DE ECONOMISCHE TOESTAND

In document I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER (pagina 66-70)

i. De Chineesche beweging

62 DE ECONOMISCHE TOESTAND

LANDBOUW 63 der voornaamste producten voortdurend, m e t het gevolg, dat de meerderheid der producten allengs een ongekend laag prijspeil bereikte. Kleine oplevingen kwamen begin M a a r t (tijdelijke verbetering van de algemeene conjunctuur), eind J u n i

(psychologische uitwerking van het Hoover-moratorium), in de eerste hellt van Augustus (lage ramingen van buitenlandsche rijstoogsten) en begm November (verbetering van de tarwe- en zilvermarkten). Zij vermochten het dalingsproces tijdelijk t e vertragen of zelfs hier en daar eene lichte verbetering t e voorschijn te roepen, doch als geheel zette de prijsdaling op regelmatige wijze over vrijwel de aeheele linie door. Voor bijzonderheden hieromtrent wordt verwezen n a a r tabel 11.

Sterker dan in 1930, heeft de prijsdaling der wereldmarkt-producten m het binnenland doorgewerkt. Tabel I I I , waarin de pasarprijzen der voornaamste producten zijn opgenomen, verschaft in dit proces geen volledig inzicht, daar deze prijzen zeer sterk onder den invloed s t a a n van locale seizoen-fluctuaties. Schakelt m e n de seizoensinvloeden uit door eiken maandprijs uit t e drukken in procenten van het veeljarig maandgemiddelde, dan vertoont het prijsverloop der voor-n a a m s t e productevoor-n het volgevoor-nd beeld.

De prijsdaling blijkt bij knolgewassen het sterkst te zijn geweest (groote oogsten) ; mais, dat in het begin van het jaar relatief het laagst stond, bevond zich aan het einde van 1931 boven de cassave; padi en rijst bleven naar ver-houding het beste op peil. De prijzen van enkele kleinere producten (lombok, uien e. d.) vertoonden eerst in de tweede helft van het jaar sterke daling.

e. Invloed van het prijsverloo-p op den gang der bedrijven en de bij den land-bouw betrokken bevolking. De sterke prijsdaling heeft niet nagelaten grooten invloed uit t e oefenen op de bedrijfsvoering in den landbouw.

De Europeesche cultuurondernemingen zagen voor het overgroote deel hare winstmarges, voor zoover deze in 1930 nog bestonden, geheel verdwijnen en in verlies verkeeren. Mitsdien waren zij gedwongen ingrijpende bezuinigingsmaat-regelen in t e voeren, t e n einde de loopende exploitatiekosten dusdanig te ver-minderen, dat deze door de verkoopprijzen gedekt zouden zijn; een streven dat lana niet alle bedrijven m e t succes bekroond zagen. Extensiveering der werkzaam-heden, ontslag van vast personeel, verlaging van salarissen en loonen zijn vrijwel alom geconstateerde verschijnselen.

H e t is duidelijk, dat de bevolking van deze maatregelen wel een sterken terug-slag moest ondervinden. Hoewel het moeilijk is een bepaald getal te noemen, daar de druk der depressie, al n a a r de locale economische structuur van een be-paalde streek, op vaak zeer ongelijke wijze in de verschillende deelen van het land is doorgedrongen, laat zich de daling der koelieloonen op J a v a becijferen op + 30 à 40 % vergeleken m e t de jaren van vóór de crisis. N e e m t m e n hierbij de verminderde werkgelegenheid in aanmerking, dan kan de derving van de inkomsten der bevolking uit de ondernemingscultures op 50 % worden geschat.

64 DE ECONOMISCHE TOESTAND.

Voor de Buitengewesten s t a a t minder cijfermateriaal ter beschikking. E e n typeerend verschijnsel is hier b.v. dat in 1931 door de Veda (Vrije Emigratie van D . P . V . en A . V . R . O . S . ) en het immigratiebureau der A . V . E . O . S . (Algemeene Vereemging van Rubberplanters ter Oostkust van S u m a t r a ) , beide t e Medan, ruim 60 000 koelies naar J a v a werden teruggezonden.

Niet alle Europeesche cultures voerden de bezuinigingsmaatregelen op even ingrijpende wijze door. Van ver gaande strekking waren deze in de suikercultuur en meestal nog drastiger bij de"verschillende bergcultures (rubber, thee, vezel e. d . ) . Slechts de koffiecultuur vertoonde, onder den invloed van marktverbete-ring, gepaard aan gunstiger oogstverwachtingen, in de laatste m a a n d e n van het jaar' gropter stabiliteit in de bedrijfsvoering. De Vorstenlandsche tabakscultuur voerde nog vrijwel geen bezuinigingen door; het loonpeil der goede jaren werd hier nog gehandhaafd. Bij de Oosthoek-tabak waren de bezuinigingen van minder ver gaanden aard dan in de bergcultures.

De Deli-tabaksondernemingen daarentegen krompen onder den invloed van de slechte financieele resultaten der voorafgegane oogsten hare werkzaamheden in 1931 belangrijk in. Over het algemeen dwongen de hooge koeliekosten de cultures der Buitengewesten tot sterke extensiveering v a n hare werkzaamheden.

Behalve door de geringere inkomsten uit de ondernemingscultures onderging het aeldinkomen van de bevolking groote vermindering door de prijsdaling van h a r e ° exportproducten. Ook bij de Inlandsche cultuur van overjarige gewassen leidde deze prijsdaling tot meer extensieve bedrijfsvoering, tot verwaarloozmg van tuinen en verlating van ongunstig gelegen bouwgronden. Bij de eenjarige ge-wassen was somtijds eene inkrimping van de cultuur waar t e n e m e n (b.v.

