i. Overheidszorg voor de Nijverheid

2. De groote banken

De wereldcrisis heeft op de situatie van het particulier bankwezen in Neder-landsch-Indië, al naar gelang van hare inwerking op de financieele positie van de verschillende takken van handel en bedrijf en daardoor ook op de verhouding,

MUNT-, C R E M E T - EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 1 6 1

welke tusschen deze takken van bedrijf en het particuliere bankwezen plegen te bestaan, een uiteenloopenden invloed uitgeoefend.

Ten aanzien van het import- en exportbedrijf waren de steeds dalende prijzen en omzetten oorzaak, dat de bedragen, door deze takken van bedrijf m debiteu-ren en in producten- en goededebiteu-renvoorraden vastgelegd, gedudebiteu-rende 1931 nog aan-merkelijk terugliepen, hetgeen zich uit den aard der zaak uitsprak m het vrij-komen van liquide middelen, welke hetzij tot het aflossen van een eventueelen debet-stand bij banken werden aangewend, hetzij als credit-saldi aan die banken werden toegevoerd. Ten aanzien van bet im- en exportbedrijf was derhalve over 1931 eenzelfde tendenz te constateeren als ook reeds in 1930 bestond: vergrooting van de liquiditeit van het bedrijf, geringere debet-stand bij, resp. grooter toevoer van middelen aan het bankwezen. Import- en exportbedrijf oefenden dus m 1931 op de positie van het bankwezen een ontspannenden invloed uit mede door den belangrijken teruggang van het waardebedrag van de door de banken t e finan-cieren im- en exportwissels. , , ,

Hoewel in vergelijking m e t 1930 het aantal deconfitures en onderhandsche accoorden in den tusschenhandel als gevolg van de geringe betaalkraclit van de desa aanmerkelijk toenam, bleek over het algemeen net importbedriji krachtig genoeg om aan deze schokken h e t hoofd te bieden.

H e t exportbedrijf, in het bijzonder dat van suiker, bleef zich ook m 1931 van het innemen van posities onthouden en behoefde uit dien hoofde geen beroep op

bankcrediet te doen. . , , • • , - , 7,

I n tegenstelling hiermede was het eigenlijke productiebedrijf der cultwes — in de eerste plaats de suikercultuur — genoodzaakt sterker dari voorheen op het bankwezen terug te vallen. Bedroeg einde 1930 de onverkochte voorraad suiker on Java + 1256 000 ton, de bij de verwachtingen nog aanzienlijk t e n achter gebleven export gedurende het jaar 1931, gepaard aan het af komen van een nog niet aan restrictie onderworpen oogst, deed deze voorraad aan het einde van het iaar tot + 2 1 3 3 000 ton toenemen, in welken voorraad toenmaals bij een prijs van omstreeks f 6,50 een kapitaal van f 135 à f 140 millioen geacht kon worden te ziin vastgelegd. De financiering van deze voorraden noodzaakte vele suiker-producenten t o t het aanspreken van h u n n e normaliter in Holland aangehouden liquide middelen en belegde reserves, hetzij door hiertegen m Indie crediet op te n e m e n , hetzij door bedoelde beleggingen in Holland te liquidieren e n d e preve-nnen naar Indië over te brengen. Kon aan het einde van 1930 nog niet worden gesproken van een noemenswaard beroep door de suikercultuur-maatschappijen ten behoeve van de financiering van onverkocht product op het Indisch bank-wezen eedaan uit den aard der zaak moest de toeneming van die voorraden en de inkrimping der liquide middelen als gevolg van de geleden verliezen op de oogsten 1930 en 1931 gedurende. laatstgenoemd jaar m deze positie wijziging brengen zoodat aan het einde van 1931 de door Indische bankinstellingen — op consignatiecontract m e t oogstverband en hypotheek of door eenvoudige beleening van product — aan de suikerindustrie verleende credieten m vergelijking m e t het vorig jaar eene toeneming toonen; zij het ook, dat deze toeneming nog m geener-lel opzicht onrustbarende vormen heeft aangenomen.

