Wft Consumptief krediet. Begeleidingsdag 1 - antwoorden en uitwerkingen

Hele tekst

(1)

Wft Consumptief krediet

Begeleidingsdag 1 - antwoorden en uitwerkingen

(2)

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Antwoorden en uitwerkingen 3

1.1 Entreetoets 3

1.2 Casus Ralph en Mariëlle 10

1.2.1 De Markt 11

1.2.2 Wet- en regelgeving 12

1.2.3 Proces kredietverstrekking 14

1.2.4 Producten en advies 23

1.2.5 Risico’s 25

Hoofdstuk 2 Bijlage ‘Leennormen per 1 juli 2017’ 29

(3)

Hoofdstuk 1 Antwoorden en uitwerkingen

1.1 Entreetoets

Vraag 1

Tom wil een krediet aanvragen. De kredietverstrekker hanteert de VFN gedragscode.

Welke post is van invloed op zijn afloscapaciteit?

A. De alimentatie voor zijn ex-partner.

B. De kinderbijslag.

C. De reiskostenvergoeding die hij maandelijks ontvangt.

Antwoord vraag 1

Het juiste antwoord is: De alimentatie voor zijn ex-partner. (A)

Bij het berekenen van de afloscapaciteit wordt onder andere de alimentatie die Tom aan zijn ex-partner betaalt in mindering gebracht op zijn netto inkomen. Kinderbijslag is bedoeld voor uitgaven aan de kinderen en de reiskostenvergoeding wordt gebruikt om zijn reiskosten te betalen. Ze kunnen dus volgens de opstellers van de gedragscode niet worden gebruikt ter aflossing van het krediet. Dit is de reden dat in de Gedragscode staat opgenomen dat deze posten niet mee mogen worden genomen.

Toetsterm 1a.1

Vraag 2

Noud Blok heeft onlangs een rekening-courant kredietovereenkomst met zijn eigen bv afgesloten en meteen een bedrag opgenomen van €49.000. Met dit bedrag wil hij een leuke cabrio kopen voor zijn vriendin. Er wordt door de bv een zakelijke rente in rekening gebracht aan Noud.

Wat is juist in deze?

A. Noud is wettelijk verplicht om de lening van zijn bv binnen vijf jaar terug te betalen.

B. Doordat er een overeenkomst van geldlening aan ten grondslag ligt, zal de lening moeten worden aangemeld bij het BKR.

C. Deze lening valt niet onder de gedragscode van de VFN.

In de Gedragscode Consumptief krediet van zowel de NVB als de VFN is zo exact mogelijk weergegeven hoe je moet berekenen wat de leencapaciteit is van de klant. Deze regels moet je uit je hoofd kennen. Op het examen kan hier naar worden gevraagd in de kennis- en begripsvragen. Tevens heb je deze kennis nodig om de vaardigheden- en competentievragen te kunnen beantwoorden. Wanneer bijvoorbeeld wordt gevraagd om te berekenen hoeveel een klant kan lenen, baseer je het antwoord op de kennis die je hebt over de Gedragscode. Dit is dan ook de reden dat wij ervoor hebben gekozen de complete Gedragscode te plaatsen in ons lesmateriaal.

(4)

Antwoord vraag 2

Het juiste antwoord is: deze lening valt niet onder de gedragscode van de VFN. (C)

Noud is met zijn bv een lening aangegaan en heeft hier vervolgens persoonlijk geld van opgenomen. Hij moet hiervoor een zakelijke rente betalen aan zijn bv. Dit betekent eigenlijk dat Noud een lening heeft bij zijn bv. Er zijn geen wettelijke regels die toezien op de termijn waarbinnen wordt terugbetaald. Omdat de bv geen aangesloten partij is bij het BKR hoeft de lening niet te worden geregistreerd. Omdat de bv ook niet is aangesloten bij de VFN, is de Gedragscode niet van toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat niet hoeft te worden berekend wat de leencapaciteit is van Noud.

Toetsterm 1a.1

Vraag 3

Welke bepaling in de kredietovereenkomst is nietig?

A. De bepaling in de kredietovereenkomst waarbij verplicht een overlijdensrisicoverzekering moet worden afgesloten.

B. De bepaling in de kredietovereenkomst waarbij de kredietgever eenzijdig de overeenkomst kan beëindigen na een betalingsachterstand.

C. De bepaling in de kredietovereenkomst waarin de kredietgever eist dat de kredietnemer een deel van zijn salaris overdraagt.

Antwoord vraag 3

Het juiste antwoord is: de bepaling in de kredietovereenkomst waarin de kredietgever eist dat de kredietnemer een deel van zijn salaris overdraagt. (C)

In het Burgerlijk Wetboek is opgenomen dat bij het aangaan van de overeenkomst niet mag worden opgenomen dat een deel van het salaris moet worden overgedragen. Hierdoor wordt de kredietnemer beschermd. Naast deze bepaling zijn ook andere bepalingen nietig. Zoals wanneer verplicht een overlijdensrisicoverzekering (ORV) moet worden afgesloten bij de kredietverstrekker. Een ORV mag wel verplicht worden gesteld, maar de kredietnemer moet dan vrij zijn om te bepalen waar hij deze afsluit. Eenzijdig opzeggen van de overeenkomst is alleen in bepaalde gevallen toegestaan.

Toetsterm 1f.1

In verschillende wetten is opgenomen hoe een consumptief krediet advies er uit moet zien en waar een adviseur allemaal rekening mee moet houden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de Wft, Bgfo, Burgerlijk Wetboek boek 7 en de Europese Richtlijn consumentenkrediet. Deze wetgeving wordt aangevuld door de Gedragscodes waar de branchepartijen zichzelf aan hebben gecommitteerd. Dit maakt het overzicht houden soms uitdagend. Het is echter wel belangrijk dat je weet wat de regels zijn en waar dit is vastgelegd. Hierover krijg je regelmatig vragen op het examen.

(5)

Vraag 4

Maud voert een BKR-toets uit voor haar klant Isabelle. Hieruit komt een A4 codering naar voren. Wat houdt deze codering in?

A. Dat Isabelle een achterstand op een krediet had, maar dat een betalingsregeling is getroffen.

B. Dat Isabelle als onbereikbaar staat geregistreerd bij een kredietverstrekker waar Isabelle een achterstand heeft.

C. Dat Isabelle ooit een achterstand op een krediet had, maar dit heeft ingelopen.

Antwoord vraag 4

Het juiste antwoord is: dat Isabelle als onbereikbaar staat geregistreerd bij een kredietverstrekker waar Isabelle een achterstand heeft. (B)

De letter A in de BKR-toets geeft aan dat er sprake is van een achterstand. De 4 geeft aan dat de klant onbereikbaar is voor de betreffende kredietverstrekker.

Toetsterm 1b.3

Vraag 5

Brechtje heeft een consumptief krediet afgesloten. Daarbij heeft ze een kredietbeschermer met een dekking voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid afgesloten. Het verzekerd bedrag is gelijk aan de maandtermijn. Brechtje raakt werkloos door een reorganisatie. Hoe hoog is de uitkering uit de kredietbeschermer?

A. 30% van de maandtermijn.

B. 70% van de maandtermijn.

C. 100% van de maandtermijn.

Antwoord vraag 5

Het juiste antwoord is: 100% van de maandtermijn. (C)

De WW-uitkering van Brechtje bedraagt vanaf de derde werkloosheidsmaand 70% van haar laatst verdiende loon.

