Verschillende gewassen, afzonderlijk beschouwd

In document I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER (pagina 70-85)

i. De Chineesche beweging

2. Verschillende gewassen, afzonderlijk beschouwd

a. Granen.

Java en Madoera.

Sawahpadi. De geoogste geslaagde uitgestrektheid bedroeg in 1931 3 073 000 ha, d. i. 50 000 ha minder dan in 1930 en 104 000 ha meer dan gemiddeld in de jaren 1921 t / m 1930. Op eene oppervlakte van 194 000 ha mislukte de aanplant geheel, derhalve 83 000 ha meer dan in 1930. Dank zij een bijplant voor het oogstjaar 1931, die 30 000 ha grooter was dan het jaar tevoren, daalde de geoogste geslaagde uitgestrektheid niet zoo sterk als de mislukkingen zouden doen vermoeden. De belangrijkste mislukkingen k w a m e n voor in B a n t a m (21400 ha = 2 0 % ) , B a t a v i a (42 500 ha = 15 % ) , Bodjonegoro (42400 h a = 17 %) en Madoera

(7000 ha = 11 %). Ook Cheribon, Semarang en Soerabaja hadden o % of meer mislukking. De uitkomsten van den oogst waren dus het minst gunstig in de geheele reeks van minder goed bevloeide sawahgebieden langs de Noordkust van J a v a . I n de andere residenties waren de misoogsten van geringen omvang.

De productie van sawahpadi werd in 1931 voorloopig geschat op 62,2 millioen quintalen, d . i . 4,2 millioen quintalen minder dan in 1930 en evenveel als h e t tien-jarig gemiddelde 1921—1930. De gemiddelde opbrengst bedroeg 20,2 quintaal per geslaagde h e c t a r e ; per geplante hectare werd 19,2 quintaal verkregen, tegen 19,8 quintalen gemiddeld in de jaren 1921—1930.

De geringere productie is geheel veroorzaakt door de teleurstellende resultaten van den oogst in W e s t - J a v a , zooals uit tabel V I I blijkt.

LANDBOUW. 67

T A B E L V I I .

Opbrengst in millioenen quintalen (1) en in quintalen per geslaagde hectare ( 2 ) . ziekten en plagen zeer tegen. I n het regentschap Serang werd m e t minder dan 30 % van den landrente-aanslag afgeschreven. Door watergebrek mislukten groote uitgestrektheden rijstaanplant in het regentschap Krawang, waar de landrente-afschriiving 22 % bedroeg. I n de residenties Buitenzorg en Priangan waren de oogsten goed. I n Cheribon leed het westmoessongewas door een ongunstig moes-sonverloop en ziekfce-aantastingen; de padi-gadoe leed veel schade door r a t t e n . I n Pekalongan, Banjoemas en Kedoe werd veel padi geoogst, als gevolg van een n a t t e n oostmoesson en de suikerrestrictie. I n S e m a r a n g - J a p a r a - B e m b a n g werd minder geoogst als gevolg van den door droogteperioden onderbroken westmoesson en eene geringere gadoe-beplanting. I n Madioen had op van regen afhankelijke sawahs eene verschuiving van den planttijd plaats m e t 1 m a a n d I n Moord-Soerabaja werd de aanplant aangetast door wortelrot. I n Kediri werd 10 % meer geoogst dan het jaar tevoren. Over het algemeen waren m Oost-Java de op-brengsten r u i m 5 % lager dan het gemiddelde over de laatste 10 jaren. I n Bodionegoro en Modjokerto werd vooral schade aangericht door wortelrot.

De padi- en rijstprijzen toonden eene bijna doorloopende daling en kwamen vooral kort na den oogst op zeer laag niveau. De prijs van eerste soort rijst daalde op de pasars v a n f 16,50 per 100 kg einde 1930 tot f 11,65 einde 1931 De prijs van padi-boeloe liep van f 6 terug t o t f 4,36, n a d a t m J u n i f 3 80 genoteerd was.

De groothandelsprijs van rijst te B a t a v i a daalde tot beneden f 8 per 100 kg. I n verhouding tot de December-maand van de jaren 1922 t / m 1929 daalde de padi-prijs tot 49 o/ de rijstpadi-prijs tot 58 % van het normaal bedrag.

