Overheidszorg voor den veestapel

In document I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER (pagina 100-104)

i. De Gouvernements landbouwondernemingen

2. Overheidszorg voor den veestapel

Wijzigingen in de standplaatsen en ambtskringen van de gouvernements vee-artsen zijn opgenomen in B b . nos 12489 (res. Tapanoeli), 12498 (res. M a n a d o ) , 1^513 (gouv. Celebes en Onderhoorigheden) en 12615 (res. Djambi) _

De werkzaamheden tot verbetering van den paardenstapel en ter bevordering van de paardenfokkerij werden uit bezuinigingsoverwegingen beperkt en m die streken, waar de bevolking nog belangstelling in de paardenfokkerij toont, m hoofdzaak gericht op het bestendigen van reeds behaalde resultaten.

Op het eiland Soemba werd m e t het uitgeven van zoogenaamde huurkoop-Sandelhouthengsten opgehouden.

I n Oost-Java is het n u t van het stationneeren van dekhengsten problematisch gebleken, aangezien de afstammelingen veel te vroeg voor zware diensten gebruikt en daardoor in h u n groei belemmerd worden. Verstrekking van dekhengsten zal daarom in de toekomst niet meer plaats hebben, ook m e t ter vervanging van gestorven hengsten, zoodat het systeem van het stationneeren van dekhengsten langzamerhand zal worden geliquideerd.

I n W e s t - J a v a werden, tengevolge van de steeds minder wordende belang-stelling in de paardenfokkerij (het aantal gedekte merries daalde m den ambts-kring Bandoeng van 2623 in 1924 tot 1269 in 1931), enkele hengstenstations gesloten en verschillende hengsten verkocht; slechts één hengst werd aangekocht.

H e t aantal dekhengsten bedroeg einde 1931 56.

Op het gouvernements fokstation te P a d a n g m a n g a t a s ( S u m a t r a ) werd om bezuinigingsredenen eene strenge selectie van het fokmateriaal gehouden; v a n de verschillende fokkerijen werd slechts een voldoende kern aangehouden om het fokbedrijf te k u n n e n voortzetten. De overige dieren werden verkocht.

Ter S u m a t r a ' s W e s t k u s t werd, evenals in andere streken, welke vroeger als fokgebieden bii uitnemendheid beschouwd konden worden, een verdere achteruit-gang van de fokkerij van gebruikspaarden waargenomen. Ten behoeve van de talrijke goed georganiseerde races, welke in dat gewest echte, volksfeesten zijn, viel i n ' l 9 3 1 eene opleving van de fokkerij van luxe paarden (race-paarden) te eonstateeren, waartoe de stationneering van 3 Sandel-Arabische hengsten enkele jaren geleden vermoedelijk hebben bijgedragen.

VEETEELT. 97 I n de ambtskringen Baiige (Tapanoeli) en Koetaradja (Atjeh) werden de be-moeienissen van den Burgerlijken Veeartsenijkundigen Dienst m e t de

paarden-fokkerij gestaakt. , Voor de verbetering van den runderstapel werden m 1931 van

gouvernements-we°e 453 Ongole-stieren op J a v a en 39 Ongole-stieren en 14 Hissar-stieren op S u m a t r a deels à contant, deels op afbetaling, aan de bevolking geleverd. Boven-dien werden nog 93 Ongole-vaarzen verstrekt. De door h e t Gouvernement be-doneen prijzen voor Ongole- en Hissar-stieren zijn t h a n s op J a v a f 75 a contant en f 150 op afbetaling en op S u m a t r a respectievelijk f 100 en f 175; vaarzen 1ste klasse kosten op J a v a f 75, vaarzen 2de klasse f 50, terwijl deze prijzen op S u m a t r a respectievelijk f 100 en f 75 zijn.

H e t proefstation voor kleinveeteelt t e Buitenzorg heelt m 1931 voor de ai-deeling varkensfokkerij 1 beer van het veredeld Duitsch landvarken en 1 beer van het groot Yorkshire-ras uit Nederland en 1 beer m e t 2 zeugen van het Bah-ras geïmporteerd. Aan particuliere varkensfokkerijen werden 10 fokvarkens van Europeesch ras verkocht. De afdeelmg geitenfokkerij van dat proefstation ontving uit Britsch-Indië 39 Etawah-bokken, 78 geiten en 16 lammeren. N a d a t deze dieren geacclimatiseerd waren, werden er 15 naar de doorgangsstallen t e Pengap rasan ( M i d d e n - J a v a ) , 15 naar den ambtskring Soembawabesar en 16 naar h e t fokstation t e P a d a n g m a n g a t a s ( S u m a t r a ) gezonden voor vorming van nieuwe

"O PE i n d e 1931 waren aanwezig te Buitenzorg 8 bokken, 25 geiten en 19 lamme-ren t e P e n g a r a s a n 4 bokken, 10 geiten en 7 lammelamme-ren, t e P a d a n g m a n g a t a s 6 bokken en 12 geiten en t e Soembawabesar 21 bokken, 88 geiten en 92 lammeren

Voor de verbetering van den geitenstapel werden aan de bevolking verstrekt uit Buitenzorg 22 Etawah-bokken, P e n g a r a s a n 4 Etawah-bokken en Padang-m a n g a t a s 2 Etawah-bokken en 5 geiten.