Dit zegt echter niets over de uitkering uit de kredietbeschermer. Bij werkloosheid heeft Brechtje recht op een uitkering uit de kredietbeschermer ter hoogte van de volledige maandtermijn. Bij arbeidsongeschiktheid is de hoogte van de uitkering wel afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Als adviseur Consumptief krediet moet je de BKR-toets kunnen lezen. Je moet weten wat alle achterstands- en bijzonderheidscoderingen betekenen en je moet hier de juiste conclusie aan kunnen verbinden. Dit betekent dat je het hoofdstuk over de werkwijze en procedure van het BKR goed moet doornemen.

Mocht je nog meer over het BKR willen weten, dan is het ook interessant om bkr.nl te bezoeken. Hier vind je bijvoorbeeld ook het Algemeen reglement met daarin informatie over wat wordt geregistreerd, wanneer er mag worden getoetst enzovoorts.

(6)

Vraag 6

Hubert wil zijn auto inruilen voor een nieuwe auto. Hij moet hiervoor €20.000 bijbetalen. Dit wil hij financieren middels een aflopend krediet. De verwachting is dat de waarde van de auto over 5 jaar nog €15.000 bedraagt.

De adviseur adviseert Hubert om een aflopend krediet af te sluiten met een slottermijn van €15.000. De

omrekenfactor voor het kredietbedrag bedraagt 2,0038 per €100. De omrekenfactor voor de slottermijn bedraagt 0,62500 per €100.

Hoeveel bedraagt de maandtermijn?

Toelichting bij antwoord

Kom je uit op een heel bedrag? Vul twee nullen achter de komma in.

Kom je niet uit op een heel bedrag? Vul twee cijfers achter de komma in.

Antwoord vraag 6

Het juiste antwoord is: €193,94.

((5000/100) * 2,0038) + ((15.000/100) * 0,62500) = €193,94.

Het krediet van Hubert kan worden opgesplitst in twee delen. Een deel dat wel wordt afgelost tijdens de looptijd en een deel dat pas wordt afgelost aan het einde van de looptijd. Omdat over dit laatste deel alleen rente moet worden betaald, is de omrekenfactor lager dan bij het deel dat wel wordt afgelost. Je moet niet alleen kunnen berekenen wat de maandtermijn is bij een slottermijn, je moet ook in staat zijn te bepalen wanneer een slottermijn een passend advies is voor de klant. De auto in dit voorbeeld heeft een restwaarde, maar waarvoor wil Hubert de restwaarde eigenlijk gebruiken?

Wanneer hij de restwaarde wil gebruiken om een nieuwe auto te kopen, is het niet verstandig om een slottermijn in te bouwen in het krediet.

Toetsterm 1h.6

Vraag 7

Sven heeft een effectenkrediet van €200.000 met een dekkingsgraad van 80%. De waarde van zijn portefeuille is momenteel €150.000.

Hoeveel moet Sven aflossen op zijn krediet?

Toelichting bij antwoord

Kom je uit op een heel bedrag? Vul twee nullen achter de komma in.

Kom je niet uit op een heel bedrag? Vul twee cijfers achter de komma in.

Op het examen worden regelmatig vragen gesteld over de kredietbeschermer. Er kan bijvoorbeeld worden gevraagd naar welke risico’s kunnen worden verzekerd met een kredietbeschermer en hoe hoog de verzekerde uitkering is.

(7)

Antwoord vraag 7

Het juiste antwoord is: €80.000,00.

€150.000 x 80% = €120.000 bedraagt het maximale krediet. Sven dient €80.000,00 af te lossen.

Bij deze opgave combineer je een aantal zaken met elkaar. Allereerst moet je weten dat een dekkingsgraad van 80% betekent dat het effectenkrediet slechts 80% mag bedragen van de waarde van de portefeuille. Hierdoor weet je dat je voor je berekening het bedrag van €150.000 nodig hebt. Daarnaast heb je rekenkundig inzicht nodig. Je moet namelijk beseffen dat €150.000 dus gelijk staat aan 100% en dat je moet berekenen hoeveel 80% hiervan bedraagt. De uitkomst hiervan is €120.000. Dit is nog niet het eindantwoord.

De vraag was namelijk niet: wat is het maximale krediet? De vraag is wat Sven moet aflossen. Een goede tip is om altijd na te gaan wat de vraag ook alweer was. Nadat je jouw antwoord hebt berekend, kijk je nogmaals wat de exacte vraag was en of je ook daadwerkelijk antwoord hebt gegeven op die vraag.

Toetsterm 1h.3

Vraag 8

Wat zit er in ieder geval in het dossier van een kredietverstrekker, naast het klantprofiel? Meerdere antwoorden zijn juist:

A. Een bewijs van eigendom.

B. Arbeidsovereenkomst.

C. Een offerte.

D. Een intentieverklaring.

E. De BKR-toets.

F. Beschikking van een uitkering.

Antwoord vraag 8 De juiste antwoorden zijn:

-een offerte. (C) -de BKR-toets. (E)

Goed lezen van de vraag helpt je al een heel eind op weg. Er wordt namelijk gevraagd wat er in ieder geval in het dossier zit. Dat betekent dus dat je documenten moet hebben die voor iedere klant van toepassing zijn. Meerdere van de genoemde documenten kunnen voorkomen in het dossier, er zijn slechts twee documenten die bij iedere klant voor moeten komen. Dat zijn de offerte en de BKR-toets.

Voor alle berekeningen geldt dat je resultaat vele malen beter is als je ze meerdere keren hebt geoefend. Je leert dan valkuilen te herkennen en de berekening op verschillende wijzen toe te passen. Neem de theorie (bijvoorbeeld in deel ‘Rekenvaardigheden’) goed door, maar zorg er zeker ook voor dat je veel oefent in de digitale leeromgeving! Alleen op die manier bereid je je goed voor op het examen.

(8)

Toetsterm 2f.1

Vraag 9

Louis heeft een doorlopend krediet. Hij krijgt regelmatig een overzicht van de kredietvertrekker. Wat ontvangt hij eenmaal per jaar? (Twee antwoorden zijn juist)

A. Een overzicht met de mutaties en betalingen van het afgelopen jaar.

B. Een wijziging van de kredietvergoeding.

C. Een overzicht van de actuele rente.

D. Een jaaroverzicht.

E. Een kopie kredietovereenkomst.

F. Een afschrift met daarop het bedrag wat nog voor opname beschikbaar is.

Antwoord vraag 9 De juiste antwoorden zijn:

-een overzicht met de mutaties en betalingen van het afgelopen jaar. (A) -een jaaroverzicht. (D)

De klant ontvangt alle bovengenoemde informatie. Er zijn maar twee bronnen die de klant eenmaal per jaar ontvangt. Dat is namelijk het jaaroverzicht waarin een overzicht is opgenomen van alle mutaties van het afgelopen jaar. Een wijziging van de kredietvergoeding krijgt de klant alleen als dat van toepassing is. De actuele rente wordt genoemd op het overzicht dat Louis maandelijks ontvangt. De kopie kredietovereenkomst ontvangt hij bij aangaan van het krediet en het afschrift wat voor opname beschikbaar is ontvangt hij ook iedere maand.

