding" van een bijzonder onderzoek naar deze parasieten op het eiland B a h " , tot doctor in de veeartsenijkunde was gepromoveerd, heeft de commissie, m welker samenstelling intusschen nog weer wijziging gekomen was, haar taak in 1929 opnieuw ter h a n d genomen en o m t r e n t haar werkzaamheid op basis van genoema proefschrift in April 1929 een verslag ingediend. Dit verslag heeft er toe geleid, dat de bestrijding van de Cysticercose op Bali door het Hoofd van den Burger-lijken Veeartsenijkundieen Dienst m e t het B e s t u u r op genoemd eiland m ver-schillende conferenties ampel werd besproken, aan welke besprekingen later ook vanwege den Dienst der Volksgezondheid werd deelgenomen. Deze conferenties hebben t e n °-evolge gehad, dat eene brochure werd samengesteld en door het B u r e a u voor de Volkslectuur in het Balineesoh en het Maleisch werd afgedrukt, waarin het gevaar van den lintworm voor den mensch en voor het vee op popu-laire wijze wordt uitgelegd en waarbij maatregelen worden aanbevolen t e n einde dit gevaar zooveel mogelijk in te perken. I n vele honderden exemplaren is deze brochure op doelmatige wijze in de betrokken streek op B a h verspreid. Met den Dienst der Volksgezondheid en m e t het B e s t u u r op B a h werd overeengekomen om in onderlinge samenwerking eene propaganda-campagne m t e zetten tegen bodem- en waterverontreiniging, waarin de cysticercose-bestrijdmg als onderdeel zal worden betrokken. De veeartsenijkundige dienst is t h a n s bezig m e t _ eene propaganda voor den bouw van eenvoudige latrines, welke voor de bestrijding van de Cysticercose onder het vee voldoende worden geacht en tevens zullen bij-dragen ter voorkoming van de verspreiding van buik- en wormziekten onder de

Sedert is de cvsticercose-eommissie ontbonden (G. B . 10 J u l i 1931 n°. 2 ) . _ Bij de keuring" van vleesch van geslachte varkens in het gemeente-slachthuis t e Medan werden in November 1929 voor het eerst in Nederlandsch-Indië trichmen-larven aangetroffen. Deze trichmen-larven zijn de oorzaak van de z.g. trichinen-ziekte welk lijden bij varkens zoo goedaardig pleegt te verloopen, dat het gedurende het leven bijna steeds aan de a a n d a c h t o n t s n a p t . De ziekte zou dan ook geen bij-zondere beteekenis hebben, ware het niet, d a t de consumptie van vleesch van trichineuze varkens voor den mensch ernstig gevaar kan opleveren Sedert 19^9 heeft m e n in Indië naar het voorkomen van trichinosis bij mensch en dier een

VEETEELT. 95 uitvoerig onderzoek ingesteld. Hierbij is gebleken, dat de ziekte bij varkens, honden en r a t t e n in de B a t a k l a n d e n bij § à 5 % der dieren werd aangetroffen, terwijl .zij buiten dat gebied — m e t uitzondering van één geval bij een Chineesch varken ter Oostkust van S u m a t r a — nog niet werd geconstateerd. Merkwaardiger-wijze bestaat voor het voorkomen van trichinosis onder de bevolking van de B a t a k l a n d e n nog geen enkele aanwijzing.. I n afwachting van de resultaten van een door den Dienst der Volksgezondheid ingesteld onderzoek naar de vraag of de gevonden trichinen-larven voor den mensch schadelijke gevolgen k u n n e n hebben, zijn in de gewesten Oostkust van S u m a t r a en Tapanoeli reeds maatregelen ge-troffen om den mensch zoo goed mogelijk tegen infectie te beschermen. Met dit doel worden aan de bestaande slachthuizen de daarvoor in aanmerking komende slachtdieren nauwkeurig op de aanwezigheid van trichinen onderzocht, terwijl men in de onderafdeeling Simeloengoen bovendien een keuringsdienst m e t behulp van reizende keurmeesters in het leven heeft geroepen. Verder werd door het D e p a r t e m e n t van Landbouw, Nijverheid en H a n d e l eene in de B a t a k s c h e taal gestelde brochure verspreid, waarin werd gewezen op het voorkomen van de trichinenziekte onder de varkens en honden, benevens op het groote gevaar, dat de consumptie van ongekeurd vleesch voor de gezondheid van den mensch kan meebrengen.

Bij G. B . 21 Mei 1931 n°. 22 ( B b . n°. 12639), juncto G. B . 1 Oct. 1931 n°. 41 ( B b . n°. 12677) is te Buitenzorg een leergang ingesteld ter opleiding van Inland-sche keurmeesters van slachtvee en vleesch.