Op het proefstation voor pluimveeteelt t e Buitenzorg werden proeven betref-fende het samenstellen van opfok- en legmeel genomen. De bedoeling hiervan was om een goedkoop voedsel t e vinden, dat, uit inheemsche producten samen-gesteld dezelfde resultaten t e n aanzien van den goeden groei der kuikens, respec-tievelijk dezelfde productieresultaten, oplevert als de dure Europeesche voedseis.

Verder werden op dit station leg-contrôles en broedproeven ingesteld. Uit bet proefstation werden in de omgeving van Buitenzorg een aantal rashanen bij wijze van proef aan de bevolking verstrekt; het resultaat was bedroevend, aangezien de dieren binnen enkele m a a n d e n aan pseudo-vogelpest en ingewandswormen stierven.

I n het vorig Verslag werd uiteengezet, hoe het Veeartsenijkundig Instituut zich geleidelijk heeft ontwikkeld tot eene inrichting, welke eene onmisbare instantie vormt, in de organisatie tot wering en bestrijding van de besmettelijke veeziekten in Nederlandsch-Indië. Zoowel het ziektekundig onderzoek als het be-reiden van immunisatorische producten en diagnostica vormen fundamenten, waarop de instandhouding van een gezonden veestapel is gebaseerd.

De tropen stellen in dit opzicht speciale eischen, zoowel door aard en ver-breiding der tropische dierziekten, als door de bijzondere verhoudingen van land en volk en het is daarom, dat Indië het bij het tegenwoordige ontwikkelingspeil der diergeneeskundige bemoeienissen niet zou k u n n e n stellen buiten een goed uit-gerust laboratorium. I m m e r s , de bestudeering van vele tropenziekten kan uit den aard der zaak slechts in het land zelf geschieden en daarnaast is ook de plaatselijke a a n m a a k van antisera en vaccins geboden,, eensdeels om tmancieele redenen anderdeels uit hoofde van de vereischte garantie op specificiteit en werkzaamheid dier producten. Daarbij k o m t nog, dat bij optredende epizootien, geliik b v tegen het einde van 1930 en het begin van 1931 zijn voorgekomen ten a a n z i e n ' v a n miltvuur in de ressorten Tapanoeli, Zuid-Celebes en elders de entstof-productie oogenblikkelijk moet worden k u n n e n opgevoerd en ook zulks is alleen

mogelijk, indien m e n onafhankelijk is van import, _ D a t het Veeartsenijkundig I n s t i t u u t in het afgeloopen werkjaar zijn taak m

dezen niet geheel heeft kunnen volvoeren gelijk wenschelijk was, m dien zin dat meermalen niet ten volle aan de aanvragen om antiserum kon worden voldaan,

98 DE ECONOMISCHE TOESTAND.

vond zijn oorzaak in de onvermijdelijke bezuiniging op werkfondsen, welke o. a.

moest worden gevonden in verkleining van het aantal serumdieren.

De ongunstige tijdsomstandigheden zijn daardoor m e d e aanleiding geweest, dat de serum-productie (2 947 850 c c . ) gebleven is onder de in het topjaar 1930 ver-zonden hoeveelheid van 3 473 050 c c , d o c h gelukkigerwijze vertoonde de_ afge-leverde quantiteit vaccin van 1462 608 c c eene niet onaanzienlijke stijging in vergelijking m e t die van 1930 (867 070 c c ) . Naast ( andere factoren is in dit laatste een gevolg t e zien van het weloverwogen streven, om ter gedeeltelijke vervanging van het duurdere antiserum zooveel mogelijk het gebruik van het in het algemeen goedkoopere vaccin aan te moedigen, o. a. door uitgebreider toe-passing van de prophylactische vaccinatie (miltvuur, haemorrhagische septichae-mie van den buffel) gedurende de ziektevrije perioden.

La verband met' de reeds sedert eind 1930 in verschillende streken van den Archipel opgetreden miltvuur-epizoötiën k e n m e r k t e het begin van 1931 zich door sterk verhoogde activiteit t e n aanzien der productie van serum en vaccin tegen miltvuur. Dank zij de op groote schaal toegepaste immunisatie ( ± 83 000 dieren alleen in Zuid-Celebes) is de genoemde ziekte in de b e s m e t t e gebieden niet alleen tot staan gebracht, doch kon tevens eene verdere uitbreiding naar onbesmette streken worden voorkomen.