Toetsterm 1i.1

Op het examen wordt in veel gevallen benoemd hoeveel antwoorden juist zijn. Dit maakt het beantwoorden van dit soort vragen makkelijker. Vul altijd alleen de antwoorden in waarvan je zeker bent. Een fout antwoord kost meer dan het weglaten van een antwoord.

Ook bij deze vraag zie je dat het belangrijk is om de vraag goed te lezen. Er zijn namelijk maar twee antwoorden die Louis eenmaal per jaar ontvangt. Lees dus de vraag rustig en secuur door. Nadat je het antwoord hebt gegeven, lees je de vraag nog eens. Heb je daadwerkelijk deze vraag beantwoord of had je de vraag anders geïnterpreteerd. In dat laatste geval is het verstandig om je antwoord aan te passen.

(9)

Vraag 10

Alwin heeft een persoonlijke lening met een looptijd van 5 jaar. Na een looptijd van 2 jaar wil hij het volledige bedrag vervroegd aflossen. Wettelijk gezien moet de kredietverstrekker Alwin renterestitutie verlenen.

Hoe wordt de renterestitutie berekend?

A. De som van de resterende betaaltermijnen -/- het openstaande bedrag.

B. Het openstaande bedrag -/- de som van de resterende betaaltermijnen.

C. 50% van (de som van de resterende betaaltermijnen -/- het openstaande bedrag).

Antwoord vraag 10

Het juiste antwoord is: de som van de resterende betaaltermijnen -/- het openstaande bedrag.(A) Renterestitutie wil zeggen dat de klant de rente die hij in de toekomst zou moeten betalen, niet meer hoeft te betalen. Hij heeft het krediet immers al afgelost en is daarom geen toekomstige rente meer verschuldigd. De rente die Alwin in de toekomst had moeten betalen bereken je door de openstaande kredietsom in mindering te brengen op het totaal aan maandtermijnen die Alwin nog moet betalen. Het totaal aan maandtermijnen bestaat immers uit rente en aflossing. De openstaande kredietsom bestaat alleen uit aflossing. Als je het verschil tussen deze twee bedragen weet, weet je hoeveel rente Alwin nog had moeten betalen als hij niet vervroegd had afgelost: de renterestitutie.

Toetsterm 1i.4

Het is handig als je de formules uit de syllabus uit je hoofd kent. Mocht dat niet het geval zijn, vraag jezelf bij de beantwoording van dit soort vragen dan af wat het begrip eigenlijk betekent. Door te bedenken wat renterestitutie is, kun je vervolgens het meest bijpassende antwoord selecteren. Overigens moet je niet alleen de formule kennen, je moet hem ook kunnen toepassen. Oefen daarom regelmatig in de digitale leeromgeving.

(10)

1.2 Casus Ralph en Mariëlle

Ralph (43 jaar) en Mariëlle (40 jaar) hebben een gesprek met de adviseur Consumptief krediet. Zij willen een boot kopen en willen hiervoor €34.000 lenen.

Persoonlijke informatie Ralph en Mariëlle

-Ralph en Mariëlle wonen ongehuwd samen. Ze hebben een dochter van 3 jaar oud;

-Ralph en Mariëlle hebben een koopwoning;

-Ralph is getrouwd geweest en moet nu nog maandelijks partneralimentatie betalen van netto €300. De alimentatieplicht stopt op 1 januari 2020.

Financiële informatie Ralph en Mariëlle

-de koopwoning heeft een WOZ-waarde van €325.000. De aflossingsvrije hypotheek bedraagt €300.000. Het rentepercentage is 5,2% en staat 20 jaar vast.

-op de gezamenlijke spaarrekening hebben Ralph en Mariëlle €17.000 gespaard. Dit geld is bedoeld voor noodsituaties;

-maandelijks sparen Ralph en Mariëlle €300;

-Ralph en Mariëlle hebben een overlijdensrisicoverzekering afgesloten die is verpand aan de hypotheekverstrekker. Als één van beiden overlijdt wordt de volledige schuld afgelost uit de overlijdensrisicoverzekering;

-Mariëlle is eigenaar van een auto. Ralph maakt gebruik van een leaseauto via zijn werkgever.

Wensen en doelstellingen Ralph en Mariëlle

-Ralph wil graag een waterskiboot kopen;

-de boot kost €34.000 inclusief trailer;

-Ralph en Mariëlle willen het volledige aankoopbedrag lenen. Het spaargeld willen ze hier niet voor gebruiken;

-Ralph en Mariëlle willen de lening binnen acht jaar aflossen;

-Ralph en Mariëlle willen een maandlast die maandelijks gelijk blijft. De maandlast mag maximaal €500 bedragen.

Kennis en ervaring Ralph en Mariëlle

-Ralph heeft in het verleden een autofinanciering gehad, deze is inmiddels terugbetaald;

-Ralph geeft aan dat hij verder niet veel kennis en ervaring heeft met betrekking tot lenen.

Ralph gaat online op zoek naar informatie over geld lenen. Hij komt via Google zo veel informatie tegen dat hij door de bomen het bos niet meer ziet.

(11)

1.2.1 De Markt

Vraag 1

Welke aanbieders van consumptief krediet zijn er?

Antwoord vraag 1

-Banken.

-Verzekeraars.

-Pandhuizen.

-Professionele kredietbemiddelaars.

-Assurantietussenpersonen.

-Financieringsmaatschappijen.

-Direct writers.

-Creditcardmaatschappijen.

-Winkelketens, postorderbedrijven, thuiswinkelorganisaties.

-Gemeentelijke kredietbanken.

-Leenbijstand.

-DUO.

-Telefoonmaatschappijen

-Eventueel ook private lease maatschappijen en crowdfunding platforms.

Vraag 2

Een onafhankelijke adviseur heeft een voordeel ten opzichte van de gebonden adviseur. Over welk voordeel hebben we het?

Antwoord vraag 2

De onafhankelijke adviseur kan meer aanbieders in zijn beoordeling meenemen dan de gebonden adviseur.

De kans bestaat hierdoor dat hij een product kan adviseren dat beter aansluit op de wensen van de klant of bijvoorbeeld een lagere rente kent.

Dit is een letterlijke kennisvraag. Er zal zelden worden gevraagd de aanbieders op te sommen. Het is de bedoeling dat je de aanbieders kent en ze onderling kunt vergelijken (de voor- en nadelen kent). Dit helpt je ook om in de praktijk je klant goed van dienst te zijn.

Bij deze vraag gaat het, in tegenstelling tot bij de vorige vraag, om een combinatie van kennis en begrip. Een voordeel kan je immers uit je hoofd leren, je kunt echter de vraag ook beantwoorden door goed na te denken.

Je bedenkt je dan eerst wat je weet over een onafhankelijke adviseur en wat je weet over een gebonden adviseur. Vervolgens ga je na wat de verschillen zijn en welk verschil in het voordeel is van de onafhankelijke

(12)

1.2.2 Wet- en regelgeving

Vraag 3

Niet iedereen mag een kredietovereenkomst aangaan. De klant moet wel handelingsbekwaam en handelingsbevoegd zijn. Wat houdt dit in?