De minder goede oogst had een belangrijken rijstimport t e n gevolge. H e t n e t t o -riistinvoerexcedent bedroeg 252 000 ton, waarvoor een bedrag van f 22 5 mi hoen besteed werd (in 1929 werd voor 47 millioen gulden, in 1930 voor 32 milhoen gulden a a n g e k o c h t ) .

Padi-qoqo I n 1931 slaagde de aanplant van 440 000 ha padi-gogo, d. i.

43 000 ha meer (10,5 %) dan gemiddeld in de jaren 1 9 2 1 - 1 9 3 0 . De mislukkingen, hoewel t e n opzichte van vroeger jaren groot (9600 ha, tegen gemiddeld 1800 h a ) , hadden weinig invloed op de totale opbrengst. De productie bedroeg naar schatting 5,6 millioen quintalen droge padi, overeenkomende m e t 12,8 q / h a , tegen ge-middeld 11,8 q / h a . . . , • „ , , „ ,

I n Noorcl-Serang waren de gogo-opbrengsten zeer slecht, m Z u i d - B a n t a m echter goed Ook in Batavia-Buitenzorg en Krawang waren de gogo-oogsten minder goed I n Priangan en Midden-Java waren de opbrengsten hooger dan normaal. I n Oost-Java bedroeg de geoogste uitgestrektheid 25 % meer dan ge-middeld over de laatste 10 jaren, bij eene opbrengst van 15,7 q / h a , doch minder dan in 1930.

Mais I n 1931 werd eene oppervlakte van 1 9 3 4 0 0 0 ha geoogst, waarvan 1436 000 ha van droge gronden en 498 000 ha van, sawahs. Die oppervlakte is

68 DE ECONOMISCHE TOESTAND.

67 000 ha minder dan in 1930, doch 182 000 ha meer dan gemiddeld in de jaren 1921—1930.

E r mislukte in 1931, m e t inbegrip van de als veevoer gesneden velden, slechts 25000 ha of 1,3 % .

De productie wordt voorloopig geraamd op 10 q / h a , dus op totaal 19,34 millioen quintalen.

De prijzen van de mais liepen nog verder terug. De groothandelsprijs van gepelde gele mais t e Soerabaja daalde, n a d a t in 1929 het jaargemiddelde f 9,01 per 100 kg was, tot een gemiddelde van f 3,92 in 1931. De uitgevoerde hoeveel-heid was normaal (112 000 t o n ) .

Andere granen. Gierst werd minder verbouwd dan in 1930.

Buitengewesten.

Rijst H e t rijstinvoer-excedent der Buitengewesten als geheel beschouwd verminderde vrij belangrijk. Terwijl h e t in de jaren 1928 t / m 1930 steeds boven de 400 000 ton beliep, was het netto-excedent in 1931 slechts 336 400 ton.

Deze daling is toe t e schrijven aan vermindering van het aantal ondernemings-arbeiders, alsmede aan eene uitbreiding van het m e t rijst beplante areaal, zoowel op sawahs als op ladangs, terwijl in verschillende streken ook andere voedings-middelen (mais, cassave en andere knol vruchten, sago) in grooter m a t e werden verbruikt. . . .

I n tabel V I I I is voor elk gewest het rrjst-m- of uitvoerexcedent opgenomen, voorzoover dit uit het overzeetransport na t e gaan was.

T A B E L V I I I .

In- en uitvoer van gepelde rijst in duizendtallen tonnen ( + = uitvoer).

G e w e s t .

In- en uitvoer van gepelde rijst in duizend-tallen t o n n e n (-4- = uitvoer).

LANDBOUW 69 Sawahpadi. I n Atjeh en Onderhoorigheclen breidde het sawah-areaal zich u i t ; in het Zuiden door kolonisatie van ontslagen contractanten. De gunstige regen-verdeeling had tot gevolg, dat vrijwel overal in het gewest de oogst zeer goed slaagde Op de velden, waar ook tevoren proefsnitten werden gehouden, bedroeg de opbrengst 35 q / h a gabah, dat is 17 % meer dan in vroegere jaren. Ziekten en plagen kwamen alleen voor in de onderafdeelingen Serbodjadi en Smgkel.