Ook t e n aanzien van andere cultures dan de suikercultuur leidden de on-gunstige bedrijfsomstandigheden en de op de laatste oogsten geleden verhezen tot eene toenemende credietbehoefte van afzonderlijke ondernemingen, waaraan, indien het gezonde credietobjecten betrof, door het particulier bankwezen kon worden en werd voldaan. I n t u s s c h e n werd hot door de Begeering wenschelijk geacht om in den geest van de voorheen ( 1 9 2 1 - 1 9 2 4 ) reeds eenmaal bestaan hebbende Cnltuurbulpbank, eene instelling in het leven t e roepen, welke, onder garantie door de Begeering van de door oprichters en credietgevers verstrekte middelen credieten zou k u n n e n verleenen aan levensvatbare ondernemingen welke door tijdelijke crediethulp aan de moeilijkheden van de huidige crisis het hoofd zouden kunnen bieden en aldus voor het economisch bestel van het Land /ouden kunnen worden behouden. I n verband hiermede werd op 3 Mei 1932 dooi de Nederlandsche H a n d e l Maatschappij N . V . , de Nederlandsch-Indische Handels-bank N V en de N V. Nederlandsch-Indisehe E s c o m p t a Maatschappij opgericht

162 DE ECONOMISCHE TÓESTAND.

de stichting „Crediethulpbahk voor N e d e r l a n d s c h - I n d i ë " , welke zieh blijkens art. 2, sub 1, der stichtingsacte ten doel stelt: „ i n Nederlandsch-Indië gevestigde

„ c u l t u u r - en andere ondernemingen, die tengevolge van de heerschende crisis in , .financieele moeilijkheden zijn geraakt en niet van elders crediet kunnen ver-,,krijgen, hulp t e verleenen door credietverschaffing, ten einde die ondernemingen

„ i n staat te stellen haar bedrijf geheel of ten deele uit te oefenen, doch alleen in

„die gevallen, waarin redelijkerwijze mag worden aangenomen, dat de m e t crediet

„gesteunde onderneming in staat zal zijn na verloop van tijd aan al hare ver-oplichtingen te voldoen".

Aan deze stichting werd door ieder der oprichters als vermogen een bedrag van f 150 000 ter beschikking gesteld.

De relaties van particuliere personen m e t het bankwezen, welke zich in Neder-landsch-Indië vrijwel uitsluitend beperken tot het deposito-en/of rekening-courant-verkeer dan wel het onderhouden van eene effcctenbeleening, ondergingen ge-durende 1931 in verband m e t het steeds dalend koersverloop op de effeetenmarkt eene verdere inkrimping, welke zich onder meer uitsprak in eene voortgezette daling van de door banken op onderpand van effecten verstrekte voorschotten.

H e t voorgaande doet in groote trekken zien, op welke hoofdpunten de positie van de in Nederlandsch-Indië werkzame particuliere banken in 1931 wijziging moet hebben ondergaan. Cijfers, welke deze wijziging, zuiver beperkt tot de in Nederlandsch-Indië gedreven zaken, nauwkeurig aangeven, zijn niet beschikbaar als gevolg van de omstandigheid, dat de gepubliceerde balansen van de Neder-landsche H a n d e l Maatschappij en de Nederlandsch-Indische H a n d e l s b a n k slechts gecombineerde cijfers aanwijzen voor het totaal bedrijf dezer banken in Neder-landsch-Indië, J a p a n , China, Britsch-Indië en de Straits-Settlements. Aangezien evenwei de economische omstandigheden ook in deze landen eene soortgelijke ontwikkeling te zien geven, worden bovenbedoelde gecombineerde cijfers niettemin hieronder vermeld, teneinde het algemeen karakter van de in de positie der bank-instellingen ingetreden wijzigingen in het licht t e stellen.

Bankbalansen in 1929, 1930 en 1931 (in millioenen).

Activa.