Antwoord vraag 3

Een minderjarige mag geen kredietovereenkomst aangaan, tenzij de minderjarige getrouwd is (geweest) of wanneer de rechter heeft besloten dat de minderjarige volwassen acties uit mag voeren (handlichting). Een minderjarige is handelingsonbekwaam. Zodra iemand 18 is wordt hij handelingsbekwaam en mag zelfstandig rechtshandelingen verrichten. In bepaalde gevallen is het nodig om de persoon of de maatschappij te

beschermen tegen het aangaan van overeenkomsten die onverantwoord zouden kunnen zijn. Dat kan op twee manieren gebeuren. Of iemand mag helemaal geen rechtshandelingen meer verrichten, we spreken dan van handelingsonbekwaamheid. Of iemand mag alleen bepaalde rechtshandelingen niet verrichten, dit noemen we handelingsonbevoegdheid. Handelingsonbekwaamheid is ingrijpender dan handelingsonbevoegdheid en wordt dan ook alleen opgelegd als het echt niet verantwoord is om de persoon zelfstandig rechtshandelingen te laten verrichten. Je kunt dan denken aan personen die onder curatele zijn gesteld omdat zij een verstandelijke beperking hebben, verslaafd of dement zijn of psychiatrische problemen hebben.

Bij handelingsonbevoegdheid mag de persoon sommige rechtshandelingen wel zelfstandig verrichten en andere rechtshandelingen niet. Als iemand bijvoorbeeld financiële problemen heeft en zijn goederen onder bewind zijn gesteld, dan mag hij deze goederen niet verkopen en mag hij bijvoorbeeld niet zelfstandig beschikken over zijn vermogen. Wat hij wel mag is bijvoorbeeld trouwen of een testament opstellen.

Toetsterm 1b.1

Vraag 4

Welke informatie moet een kredietverstrekker vermelden als hij in een reclame op internet een debetrentevoet of een maandtermijn verstrekt?

Antwoord vraag 4

-de vaste of variabele debetrentevoet en de andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet;

-het totale kredietbedrag;

-het jaarlijks kostenpercentage; en, indien van toepassing, -de duur van de kredietovereenkomst;

-in geval van goederenkrediet, de contante waarde en contante betalingen, genoemd in de definitie van kredietsom in artikel 1;

-het totale door de consument te betalen bedrag; en -het termijnbedrag;

-verplichte nevendiensten, zoals een verzekering of zekerheden, waarvan de kosten voor de nevendienst vooraf niet kunnen worden bepaald.

Deze regelgeving ligt vast in de Richtlijn consumentenkrediet.

(13)

Vraag 5

Waarom wordt jij als adviseur betaald door middel van provisie en niet door een vergoeding die de klant rechtstreeks betaalt?

Antwoord vraag 5

Het provisieverbod is niet van toepassing op consumptief krediet. Een adviseur mag wettelijk gezien alleen worden betaald door middel van provisie

Toetsterm 1a.1

Vraag 6

Leg uit hoe de door Ralph en Mariëlle gewenste financiering fiscaal wordt behandeld.

Antwoord vraag 6

De financiering valt in Box 3, omdat de financiering geen eigenwoning betreft of verbetering hiervan. De financiering is fiscaal aftrekbaar in box 3. Je hebt hier alleen recht op wanneer je vermogen in box 3 hebt. Je mag een box 3 schuld verrekenen met het aanwezige vermogen. Je moet rekening houden met de schuldendrempel en uiteraard met de vrijstelling in Box 3.

Vraag 7

Hebben Ralph en Mariëlle fiscaal voordeel over deze lening?

Antwoord vraag 7

Nee, ze hebben geen fiscaal voordeel, omdat de hoogte van hun vermogen niet boven de vermogensvrijstelling uitkomt. Je kunt alleen fiscaal verrekenen indien het vermogen in Box 3 positief is en minimaal hoger is dan de (gezamenlijke) vrijstelling. Je hebt verder rekening te houden met de fiscale drempel voor box 3 leningen.

Bij het beantwoorden van vragen op een Wft examen is het belangrijk om je te beseffen vanuit welke

hoedanigheid je antwoordt. Op het examen Wft Consumptief krediet ben je een adviseur Consumptief krediet.

Wellicht verricht je in de praktijk ander werk. Realiseer je dan goed op welk examen je zit en beantwoord de vraag vanuit die rol.

Voor het beantwoorden van deze vraag moet je je kennis over fiscaliteiten combineren met informatie uit de casus. Een goede tip is om eerst de vraag te lezen en te bedenken wat je al weet over het onderwerp (het fiscaal behandelen van leningen). Waarschijnlijk komt dan de kennis boven dat de aflosvorm (minimaal annuïtair) en de reden dat de lening wordt aangegaan (wel of niet voor de woning) van belang zijn. Nu weet je welke informatie je nodig hebt om de vraag te beantwoorden en kun je gericht in de casus zoeken naar de informatie die je nodig hebt. In deze casus wordt nog niets gezegd over de aflosvorm. Wel weet je dat de lening wordt aangegaan voor een boot. Het is dan automatisch een box 3 financiering. Voor meer informatie over dit onderwerp is het verstandig om hoofdstuk 8: Fiscale behandeling kredieten door te nemen.

(14)

1.2.3 Proces kredietverstrekking

Vraag 8

Je gaat in gesprek met Ralph en Mariëlle. Hoe noemen we de taak in het adviesproces waarin je te weten wil komen wie je klant is en waar je hem mee kunt helpen?

Antwoord vraag 8

Het juiste antwoord is: inventarisatie.

Toetsterm 1e.1

Vraag 9

Welk hulpmiddel kun je gebruiken om ervoor te zorgen dat je niks vergeet en voor een vaste structuur van je gesprek zorgt?

Antwoord vraag 9

Het juiste antwoord is: (Digitaal) inventarisatieformulier.

Toetsterm 1e.1

Vraag 10

Wat zijn de onderdelen van het klantprofiel die je vastlegt in dit hulpmiddel?

Antwoord vraag 10

-de financiële positie van de klant;

-de kennis en ervaring van de klant;

-de doelstellingen van de klant;

-de risicobereidheid van de klant.

Dit is een pure kennisvraag. Onderdelen uit de kennis syllabi moet je goed beheersen. Hier kunnen letterlijke vragen over worden gesteld. Als je wilt weten over welke onderwerpen je vragen zou kunnen verwachten, is het een tip om het Eind- en toetstermendocument door te nemen. Hierin staat beschreven welke onderwerpen het CDFD belangrijk vindt om te beheersen als adviseur Consumptief krediet. Vooral de kennis- en begripstoetstermen (deze beginnen met een 1) geven goed inzicht in de onderwerpen die je moet bestuderen. Meer informatie over de inhoud van het adviestraject vind je in het onderdeel Het adviestraject.

Als adviseur Consumptief krediet is het belangrijk dat je weet welke gegevens je moet inventariseren. Dit kan op het examen op meerdere manieren worden bevraagd. Zo kan letterlijk worden gevraagd naar onderdelen van het klantprofiel, maar er kan ook worden gevraagd aan te geven welke gegevens ontbreken of welke vragen nog moeten worden gesteld.

(15)

Toetsterm 2c.1

Vraag 11

In de casus wordt informatie gegeven over Ralph en Mariëlle. Heb je hiermee voldoende informatie om een goede analyse te maken en zo nee, hoe kom je aan de benodigde informatie?