Ook in Tapanoeli werd het sawah-areaal uitgebreid. De opbrengsten waren m het algemeen normaal, in Toba 40 q / h a . Door zwaren regenval veroorzaakten bandjirs in verschillende streken groote schade.

Ter Oostkust van Sumatra was de rijstoogst normaal. De uitbreiding van het sawah-areaal had weinig invloed op den rijstinvoer. Door vermindering der koelie-bevolking daalde de rijstinvoer m e t + 40 000 t o n ; doordat tevens de prijs sterk daalde, werd in 1931 voor f 12,5 millioen ingevoerd, tegen ruim 25 mülioen gulden

in de voorafgegane jaren. • H e t sawah-areaal in Djambi werd flink vergroot, zoodat de verhouding

tus-schen voedselverbouw en cultuur van handelsgewassen ten gunste van eerst-genoemde veranderde en de rijstinvoer opnieuw daalde.

Niettegenstaande in het begin de lebakstreken in Palembang goede oogsten beloofden en het voedselareaal sterk vergroot werd, werd in totaal m e t meer rijst geoogst dan in het jaar tevoren.

Door gunstige weersomstandigheden kon ter Sumatra's Westkust van een normaal rijstjaar gesproken worden. W a a r mogelijk, werden sawahs aangelegd ot oude verlaten sawahs opnieuw in cultuur genomen.

De oogst had in Benkoelen een normaal verloop.

I n de W est eraf deeling van Borneo vertoonde de ontwikkeling van de sawah-rijst een vrij normaal beeld.

H e t beschot der westmoessonsawahs in de Zuider- en Oosterafdeelmg van Borneo was weinig bevredigend door gebrek aan water in den planttijd en door te grooten regenval tijdens den bloei en den oogst.

De rijstvelden hadden in Celebes en Onclerhoorigheden weinig te lijden van de droogte, zoodat, in tegenstelling m e t 1930, t h a n s vrijwel overal de oogst be-vredigend was en mislukkingen weinig voorkwamen. Ook in de Toradjalanden slaagde de oogst goed. De uitvoer uit de Bone-havens liep m e t + 4300 ton terug, hetgeen geweten wordt aan den invoer van J a p a n s c h e rijst in het begin van het jaar, alsmede aan de sterke prijsdaling, waardoor de landbouwers weinig animo tot verkoop toonden. De rijstprijzen kwamen van f 10 per 100 kg op 1 5 terug.

De oogst in Manado v/as n o r m a a l ; mislukkingen kwamen weinig voor De import van rijst verminderde, vooral in de havens buiten de eigenlijke Minahasa.

De oppervlakte sawahpadi beliep in 1931 op Bali ruim 84 000 ha (evenvee, als in 1930) en op Lombok ruim 58000 ha. Per hectare werd op B a h gemiddeld 43 op Lombok gemiddeld 37 quintalen oogstdroge padi geoogst. Op Zuid-B ah, dat door het groote sawahoppervlak een overwegenden invloed op de cijters heelt, was de opbrengst dit jaar ± 5 q / h a lager dan in voorafgegane jaren. De uitvoer (van W e s t - L o m b o k ) was dit jaar niet hooger dan in het jaar tevoren, toen de productie ± 7 q / h a lager uitviel.

Ladangrijst. Over het algemeen waren de opbrengsten van de ladangpadi in het oogstjaar 1930—1931 goed; groote uitgestrektheden waren daarmede beplant.

Slechts in Atjeh n a m de beteekenis van de rijstladangbouw af t e n behoeve van de sawahcultuur. I n de Westerafdeeling van Borneo was de door dierlijke plagen aangerichte schade vrij belangrijk.

I n den Oostmoesson werd alom aan den rijstladangbouw uitbreiding gegeven, vooral in Tapanoeli, S u m a t r a ' s W e s t k u s t en de rubbergewesten.

Mais I n -Vtjeh werd overal op kleine schaal mais geplant. I n Takengon vond de gele Manado-mais ingang. Op alle ladangs en djaloerans ter Oostkust yan S u m a t r a werd maïs als tusschengewas verbouwd, hetgeen eveneens m de Wester-afdeeling van Borneo plaats vond. Op Celebes was de beplante uitgestrektheid veel kleiner, hoofdzakelijk doordat het water in de meren zeer laat wegzakte. Ook

70 DE ECONOMISCHE TOESTAND.

op de sawahs werd veel minder mais dan tevoren aangeplant. De marktprijzen vertoonden eenige stijging, m a a r bleven op laag niveau.

b. Tweede gewassen en tuinbouwproducten.