H e t reeds aangeduid streven om in geregeld b e s m e t t e gebieden den veestapel gedurende het ziekte vrije seizoen voorbehoedend t e immuniseer en, was o. a. aan-leiding om in de ressorten N o o r d - B a n t a m , Buitenzorg en M a k a s s a r - W a t a m p o n e

± 93 000 buffels prophylactisch tegen de haemorrhagische septichaemie en in de ressorten Jogjakarta, Soerakarta en Madioen ± 48 000 runderen tegen het bout-vuur te vaccineeren. Sedert de organisatie van de jaarlijksche boutbout-vuurimmuni- boutvuurimmuni-satie in 1923, is de vóórdien veel voorkomende ziekte in de b e s m e t t e streken tot de zeldzaamheden gaan behooren. I n dit verband zij verder vermeld, dat bijna 30 000 doses entstof werden verstrekt voor de immunisatie van den pluimvee-stapel tegen vogelpokken en diphtérie.

H e t voortgezet onderzoek van h e t vraagstuk der z,g. anaëroben-infecties, dat zoowel zijn belang heeft voor de dierlijke als voor de menschelijke pathologie, leverde r e s u l t a t e n op, welke het inzicht in deze belangrijke groep van ziekten bereids aanzienlijk konden verhelderen.

E e n e voor Indië nieuwe infectieziekte van schaap en geit, d e z . g . peristomatitis contagiosa crustosa, kon worden uitgewerkt t o t aan de bereiding van een effectief vaccin.

H e t serologisch onderzoek (malleus, abortus, anthrax, gerechterlijk onderzoek op bloedvlekken) werd bij 4575 ingezonden materialen verricht.

Voortgewerkt werd aan het uit een oeconomisch oogpunt voor Indië zoo belangrijke vraagstuk der immunisatie tegen malleus, alsmede aan een tot n u toe in wezen onbekende infectieuze huidknobbelziekte van den buffel.

H e t in 1922 aangevangen systematisch onderzoek naar het vraagstuk der surra werd voortgezet. Na de uit een oogpunt van voorkoming en bestrijding dezer dreigende bloedziekte belangrijke resultaten op prophylactisch, therapeutisch en biologisch gebied, welke reeds konden worden bereikt, wordt t h a n s getracht een inzicht t e verkrijgen in de biochemische zijde van het vraagstuk. Voor de Patho-genese der trypanosomiasis (ook van den mensch) zijn deze onderzoekingen van groote beteekenis. Gelijk zulks m e t meer veterinaire problemen het geval is, is ook h e t surra-onderzoek een goed voorbeeld van het algemeen medisch belang, dat m e t eene dergelijke studie kan worden gediend.

H e t onderzoek naar de in Nederlandsch-Indië voorkomende teken-soorten — de overbrengers van bloedparasitaire ziekten als piroplasmosis en anaplasmosis •—

werd beëindigd en heeft veel bijgedragen tot een beter inzicht in wezen en over-brenging van deze ziekten.

Volledige medewerking werd door het Veeartsenijkundig I n s t i t u u t verleend bij de bestudeering van het lyperosia-vraagstuk t e n dienste van de Australische ..Council for scientific and industrial r e s e a r c h " , welk lichaam tot dat doel twee entomologen naar Indië had uitgezonden om als gasten aan h e t I n s t i t u u t werk-z a a m te werk-zijn.

VEETEELT. 99 De bemoeienissen met. de ziekteproblemen van den Indischen pluimveestapel hebben wederom bewezen, hoe noodig het is geweest, dat het Gouvernement zieh de belangen van dat groeiende bevolkmgsbezit heeft aangetrokken door het^ op gemakkelijke wijze verstrekken van voorlichting en hulp op ziektekundig gebied.

H e t onderzoek naar de meest aangewezen e n t m e t h o d e tegen vogelpokken kon in 1931 worden afgesloten. Voortdurend werd voortgewerkt aan het probleem der immunisatie tegen de gevreesde pseudo-vogelpest; enkele tegen laatstgenoemde ziekte aanbevolen middelen werden op h u n waarde onderzocht. E e n e nieuwe aan-bevolen behandelingsmethode tegen de coccidiosis van de kip werd uitgewerkt.

Kortom op velerlei wijze werd er toe bijgedragen om de fokkerij van het juist m deze tijden van zooveel belang zijnd n u t h o e n op doelmatige wijze t e ondersteunen.

100 DE ECONOMISCHE TOBSTAND.

In document I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER (pagina 100-104)