Inlandsch riet en arachis). Door uitbreiding van gezmsarbeid streefde de bevol-king er naar peldelijke kosten van het bedrijf tot een m i n i m u m terug t e brengen.

Eenig inzicht in de waardevermindering van den export der Inlandsche land-bouwproducten geeft tabel V.

T A B E L V.

Uit- en invoerwaarde van bevolkings-landbouwproducten (in millioenen guldens).

1927 1928 1929 1930 1931

Java en Uitvoer.

81 135 104 70 56

Madoera.

Invoer (rijst en kedele).

24 35 61 46 35

Buitengewesten.

Uitvoer.

323 294 291 189 109

Invoer (rijst).

52 56 54 53 30

E e n meer gedetailleerd overzicht van do waardedaling der bevolkingsexpor producten wordt in tabel V I gegeven.

LANDBOUW 65 48,4 millioen gulden voor een zeer belangrijk deel op rekening van de klapper-producten, hetgeen naast de prijsdaling ook toegeschreven moet worden aan het terugloopen van de uitvoerhoeveelheden. I n mindere m a t e geldt zulks ook voor cassave- en aardnotenproducten. Bij de overige producten is prijsdaling verreweg de grootste, veelal zelfs de eenige factor.

Voor de Buitengewesten k o m t de daling der exportwaarde m e t 182,1 millioen gulden voor het overgroote deel op rekening van rubber, koffie, klapperproducten en peper; van deze vier producten t e z a m e n verminderde de uitvoerwaarde m e t niet minder dan 170,7 millioen gulden. Met uitzondering van peper zijn m al deze gevallen de naar het buitenland verscheepte hoeveelheden Inlandsen product veel minder dan in 1929.

I n het bovenstaande werd de inwerking van de prijsdaling op den Jiuropee-sehen en I n l a n d s c h e n exportlandbouw beschreven. De lage prijzen hadden op den Inlandschen voedsellandbouw slechts weinig invloed. De kern van het boeren-bedrijf op J a v a , de teelt van rijst, mais en cassave, is geheel onaangetast ge-bleven. Van extensiveering der werkzaamheden was nog geen sprake ; gelduitgaven werden zooveel mogelijk beperkt door meer gezinsarbeid, betaling m n a t u r a en sterke opleving van het wederzijdsch hulpbetoon. Slechts daar, waar gelduitgaven niet t e vermijden zijn, laat zich de invloed der prijsdaling waarnemen, zoo b.v.

in het afnemend kunstmestgebruik.

I n de Buitengewesten kon een soortgelijk verschijnsel worden waargenomen;

do kern van het bedrijf, de voedsellandbouw, in de jaren van goede

producten-DE ECONOMISCHE TOESTAND.

prijzen eenigszins verwaarloosd, werd allerwegen versterkt. Door uitbreiding van de sawah- en ladang-arealen en van den aanplant van tweede gewassen t r a c h t t e de bevolking zich zoo snel mogelijk aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen.

De uitbreiding van den aanplant van voedingsgewassen en het bevredigend verloop der oogsten hebben, plaatselijke uitzonderingen daargelaten, in geheel Indië een gunstigen voedseltoestand geschapen. Daarentegen is, als gevolg van de bezuinigingen van het Westersch landbouwbedrijf en de prijsdaling der be-volkingsexportproducten, eene groote geldschaarschte in de desa ontstaan, welke nog verscherpt werd door de voorzichtige uitleenpolitiek, die in tijden als deze door de volksbanken en andere credietgevers wel moest worden gevolgd. Deze geldschaarschte voerde tot verdere deflatie, tot toenemende productie voor eigen behoefte, tot toeneming van den ruilhandel, van betaling in n a t u r a en van weder-zijdsch hulpbetoon. Anderzijds leidde zij tot het zoeken naar bijverdiensten, waar-door huisvlijt, kleinhandel en warongbedrijf eene uitbreiding vertoonden.

De prijsdaling beperkte zich uiteraard niet tot de prijzen der p r o d u c t e n ; zij drukte ook den loonstandaard en de grondhuren tot lager peil. I n den Inlandschen landbouw waren op het eind van 1931, vergeleken m e t de jaren van vóór de crisis, de arbeidsloonen globaal genomen m e t 40 % , de grondhuren m e t 40—50 % ge-daald. De animo tot inhuur van grond was zeer gering; voor deelbouw bleek daarentegen veel belangstelling te b e s t a a n ; de voorwaarden voor dezen laatsten bedrijfsvorm bleven over het algemeen ongewijzigd.

Kon dus geconstateerd worden, dat de inheemsche maatschappij bezig was zich op een lager peil van prijzen en inkomsten in te stellen, de vermindering dei-inkomsten voltrok zich sneller dan de daling van den levensstandaard, zoodat eene algemeene versobering intrad, welke nog bevorderd werd door den druk van belastingen en schulden.

I n de Buitengewesten schijnt de versobering sterker t e zijn dan op J a v a . Vooral in de Westerafdeeling van Borneo was de toestand minder gunstig ten-gevolge van de sterke depreciatie harer uitvoer-producten (rubber en copra), terwijl steeds een belangrijke rijstinvoer plaats had. W a t J a v a betreft, werden in de noordvlakte van W e s t - J a v a (oogstmislukkingen), in Kediri (sluiting van onder-nemingen en prijsdaling van handelsgewassen) en in Loemadjang (oogstmisluk-kingen) economische moeilijkheden ondervonden.

In document I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER (pagina 66-70)