Java en Madoera.

Cassave. I n 1931 werd cassave geoogst van 696 000 ha, d. i. 46 000.ha meer dan in 1930, doch 36 000 lia minder dan gemiddeld in de ]aren 1921—1930.

Aan het eind van het jaar stond 38 000 ha meer t e velde dan in de vooraf-gegane 10-jarige periode.

Als gevolg van de gunstige weersomstandigheden en van het langer doorgroeien van de aanplantingen was de productie aan cassaveknollen zeer groot. Volgens ruwe schatting zal de productie van 1931 15 % hooger zijn geweest dan m de jaren 1929 en 1930. Aan het eind van het jaar waren in alle groote productiecentra nog ruime voorraden cassaveproducten aanwezig, terwijl nog veel oogstbare aan-plantineen in den grond stonden. De prijs van het product daalde als gevolg van dezen overvloed nog aanmerkelijk. De gemiddelde pasarprijs van gaplek (gedroogde schijfjes wortel), welke over 1930 nog f 4,50 per 100 kg bedroeg, was m J a n u a r , 1931 reeds tot f 2,80 gedaald, doch beliep in December slechts f 1,55 per 100 kg.

De prijs van de knollen daalde tot gemiddeld f 0,90 per 100 kg. I n afgelegen streken m e t een productie-surplus was het product onverkoopbaar.

De uitvoer van cassaveproducten in 1931 bedroeg 192 000 ton, d. i. ruim 60 000 ton meer dan het jaar tevoren, doch minder dan m voorafgegane jaren.

Bataten. Van deze knolvrucht werd in 1931 eene oppervlakte van 142 000 ha geoogst, waarvan 83 000 ha van droge gronden afkomstig. Volgens raming bedroeg de productie + 950 000 ton ( 6 7 q / h a ) . . .

De gemiddelde pasarprijs der eerste kwaliteit daalde van f 2 per q u m t a a l m J a n u a r i tot f 1 in December, terwijl gemiddeld in 1930 deze prijs nog t 2,80 bedroeg.

Aardappelen. Zooals reeds verscheidene jaren het geval is, had dit gewas in ernstige m a t e t e lijden door ziekten en plagen. Hierdoor werd plaatselijk, o. a. m L e m b a n g (nabij Bandoeng) de cultuur sterk ingekrompen. I n totaal werd 17 700 ha aardappelen geoogst, hetgeen iets meer is dan m 1930, doch nog belang-rijk beneden het niveau der jaren 1926—1929 ligt.

Andere hnolgeivassen. Verschillende andere knolgewassen werden in 1931 ge-oogst van 95 000 ha, grootendeels van droge gronden.

Aardnoot. Van dit gewas werd in 1931 eene veel kleinere uitgestrektheid (192 000 ha) geoogst dan in een reeks voorafgegane jaren, hetgeen m verband stond m e t de lage prijzen voor oliehoudende producten m de zaaiperiode^ Van April t / m September was de bijplant van aardnoot op sawah 18 000 ha (24 % ) kleiner dan gemiddeld in de drie voorafgegane jaren. Ook de aardnootcultuur op droge gronden werd belangrijk ingekrompen. De productie van gepelde aardnoten werd voor 1931 geraamd op 141 000 ton, d. i. 14 % minder dan m 1930 en i % minder dan in de voorafgegane 10-jarige periode.

I n n a u w verband hiermede staat, dat de uitvoer van arachides en aardnoot-producten in 1931 laag was. H e t export-excedent van aardnoten beliep 10 795 ton, tegen 13 230 ton in 1930 en 17 599 ton in 1929. V a n aardnotenohe werd in 1931 2178 ton uitgevoerd.

De «^middelde pasarprijs voor prima gepelde aardnoten daalde van t 10 per quintaal aan het begin van het jaar tot f 11,30 in December, de groothandelsprijs was in J a n u a r i nog f 14,25 per 100 kg, en bleef daarna schommelen tussclien f 12,50 en f 13,50, om op het laagste niveau te sluiten.