MUNT-, C R E M E T - EX BANKWEZEN. COÖPERATIE. 163

Zooals uit bovenstaande opstelling' der gecombineerde balansen duidelijk blijkt, n a m e n de van derden ontvangen gelden gedurende 1931 in een m e t het vorig ]aar vergeleken versneld t e m p o af. Ook de credietverleening in rekening-courant (Debi-teuren) en de wisselfinanciering (voortvloeiende zoowel uit den import als uit den export) krompen weder aanmerkelijk in, zoodat de einde 1930 bestaande liquiditeitsverhoudingen ongeveer gehandhaafd bleven.

Behalve in de aanzienlijke koersdaling van nagenoeg' alle — ook de voorheen als meest soliede aangemerkte vaste-rentedragende — fondsen, vinden de in 1931 door het Nederlandsoh-Indische bankwezen geleden verliezen ook gedeeltelijk hun oorsprong in de waardedaling van het £ sterling na het verlaten van den gouden standaard door Groot-Britannië op den 21sten September 1931. Als gevolg van de omstandigheid dat het Sterling-devies tot dusverre in de financiering van den Nederlandsch-Indischen export een voorname rol speelde, waren de banken uit den aard der zaak bij de Britsche valuta in niet onbelangrijke m a t e betrokken.

De positie van de Javasche Bank gedurende het jaar 1931 werd zoowel dooi-de bovengememoreerdooi-de omstandighedooi-den m e t betrekking tot het Indische bedrijfs-leven als door de ontwikkeling van den economischen toestand in het buitenland in krachtige m a t e beïnvloed. De voortgaande inkrimping van de bankbiljetten-circulatie als gevolg van steeds dalende prijzen en verminderende handelsomzet-ten, en het terugloopen van in Nederlandsch-Indië aangehouden rekening-courant-saldi, vonden bij eene slechts in geringe m a t e afgenomen binnenlandsche crediet-verleening h u n n e uitdrukking voornamelijk in eene vermindering van de buiten-landsche uitzettingen en den goudvoorraad. Onderstaande vergelijking van de ver-korte balansen van de J a v a s c h e B a n k (in millioenen) in den aanvang van de jaren 1930, 1931 en 1932 geeft hiervan een duidelijk beeld.

4-1-1930.

Activa.

Disconto's betaalbaar in Ned.-Indië 8,4 Wissels buiten Ned.-Indië betaalbaar 28,5

Beleeningen 1023,4 Gouvernement van Ned.-Indië

Belegd kapitaal, Beserve- en Pensioen- en

Onder-standfonds - ^ ' ^

164 DE ECONOMISCHE TOESTAND.

4-1-1930. 3-1-1931. 2-1-1932.

Gebouwen en meubilair 6,4 6,3 6,2 Diverse rekeningen 27,8 41,9 35,9

364,0 333,5 290,8 Passiva.

Kapitaal Reservefonds

Bijzondere Reserve

Pensioen- en Onderstandfonds Bankbiljettencirculatie

Bankassignatiën

Rekening-courant-saldi :

van liet Gouvernement ....

van anderen Diverse rekeningen

364,0 333,5 290,8 De uitzettingen in „Wissels buiten Nederlandsch-Indië b e t a a l b a a r " toonen eene vermindering van f 32,4 millioen op 3 J a n u a r i 1931 tot f 6,3 rnillioen op 2 J a n u a r i 1932. H e t verlaten van den gouden standaard door Groot-Britannië heeft aan de toepassing van den goldexchange-standaard ook voor Nederlandsch-Indië voorshands een einde gemaakt. De beleeningen en disconto's n a m e n daar-entegen in dezelfde periode m e t + f 9 rnillioen toe, terwijl het debetsaldo van het Gouvernement van Nederlandsch-Indië begin 1932 f 5,5 rnillioen bedroeg, tegen f 1,7 millioen in den aanvang van 1931.

De metaalvoorraad van de J a v a s e h e B a n k verminderde gedurende 1931 m e t + f 2 1 , 4 millioen. W a a r tegelijkertijd de bankbiljettencirculatie in 1931 inkromp van + f 253,7 millioen tot f 232 millioen en de door derden aangehouden rekening-courant saldi eveneens m e t + f 19,8 millioen afnamen, steeg het dekkingspercen-tage van 59,83 % op 3 J a n u a r i 1931 t o t 61,63 % op 2 J a n u a r i 1932. _

Ondanks d e g e l e d e n verliezen en de sterk verminderde rentabiliteit was de positie van het Indische bankwezen op het einde van 1931 nog alleszins krachtig en liquide te noemen.

De koersbewegingen in het buitenland lieten uit den aard der zaak ook de Indische valuta niet onberoerd. Reecis omstreeks half J u l i ontstond van sommige zijden een plotselinge aandrang tot het overbrengen van in Nederlandsch-Indië aangehouden middelen n a a r het buitenland, welke — van wege zijne coïncidentie

— • s a m e n h a n g deed veronderstellen m e t de plotselinge daling, welke de koers van het Pond Sterling in die dagen als uitvloeisel van de Duitsche crisis te zien gaf.

Deze beweging noodzaakte de J a v a s e h e B a n k haren T.T.koers op Amsterdam, welke sedert langen tijd op een peil van ÏOO1/,, was kunnen worden gehandhaafd, op 18 J u l i tot 1 0 0 | en op 23 J u l i tot 100-1- te verhoogen; zij bleek nochtans van voorbij gaanden aard, zoodat reeds op 10 Augustus de koers weder tot 1003/8 en op 14' September t o t 100|- kon worden teruggebracht, Slechts een week later bracht evenwel het verlaten door Engeland van den gouden standaard in do situatie een nieuwen ommekeer teweeg. Den 22sten September werd wederom een plotselinge aandrang tot het overbrengen van Indische middelen naar het buitenland merkbaar. Daar Nederlandsch-Indië geen geldmarkt kent in den eigen-lijken zin des woords en van biiitenlandsche geldgevers op korten termijn geheel onafhankelijk is, terwijl bovendien de in Nederlandsch-Indië rouleerende middelen practisch geheel afkomstig zijn uit en na korter of langer tijd ook weder moeten worden aangewend in het Indische bedrijfsleven, stond reeds van den aanvang af

9,0 13,5 1,8 3,8 291,0 1,4

9,0 13,5 2,7 4,3 253,7 1,2

9,0 13,5 2,8 4,6 232,0 0,9

29,4 44,4 24,6 6,4 4,7 3,4

A

MUNT-, CKEDIET- EN BANKWEZEN. COÖPERATIE. 1 6 5

vast dat voor geldovermakingen op groote schaal naar het buitenland onder de bestaande omstandigheden niet slechts in het geheel geen aanleiding bestond, doch daardoor bovendien het economisch leven in Nederlandsch-Indie ernstig zou kunnen worden geschaad. I n deze overtuiging werd door de J a v a s c h e B a n k op 23 September de afgiftekoers op Holland weder tot lOOf verhoogd. Waar de rémise-aanvragen nochtans bleven aanhouden en eene voortgaande remitteering van groote bedragen naar het buitenland m e t daaruit voortvloeiende zichtbare verzwakking van de positie van de J a v a s c h e B a n k het groote gevaar in zich droeg de voorloopig nog slechts zeer partieel bestaande angststemming t o t e e n e alge-meene te doen aangroeien, waardoor dan in een later stadium onvermijdelijk eene werkelijke kapitaalvlucht met alle ernstige gevolgen van dien zou komen te ont-staan werd een zonder verwijl ingrijpen in de situatie noodzakelijk. loen_ dan ook op Vrij da o-morgen 25 September opnieuw T.T. aanvragen op Holland tot belang-rijke bedragen bij de J a v a s c h e B a n k binnenkwamen, besloot deze aan deze aan-vragen zoomede aan eventueele verzoeken tot afgifte van goud o p grond van de door de J a v a s c h e B a n k op 21 Februari 1922 afgelegde goudverklaring, welke dei-B a n k eene discrétionnaire bevoegdheid verleent tot beoordeeling van het karakter van de tot haar gerichte goudaanvragen, niet langer te voldoen. In aansluiting daarop vond eene conferentie m e t de vertegenwoordigers van de m Nederlandscn-Indië gevestigde Nederlandsche particuliere bankinstellingen plaats, teneinde deze laatste° o m t r e n t de strekking van den genomen maatregel voor t e lichten en voor-zoover mogelijk eene eenheid van actie te waarborgen. H e t resultaat dezer confe-rentie was een besluit van de vier Hollandsche bankinstellingen, volgens hetwelk voorloopig voor den tijd van eenige dagen uitsluitend nominale noteeringeiii voor verkoop van buitenlandsche valuta op basis van een afgiftekoers voor T.T. Holland van 1001 zouden worden uitgegeven en uitsluitend aan bonafide aanvragen tot het overmaken van matige bedragen voor reëele doeleinden tot die koersen zou ' ° ' 0 p Y e ° IndTsche wisselmarkt bleef het gedurende deze dagen van nominale roteeringen over het algemeen uiterst rustig. Op Vrijdag 2 October was de positie zoodanig opgeklaard, dat aan het wederom op gang brengen van het betalings-verkeer ° g e e l e bezwaren meer in den weg stonden. Op dien dag vond opnieuw eene conferentie m e t de Nederlandsche particuliere bankinstellingen plaats als uitkomst waarvan de Javasche B a n k in eene mededeelmg aan de pers deed be-kend stellen, dat zij den verkoop op Nederland m e t ingang van 5 October wede.

S u hervatten op basis van een koers van 100? voor ^ p t d ^ m & ^ g m Nederland, doch zulks uitsluitend voor de reëele behoeften van den. handel. Of-schoon de'aanvankelijke verwachting was, dat m de eerste dagen na het herstel van het betalingsverkeer eene sterke vraag- naar buitenlandsche valuta zou op-treden, bleek de werkelijke vraag bij die verwachting verre t e n achter t e blijven

De acute moeilijkheden waren hiermede overwonnen en de wisselmarkt hervatte haren normalen gang m e t eer dalende dan stijgende koerstendenz voor afgilten o Nederland. I n dezen toestand van rust k w a m weder wijziging, toen m de begindagen van December de bestaande onzekerheid t e n aanzien van de hand-having van den gouden standaard door J a p a n en de n het buitenland ten opzich e van den Nederlandschen en indirect derhalve ook ten opzichte van den Neder-l-indseh-Indischen gulden gewekte onrust, de wisselmarkt opnieuw m opspraak brachten. Onder importeurs, in het bijzonder vaar J a p a n s c h e n en A m e n k a a n s c h e n landaard ontstond een hernieuwde aandrang om een zoo groot mogelijk gedeelte h u n e e r remisebehoeften voor het g e h e e l e j a a r 1932 bn voorbaat af e dekke • W a a r het aan den anderen kant reeds m normale tijden voor Nederlandsen Indische exporteurs niet .gebruikelijk was h u n n e wissels op het buitenland langen

i d vooruit te verkoopen em de gewekte onrust uit den aard der zaak ten gevolge had dat het weinige wisselmateriaal, waarover zij de beschikking hadden nog door hen werd achtergehouden, bovendien contant geld m Nederlandsch-Indie m deze periode sehaarsch was, ontstond het verschijnsel, d a t bij eene volkomen rustige m a r k t contante levering, voor termijnlevering een belangrijk verschil aus-sehen aanbod en vraag ontstond. Ook deze beweging bleek nochtans van voorbij-gaanden aard.

166 DE ECONOMISCHE TOESTAND.

3. Volkscredietwezen.

H e t volkscredietwezen ondervond in 1931 in nog sterker m a t e dan in het voorafgegane jaar den invloed van de economische depressie, welke — zooals reeds werd uiteengezet — o. m . ten gevolge had, dat zich onder de bevolking eene groote schaarschte aan geld deed gevoelen. Terwijl in het algemeen aan voedsel geen gebrek bestond, kostten betalingen in geld aan de bevolking steeds meer moeite, als gevolg waarvan in het onderling verkeer in toenemende m a t e ruil-handel werd gedreven. Aan de credietinstellingen — de loernboengs buiten be-schouwing gelaten — stond het der bevolking daarentegen niet vrij om schulden in n a t u r a t e voldoen.

Werd eenerzijcls door de heerschende geldschaarschte de behoefte aan crediet gestimuleerd, anderzijds vertoonde het aanbod van crediet aan de bevolking een verminderende tendenz, hetgeen o. m . tot uiting k w a m in eene voortgezette ver-mindering van het door de gezamenlijke volkscredietbanken op J a v a en Madoera gemiddeld in leen uitgegeven bedrag. Dat bedrag verminderde van f 63 in 1930 tot f 52 in 1931, terwijl eene verdere vermindering in de n a a s t e toekomst verwacht mag worden.

Door ovengenoemde banken werd kwartaalsgewijze in 1931 onderscheidenlijk uitgeleend f 12 072 000, f 10196 000. f 9 951000 en f'9 615 000, tegen f 15 451 000, f 14 305 000, f 15 506 000 en f 15 230 000 gedurende de overeenkomstige kwartalen van 1930, hetgeen neerkomt op eene vermindering respectievelijk tot 78 %, 71 %.

64 % en 63 %. Gerekend over het geheele jaar verminderde het totaal bedrag' aan uitgeleende gelden ad 60 492 000 in 1930 tot f 4 1 8 3 4 000 in 1931, derhalve tot een percentage van 69. H e t u i t s t a a n d bedrag, d a t einde 1930 m e t f 47 940 000 reeds ongeveer een half millioen lager was dan dat van einde 1929, vertoonde in J a n u a r i en ï e b r u a r i 1931 wel de gebruikelijke seizoenstijging' (tot f 4 9 037 000), doch deze beliep slechts iets meer dan één millioen tegen omstreeks drie millioen in de voorafgegane jaren. Daarna trad eene ongewoon snelle en doorloopende daling in. Van f 4 7 940 000 op einde 1930 steeg het uitstaand bedrag einde l s t e kwartaal 1931 tot f 48115 000, daarna daalde het einde 2de kwartaal op f 4 5 415 000, einde 3de kwartaal op f 4 1 8 4 4 000, einde 4de kwartaal op f 40 313 000.

Deze daling van het totaal bedrag aan uitstaande leeningen van ongeveer 16 % gedurende 1931, bracht dat bedrag terug tot liet peil, dat einde 1927 bereikt was.

De bedrijfskosten der volkscredietbanken stegen daarentegen gedurende de l a a t s t e 4 jaren niet onbelangrijk, hetgeen mede m e t het oog op de gedurende die jaren toegepaste verlaging van den rentevoet bij de uitleening van gelden met ruim 2 °/0, noopte tot het streven om die kosten tot een lager peil terug te brengen. Gedurende 1931 heeft de directie der Centrale Kas dan ook herhaaldelijk aangedrongen op bezuiniging ten aanzien van de personeelsuitgaven en reiskosten van het bankpersoneel. Hoewel m e t dien aandrang reeds veel succes geboekt werd, zullen nog verscheidene banken hun personeelsformaties en bezoldigings-regelingen meer in overeenstemming m e t de gewijzigde tijdsomstandigheden heb-ben te brengen. De Centrale Kas, die zich in dezen m e t betrekking tot de volks-credietbanken heeft te bepalen tot het geven van advies, heeft intusschen ten aanzien van het bij haar eigen instelling in dienst zijnd personeel eene korting op de salarissen toegepast van 5 °/0 m e t ingang van 1 April 1932, en van 10 % m e t ingang van 1 J u l i d.a.v.

De verminderde rentabiliteit van de meeste volkscredietbanken noopte niet alleen tot bezuiniging op de exploitatie-rekening van het bedrijf, m a a r tevens tot eene herziening inzake de tot dusver gevolgde gedragslijn bij het opnemen van gelden. D a a r o m t r e n t , alsook nopens de noodzakelijke verlaging' van de voor die opgenomen gelden uit te keeren rente, werden vanwege de Centrale Kas aan de bankbesturen verschillende aanwijzingen in overweging' gegeven.

Tegenover eene voortdurende daling van het totaal der uitgeleende gelden stond eene onafgebroken stijging van den achterstand. Bedroeg deze laatste einde 1930 f 2 906 000 of 6,06 % van het uistaand bedrag, einde 1931 waren deze cijfers gestegen tot f 7 728 000 of 19,17 % , eene toeneming derhalve m e t 2 6 6 % . Aan het einde der vier kwartalen van 1931 bedroeg de achterstand onderscheidenlijk

MUNT-, CREDIET- EX BANKWEZEN. COÖPERATIE 167 f B 805 000 f 4 6 6 0 000 f 6 722 000 en f 7 728 000 of u il gedrukt in procenten van het uitstaand bedrag 7,91 %, 10,26 % , 16,06 % en 19 17 % Hierbij zij aan geteekend, dat stijging van den achterstand in het derde kwartaal een normaat seizoensverschijnsel is; in dien tijd vervallen namelijk de leemngen, die uit den Westmoesson-oogst moeten worden terugbetaald, terwijl om dezelfde reden m dit kwartaal belangrijk meer pleegt te worden afgelost dan uitgeleend, zoodat het uitstaand bedrag daalt en het daarin uitgedrukte percentage van den achterstand evenredig stijgt I n 1931 was echter de stijging van den achterstand abnormaal Kroot hi? bedroeg 30 September 1931 265 % van dien aan het eind van het derde kwartaal 1930, dus ruim 24 maal zooveel en was in procenten van het uitstaand bedrag ruim 3 maal zoo hoog. De minder snelle toename van den achterstand in het vierde kwartaal is eveneens een seizoensverschijnsel, omdat m deze periode, in vergelijking m e t het derde kwartaal, minder seizoenleenmgen vervallen en er daarentegen vele worden uitgegeven. Hoewel de vermelde gegevens betreffende den achterstand een voortdurende en ernstige a a n d a c h t vereischen behoeft daar-aan nochtans geen overdreven zorgwekkende beteekems gehecht te worden.

H e t bedrijf van de desabanken op J a v a en Madoera, die tot kleinere bedragen en op kortere termijnen clan de volkscredietbanken meest aan het minder gegoede deel der desabevolking gelden uitleenen, werd op overeenkomstige wijze als dat der volkscredietbanken door den nood der tijden beïnvloed. De achterstand bij deze dorpscredietinstellingen n a m zelfs verhoudingsgewijze m meerdere m a t e toe dan de achterstand bij de volkscredietbanken. Van 1929 op 1930 gestegen van f 4 0 000 tot f 9 6 000 of in procenten van het instaand bedrag van U,o /0 op 1 2 4 T bedroeg de achterstand einde 1931 f 214 000 of 3,95 % van het uitstaand

H e t bedrijf van de desabanken op J a v a en Madoera, die tot kleinere bedragen en op kortere termijnen clan de volkscredietbanken meest aan het minder gegoede deel der desabevolking gelden uitleenen, werd op overeenkomstige wijze als dat der volkscredietbanken door den nood der tijden beïnvloed. De achterstand bij deze dorpscredietinstellingen n a m zelfs verhoudingsgewijze m meerdere m a t e toe dan de achterstand bij de volkscredietbanken. Van 1929 op 1930 gestegen van f 4 0 000 tot f 9 6 000 of in procenten van het instaand bedrag van U,o /0 op 1 2 4 T bedroeg de achterstand einde 1931 f 214 000 of 3,95 % van het uitstaand

In document I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER (pagina 164-182)