Antwoord vraag 11

Nee, het is niet voldoende. Op alle onderdelen van het klantprofiel mis je nog informatie. Ontbrekende gegevens zijn bijvoorbeeld hun inkomsten, bestaande kredieten, de kennis en ervaring van Mariëlle, de toekomstplannen van de klant, de manier waarop zij hun risico’s zien en mee om willen gaan enzovoorts.

De antwoorden op deze zaken krijg je door het gesprek aan te gaan en de vragen te stellen aan de klant. Daarnaast is het belangrijk om de vergaarde informatie via een samenvatting terug te koppelen aan Ralph en Mariëlle. Zo weet je zeker dat jouw interpretatie de juiste is en weten Ralph en Mariëlle dat je goed naar ze hebt geluisterd.

Toetsterm 2c.1

Vraag 12

Ralph en Mariëlle willen natuurlijk graag weten hoeveel zij kunnen lenen. Welke stappen moet je doorlopen om te bepalen wat Ralph en Mariëlle maximaal kunnen lenen volgens de VFN gedragscode?

Antwoord vraag 12

Bepaal het netto inkomen van de aanvrager.

Bepaal de basisnorm die van toepassing is bij de gezinssamenstelling van de aanvrager. Bereken het bedrag dat de aanvrager nodig heeft voor levensonderhoud.

Bereken de woonlasten van de aanvrager en bereken de lasten van de al lopende financieringen. Bereken het bedrag dat resteert voor rente en aflossing voor de aangevraagde financiering.

Bereken het bedrag dat maximaal verstrekt kan worden.

De formule die kan worden gebruikt luidt als volgt:

Netto inkomen -/- Leennorm*

-/- Netto woonlasten**

-/- Lasten overige kredieten

-/- Netto alimentatieverplichting Afloscapaciteit Maximale lening = afloscapaciteit x 50

In dat laatste geval wordt bijvoorbeeld gevraagd welke vragen de adviseur nog moet stellen om vast te stellen of de klant een bijpassende verzekering wil afsluiten. Realiseer je dan dat je meer te weten moet komen over het onderdeel risicobereidheid. Selecteer dan ook alleen vragen die je meer informatie geven over dit onderwerp.

(16)

Toetsterm 1a.1 en 1h.5

Vraag 13

Een belangrijk onderdeel dat je nodig hebt om vast te stellen wat iemand kan lenen, is de hoogte van het inkomen.

Welke inkomstenbronnen ken je?

Antwoord vraag 13

-Loon.

-Ontvangen partneralimentatie. (sterk afhankelijk van kredietverstrekker. De NVB adviseert bijvoorbeeld om dit niet mee te nemen).

-Winst uit onderneming (inkomen uit een eigen bedrijf).

-ANW.

-AOW en / of pensioen.

-WW-uitkering.

-WIA- uitkering.

-Heffingskorting partner.

-Werkgeverstoeslag / provisie / overwerkvergoeding. De kredietverstrekker moet bepalen in hoeverre deze laatste inkomstenbronnen een bestendig karakter hebben.

Toetsterm 1d.1

Vraag 14

Welke documenten kunnen je helpen bij het bij het beoordelen / bevestigen van de inkomsten en uitgaven van de klant? En waarvoor gebruik je deze specifieke documenten?

Antwoord vraag 14

Salarisstrook

Belangrijk is de hoogte van het inkomen, dit blijkt uit de salarisstrook.

Werkgeversverklaring

Uit de salarisstrook kan niet worden opgemaakt of de werknemer wel of niet vast in dienst is. Als de klant een tijdelijk dienstverband heeft, wil de geldverstrekker ook graag weten of de werkgever van plan is het dienstverband om te zetten in vast dienstverband. Ook blijkt niet altijd uit de salarisstrook of er loonbeslag is gelegd en of er leningen zijn verstrekt aan de werknemer. Ook bij toekomstige loonontwikkelingen kan de werkgeversverklaring een uitkomst bieden.

De arbeidsovereenkomst

Hieruit kan naar voren komen of er sprake is van een vast dienstverband of een tijdelijk dienstverband.

Kennis over de inhoud van de Gedragscode Consumptief krediet is enorm belangrijk op het examen. In de kennisvragen wordt letterlijk gevraagd naar bepalingen uit de gedragscode en in de vaardigheden- en competentievragen moet je deze kennis toepassen. Zorg er dan ook voor dat je de gedragscode voldoende beheerst en neem hem zorgvuldig door.

(17)

Beschikking van een uitkering

Hieruit blijkt hoe lang een uitkering wordt ontvangen en welk bedrag wordt ontvangen.

Alle kopieën van originele bank- en/of giroafschriften over de afgelopen maand (sommige banken eisen 2

maanden) Vaak wil de bank zeker weten dat er geen lasten onvermeld zijn gebleven. Door de bankafschriften op te vragen kan dit worden uitgesloten.

Jaarcijfers, aangiften en aanslag inkomstenbelasting bij zelfstandigen

Een zelfstandig ondernemer moet zijn inkomen aantonen door middel van de jaarcijfers. Om te controleren of de jaarcijfers juist zijn wil de geldverstrekker vaak de aangifte inkomstenbelasting hebben en de aanslag inkomstenbelasting.

Echtscheidingsconvenant

Uit een echtscheidingsconvenant is op te maken of de klant alimentatie ontvangt of betaalt. Vaak wordt er een recent bankafschrift gevraagd om aan te tonen dat de alimentatie ook daadwerkelijk wordt ontvangen en wat de hoogte van de alimentatie op het moment van aanvragen is (de alimentatie wordt meestal jaarlijks verhoogd).

Tevens is de (resterende) duur van de alimentatieafspraken relevant bij het beoordelen /adviseren van een kredietaanvraag.

Jaaropgave hypotheek

Uit de jaaropgave van de hypotheek blijkt wat de hoogte is van de hypotheek en welk rentepercentage de klant betaalt.

Kopie huurovereenkomst

Hieruit blijkt de hoogte van de huur.

Beschikking Voorlopige Teruggave Belastingdienst (alle toeslagen zoals huur-, zorg- en kinderopvangtoeslag) Voor het bepalen van de netto woonlasten in geval van een huurwoning, moet de huurtoeslag bekend zijn. Als de geldverstrekker rekent met een inkomen inclusief toeslagen moet ook bekend zijn welke toeslagen de klant ontvangt.

Recente saldo-opgaven van elders lopende financiële verplichtingen

Hieruit blijkt de hoogte van deze verplichtingen. De overzichten mogen niet ouder dan één maand zijn. Denk hier aan winkelpassen, postorderkredieten, persoonlijke leningen en creditcards.

BKR-toets

De BKR-toets helpt de adviseur bij het vaststellen van de hoogte van lopende financieringen. Niet alle

financieringen zijn geregistreerd bij het BKR. Het doen van de toets zorgt ervoor dat de adviseur kan controleren of de klant eerlijk is geweest over lopende financieringen en de hoogte hiervan.

Voorgaande documenten kun je in de praktijk tegenkomen. Omdat je dan moet weten welke informatie belangrijk is en waar je deze informatie kan terugvinden in de documenten, kan dit ook op het examen worden getoetst. In onze syllabus en drills laten we een aantal voorbeelden voorbijkomen. Neem deze voorbeelden goed door.

(18)

Vraag 15

Ralph en Mariëlle geven tijdens het gesprek aan:

“We zien dat je een uitdraai hebt van onze BKR-registratie. Wil je dit eens aan ons uitleggen?”