Kedelé De oogst liep niet zoo sterk terug als die van aardnoot en bleef m e t 194 000 ha alleen beneden de jaren 1928 en 1930 Dit is in hoofdzaak een gevolg teveel regen m de zaaiperiode (Mei) en niet van een laag prijsniveau. De van

LANDBOUW 71 oroothaiidolsprijs van import-kedele handhaafde zich vrijwel tusschen f 6,30 en f 6 , 8 0 per 100 kg cif Semarang. De pasarprijs bleef echter voortdurend dalen, waardoor deze het groothandelsniveau ging naderen.

De import van kedele bedroeg 98 000 t o n ; alleen m 1929 was deze hooger.

Vooral in Tjilatjap n a m de import toe. I n Soerabaja daarentegen daalde de invoer geleidelijk, hetgeen verband houdt m e t eene grootere productie van kedele in Oost-Java.

Andere peulvruchten. De geoogste uitgestrektheid van katjang toenggak, katiang idjoe, katjang bogor, kratok, kornak, katjang pandjang e. a was 223 000 na t r a t d i 8 1 % meer d a l gemiddeld in de jaren 1921 t / m 1930. V a n kratokzaad werd'bijna 5000 ton uitgevoerd. H e t meest gewild is de witte, m e t giftige variëteit, m e t J a p a n s e h e bestemming.

Overige tweede als volgt.

lewassen. De oogst van kleinere tweede gewassen

T A B E L I X .

Gewas.

Uien Lombok Groenten Indigo Katoen Djarak Widjen

Overige landbouwgewassen

Geoogste uitgestrektheid (in ha.) op s a w a h s .

7 400 18 400 2 200 700 4 900

3 200 1400 64400

droge gronden.

6 200 46 600 8 900 1300 1 8 0 0 6300 14000 254 500

De in 1931 geoogste uitgestrektheid uien was weder gelijk aan die m 1928 en 1929 Door den ruimen oogst daalden de prijzen in sterke m a t e .

V a n lombok werd eene voor de laatste jaren normale uitgestrektheid geoogst.

Ook hier k w a m sterke prijsdaling voor. •' De geoogste uitgestrektheid groenten bleef constant op het zeer lage peil dei

beide voorafgegane jaren, hoewel de weersomstandigheden voor het m den grond brengen van verschillende groentensoorten niet ongunstig waren.

~ D°e m<%o-cultuur schijnt hare verdwijning nabij te zijn. De geoogste mtgestrekt-heid was in 1931 nog niet het derde gedeelte van het gemiddelde der jaren 1921/

I n verband m e t den vochtiger, Oostmoesson werd de fcatoencultuur sterk in-gekrompen. I n vergelijking m e t het droge jaar 1929 was er een achteruitgang van 9900 tot 6700 ha. Groote invloed van de pogingen tot stimuleering van de weel-nijverheid kon op de katoencultuur buiten het D e m a k - c e n t r u m nog m e t geconsta-teerd worden. De prijs was in Demak iets beter dan m 1930, voor „bollen t o te°'6n f 4

Ook de cultuur van djoroJc werd in 1931 sterk ingekrompen.

De und/en-oultuur, hoewel minder uitgebreid dan m de jaren 1929 en 1930, bleef ongeveer 50 % boven het gemiddelde der jaren 1921—193U.

De overige landbouwgewassen, zooals terong, komkommer, meloen water-meloen, sponsvrucht, enz., werden uitsluitend in kleme uitgestrektheden aan-geplant,

72 DE ECONOMISCHE TOESTAND.

Ooft. De pompelmoesoogst in de ommelanden van Batavia was goed; ook de ïamboetan-oogst; die van doekoe en salak was echter slecht. De doeren-bloei was goed; door zware regens mislukte deze echter, zoodat de oogst slecht uitviel.

Djeroek-siëm, djeroek-djepoen en djeroek-manis hadden een normalen oogst terwijl de mangga een goeden oogst m a a k t e . H e t fruitvervoer per trem bleet belangrijk bij vorige jaren a c h t e r ; het bedroeg slechts 15 000 ton, tegen 23 000 ton in 1930 en 20 000 ton in 1929. H e t vervoer per autobus n a m echter toe.