Veehandel. De in 1930 gedaalde marktprijzen van paarden, slachtvee, huiden en vleesch liepen in 1931 nog meer achteruit, waarbij het verschijnsel werd waargenomen, dat de veeprijzen des te meer daalden naar m a t e de uitvoerhandel van een bepaalde streek vóór den aanvang van de economische depressie van meer beteekenis was. Op Sawoe b.v., van waar reeds sedert tal van jaren geen of weinig vee wordt verscheept, bleven in den binnenlandschen veehandel de oude prijzen gehandhaafd. Op Soemba daarentegen, waar in 1928 voor een buffel ge-middeld f 50 à f 60 werd betaald, daalde de prijs van een buffel tot + f 5. H e t aantal uit Soemba uitgevoerde buffels, dat in 1928 nog + 1300 bedroeg, is in 1931 tot 414 teruggeloopen.

De uitvoer van runderen uit Bali, welke in 1930 minder dan de helft van die in het jaar 1929 (nl. slechts 14 265 stuks) bedroeg, steeg weliswaar in 1931 tot 17 108 dieren, doch de waarde er van bedroeg slechts f 762 267, tegen f 1058 668 in 1930.

H e t aantal van Bali uitgevoerde varkens bedroeg in 1929 nog 160 770 stuks ; in 1930 daalde de uitvoer echter tot 135 779 stuks, terwijl ze in 1931 nog slechts 109 866 stuks bedroeg. De waarde der uitgevoerde varkens liep in die jaren terug van f 3 536 960 tot f 2 573 148 en f 1 177 508.

De paardenhandel op de eilanden Soemba en Soembawa heeft vrijwel niets meer te beteekenen, als gevolg van het feit dat voor die dieren op J a v a nagenoeg geen afzet meer bestaat.

Hoewel de Koninklijke P a k e t v a a r t m a a t s c h a p p i j hare vrachtprijzen van vee in den loop van 1931 heeft verlaagd, bleek dit weinig invloed op den handel te hebben gehad, aangezien die vracht tóch nog te hoog is. Zoo moest voor vervoer van een buffel van B i m a naar Tandjoengpriok nog f 25 betaald worden.

De veehandel op J a v a k e n m e r k t e zich door geringe kooplust en lage prijzen.

Hoewel het aanbod op de verschillende veepasars bijna geen verschil vertoonde met dat in 1930, werd toch veel minder vee verhandeld dan in vroegere jaren.

Op S u m a t r a is de invoer van slachtvee van de Kleine Soenda-eilanden in ver-band m e t de verminderde vraag sterk achteruit gegaan en heeft alleen nog plaats in Zuid-Sumatra. De invoer van paarden, runderen en buffels uit W e s t - J a v a in Zuid-Sumatra is eveneens zeer verminderd. De uitvoer van varkens van de Oost-kust van S u m a t r a naar den overwal is van geen beteekenis meer.

De veeprijzen zijn in de verschillende streken van S u m a t r a niet in gelijke m a t e gedaald. De hoogste prijzen werden in het gewest P a l e m b a n g betaald, terwijl in de Padangsche Bovenlanden de waardedaling + 40 % bedroeg.

96 DB ECONOMISCHE TOESTAND.

De vleeschprijzen zijn in 1931 niet even sterk gedaald als de veeprijzen. H e t volgende staatje geeft een overzicht van de vleeschprijzen m dat jaar m ver-schillende groote s t e d e n :

rundvleesch buffelvleesch Soerabaja 1 h a t i f 0,25 à f 0,50 1 kati f 0,27 à f 0,40

Semarang 1 ,, gem. f 0,50 1 ,, gem. f 0,40

B a t a v i a 1 kg (Bali) inet been f 0,35 1 kg m e t been f 0,30 à f 0,50 à f 0,65

1 kati ( J a v a ) zonder been f 0,35 à f 0,65

Bandoeng 1 kati f 0,35 à f 0,50 1 kati f 0,25 à f 0,40 Soerakarta 1 ,, f 0,25 à f 0,40 1 „ f 0,15 à f 0,35 Makassar 1 pond f 0,50 à f 0,65 1 ,, f 0,22s

Medan 1 kg f 0,65 à f 1,10 1 kg f 0,65 à f 0,80

De prijzen van huiden gingen eveneens belangrijk achteruit. Zoo werd m Semarang voor runderhuiden (droog, 1ste kwaliteit) slechts i 40 tot ± 7 1 per pikol betaald,'terwijl in 1929 dezelfde soort huiden nog f 192,50 per pikol opbracht.

De invoer in Nederlandsch-Indië van runderen afkomstig uit het vaste land van Australië is verboden ( I . S. 1931 n°. 321).

H e t verbod tot invoer van bevroren vleesch in Nederlandsch-lndie atkomstig van de Unie van Zuid-Afrika is opgeheven ( I . S. 1931 n°. 174).

In document I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER (pagina 96-100)