Voor Ralph hebben we 2 versies, uitdraai I en II, leg ze beide uit.

Uitdraai Mariëlle

Toetsvraag Zoeksleutel in CKI

Geboortenaam: Van Dongen Geboortenaam: Van Dongen Geboortedatum: 01-07-1977 Geboortedatum: 01-07-1977

CKI Toetsresultaten

Toetsing door: Gebruiker 12345 van deelnemer 12345 Tijdstip toetsing: 1 4-2018 om 16:25

Persoonsgegevens

Geboortenaam Van Dongen Voorletters: M.

Geboortedatum: 01-07-1977 Aantal contracten: 0

Huidig adres

Straat: Woonlekkerstraat Huisnummer: 18

Postcode: 1233 DD

Woonplaats: Amstelhoeve Landcode: NL

Contracten

Soort Bedrag Eerste aflossing

Theoretisch laatste

Door BKR afgelost

Praktisch laatste

Registratie Eigen code

Contract- nummer

Bijzonderheden

Datum Week Code Registratie

Uitdraai 1 Ralph

Toetsvraag Zoeksleutel in CKI

Geboortenaam: Buys Geboortenaam: Buys

Geboortedatum: 01-03-1975 Geboortedatum: 01-03-1975

CKI Toetsresultaten

Toetsing door: Gebruiker 12345 van deelnemer 12345 Tijdstip toetsing: 1-4-2018 om 16:25

Persoonsgegevens

Geboortenaam Buys Voorletters: R.

Geboortedatum: 01-03-1975 Aantal contracten: 1

(19)

Huidig adres

Straat: Woonlekkerstraat Huisnummer: 18

Postcode: 1233 DD

Woonplaats: Amstelhoeve Landcode: NL

Contracten

Soort Bedrag Eerste aflossing

Theoretisch laatste

Door BKR afgelost

Praktisch laatste

Registratie Eigen code

Contract- nummer

Bijzonderheden

Datum Week Code Registratie

AK €12.500 01082009 01082014 01082014 01082014 27082009 34 Uitdraai 2 Ralph

Toetsvraag Zoeksleutel in CKI

Geboortenaam: Buys Geboortenaam: Buys

Geboortedatum: 01-03-1975 Geboortedatum: 01-03-1975

CKI Toetsresultaten

Toetsing door: Gebruiker 12345 van deelnemer 12345 Tijdstip toetsing: 1-4-2018 om 16:25

Persoonsgegevens

Geboortenaam Buys Voorletters: R.

Geboortedatum: 01-03-1975 Aantal contracten: 1

Huidig adres

Straat: Woonlekkerstraat Huisnummer: 18

Postcode: 1233 DD

Woonplaats: Amstelhoeve Landcode: NL

Contracten

Soort Bedrag Eerste aflossing

Theoretisch laatste

Door BKR afgelost

Praktisch laatste

Registratie Eigen code

Contract- nummer

Bijzonderheden

Datum Week Code Registratie

AK €12.500 01082009 01082014 01082014 01082014 27082009 34 A

Antwoord vraag 15

Voor Mariëlle: Zij heeft de afgelopen 5 jaar geen kredieten gehad of afgelost die aangemeld zijn bij het BKR. Voor Ralph: Uitdraai I: Je ziet hier zijn oude autokrediet op staan deze is inmiddels afgelost. Voor Ralph: Uitdraai II: Je ziet hier zijn oude autokrediet op staan deze is inmiddels afgelost, maar deze heeft gedurende de looptijd een (tijdelijke) achterstand gehad. Dat kan mogelijke consequenties hebben voor de kredietaanvraag. De achterstand

(20)

Een achterstand zegt namelijk iets over de betalingsmoraliteit van de klant. Een nog aanwezige achterstand leidt bij de meeste kredietverstrekkers direct tot een afwijzing. Een herstelde achterstand hoeft niet tot een afwijzing te leiden, dit ligt aan het verhaal.

Toetsterm 1b.3

Vraag 16

Welke andere toetsen moet de adviseur nog meer uitvoeren?

Antwoord vraag 16

-VIS (Verificatie Informatie Systeem);

-EVA (Externe Verwijzingsapplicatie) / SFH (Stichting Fraudebestrijding Hypotheken).

Vraag 17

De volgende gegevens zijn bekend:

Bruto maandinkomen Ralph: €4.000,00 Netto maandinkomen Ralph: €2.487,08 Bruto maandinkomen Mariëlle: €3.750,00 Netto maandinkomen Mariëlle: €2.566,17 Modale bruto jaarinkomen: €37.000,00

Bereken hoeveel Ralph en Mariëlle maximaal kunnen lenen volgens de VFN gedragscode. Maak hiervoor ook gebruik van de eerder geïnventariseerde gegevens en de bijlage Leennormen 2017-2018.

Toelichting bij antwoord

Kom je uit op een heel bedrag? Vul twee nullen achter de komma in.

Kom je niet uit op een heel bedrag? Vul twee cijfers achter de komma in.

Antwoord vraag 17

Netto inkomen Ralph €2.487,08 Netto inkomen Mariëlle €2.566,17

Totaal €5.053,25

-/- Leennorm* €1.476,00

-/- Netto woonlasten** €910,00 -/- Lasten overige kredieten €0,00 -/- Netto alimentatieverplichting €300,00

Totale lasten €2.686,00

Bovenstaande toetsen zijn een belangrijk hulpmiddel bij het vaststellen van de integriteit van de klant. Je moet weten welke informatie de toets geeft en hoe je moet handelen na een hit. Laat hierin je praktijkervaring los.

De manier waarop je in de praktijk handelt kan afwijken van wat de gebruikelijke procedure is. Meer over de gebruikelijke procedure leer je in de (digitale) leerstof.

(21)

Inkomen €5.053,25

Lasten -/- €2.686,00

Beschikbaar voor financiering €2.367,25 Maximale lening: €2.367,25 x 50 = €118.362,50.

* Leennorm: bij de berekening mag worden uitgegaan van de tabel minimale leennorm voor gezinnen met kinderen met een netto inkomen vanaf €2.999 en deze bedraagt €1.476.

** Netto woonlasten: Bruto hypotheeklast minus 30%:

De woning is gefinancierd met een aflossingsvrije hypotheek van €300.000 tegen 5,2% rente. De bruto hypotheeklasten bedragen daarom €300.000 x 5,2% = €15.600 per jaar. Dit is per maand €15.600 / 12 = €1.300.

€1.300 x 70% = €910.

Voor inkomens lager dan 2 keer modaal (€74.000 bruto per jaar voor het gezin) geldt overigens een fiscaal voordeel van 25%.

Toetsterm 3a.1

Vraag 18

Ga uit van de situatie dat er geen minimum norm wordt gehanteerd. Hoeveel zou de leennorm dan bedragen voor Ralph en Mariëlle?

Toelichting bij antwoord

Kom je uit op een heel bedrag? Vul twee nullen achter de komma in.

Kom je niet uit op een heel bedrag? Vul twee cijfers achter de komma in.

Antwoord vraag 18

Leennorm = 0,15 x (€5.053,25 -/- €1.246 -/- €223) + €1.246 = €1.783,64.