Bloemen en groenten. I n W e s t - J a v a komen een viertal centra voor van bloemen- en groentencultuur, nl. Batavia, Patjet, Tjisaroea en Selabmtanah.

De groententeelt om de stad B a t a v i a voorziet deze plaats voornamelijk van bladgroenten, welke in het laagland verbouwd worden. Verder ontwikkelde zich hier een op Indische leest geschoeid bloemisterij-bedrijf (sierheesters).

I n Oost-Java n a m de groentencultuur in 1931 toe. Toch bedroeg de uit-gestrektheid nog slechts ongeveer de helft van het gemiddelde der laatste 10 jaren.

Buitengewesten.

I n deze gewesten n a m de belangstelling voor allerlei eenjarige landbouw-gewassen n a a s t de granen, onder den drang der ongunstige omstandigheden voor de groote exportcultures, gedurende 1931 nog toe. ;

Alleen van Bali en Lombok bestaat eene landbouwstatistiek. De belangrijkste resultaten — voor Bali tevens vergeleken m e t 1930 — volgen hieronder.

T A B E L X.

De cultuur van knolgewassen werd sterk uitgebreid. De cassavecultuur was het belangrijkst op droge gronden. De b a t a t e n c u l t u u r kwam op Bali op sawahs en droge gronden gelijkelijk voor en v/as op Lombok vooral sawahcultuur. Met uitzondering van de oendis (Cajanus), werden de peulvruchten belangrijk inge-krompen. Tabak is de eenige sawahcultuur welke in 1931 op B a h vooruitging, gestimuleerd door vrij hooge prijzen in de eerste helft van het jaar. De uien-cultuur onderging eene buitengewoon sterke vermindering. Bij de lombokuien-cultuur was de achteruitgang niet zoo groot en tot aanplant op sawahs beperkt.

LANDBOUW 73

I n Uriah en Onderhoorigheden kweekte de bevolking in grootere m a t e cassave, b a t a t e n aardnoot en roode uien. Tabak werd hier zoowel op sawahs als op

dangs verbouwd. Door te lang aanhoudende regens waren de omstandigheden voor polowidjo-oultuur niet gunstig. De onderafdeeling Takengon ontwikkelde zich verde? tot een belangrijk centrum van aardappelcultuur. De prijzen schommelden sterk; in den oogsttijd f 4 per quintaal bedroegen * % ^ ^ * * J % ï J $ A ^ areaal van nieuwe suikerrietvaneteiten ( E . K . 28 en P . O . J . 2878) werd_ geleidelijk uitgebreid; door de gedaalde suikerprijzen was de ammo voor deze cultuui ecntei De uiencultuur op Sainosir (Tapanoeli) breidde zich nog steeds uit. De droogte m October deed groote schade aan eene groote oppervlakte roode uien in de om-gevdng van Pangoeroean. De koolaanplant op de Toba-hoogvlakte n a m eveneens toe De aanplant van aardnoten in het onderdistrict Moeara verminderde door de lage p r i j z e nPD e overige tweede-gewassen, vooral b a t a t e n , dienden voor

plaatse-h' Ter°0SosTku8t'van S u m a t r a werden slechts in beperkte m a t e tweede gewassen verbouwd; alleen de aardnotencultuur in Simeloengoen werd op eenigszms ruime schaal gedreven. De prijzen waren uiterst laag (f 5 à f 6 per 100 k g ) . De aard-appelexport liep door optredende virusziekte sterk achteruit (m waarde van f 4 1 7 000 tot f 7 1 0 0 0 ) . Aardappelen werden uit Takengon en ook uit Nederland

m g ei n °ee n k e l e onderaf deelingen ter S u m a t r a ' s W e s t k u s t werd de cultuur van tweede gewassen sterk uitgebreid. De uitvoer van gekorven tabak (overzee) daalde

van 934 ton in 1930 tot 589 ton in 1931. . I n Djambi werden proeven genomen m e t de cultuur van suikerriet,

aard-a P PDenpr6oductTe van de eenjarige gewassen in P a l e m b a n g is in 1931 belangrijk toegenomen; vooral cassave werd veel aangeplant. De katoenexport bleef op p ei

I n de Wésterafdeeling van Borneo breidde de cassavecultuur zich buitengewoon sterk uit, vooral in streken m e t rijstimport. Als erf beplanting, m jonge tuinen van overjarige gewassen en verspreid tusschen de ladangrrjst, werden veel bataten, kladi en katjangsoorten aangetroffen.

I n de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo hadden gewassen als tabak en uien in toenemende m a t e de belangstelling van den landbouwer.

De waarde van den uitvoer van Celebes n a a r omliggende eilanden van Bone-tabak welke vroeger + f 100 000 beliep, is sterk gedaald door de concurrentie v i n goedkoope sigaretten. De oogst leed bovendien door veel regen en Phytoph-I h o r agz i e k t ePD e aardnootcultuur was vooral in W a t a m p o n e van belang. Na maïs n a m d T gewas hier de eerste plaats in. I n verband m e t de lage prijzen werd de aanplant Ingekrompen. I n de afdeeling Goa-Takalar werd d e . k ^ a n g - i d j o - c u l t u u r uitgebreid. De prijzen van dit product daalden sterk Plaatselijk breidde de widjen-cultuur zich uit, o. a. in de heuvellanden van de afdeeling Wadjo. _

Ook in Manado werd de cultuur van gewassen als cassave, oebi en pisang uit-gebreid.

Suiker.

De moeilijkheden, waarin de Javasuikerindustrie reeds m 1930 verkeerde n a m e n in den loop van 1931 een grooteren omvang aan. Niettemin zette h e t j a a vrij hoopvol in; de internationale besprekingen tusschen de voornaamste suikei-exporteerende landen, waarvan in het Verslag over 1930 gewag werd gemaakt, leidden in J a n u a r i t o t overeenstemming i n t,A / l n Q 1 + onn 8^1 V,n VÏPI De reeds in den grond staande aanplant 1930/1931, groot 200 831 ha viel buiten de overeenkomst en kon dus geheel worden af geoogst, een resultaat op-leverend van 2 772 443 ton kristalsuiker ( a a n p l a n t 1929/1930 besloeg 193 692 h a ; nopst 1930 belien 2 915 866 t o n ) . De eerste restrictie werd toegepast op aanplant 1931/1932, welke tot 166 456 ha werd ingekrompen, hetgeen eene vermindering van 171 % ten opzichte van den normaalaanplant b e t e e k e n t ; 6 fabrieken werden voor def campagne 1931/1932 gesloten.

74 DB ECONOMISCHE TOESTAND.

D P ongunstige gang van zaken heeft uiteraard grooten invloed uitgeoefend op de bedrijfsvoering. De veldwerkzaamheden werden belangrijk ingekrompen ; do dag- en taakloonen overal verlaagd. Tengevolge van een en ander verminderden de geldinkomsten van de bevolking in de suikerstreken. H e t algemeen loon-niveau daalde m e t 15—13 % , vergeleken m e t vroegere jaren. Voorts werd voor het vast personeel eene salariskorting van 10 % doorgevoerd, terwijl dit personeel door ontslag en afvloeiing zooveel mogelijk werd ingekrompen.

De suikerproefstations te Pasoeroean, Cheribon en Klaten zetten h u n n e werk-zaamheden voort; in verband m e t de ongunstige suikersituatie werden verschil-lende bezuinigingen, o. a. op personeel, doorgevoerd. T i o a i

De bevolkinqsrietcultuur had eveneens m e t moeilijkheden t e k a m p e n , i n ïwöi waren de prijzen 15 à 20 % lager dan in 1930. De aanplant onderging eene voort-durende vermindering; oogst 1931 besloeg 11800 ha, tegen 13 600 ha m 1930 en 15 400 ha in 1929, terwijl de aanplant 1931 niet meer bedroeg dan 11100 ha.

De geldkosten werden zooveel mogelijk beperkt, hetgeen tot uitbreiding van gezinsarbeid en verminderd kunstmestgebruik voerde.

d. Tabak.

De tabaksmarkfc had zich tot medio 1931 vrijwel aan de malaise weten te

De tabaksmarkfc had zich tot medio 1931 vrijwel aan de malaise weten te

In document I. TEKST VAN HET VERSLAG VAN BESTUUR EN STAAT VAN NEDERLANDSCH-INDIË OVER (pagina 70-85)