De minimumnorm wordt overigens gehanteerd door kredietverstrekkers omdat ze er van uit gaan dat boven een bepaald inkomen niet nog meer wordt uitgegeven aan levensonderhoud. Op het examen is van een minimumnorm vaak geen sprake.

Bij berekeningen is het belangrijk dat je overzicht houdt. Wat hierbij helpt is als je bij eenzelfde berekening (bijvoorbeeld de berekening van de maximale leencapaciteit) steeds dezelfde volgorde aanhoudt. Schrijf daarom eerst op wat de formule is. Daarna ga je stap voor stap op zoek naar de benodigde gegevens. Een gedeelte hiervan vind je in de casus, een gedeelte in de betreffende vraag. Vul de formule vervolgens verder in. Lees altijd goed welke informatie precies wordt verstrekt. Gaat het om de bruto of de netto woonlasten en wordt de basisnorm gegeven die je nog moet omrekenen tot de leennorm of is de berekening al uitgevoerd voor je en is de leennorm al bekend?

(22)

Toetsterm 3a.1

Vraag 19

Ben je nu in staat om met de beschikbare gegevens onder voorbehoud aan te geven of de financiering haalbaar is of niet?

Antwoord vraag 19

Aan de hand van de inventarisatie, de BKR-toets en je berekening kun je aangeven dat het wellicht mogelijk is.

Uiteraard onder voorbehoud van definitieve goedkeuring door een eventuele tweede controleur.

Toetsterm 2d.2

Vraag 20

Welke handelingen moet je nog uitvoeren om het klantprofiel compleet te maken?

Antwoord vraag 20

-De huidige en toekomstige situatie bekijken.

-Bekijken of de doelstellingen, de financiële positie, de risicobereidheid en kennis en ervaring op elkaar zijn afgestemd.

-Je houdt rekening met de uitkomsten van de afloscapaciteit bij arbeidsongeschiktheid, overlijden, werkloosheid en bij echtscheiding.

-Je controleert of de berekeningen correct zijn uitgevoerd.

Toetsterm 2c.1

Vraag 21

Welke alternatieve mogelijkheden zijn er nog in het algemeen?

Antwoord vraag 21

-Lenen bij particulieren zoals de ouders.

-Minder lenen en een gedeelte eigen geld investeren.

Toetsterm 1h.2

Vraag 22

Wat leg je vast in je adviesdossier?

Vaak wordt de leennorm al gegeven. Als je hem zelf moet berekenen, moet je de formule uit je hoofd kennen.

De benodigde gegevens zoals de basisnorm en de norm woonlast worden dan wel gegeven. Berekeningen ga je alleen goed beheersen als je er voldoende mee hebt geoefend. Maak dus voldoende drills. Uitleg over dit onderwerp vind je in deel 3: Proces kredietverstrekking en in de syllabus Rekenvaardigheden.

(23)

Antwoord vraag 22

De inventarisatie, je analyse en je advies samen met alle opgevraagde stukken. Het enige dat je niet bewaart zijn eventuele medische gegevens en andere gegevens die je volgens de AVG niet mag vastleggen. Daarnaast sla je geen algemene documenten (zoals bijvoorbeeld de algemene productvoorwaarden) op. Deze zijn immers voor iedereen gelijk. Belangrijk aan dossieropbouw is dat het advies reconstrueerbaar is.

Toetsterm 2f.1

1.2.4 Producten en advies

Vraag 23

Welke kredietvormen ken je?

Antwoord vraag 23

Goederenkrediet.

Geldkrediet.

Aflopend krediet.

Doorlopend krediet.

Vast krediet.

Debetstand op betaalrekening.

Rekeningcourant krediet.

Pandkrediet.

Effectenkrediet.

Belenen van een levensverzekering.

Verzekerd krediet.

Hypothecair krediet.

Overbruggingskrediet.

Lease.

Crowdfunding.

Studentenkrediet.

Flitskrediet.

Verzendhuiskrediet.

Telecomkrediet.

Toetsterm 1h.3

Interessanter om te beoordelen hoeveel soorten krediet je kent, is de vraag: ken je ook de belangrijkste kenmerken van de kredietsoorten en welk krediet adviseer je in welke situatie? Loop bovenstaande opsomming eens langs en stel jezelf steeds deze twee vragen.

(24)

Vraag 24

Welke kredietvorm, hoogte en aflostermijn adviseer je aan Ralph en Mariëlle en waarom?

Antwoord vraag 24

Ze willen een vaste maandlast en maximaal €500 uitgeven per maand. Dat mag ook minder zijn! Ze willen het krediet binnen 8 jaar hebben afgelost. De waarde van de boot neemt af naar mate hij ouder wordt. Gezien bovenstaande is een aflopend krediet van €34.000 met een looptijd van 96 maanden (8 jaar) een goed advies.

Mocht blijken uit de lasten berekening dat de lasten hoger zijn €500 per maand, dan kun je er in overleg met de klanten altijd voor kiezen om de looptijd te verlengen.

Vraag 25

Stel dat Ralph en Mariëlle de lening niet in zijn geheel willen afbetalen en rekening willen houden met de

restwaarde van €10.000 die de boot over acht jaar heeft. Welke kredietvorm zou je dan ook kunnen adviseren? Wat houdt dat in?

Antwoord vraag 25

Een persoonlijke lening met een slottermijn van €10.000. Dit houdt in dat de slottermijn aan het einde van de looptijd in 1 keer moet worden terug betaald. Dit zou kunnen uit de verkoopopbrengst van de boot.

Toetsterm 1h.3

Vraag 26

Waarom heeft de ene kredietsoort een hogere rente dan de andere kredietsoort?

Ook bij deze vraag is overzicht erg belangrijk. Om de vraag te beantwoorden moet je weten wat de wensen en doelstellingen zijn van Ralph en Mariëlle. Lees hiervoor de casus nog eens door en bekijk wat hierover is geschreven. Het kan je helpen om deze wensen op te schrijven. Vervolgens beoordeel je welke kredietvorm aan al deze wensen voldoet. Het klantbelang staat centraal dus het heeft de voorkeur een kredietvorm te kiezen die aansluit bij alle wensen van de klant. Alleen wanneer je belangrijke redenen hebt om hier in het klantbelang van af te wijken, is dit toegestaan.

Een slottermijn kan een goed advies zijn als het aan te schaffen product een restwaarde heeft. Belangrijk is de vraag waarvoor de klant deze restwaarde wil gebruiken. Als hij deze wil gebruiken om een nieuwere boot aan te schaffen, is het onverstandig om een lening met een slottermijn te adviseren, aangezien de restantwaarde van de boot dan wordt gebruikt om een nieuwe boot van te kopen.

(25)

Antwoord vraag 26

Een grote invloed op de rente heeft de zekerheid die de kredietverstrekker heeft. Bij een blanco krediet staat er geen zekerheid tegenover de lening. Terwijl bij een hypothecair krediet de kredietverstrekker wel veel zekerheid heeft. Als de klant de lening niet betaalt, dan kan de kredietverstrekker de woning verkopen. Ook kredieten als het effectenkrediet of een pandkrediet geven de kredietverstrekker extra zekerheid. De rente zal bij deze kredieten dus lager zijn dan bij een blanco krediet. Ook het type rente heeft invloed op de hoogte van de rente. Is de rente vast of variabel en hoe lang staat deze rentestand vast?

Toetsterm 1h.6 1.2.5 Risico’s

Vraag 27

Ralph en Mariëlle willen graag weten welke verzekering ze het beste voor hun boot kunnen afsluiten en wat dit kost. Hoe ga je als adviseur Consumptief krediet om met deze vraag?

Antwoord vraag 27

Je legt Ralph en Mariëlle uit dat jouw expertise consumptief krediet is en dat je hen doorverwijst naar je collega met de expertise schadeverzekeringen particulier.

Toetsterm 4a.3

Vraag 28

Op papier kunnen Ralph en Mariëlle het gewenste kredietbedrag lenen. Waarop dien je Ralph en Mariëlle nog te wijzen met betrekking tot eventuele overkreditering?

Antwoord vraag 28

Ondanks dat het eventueel mogelijk is om het krediet aan te gaan binnen de leennormen, moeten zij de maandverplichting wel kunnen dragen, rekening houdende met hun uitgavenpatroon.

Wanneer het gaat om het beoordelen welk product het beste is in een specifieke klantsituatie, spreken we van adviseren. Een adviseur Consumptief krediet mag adviseren in consumptieve kredieten en bijpassende verzekeringen (bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsverzekering om

de lasten van het krediet op te vangen bij arbeidsongeschiktheid). Een verzekering voor de boot valt hier niet onder, een doorverwijzing is dus noodzakelijk. Maar verwijs niet te snel door. Je moet wel zeker weten of doorverwijzen zinvol is en naar wie je het beste kunt doorverwijzen. Daarom zal je wel altijd de precieze klantvraag moeten inventariseren.

(26)

Toetsterm 1c.2

Vraag 29

Over welke risico’s moet je nog in gesprek met Ralph en Mariëlle zodat je hiermee rekening kunt houden in je advies?

Antwoord vraag 29

Echtscheidingsrisico, arbeidsongeschiktheidsrisico, overlijdensrisico, en werkloosheidsrisico. Het krediet is afgelost voordat Ralph en Mariëlle de pensioengerechtigde leeftijd behalen. Het is dan ook niet verplicht om het inkomen bij pensionering te bepalen.

Toetsterm 1d.2

Vraag 30

Op welke wijze kunnen Ralph en Mariëlle deze risico’s beter beheersbaar maken?

Antwoord vraag 30

Door deze risico’s voor zover mogelijk af te dekken middels verzekeringen. Daarnaast is het natuurlijk ook mogelijk om te sparen zodat er een buffer wordt opgebouwd. Wanneer de betreffende risico’s zich voordoen kan dan worden ingeteerd op het vermogen. Het gevaar hierbij is echter dat het risico zich voordoet voordat Ralph en Mariëlle voldoende hebben gespaard. Een verzekering biedt dan uitkomst. Overigens kan inkomensverlies als gevolg van echtscheiding niet worden afgedekt via een verzekering.

Toetsterm 1c.1

Vraag 31

Bereken het bruto inkomen dat Ralph en Mariëlle ontvangen als zij minimaal drie maanden werkloos zijn.

In dit voorbeeld kunnen Ralph en Mariëlle ruimschoots voldoende lenen. De kans dat zij de lening door te hoge uitgaven aan andere producten niet kunnen terugbetalen is dus beperkt. Het is echter wel iets dat altijd nagegaan moet worden. Het is fijn dat de klant de lening op papier kan krijgen, maar kunnen ze het daadwerkelijk betalen? En indien dit niet zo is: kan en wil de klant zijn uitgavenpatroon wijzigen? Als dit niet het geval is, is het onverstandig om de lening aan te gaan. Je moet als adviseur Consumptief krediet de klant in bescherming nemen tegen zichzelf. Bij een budgetdiscipline die niet toereikend is en niet aangepast zal worden, wijs je het krediet af.

Wanneer genoemde risico’s zich voordoen kan dat impact hebben op de betaalbaarheid van het krediet. Je moet vaststellen welke risico’s een rol spelen en hoe groot de financiële impact hiervan is. Door je advies over de genoemde risico’s te onderbouwen met cijfers, kan de klant beter inschatten wat voor hem de gevolgen zijn. Dit helpt bij het nemen van beslissingen.

(27)

Antwoord vraag 31

Als je werkloos raakt heb je recht op een WW-uitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt de eerste twee maanden 75% van het laatst verdiende inkomen met een maximum van het maximale dagloon. Na twee maanden bedraagt de uitkering 70%. De duur van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden.

Huidige inkomen Inkomen WW Ralph Inkomen WW Mariëlle

Inkomen Ralph €4.000 €4.000 €4.000

Inkomen Mariëlle €3.750 €3.750 €3.750

Inkomen Ralph bij WW €2.800 €2.800

Inkomen Mariëlle bij WW €2.625 €2.625

Totalen €7.750 €6.550 €6.625

Achteruitgang inkomen €1.200 €1.125

Vraag 32

Wanneer heb je recht op een WW-uitkering?

Antwoord vraag 32

-om recht te hebben op een WW-uitkering moet je voldoen aan de volgende criteria:

-betrokkene moet verzekerd zijn;

-er dient sprake te zijn van onvrijwillige werkloosheid;

-de werknemer moet voldoen aan de zogenoemde referte-eis;

-betrokkene is direct beschikbaar voor betaald werk;

-betrokkene verliest minimaal 5 uur per week waarbij geen recht meer bestaat op loon over deze verloren gegane uren;

-er mag geen sprake zijn van een zogeheten uitsluitingsgrond.

Toetsterm 1d.1

Vraag 33

Welk advies zou jij Ralph en Mariëlle geven over het werkloosheidsrisico?

Antwoord vraag 33

De terugval van inkomen is behoorlijk. De mogelijkheid bestaat om dit risico te verzekeren, bijvoorbeeld in combinatie met de arbeidsongeschiktheidsdekking. De vraag of dit een goed advies is, is afhankelijk van de wensen van Ralph en Mariëlle. Hoe zien zij het leven voor zich als ze werkloos worden? Wat verandert er in hun uitgavenpatroon?

In deze vraag heb je aangegeven wat de daling is van het bruto inkomen. Dit wil echter niet zeggen dat dezelfde impact aanwezig is op het netto inkomen. Hierbij spelen ook andere zaken een rol zoals bijvoorbeeld het vervallen van het recht op arbeidskorting.

(28)

Toetsterm 2e.1

Omdat Ralph en Mariëlle in de normale situatie ruim voldoende leencapaciteit hebben om de lening te verkrijgen ligt het gevaar op de loer dat je de aanname doet dat werkloosheid geen probleem is. Hoe echt met dit risico moet worden omgegaan is echter afhankelijk van de wensen van de klant.

Klanten die ruim voldoende leencapaciteit hebben willen zich misschien verzekeren omdat ze hun

bestedingspatroon niet willen aanpassen na werkloosheid. En klanten die maar net voldoende leencapaciteit hebben, willen zich misschien niet verzekeren omdat ze bereid zijn te verhuizen naar een goedkopere woning als ze werkloos worden. Zo zie je dat een goed advies niet alleen gebaseerd is op de financiële positie van de klant, maar ook op ‘zachte’ gegevens zoals de wensen en doelstellingen van de klant.

(29)

Hoofdstuk 2 Bijlage ‘Leennormen per 1 juli 2017’

Afbeelding

Updating...

Referenties

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :