Hele tekst

(1)

% M — Lf"

**#?

iffe^ *rS- Ui\

i -'V*

1 IT.

4-VJ-

Le

\ AWW & a

*Vi

Vi

y ifrf >: *vr

"4 . *•* , k-ï f- •>. A * U >- « ï V

*T, » ' À *

A/- K

K V

v h JW

(2)

ssssesnss?

* n

'•CV

(3)

*

(4)
(5)
(6)
(7)

DE INDISCHE GIDS,

T E V E N S NIEUWE S E R I E VAN HET

TIJDSCHRIFT VOOR NEDERLANDSCH-INDIË.

Hoofdredacteur: GEORGE NYPELS.

Z E V E N EN V E E R T I G S T E J A A R G A N G .

II

( A f l e v e r i n g VII—XII).

r S^^JUPXS«^-?) >scr-r

Drukkerij en Uitgeverij

J. H . D E B U S S Y .

A M S T E R D A M , A». 1 9 2 5 .

(8)

I

(9)

Java-oorlog op 20 Juli 1825,

DOOR

G E O R G E N Y P E L S .

\

I n de gansche geschiedenis der Nederlanders in Indië heeft geen andere inlandsche figuur de aandacht van den Nederlander zóó ge- trokken als m e t die van den J a v a a n s c h e n prins h e t geval is geweest, die gedurende bijna vijf jaren de, m e t alle t e bedenken middelen versterkte, Indische legermacht in actie hield en die t e n slotte nog gevangen genomen werd op een wijze, waartegen hij hooghartig protest heeft uitgesproken. M e n kan zeggen, d a t Dipâ Negârâ de cenigo bestrijder van het Nederlandsche gezag in Indië is geworden, wiens n a a m in de volksoverlevering hier t e lande is overgegaan en bewaard wordt.

W e r d hij, uit den aard der zaak, eerst bekend als de rebel, die zich vergreep aan Nederlands r e c h t m a t i g gezag, en daarbij voor- gesteld als een opstandeling, die zich aanspraken en rechten wilde aanmatigen, die zich ten troon wilde verheffen en uit eigen belang het volk in verzet en oorlog hield, in de loop der sedert verloopen eeuw heeft onbevooroordeeld onderzoek t o t erkenning geleid van het verklaarbare, rechtmatige en edele in Dipâ N e g a r a ' s optreden, drijven en strijden, en tot veroordeeling van tekortkomingen en fouten der Indische regeering en van h e t wanbeleid en h e t wangedrag van eenige a m b t e n a r e n . I n lof en in kritiek is m e n ook weer te ver ge- gaan, n a a s t de pogingen om inderdaad onbevooroordeeld t o t eetn conclusie te komen, is de l u s t t o t kritiek velen p a r t e n blijven spelen, en heeft de persoonlijke appreciatie van persoonlijke eigenschappen niet t e verzoenen inzichten in kijf gelaten. Zoo k a n m e n zeggen, dat in h e t oordeel over de personen, zoowel over h e m , die de held van den

•Java-oorlog is geweest, als over generaal M. de Koek, die de aan- voerder is gebleven van de Nederlandsche strijdkrachten, nog steeds

3?

(10)

578

eeiiige schakeering is gebleven, m a a r over de gebeurtenissen, die samen de voorgeschiedenis u i t m a k e n van de groote worsteling, die op 20 J u l i 1825 uitgebroken is, zijn de geschiedschrijvers vrijwel tot overeenstemming gekomen.

Van inlandsche-, speciaal van J a v a a n s c h e zijde is Dipâ Negara nooit anders dan als strijder voor vrijheid en recht beschouwd, al zijn er verklaringen bij t e brengen van J a v a n e n , die zich onder in- vloeden v a n tijd of plaats afkeurend over handelingen van den leider v a n den opstand hebben uitgelaten, en van enkelen, die op zijn m a n i e r van optreden iets vonden af te dingen. Met. het herleven v a n h e t J a v a a n s c h e nationaliteitsbesef zal de stralenkrans om zijn hoofd stellig in schittering toenemen. De zooeven bedoelde scha- keering in personen-beoordeeling, door drang tot kritiek en t o t uiting van persoonlijke appreciatie, zal dan vermoedelijk ook in schelle tegenstelling verlevendigd worden. M a a r voor de feiten zal daarbij waarschijnlijk geen nieuwe stof bij te brengen zijn, die hetgeen m e n weet van de voorgeschiedenis van den 20en J u l i 1825 op een andere wijze zal doen bezien en beoordeelen, dan m e n m e t de t h a n s be- schikbare gegevens k a n doen.

Zoo kan van de oorzaken en de aanleiding tot het uitbarsten van h e t verzet op dien d a t u m een overzicht g e m a a k t worden, dat de alge- meen gangbare lezing s a m e n v a t , hetgeen in de hier volgende schets dan ook is beproefd.

H e t zou zeker ook belangwekkend zijn daarna in herinnering te brengen wat zich als gevolg van die daad in eerste en in verdere strekking ontwikkeld heeft; m a a r aan die mer à boire zet ik mij niet. Vermag mijn eeuwherinnering ook voor h e t later gebeurde be- langstelling te wekken, dan k a n deze bevrediging vinden in 't bekende werk „ D e Java-oorlog van 1825—'30", w a a r v a n de eerste 3 dealen door P . J . F . Louw, de laatste 3 door E . S. de Klerek zijn samenge- steld, v r u c h t van een geheel aan die studie gewijden arbeid van vele jaren, daar het eerste deel in 1894, het laatste in 1909 verscheen.

Zooals De Klerek in den aanhef van h e t laatste deel terecht op- merkte, was m e t den val van den hoofdrebel h e t vraagstuk der J a v a s c h e zelfbesturen geenszins van den kalender gewischt, doch enkel een nieuw stadium ingetreden: hoe de rust blijvend te ver- zekeren? H e t antwoord hierop is weer een dik boekdeel geworden.

Zooals gezegd', mijn bedoeling is niet de gevolgen van den 20en J u l i 1825 uit t e pluizen, of in nootendop s a m e n te persen.

Wel spreekt 't van zelf, dat het oordeel over het karakter van den prins, die zich tot rebel m a a k t e , zooals dit n u uitgesproken wordt beïnvloed is door de daden en de uitingen, die later van h e m bekend zijn geworden. Kort na de verschijning van L o u w ' s eerste deel, brachten de „Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van N . - I . ( X L V I , 1896") een aardige karakterstudie door P . H . van der

(11)

K e m p , wier opschrift: „Dipâ Negara, een geschiedkundig H a n i i e t - t y p e " , al aangaf hoe de schrijver den tragedieheid zag. Hij heeft daarin het oordeel van velen tot een goed geheel v e r w e r k t ; Dipâ Negara is zich in zijn type trouw gebleven. D a a r n a heeft D e Klerek zich m e e r m a l e n gezet tot het doorgronden van de beweegredenen en gemoedstoestanden, die Dipâ Negara's handelingen hebben be- stuurd. Hij heeft in zijn werk getuigenis afgelegd v a n de daarbij ver- kregen uitkomsten. Hij deed dit nog eens en opzettelijk bij het af- sluiten der gebeurtenissen (Ve deel, blz. 601 e.V.). Zijn breed betoog is s a m e n te v a t t e n in deze regels e r v a n : ,,Zoo k a n dus h e t oordeel over Dipâ Negârâ als leider van den opstand in h a a s t geen enkel opzicht gunstig zijn. Anders echter is dat over h e m als mensch in h e t algemeen, als J a v a a n s c h prins in het bijzonder. Keeds de motieven, die h e m t o t verzet, passief aanvankelijk, hebben gevoerd pleiten voor h e m . "

W a n n e e r m e n er toe k o m t voor de daden van 1824 en '25 den maatstaf der latere beoordeeling te gebruiken, iaat m e n h e m zoo- doende slechts te m e e r recht wedervaren, en de slotsom der jongste studie leidt, wel eigenaardig, voor deze beoordeeling juist terug n a a r de handelingen der eerste dagen, een bevestiging van 't zich trouw blijven v a n h e t H a m l e t t y p e .

Volge dan n u de schets, die de oorzaken van- en de aanleiding tot den opstand in herinnering brengt, herinnering die bij niemand een feeststemming zal opwekken.

Om de oorzaken en de spoedige uitbreiding van den, in 1825 in Midden-Juva, uitgebroken opstand te begrijpen, is het noodig een blik te slaan in de vroegere geschiedenis der vorstenlanden.

De invloed der O.-l. Compagnie was, o m t r e n t 1700, in Midden- J a v a reeds zoo groot, dat zij eene overwegende s t e m deed geiden bij de troonsopvolging in het nog machtige M a t a r a m s c h e rijk. Toen in 1704 de Vorst van dit rijk overleed, meende zij, dat de oudste zijner zonen h a a r niet gunstig gezind was en verhief zij daarom een anderen zoon, als Pakoe Boewânâ I , tot Keizer of Soesoehoenan.

Hieruit ontspon zich eene reeks van politieke verwikkelingen. De oudste zoon toch k w a m in verzet tegen die beslissing en weldra vormde zich eene partij, die zijne zijde koos. D a a r m e d e begon een binnenlandsche oorlog, welke t o t 1755 duurde, want wel werd de strijd tusschen de t w e e broeder-vorsten eerder beslist, m a a r bij elke troons- opvolging 1) of bij elk politiek geschil ontbrandde hij weer, tusschen de p r e t e n d e n t e n van beide t a k k e n of h u n aanhang.

*) De opvolgende keizers waren : Pakoe Boewânâ I, Amangkoe Kat, Pakoe Boewänä II", bij wien wij het geregeld overzicht hier beginnen.

(12)

580

De O.-I. Compagnie n a m aan al die woelingen een m e e ï of m i n d e r rechtstreeksch deel en wist h a a r invloed geleidelijk uit te breiden.

Vooral h e t jaar 1743 was voor h a a r v a n beteekenis. De Soesoehoenan Pakoe Boewânâ I I was door een opstand onttroond. Door de hulp der Compagnie op den troon hersteld, moest hij dit o.a. betalen m e t den afstand van alle k u s t l a n d e n v a n J a v a , tot 600 roeden land- waarts, benevens den oosthoek van J a v a en h e t eiland Madoera, zoodat M a t a r a m van de zee afgesloten en zeer ingekrompen werd.

Zij streefde er naar, in het overschot van het M a t a r a m s e h e rijk, den vrede door kracht van wapenen te verzekeren, doch mocht daarin niet slagen. I n 1749 stond P a k o e Boewânâ I I haar, op zijn sterfbed, zijn rijk af, waardoor zij rechtmatige opperheerscheres werd. Zij verhief den zoon, als Pakoe Boewânâ I I I , tot Soesoehoenan, doch het m o c h t h a a r ook nu niet gelukken vrede in h a a r gebied te brengen.

E e n invloedrijk prins bleef den opstand m e t succes voeren. D a a r de oorlog s c h a t t e n verslond, k w a m de Compagnie tot het voornemen eenen anderen weg in te slaan, namelijk h e t rijk in twee deelen te plitsen; het eene zou aan den Keizer blijven, terwijl het andere geschonken zou worden aan den prins die destijds aan het hoofd der oproerige partij stond. Zoowel Pakoe Boewânâ I I I , die den titel van Soesoehoenan behield en Soerakarta als zijn deel kree°-, als de weer- spannige prins, welke, als Amangkoe Boewânâ I , tot Sultan van Djokjokarta uitgeroepen werd, stelde zich m e t deze regeling t e - vreden.

Toch was de r u s t nog niet hersteld. I n Soerakarta, of Solo, bleef een prins, Mangkoe Negara, welke niet voldaan was over de positie, die h e m in den nieuwen s t a a t van zaken toegedacht was, de troebelen gaande houden. H i e r a a n k w a m eerst een einde toen de Compagnie dezen prins, in 1757, eene landstreek afstond, welke hij rechtstreeks onder haar, dus onafhankelijk van den Soesoehoenan, als P r a n g W e d a n a , besturen zou.

L a t e r werd, zooals wij weldra zullen zien, ook in Djokjokarta of Djokjâ, eene landstreek aan een slechts van de regeering t e B a t a v i a afhankelijken prins geschonken. H e t aldus verbrokkelde gebied wordt algemeen ,,de V o r s t e n l a n d e n " genoemd *).

D e verdeeling vermocht niet Midden-Java den vrede lang te ver- zekeren. D e eerste opvolgers v a n Pakoe Boewânâ I I I en Amangkoe Boewânâ I waren der Compagnie en den E u r o p e a n e n in het alge- m e e n vijandig gezind. Amangkoe Boewânâ I I , die onder den n a a m van Sultan Sepoeh zeer bekend is geworden en ook in den J a v a - oorlog nog eene rol heeft gespeeld, uitte die gezindheid zóó sterk,

l) Het gebied van den Soesoehoenan, zoowel als dat van den Sultan, werd eerst in 1811, door Daendels. daarna in 1812 door Eaffles, en vervolgens weer in 1830, bij het einde van den oorlog, belangrijk ingekrompen.

(13)

dat Daendels h e m van den troon zette en zijnen zoon, Amaugkoe Boewânâ I I I , daarop p l a a t s t e . De Keizer van Solo werd door dit voorbeeld en door machtsvertoon tot k a l m t e gebracht. I n zijn gebied is de r u s t feitelijk niet verstoord geworden.

N a d a t Daendels J a v a in 1811 verlaten h a d en de koloniën in h a n d e n der Engelschen waren overgegaan, drong Sultan Sepoeh zijn zoon weer van den troon, hetgeen aanvankelijk door Eaffles geduld werd. M a a r toen de Sultan in 1812 verdacht werd het Bngelsche juk te willen afwerpen, r u k t e Generaal Gillespie n a a r Djokjâ op en over- won, zonder veel moeite, den daar geboden weerstand. Sultan Sepoeh werd n a a r Poeloe P i n a n g verbannen en zijn zoon weer op den troon hersteld. Eaffles m a a k t e van deze gelegenheid gebruik om ook in Djokjâ aan een van den Sultan onafhankelijken prins, P a k o e Alam, die rechten op den troon m e e n d e t e hebben, rechtstreeks onder het Europeesche gezag een klein vorstendom t e schenken.

I n dezen tijd was het zaad der tweedracht, waaruit in 1825 de op- stand gegroeid is, eigenlijk reeds gelegd. Door de herhaalde inkrim- ping en splitsing van h e t oude M a t a r a m s c h e gebied was het gezag der vorsten verminderd, zij zochten in uiterlijk vertoon en weelde- rige hof inrichting een tegenwicht voor het aangetaste prestige. H u n n e levenswijze werd zoodoende op grooter voet ingericht, terwijl de middelen daartoe moesten worden opgebracht door m i n d e r onder- danen. Alle belastingen en opbrengsten werden dus drukkender, het- geen veelal aan de nieuwe inrichting van h e t b e s t u u r geweten werd.

D e tweespalt, welke onder S u l t a n Sepoeh aan het hof o n t s t a a n was, had ook de bevolking in partijen verdeeld. Bij zijne oproeping tegen het Europeesche bewind was gebleken, dat de Sultan vele aan- hangers had. Met zijne verbanning was de partij, welke de vreemde overheersching vijandig was gezind, geenszins uitgeroeid, wel was zij door die daad nog m e e r verbolgen. De kiemen van ontevredenheid, wrevel, h a a t , verzet, opstand waren dus reeds aanwezig. De om- standigheden zouden beslissen in hoever h e t onkruid of tijdig uit- geroeid, "dan wel gevoed zou worden om zich tot eene krachtige plant t e ontwikkelen.

N a d a t Nederland, in 1816, J a v a weer van Engeland overgenomen had, werkten de omstandigheden h e t herstel der r u s t in Djokjâ weinig in de h a n d .

Onder de zwakke opvolgers van Sepoeh won een zucht tot na- volging der E u r o p e a n e n , ook in h u n n e slechtste gewoonten en ge- bruiken, aan het hof veld. Dit verbitterde de tegenstanders van het vreemde gezag nog m e e r ; zij zagen de oud-Javaansche zeden en de voorvaderlijke godsdienstvoorschriften bespotten en verguizen. E n

(14)

582

daar h e t Nederlandscbe b e s t u u r de Europeesch-gezinde partij op- vallend bevoorrechtte werd de kloof geleidelijk grooter.

De partijgeest werd nog bevorderd, doordien binnen een kort tijds- verloop m e e r m a l e n door h e t Europeesch gezag in de voogdij van een minderjarigen sultan voorzien m o e s t worden. Beeds onder Eaffles was, n a het overlijden van Amangkoe Boewânâ I I I , in 1814, een voogd voor diens minderjarigen zoon benoemd. P a n g e r a n Pakoe Alam, toen daartoe gekozen, was door velen beschuldigd, die waardig- heid m e e r t e n eigen b a t e , dan t o t voordeel van den S u l t a n of v a n h e t land aangewend te hebben. Algemeen was dan ook de vreugde ge- weest, toen Sultan Amangkoe Boewânâ I V , in 1818, meerderjarig geworden, zelf h e t bestuur aanvaard h a d .

Deze overleed echter reeds in 1822, toen de Kroonprins slechts twee jaren oud was. Weer, en nu voor langen tijd, moest door onze regeering de moeilijke quaestie, het voorzien in de voogdijschap, op- gelost worden. De ontevredenheid, welke Pakoe Alam opgewekt had, leidde er toe h e m ditmaal niet in aanmerking te brengen en bij voor- keur m e e r dan één persoon daarmede te belasten. H e t regent- en voogdijschap werd op de volgende wijze geregeld:

a. H e t rijkszegel, waarmede alle besluiten bekrachtigd moesten worden,-, zou in h a n d e n van den E e s i d e n t blijven, tot instand- houding van het rijk en ter bevordering der belangen van den jongen Sultan en v a n zijne onderdanen.

b. H e t beheer der landen behoorende tot h e t rijk van Djokjokarta,.

werd opgedragen aan den B i j k s b e s t i e r d e r1) , welke van geen be- staande gewoonten of regels m o c h t afwijken zonder machtiging van den Eesident.

c. De eigenlijke voogdij over den jongen vorst, voor alles wat zijne opvoeding en het beheer zijner eigendommen betrof, k w a m aan zijne grootmoeder, zijne moeder, een oudoom Pangeran Mangkoe Boemi en een oom P a n g e r a n Dipa Negara.

De samenstelling van dit regent- en voogdijschap was weinig ge- schikt om m e e r eenheid aan het hof te brengen. D e Bijksbestierder was een vreemdeling, van Balineesche afkomst. De J a v a a n s e h e grooten benijdden en h a a t t e n h e m , hetgeen hij, aanmatigend van aard, aanwakkerde door hen geringschattend te behandelen. D a a r het be- heer der rijkslanden niet scherp afgescheiden was van dat der eigen- d o m m e n van den Vorst, was h e t te voorzien, dat in den boezem van den raad botsingen zouden o n t s t a a n , terwijl het de beide J a v a a n s c h e Prinsen ook krenken moest, den vreemdeling een aandeel in het be-

l) De Bijksbestierder is de hoogste inlandsche ambtenaar; hij is de uit- voerder van alle besluiten van het gouvernement en van den Vorst en oefent op den laatste tevens de noodige controle uit.

(15)

s t u u r van het rijk toegedacht t e zien, terwijl h u n slechts recht van spreken gegund was voor de directe belangen van den Sultan.

D e n Resident was bij deze regeling eene groote m a c h t toegekend.

W a s deze hoogste Nederlandsche a m b t e n a a r een m a n u i t m u n t e n d door doorzicht, werkkracht en beleid, wist hij zoowel den Bijks- bestierder als de Prinsen binnen de grenzen h u n n e r bevoegdheid t e houden, dan zou h e t wellicht mogelijk geweest zijn de nadeelen van een veelhoofdig regentschap meerendeels op te heffen. I n dezen tijd trad echter de H e e r Smissaert als E e s i d e n t op, hij was een gemak- zuchtig, weinig doorzicht hebbend a m b t e n a a r , die vóór h e t aan- vaarden v a n het b e s t u u r zelf twijfel u i t t e over zijne geschiktheid voor deze betrekking. Hij liep weldra aan den leiband van den Rijks- bestierder en van den Assistent-Resident Chevallier, welke beiden meenden, de Nederlandsche belangen h e t best t e dienen door de oud- J a v a a n s c h e partij t e onderdrukken of m i n a c h t e n d ter zijde t e stellen.

Van de twee P a n g e r a n s , welke zitting h a d d e n in den raad v a n voogdij, was Mangkoe Boemi eene zwakke, weifelende persoonlijk- heid, welke niet geacht kon worden zich beslist bij een der hofpartijen aangesloten te h e b b e n ; de andere, Dipâ Negara, had als oudsten, doch uit een niet-gelijkgradig huwelijk gesproten, zoon v a n Amangkoe Boewânâ I I I de hoop gekoesterd zelf den troon van Djokjâ te be- stijgen, doch had zijn jongeren broeder, uit een hooger huwelijk, volgens de adat moeten laten voorgaan. Daarover bestond bij h e m nog steeds ergernis ! Hij was een vroom en dweepziek prins en de oud-Javaansche partij toegedaan. Zoowel op den Eijksbestierder, dien hij als een v r e e m d e n indringer beschouwde, als op zijne m e d e - voogdes, des Sultans grootmoeder, op wier zedelijkheid veel viel aan te merken, was hij verbitterd en vergramd. Bij samenvoeging v a n zoo tegenstrijdige elementen in een raad van voogdij konden moeilijk- lieden niet lang uitblijven.

B o v e n wezen wij er op, hoe het volk, reeds onder Sultan Sepoeh, zijne ontevredenheid over den heerschenden toestand u i t t e . Die s t e m m i n g werd aangewakkerd door eene belasting, wier inning bij de tolpoorten op zoodanige wijze door de Chineesche pachters ge- schiedde, dat zij eene stelselmatige uitzuiging werd, vaak m e t kneve- larijen gepaard. De klachten hierover n a m e n ten slotte zoodanigen omvang, dat de regeering het plan vormde de tolpoorten op te heffen, m a a r ter schadeloosstelling den afstand van eenige landen eischte, waardoor weer vele hoofden in h u n n e belangen moesten geschaad worden en de druk der belastingen m o e s t toenemen.

Zóó werden de gemoederen velerzijds vergald ; zóó vormde zich, als van zelf, een a a n h a n g voor den m a n , die h e t wagen zou in verzet te k o m e n tegen het gehate gezag; zóó werd het mogelijk gemaakt, d a t openlijk verzet weldra het geheele land in opstand zou brengen.

(16)

584

Wij zullen zien, hoe de gebeurtenissen Dipa Negârâ er toe gebracht hebben de oproeping daartoe te doen en zich aan het hoofd van den opstand t e stellen.

Onder Amangkoe Boewâna I V waren, voor h e t eerst, op aan- sporen van onze a m b t e n a r e n , uitgestrekte landerijen door den Vorst en de grooten aan E u r o p e a n e n verhuurd. De bedoeling was goed:

de voorname J a v a a n s c h e verhuurders zouden daarvoor vaste s o m m e n 's jaars ontvangen, en de Europeesche h u u r d e r s den geringen J a v a a n tegen een vast loon op de landen laten werken, terwijl zij de produc- tie konden regelen, zooals zij voor de Nederlandsche m a r k t het voor- deeligst achtten. De practijk beantwoordde echter niet aan die be- doeling. D e prinsen en grooten, welke geen verstand van geldbeheer hadden, verteerden spoedig de gemakkelijk verkregen inkomsten in weelde en brasserijen, en bevonden zich daarna in geldgebrek. Hierin voorzagen zij door voorschotten te vragen, dus door schulden aan te gaan of door, misbruik van h u n n e m a c h t of van h u n n e n invloed m a k e n d , den eenvoudigen desa-bewoner uit te zuigen. De J a v a a n plukte van die landverhuring dus slechts wrange vruchten. Naar ge- lang de verhuringen in a a n t a l t o e n a m e n , werden de klachten dan ook m e e r algemeen en in 1823 besloot de rcgeering te B a t a v i a , aan dien toestand voor goed een einde te m a k e n .

I n stede echter van de misbruiken door een weldoordachten m a a t - regel uit t e roeien, werden de bestaande contracten van landverhuring in de vorstenlanden in eens vervallen verklaard, terwijl de J a v a a n s c h e verhuurders aan de Europeesche h u u r d e r s schadevergoeding moesten betalen voor de kosten, welke deze aan de landerijen besteed hadden, of voor de vruchtboomen, welke zich daarop bevonden.

W e r d deze maatregel eerst m e t vreugde begroet weldra bleek, dat alle belanghebbenden er zeer door benadeeld werden. De landerijen waren voor een groot gedeelte ingericht voor eene productie (voor- namelijk koffie), welke eerst na jaren voordeelen afwerpt; de vroe- gere verhuurders kregen dus een eigendom t e r u g dat nog niets op- bracht en zij moesten aan de huurders eene groote schadevergoeding betalen, waartoe zij de middelen niet bezaten. Beiderzijds dus s c h a d e , ja veelal gebrek, beiderzijds verbolgenheid en moeilijkheden. Daar- van m a a k t e n woekeraars, en vooral geslepen Ghineezen, gebruik, om zich van de landerijen m e e s t e r te m a k e n , welke de eigenaars uit behoefte aan geld ver beneden de waarde verkochten. Zoo viel de kleine m a n , welke bestaan moest van het bearbeiden der landen, vaak in h a n d e n van gewetenlooze meesters, terwijl hij bovendien uitgeperst werd door de J a v a a n s c h e grooten, die de middelen, om aan h u n zucht t o t weelde te voldoen, van h e m moesten halen.

Ook de vorsten van Soerakarta en Djokjakarta h a d d e n landen in h u u r afgestaan en ook zij k w a m e n in moeilijkheden over de te be- talen vergoedingen. Aan de Residenten werd opgedragen deze te

(17)

onderzoeken en t e regelen. M e t den Soesoehoenan van Solo werd, na lang beraad eene regeling getroffen; in Djokjâ daarentegen ge- lukte h e t den E e s i d e n t Smissaert niet, m e t de voogden v a n den Sul- t a n , t o t overeenstemming te k o m e n . Deze achtten de som, welke de E e s i d e n t als vergoeding, voor een v a n den jongen S u l t a n gehuurd land, wensohte v a s t te stellen, veel t e hoog. Ten slotte dwong Smissaert hen echter t o t teekenen der vergoedingsakte, doch toen hij hen d a a r n a ontbood, om over andere gedeelten t e handelen, weiger- den Mangkoe B o e m i en Dipâ Negârâ te komen, wijl toch geen acht op h u n n e s t e m werd geslagen. D a a r m e d e begon de openlijke verwij- dering tusschen den Eesident m e t de aanhangers v a n h e t Neder- landsche gezag eenerzijds, en de verbolgen Prinsen m e t de vele ver- bitterden anderzijds.

D e wrok, welke zoo vooral in het gemoed van den hooghartigen Dipâ Negara vaste wortel schoot, vermeerderde t h a n s m e t den dag door nieuwe grievende bejegeningen. Dipâ Negara wist, dat velen n a a r verandering, n a a r verlossing van den drukkenden toestand ver- langden. Met de gedachte aan wraak, sloop die aan het afwerpen van h e t knellend juk in zijn h a r t en vermoedelijk was de hoop, eenmaal den troon van Djokjâ te bestijgen, daaruit ook nog niet geheel ver- bannen. Hij begon zich een aanhang te verwerven, zich als leider t e teekenen. D a a r t o e vestigde hij de aandacht der bijgeloovige gemeente op zich door stipte, in het oogloopende naleving v a n de voorschriften van den koran. Hij zonderde zich vaak geheimzinnig af, bezocht druk de voor heilig gehouden grotten en liet op zijn landgoed te Tegal- Eedjâ een grooten t e m p e l bouwen. Hij vond vooral steun bij de min- dere geestelijken, wier godsdienstige dweepzucht gemakkelijk aange- wakkerd werd, en onder wie voornamelijk Kjahi Mâdjâ op den voor- grond trad, die tijdens de eerste jaren van den oorlog een grooten invloed op den P r i n s is blijven uitoefenen.

D e bevolking was niet blind voor dit optreden. D a a r bij het eischen der schadevergoeding, tengevolge v a n do intrekking der landhuur- contracten, de a m b t e n a r e n eene groote rol m o e s t e n spelen, werd de schijn geboren, d a t de regeering zelf in die voordeelen deelde en zich verrijkte ten koste van den J a v a a n , en d a t de heerschende ellende dus door h a a r willens en wetens bevorderd werd. D e bevolking zag in Dipâ Negârâ een prins die hare s m a r t e n voelde, die h a a r h a a t deelde. Eindelijk wist deze zich nog tot een m a r t e l a a r te m a k e n . Op last van Chevallier werd zonder zijn medeweten, een rijweg, die over zijn erf te Tegal-Bedjâ (ruim één paal t e n N . W . van Djokjâ gelegen) liep, herstel en daartoe versperd. Dipâ Negara deed de werkers weg- jagen. D a a r m e n van beide zijden niet wilde toegeven, herhaalde dit- zelfde zich een paar malen, waardoor bij de bevolking nieuwe woede, m a a r ook nieuwe bewondering voor de kordaatheid van den P r i n s werd gewekt. E e e d s in dezen tijd ontving deze van m e e r dan eene

(18)

586

zijde de aansporing, de onderdrukking niet langer te dulden en zond hij brieven om tot samenwerking aan te sporen, als het tot verzet zou komen. Dientengevolge trokken velen nu reeds n a a r Tegal- Bedjâ op.

Terwijl het onheil zich zoo boven Djokjâ samenpakte bleef de Resident, welke daarvan niets b e m e r k t e , rustig op zijn buitenver- blijf 1) , 12 paal van de hoofdplaats gelegen. E e n e waarschuwing zelfs van den Eesident van Soerakarta, tot wien verontrustende berichten waren doorgedrongen, bracht daarin geen verandering. B e r s t toen den 18den J u l i 1825 eenige ernstige ongeregeldheden plaats h a d d e n in eene desa, die niet ver van zijn buitenverblijf verwijderd was, begon Smissaert argwaan te koesteren. Zooals doorgaans h e t geval is bij personen, welke n a groote nalatigheid plotseling het volle gewicht h u n n e r verantwoordelijkheid voelen, sloeg hij n u van het eene uiterste in het andere. Hij begaf zich n a a r de hoofdplaats en zond eerst een bode, d a a r n a een brief n a a r Dipâ Negara om opheldering t e vragen, over h e t verzamelen van volk en wapens, en toen daarop geen ant- woord k w a m ontving de mede-voogd, Mangkoe Boemi, de opdracht zijnen neef Dipâ Negara over te halen n a a r Djokjâ te komen. Deze bracht slechts een weigerend antwoord. Daarop gelastte de Besident, in woede ontstoken, h e m andermaal n a a r Tegal-Bedjâ te gaan en hij voegde d a a r a a n de bedreiging toe, dat over h e m en de zijnen onheil zou komen, wanneer hij zijnen neef niet m e d e terugbracht.

Mangkoe Boemi begaf zich den 19den tot Dipâ Negârâ, m a a r deze bleef volharden in zijne weigering en wist van de onhandige bedrei- ging van den Besident partij t e trekken, om zijn oom t e bewegen OOK niet n a a r Djokjâ terug te keeren. Toen deze hiertoe besloten h a d , richtten zij gezamenlijk den 20sten een brief aan Smissaert, waarin zij de verwijdering van den Bijksbestierder vroegen. Terstond werden twee toemenggoens m e t een schriftelijk antwoord gezonden, waarop bescheid werd gevraagd ; doch n a d a t deze vertrokken waren wist Chevallier den Besident over t e halen, h e m m e t 75 infanteristen, 50 huzaren en 2 stukken naar Tegal-Bedjâ te sturen, om de voogden ge- vangen te n e m e n .

Dit detachement k w a m o m t r e n t 5 u u r des n a m i d d a g s nabij de woning van Dipâ Negara, waar de voogden m e t de toemenggoengs nog over den brief van den Besident beraadslaagden. Vóór h e t huis was eene menigte samengestroomd, w-aaronder zich verschillende m e t pieken gewapende m a n n e n bevonden. Toen Chevallier dit zag ried hij h a a r aan uit elkander te gaan. Zij n a m daarop echter eene zóó dreigende houding aan, dat hij den C o m m a n d a n t v a n h e t detache- m e n t opdroeg haar uit elkander te jagen; eemige kanonschoten, ge-

l) Te Bedäja,

(19)

volgd door eene charge van de cavalerie, waarbij beiderzijds dooden en gewonden vielen, m a a k t e n den weg vrij. D e voogden waren bij het v e r n e m e n der schoten gevlucht en vielen niet in onze m a c h t . Zij n a m e n de wijk n a a r het Selarongsche gebergte.

Door deze handeling werd de verbittering tot het uiterste gevoerd;

de eerste offers w a r e n gevallen, de lang onderdrukte wrok b a r s t t e los, de opstand was onvermijdelijk geworden.

Uit het voorgaande blijkt, d a t de oorzaken van den in 1825 uit- gebroken opstand niet bij een enkel feit, noch bij een enkel persoon gezocht m o e t e n worden. D e partijschappen, welke aan een inlandsen hof schier altijd bestaan, kregen door vele omstandigheden, o.a. door de minderjarigheid van twee sultans, door de zucht tot- en den h a a t tegen het invoeren van Buropeesche gewoonten, grooten omvang en sterke spanning, en deelden zich ook aan de bevolking mede. Vele belastingen, waaronder die der tolpoorten en hare knevelarijen de m e e s t gehate was, de verhuring der landerijen eerst en daarna de intrekking der contracten b r a c h t e n ontevredenheid en gebrek over het geheele land. D e brandstoffen stapelden zich zoo geleidelijk op, reeds vóórdat Smissaert aan het b e s t u u r k w a m . Toen voegden zich daar echter de onhandige, v a a k zeel laakbare handelingen van de Nederlandsche a m b t e n a r e n , van den Eijksbcstierder en van h u n n e aanhangers bij, die de ontevredenheid t o t verachting en h a a t deden overslaan, en daartegenover trad de persoonlijkheid v a n Dipâ Negara langzamerhand op den voorgrond, als beschermer van de rechten van den jongen Vorst en van het verdrukte volk; eene rol waartoe hij als het ware door de gebeurtenissen genoopt werd, doch die h e m

zeker niet onwelkom w a s .

H e t is natuurlijk niet uit te m a k e n of h e t eenen anderen resident gelukt zou zijn, de vele redenen tot ontevredenheid en de vele moeilijkheden uit den weg t e r u i m e n ; zeker is het echter, dat Smis- saert d a a r n a a r zelfs niet gestreefd heeft. Hij heeft in alle gevallen het uitbreken van de onlusten in de h a n d gewerkt. Door hetgeen hij deed en naliet wekte hij de ergernis der bevolking op. N a Dipâ Negara lang geminacht te hebben, toonde hij zich plotseling bang voor h e m , toen de zaak een ernstig karakter dreigde t e krijgen, en liet hij zich t e n slotte overhalen t o t h e t geven van een bevel, d a t de goede trouw te n a k w a m . Zoo werd het laatste restje vertrouwen ge- fnuikt, de m a a t der grieven vol gemeten, de vlam in den brandstapel gestoken.

(20)

Het priesterwezen bij de Dajaks van Kota Waringin,

DOOK

Jb. MALLINCKRODT.

De godsdienst der Dajaks in h e t landschap K o t a Waringin (Z,- Borneo) is h e t Animisme. D e uitingen v a n d a t natuurgeloof, zooals we die bij andere primitieve volken aantreffen, vinden we ook hier.

H e t ligt dan ook in mijn bedoeling om in de hiervolgende bladzijden slechts een overzicht t e geven van de w e r k z a a m h e d e n van h e n die hier in de animistische maatschappij geacht worden te s t a a n tusschen m e n s c h e n en hoogere wezens. M a a r ik zal dan tevens gelegenheid k u n n e n vinden om den invloed na te gaan, die deze priesters op de bevolking uitoefenen.

De priesters in K o t a Waringin zijn voor verreweg het grootste deel m a n n e n , zeer zelden treft m e n hier — in tegenstelling m e t de Ngadjoe Dajaks — vrouwelijke priesters aan. D e verschillende s t a m m e n , die deze bovenlanden bewonen, hebben onderling nog een groot verschil in werkwijze bij godsdienstige, plechtigheden. I n hoofdzaak echter vallen twee kategorieën t e onderscheiden n.1. die van d e : 1. M a p a n en Eoekoe Dajaks, welke aan de W e s t g r e n s w o n e n ; 2. De overige D a j a k s t a m m e n .

Beide groepen hebben echter dit gemeen, dat bij sommige werk- z a a m h e d e n het hoofd als vertegenwoordiger zijner dorpelingen op- treedt om de gemeeffischapsbelangen voor de hoogere wezens te be- hartigen. Indien deze functionaris als zoodanig optreedt, volgt hij echter een andere werkwijze dan de ware priesters: het kenmerk van h e t verkeer m e t de hoogere wezens, de extase, wordt door h e m niet toegepast. Wij zullen dan ook zien dat slechts h e t verkeer m e t een bepaalde kategorie „ g e e s t e n " h e m mogelijk is.

H e t hoofd — de m a n t i r — t r e e d t op in die gevallen, waarin de gemeenschap in h a a r geheel belanghebbende is, behalve wanneer de hulp voor die gemeenschap moet verleend worden door hoogere voor h e m onbereikbare wezens, in welk geval hij de hulp van een werke-

(21)

lijken priester niet zal k u n n e n ontberen. I n al de werkzaamheden die hij verricht, k a n hij echter vervangen worden door eein priester (bolin).

De bezweringen dan, die in de eerste p l a a t s de gemeenschap in h a a r geheel raken, zijn die, welke betrekking hebben op de veldbe- werking en die, welke dienen t o t bescherming van h e t gemeen tegen vreemde invloeden. Dit n u zijn beide bezweringen, waarbij m e n zich te wenden heeft tot de aardbewoners, de Doewata, die in rivieren en in h e t land verblijf h o u d e n en die geen anderen zijn dan de voorouders.

De dorpsofferplaats en de steenen, die zich daar bevinden, zijn de hulpmiddelen om verbinding t e krijgen m e t die aardgeesten.

W a n n e e r aanraking gezocht wordt m e t die voorouders zal het hoofd — dat veelal het n a a s t s t a a t tot den in do panggoellaman ver- eerden stichter van do vestiging — optreden als tusschenpersoon ; de wijze waarop dat p l a a t s heeft, zullen we t h a n s nader beschouwen.

Zien we dan in de eerste plaats n a a r de veldbewerking. Daarbij is h e t van belang' dat de aardgeesten h u n n e medewerking vcrleenen, i m m e r s als zij — de bewoners van den grond — o n t s t e m d zouden ge- raken over de vernieling v a n h u n n e „ w o n i n g " , dan zouden ze door het zenden van allerlei plagen als overstroomingen, ongedierte enz., de oogst doen mislukken, J a , erger dan d a t : zo zouden de bewoners in h u n n e gezondheid k u n n e n schaden en allerlei onheil over het dorp brengen, onheilen die de grond, waarop m e n woont tot „ t a n a h s i a l "

zouden stempelen, m e t al do ongelukkige gevolgen daarvan.

H e t is dus een eerste vereischte dat m e n zich van de goede gezind- heid dier voorouders verzekert. Zoodra dan ook de bouwvelden, die het komende jaar zullen worden bewerkt, zijn uitgezocht, zoodra h e t meerendeel der dorpsgenooten, of in deze primitieve streken, waar m e n veelal in groepen samenwerkt, zoodra alle bewoners, hebben kennis gegeven aan h e t hoofd, dat ze h u n keuze bepaald hebben, zal door den m a n t i r een offer van rijst en kip worden gebracht bij de panggoellaman, en hij zal daarbij de aardgeesten mededeeling doen v a n h e t komende gebeuren, hij zal h u n hulp verzoeken voor h e t wel- slagen van dezen oogst, hij zal goede w a r m t e afsmeeken, opdat het branden zal gelukken; hij v r a a g t om muizen, varkens en rijstziekten t h u i s te houden en belooft voorts een extra kip, of iets anders, te zullen slachten als de oogst gunstig m o c h t zijn. Ten slotte verzoekt hij h u n de te bewerken velden te r u i m e n , o m d a t de kampongbewoners daar willen ladangen, tevens r a a d t hij de aardgeesten aan van de heerlijke spijzen te genieten, die hij benevens een weinig bloed op den steen in de offerplaats deponeert, en hij zet k a p m e s en patjol tegen de pagar van de panggoel l a m a n aan. Ook deze worden m e t bloed bestreken, opdat de zielestof dier voorwerpen krachtig moge zijn.

Na een en ander is het dorp p a n t a n g (in verbodstijd) of, in die streken waar m e n pantangbepalingen voor het geheele dorp reeds las-

(22)

590

tig begint te vinden, een deel van h e t dorp. M e n mag dan gedurende eenigen tijd, m e e s t a l één dag, geen r u m o e r m a k e n , m a g geen ver- zorgde dieren dooden, geen sieraden dragen, enz. E e r s t daarna begint m e n de eigenlijke veldbewerking, waarbij ook weer de noodige regelen in acht m o e t e n genomen worden, die ik elders hoop te beschrijven.

Bij de individueele veldbewerking n u zien we ook het individu zelf, zoo hij de omgang m e t de aardgeesten kent, een offer brengen. Wie dat niet k a n doen — dat zijn de vreemdelingen — zal zich van de hulp van een inwoner m o e t e n verzekeren. W e zien daaruit dat de leden der gemeenschap alleen k u n n e n o m g a a n m e t die hoogere wezens, die geacht m o e t e n worden zielen van afgestorvenen t e geven, terwijl m e n dit, als de bezwering algemeen beteekenis heeft, door het hoofd, den vertegenwoordiger, l a a t doen.

D e tweede bezwering is die, welke door het hoofd op dien zelfden tijd gehouden wordt, als hij n.1. op de toegangswegen t o t het dorp eveneens kleine offers opstelt, v a n dezelfde samenstelling als die boven reeds genoemd worden. D e woorden daarbij uitgesproken houden een verzoek in, om van de spijzen te genieten, m a a r h e t dorpsgebied niet te betreden.

Deze offers toch worden opgesteld vlak bij de plaats waar de paden in de „bebouwde k o m " der gemeente uitkomen. H e t zou toch niet onmogelijk zijn dat de aardgeesten, door de grondbewerking uit h u n n e woonplaats verdreven, zich zouden verplaatsen en per abuis h u n n e t e n t e n in de bebouwde k o m der gemeente zouden opslaan, en dit is gevaarlijk, dit zou sterfte k u n n e n veroorzaken. D e wegen zijn dan ook bij die offers steeds m e t een bamboestaketsel afgezet.

De derde bezwering wordt gehouden bij den aanplant. D e bewoor- dingen bij dat offer gebezigd, houden alleen het verzoek in onge- dierte e.d. op een afstand t e h o u d e n . Ook dit wordt bij elk veld afzon- derlijk nog eens door den individueelen planter herhaald, en wordt door h e m symbolisch voorgesteld bij den aanplant der soemangat padi.

Deze rijstziel vertegenwoordigt het geheele g e w a s ; door deze rijstziel m e t bloed t e besprenkelen en m e t ijzer te bezweren zal m e n het ge- heele gewas krachtig doen zijn; door deze padi toedjoeh lobang m e t toeba t e omringen om de ziekten te „vergiftigen" en door h a a r m e t de lans t e beschermen tegen het wild gedierte, b e s c h e r m t m e n h e t ge- heele veld. Door aan den rand der ladang een offermandje op t e stellen houdt m e n de eigenlijke aardbewoners op een afstand.

Als de rijst vrucht gaat zetten p l a a t s t m e n op de ladangwegen offers en hekjes ter afwering der booze geesten, die misschien toch — juist in deze belangrijke periode — rijstziekten zouden k u n n e n zenden. Ook zal de persoon, die een laag veld heeft bewerkt, zoodra h e t water gevaarlijk stijgt en zijn veld bedreigt, tot offeren aan de watergeesten overgaan en daartoe op de hoogste treden van h e t trapje.

(23)

dat van de rivier n a a r zijn veld voert, bloed sprenkelen, m e t verzoek om niet verder dan t o t hier t e stijgen. Blijft echter de rivier rijzen en o n t s t a a t zoodoende gevaar voor de bouwvelden van allen, dan is het weer h e t hoofd dat optreedt. D a n zal hij bij de t r a p , die naar zijn woning voert, dit offer brengen en rijst in de rivier werpen, om h e t gemeen gevaar te bezweren. x)

H e t l a a t s t e offer brengt m e n voor den oogst. Ook dan gaat weer het algemeen offer v a n het hoofd uit, en hij zal dan, bij een goeden oogst, zijn beloofde extra gave aan de aardgeesten offeren. E l k indi- vidu zelf brengt evenzoo een dankoffer bij zijn veld of bij zijn rijst- schuur, en zal eventueel gedane beloften inlossen.

Ook de feesten voor den aanplant en den oogst van het hoofden- bouwveld k u n n e n geacht worden een algemeen k a r a k t e r te dragen.

Hierbij zien we echter veelal ook werkelijke priesters optreden als bezweerders. W e hebben dan echter ook niet alleen te doen m e t h e t verkeer m e t de aardbewoners, m a a r tevens m e t een verzoek om hulp aan de andere hoogere wezens de gangijangs of luchtgeesten, wier bijstand m e n dan inroept. Wij zullen later zien dat dit het gebied der bolins is.

D e tweede kategorie van priesterlijke w e r k z a a m h e d e n , die het hoofd l" verrichten heeft, is het beschermen van de gemeenschap tegen vreemde invloeden d.w.z. h e t beschermen van vreemdelingen tegen de eigen aardgeesten. I m m e r s m o c h t h u n binnen het gebied van h e t dorp eeihg kwaad geschieden, dan zou de gemeenschap daarvoor aan- sprakelijk zijn. D a a r s t a a t echter weer tegenover dat de afwering van booze invloeden van het dorp, veroorzaakt door de k o m s t van den vreemdeling — doordien deze misschien kwade m a c h t e n uit een naburige streek heeft meegevoerd — weer het werk is der priesters, die tot memboeang sial de komende persoon m e t jonge pinang be- strijkt en m e t gele rijst bestrooid. Dit werk geschiedt zoodra m e n op de b a t a n g stapt der vestiging en alleen dan treden de priesters op als het de eerste vestiging van een nieuw stroomgebied is. V a n dorp tot dorp reizende — aan dezelfde rivier — zien we veelal als zoodanig ook het dorpshoofd optreden. Men schijnt daaruit te m o e t e n afleiden, dat de aardgeesten en andere booze invloeden in een ander stroom- gebied opgedaan, niet k u n n e n worden bezworen door den ,,leeke- p r i e s t e r " of m e n heeft m e t een ander soort hoogere wezens t e m a k e n , wat inij echter niet waarschijnlijk voorkomt. De oplossing lijkt mij te zoeken in h e t feit d a t de aardbewoners, die uit ander stroomgebied

1) Bij de Ngadjoe Dajaks worden offers gedeponeerd in een offerlmisje dat bovenstrooms aan den oever staat, met de voet zoodanig geplaatst, dat als liet water de voet raakt, de ladangs beginnen onder water te staan. In deze balai taloeh brengt het Ngadjoe-hoofd deze offers.

(24)

592

zijn medegenomen, niet door het hoofd bezworen k u n n e n worden, dat hij daarover geen m a c h t heeft o m d a t hij aan hen niet geparenteerd is, en zij niet vertegenwoordigd worden door de onder zijn beheer staande panggoel l a m a n .

W e hebben n u m e t h e t hoofd in zijn priestelijke w e r k z a a m h e d e n afgedaan en gaan t h a n s kennis m a k e n m e t den beroepspriester, de bolin.

I k m e e n echter eerst nog even de a a n d a c h t te m o e t e n vestigen op het feit, dat bij de Ngadjoe Dajaks dit bezweren van vreemdelingen geen gebruik m e e r is. Toch is er een gewoonte bij dien s t a m , die nog schijnt t e wijzen op een kennisgeven aan de aardgeesten. Ik bedoel n.1. de handelingen, w a a r a a n een familielid, d a t voor h e t eerst in zijn leven andere familie in vreemde vestiging bezoekt, zich heeft t e onderwerpen. K o m t een familielid v a n verre op bezoek voor de eerste m a a l , dan wordt hij of zij door het hoofd van h e t gezin of van dat deei der familie dat op de plaats van aankomst woont op h e t aanleg- vlot ontvangen. Bij h e t uitstijgen zal dan dit familiehoofd de nieuw aangekomene m e t een tros jonge pinangvruchten gemengd m e t sawangbladeren bestrijken. Deze voorwerpen worden daartoe aller- eerst bevochtigd m e t water, waarin de aangezette korst uit een rijst- pot en k a w a n g papas (een soort bladeren) liggen. Met dit w a t e r wordt dan de komende besprenkeld. Daarop wordt dan op h e t hoofd

(de fontanel) een hoopje vochtige gekookte rijst gelegd, waarbij m e n de bezwering u i t s p r e e k t : koer h a m b a r n a n , alsmede als mogelijke sial (de v e r z a m e l n a a m daarvoor is sial kawä) afweert, die onderweg mocht zijn opgedaan.

Inmiddels is een kip geslacht, w a a r v a n m e n het bloed in een klein kopje (tjangkir sansiri) laat vloeien. Zoodra n u de nieuweling h e t huis betreedt (soelak njalonken), w a a r n a a r dit deel der bezwering genoemd wordt, legt m e n wederom n a t t e bras op de fontanel en gaat daarna over t o t het manjaki der pas gekomene ( m e t bloed bestrijken).

I n h e t bloed, d a t zich in het kopje bevindt, heeft m e n ingeval m e n m e t gezeten lieden te doen heeft, een weinig goud of zilver gelegd.

Dit dient voor h e t mamili tahaseng (het vrij koopen van den a d e m ) van de D j a t a (watergeefeten). Bij het m e t bloed bestrijken spreekt m e n de volgende bezwering-uit, n a d a t eerst de voetzool bewerkt i s : nja kikoe t a t a p o e m tapadjakan labehoen b a t a n g danoem, kilan kaloe tii kea toemoen mahoendjä k a r ä oentoeng radjaki, garantoeng, blanga, oeang doeit. (Ik besmeer je voetzool m e t bloed, die de diepten der rivieren heeft voorbij getreden, zoo zult gij ook treden op geluk in h e t zoeken v a n U w levensonderhoud, U zullen veel gongs, heilige potten en geld geworden).

D a a r n a wordt de knie onder dezelfde bezwering m e t bloed aange- stipt, waarna m e n overgaat tot de hartkuil, zeggende: koer h a m b a r -

(25)

n a n m a n a n g k a b a u sial kawä, m e l o e m p a t akan oentoeng toewa (koer- z i e l / g a alle ongeluk voorbij, beklim h e t groote g e l u k ) . D a n bestrijkt m e n het voorhoofd onder het zeggen v a n : njakikoe lingkaum, ikau idjä malabiän, basa toendak djalakan mandinoe k a m a n g a t p a n a t a n a n kasanang beloem, m a m b i t oeang belandja inenga D j a t a Sangiang a k a m (ik besmeer je voorhoofd m e t bloed, je bent m e e r dan familie van mij, moge je tevredenheid beschoren zijn, rijkdom en gezondheid, moge je door de „ h u l p " van D j a t a ' s en Sangiang veel geld ver- z a m e l e n ) .

Dien avond geeft m e n in huis voedsel aan den grooten helper der menschen Sangoemang. H e t geheele hier genoemde ceremonieel wordt samengevat onder den n a a m kocloek manoek. I s h e t aangekomen familielid deelgenoot in een nog onverdeelden boedel, d a n geeft m e n h e m tevens dien dag eeln kleinigheid als voorloopig a a n d e e l ; dit kan tot ongeveer f 20.— oploopen. Deze gift n o e m t m e n tjoekai. H e t is een gift die, als het tot verdeeling der goederen k o m t , niet wordt afgetrokken van het den erfgenaam we'ttig toekomende aandeel. H e t is, om het zoo eens te noemen, een buitenkansje.

Keeren we ons t h a n s tot den K o t a Waringinschen priester, de bolin, en zien we dan allereerst hoc m e n tot dit a m b t komen kan, welke b e k w a a m h e d e n en gaven daartoe noodig zijn.

H e t verkeer m e t hoogere wezens, w a a r m e e de priesters in hoofd- zaak te m a k e n hebben, stelt bijzondere eischen aan hen, die dit werk- te verrichten hebben. Deze wezens van hooger orde toch zijn de San- giang Doewata of kortweg de Sangiang, dat zijn de luchtgeesten.

Naar de voorstellingen, die de primitieven zich van deze „ G o d e n "

g e m a a k t hebben, bewonen zij streken, die voor ons, aardsche m e n - schen onbereikbaar zijn, o m d a t ze ergens in het h e m e l r u i m gelegen zijif. X a a r h u n n e voorstellingen zijn deze Godenlanden slechts be- reikbaar langs een onzichtbare rivier of langs even onzichtbare trap- pen. De belemmeringen, die ons aardsche lichaam ons zou veroor- zaken, zijn tevens oorzaak dat wij die landen niet k u n n e n bezoeken en alleen dan m e t de Goden zouden k u n n e n verkeeren als we in s t a a t zouden zijn ons stoffelijk omhulsel van het levenselement — de ziele- stof — te scheiden, en deze laatste dan te bezigen om hooger spheren te bezoeken. W a a r n u deze bezigheid een der voornaamste werkzaam- heden der priesters vormt, zal m e n , alvorens in dit heilig a m b t t e k u n n e n worden opgeleid, kennis moeten dragen van deze duivels- k u n s t e n .

H e t is bekend hoe de animist zich de.zielestof als iets zeer bewe- gelijks voorstelt en hoe hij zich deze denkt als ontwijkende in den slaap, bij schrik, bewusteloosheid, opgewondenheid, enz. De, gewone mensch echter verliest dan tevens zijn m a c h t over die zielestof en zal allerlei middelen moeten aanwenden om zijn levenselement terug te

38

(26)

594

bekomen, behalve in h e t eerstgenoemde geval, wanneer hij slechts heeft zorg te dragen geen dusdanige belemmeringen op den weg dei- ronddwalende soemangat te stellen, dat deze den weg n a a r het stoffe- lijk omhulsel zou bijster worden. E e n priester daarentegen k a n zijn zielestof doen overgaan en de plaats daarvan doen i n n e m e n door de ziel van een hooger wezen dan wel van een of ander voorwerp, terwijl zijn eigen soemangat de door dien hoogere verlaten plaats i n n e e m t . Op verschillende wijzen wordt dit dan ook door uiterlijke kenteekenen aan de toeschouwers duidelijk gemaakt, zooals wij dat hieronder zullen zien.

G a a n we na hoe m e n t o t priester k a n worden opgeleid, dan onder- scheiden we vooreerst t w e e vormen. M e n bekomt de meerdere m a c h t over zijn zielestof: 1. door rechtstreeksche inmenging van hoogerhand ; 2. door onderwijs.

D a a r n a a s t s t a a t nog een derde kategorie, die ik alleetn aan de boven- Delang opmerkte en die de vereischte gaven aan erfelijkheid d a n k t .

D e waarlijk geroepenen k o m e n veelal middels droomen achter h u n n e uitverkorenheid. Ze werden dan gemaand om in de afzondering te gaan bertapa2 zooals de Maleiers zeggen.

I k heb bolin o n t m o e t van deze soort die 3 jaar en m e e r op die wijze in de bosschen hebben rondgezworven. Door de ontberingen dan ge- leden zijn ze zeer v a t b a a r om in extatischen toestand te komen, zien zonderlinge zaken, en spreken in dien toestand niet zelden w a r t a a l . D i t n u zijn de factoren die i e m a n d stempelen als bezeten v a n een wezen van hooger orde. Vooral h e t gemakkelijk in extase k o m e n en de zonderlinge klanken, die zij uitstooten, worden als teekenen daar- van opgevat. V a n h u n n e ontmoetingen in dien toestand beleefd, van de raadgevingen der hoogere wezens bij zulke gelegenheden ontvan- gen, geven ze hoog op, en de zoo aangewezen geneesmiddelen en voor- behoedmiddelen, die moeizaam in het bosch bijeen gezameld zijn.

zijn onfeilbaar. Veelal zullen ze tevens m e t een of anderen steen terugkeeren, die h u n in den droom is aangewezen als van een mach- tigen geest bezield — een z.g.n. batoe Doewata —, een steen, die zooals ons later zal blijken, dienstig k a n zijn in het verkeer der bolin middels de Sangiang m e t de aardgeesten. Verreweg de meeste bolin echter volgen minder een heilige roeping dan wel h u n eigen voordeel en ze komen daartoe door onderwijs te genieten van h u n n e voorgan- gers. Zulke leerlingen dragen den n a a m tiboean. Zij leeren het vak, door als helpers der bolin op te treden, wanneer deze h u n n e werk- zaamheden verrichten. Op deze zelfde m a n i e r worden ook de „geroe- p e n e n " in de finesses van h e t werk opgeleid. Behoudens dat de riten hun geleerd worden on de wijze van dansen, worden den leerlingen de gemakkelijkste m e t h o d e n geleerd om in extase te komen. Men volgt daarbij verschillende manieren, die we later zullen loeren

(27)

kennen. E e n bepaalde priester bedient zich steeds van éénzelfde manier, zal zelden of nooit andere m e t h o d e n toepassen. Voorts leeren zij de wijze om de bestanddeelen voor een offer s a m e n te stellen en de manier waarop zulks moet worden opgedragen. Ten slotte — en dat is niet het onbelangrijkste deel der w e r k z a a m h e d e n — leeren zij de manieren om zieken t e genezen, dat wil zeggen de wijze om ver- zwakte zielestof te sterken, dan wel gevluchte levensessence terug t e doen komen.

D i t zijn de beide groote groepen van bezweringen, de eerste t e n doel hebbende middels offers de hulp der hoogere wezens t e verkrijgen om een bepaald doel t e bereiken, b.v. h e t verkrijgen van een goeden oogst, het doen ophouden v a n sterfte in h e t dorp, h e t afwenden van onge- luk e.d. en aan d e n . a n d e r e n k a n t de bezweringen, die m e n doet om ziekte te genezen. De bezweringen, die tot de eerste groep behooren, worden zeer vaak gehouden en hebben eigenlijk in vele gevallen het k a r a k t e r v a n pretjes aangenomen. Vooral aan de M a p a n en bij de Ri-ekoe Dajaks, waar m e n een en ander barajah n o e m t , doet m e n zeer druk aan deze werkjes, er k u n n e n daar geen tien Dajaks bij elkaar zijn of m e n gaat een of ander rajah houden. Bij de andere Dajak- s t a m m e n n o e m t m e n het kortweg babolin. D a a r komen deze bezwe- ringen niet zoo dagelijks voor.

De ziektebezweringen, van welke soort deze ook mogen zijn, dragen den n a a m van batonggang bakomit. De E o e k o e ' s k e n n e n deze onder- scheiding niet.

D e bezweringen, die de Koekoe Dajak s a m e n v a t onder h e t barajah, onderscheidt m e n a l s : 1. rajah igal; 2. rajah goenting; 3. r a j a h ; 4. rajah adoe h a d a i ; 5. rajah l a l a i ; 6. rajah tjoemai.

De Dajaks van M a p a n en de Eoekoe Dajaks zijn afkomstig uit de Westerafdeelingen, v a n w a a r ze in recenten tijd naar hier zijn ver- huisd. I n den loop der tijden zijn h u n eenige gebruiken ontvallen, zoo dat van h e t rajah igal, dat m e n hier t h a n s niet meer ziet vertoonen.

I n het s t a m l a n d dezer lieden echter aan de Sei Mamboeloeh kent m e n het nog wel.

Al deze m e t h o d e n van rajah dienen ter bereiking van hetzelfde, m a a r elke priester heeft zijn eigen specialiteit en zal zich daar alleen mee bezig houden. Al n a a r gelang de kwestie van m e e r of minder belang is, zal hij zijn rajah m e e r perfectionneeren, de te gebruiken bezweringsmiddelen mooier en grooter m a k e n . Alleen de onder 3 ge- noemde gewone rajah k e n t elke priester, dit is tevens de bezwering, die m e n bij wijze van vermaak pleegt te houden.

Bij al de genoemde bezweringen zijn natuurlijk de bolin en zijn helpers de hoofdpersonen, m a a r d a a r n a a s t treedt een groot aantal m a n n e n en vrouwen op als figuranten, die door dansen en lawaai m a k e n h e t geheel „ i n d r u k w e k k e n d " m a k e n . Deze dans wordt rondom

(28)

596

een gevlochten voorwerp gehouden, waaraan we volle aandacht moeten geven, o m d a t het een integreerend deel vormt der handeling, en de eigenlijke offerplaats wordt.

D e palen, waarom m e n heen danst en die m e t allerhande bladeren en vlechtwerk versierd zijn, dragen den v e r z a m e l n a a m van dandajoeh.

Voor elke bezwering heeft m e n een speciaal gebouwde dandajoeh, terwijl ook bij de verschillende ondersoorten, bepaalde palen worden gebezigd.

H e t m a k e n van dandajoeh vindt plaats op den middag die aan de bezwering, welke altijd 's avonds gehouden wordt, voorafgaat. M e n m a a k t h a a r in de balai igal, dit is de balai, die voor de groote balai is gebouwd en die alleen uit een vloer en een dak bestaat, en, om zoo te zeggen, de dorpsdansplaats is. Deze afzonderlijke d a m h u i z e n treft m e n aan de L a m a n d a u niet a a n ; daar gebruikt m e n de dorps- balai voor dat doel.

De dandajoeh heeft als kern een bamboestaak waaromheen, al n a a r gelang van het beoogde feest, een of m e e r bakjes van afgeknot- ten pyramide-vorm worden vervaardigd, die alweer op verschillende hoogte worden aangebracht. Ook deze bakjes zijn tot halver hoogte van bamboewanden voorzien. Als dit geheele geraamte gereed is k o m t het werk aan de vrouwen. Bij.grootere feesten echter wordt op dit m o m e n t door de bolin een klein offer gebracht bij de dorpsoffer- plaats, bestaande uit een weinig rijst, ei en toewak. Terwijl op de gong geslagen wordt, geeft hij kennis aan de aardgeesten van datgene wat s t a a t t e gebeuren en noodigt h e n van de offerspijzen te genieten.

H e t aandeel der vrouwen in h e t vervaardigen der dandajoeh of pandoeng bestaat daarin, dat zij uit klapper- en sawangbladeren aller- lei snoeren vlechten, die dienen om het geraamte op te sieren. Boven de plaats waar de paal zal worden opgesteld hangt m e n een tros rijpe pinangnoten, terwijl in het bovengenoemde bakje k w a s t e n jonge pinangnoten worden gelegd. Terwijl de vrouwen werken, wordt op de gong geslagen en de m a n n e n houden zich m e t dansen bezig ( b a ' i g a l ) . De klapperbladeren, sa wang en pinang zijn alle voorwerpen, die een belangrijke rol spelen bij bezweringen, hetzij o m d a t ze van hemel- sche afkomst zijn, dan wel o m d a t ze bekend s t a a n als een krachtige zielestof bezittend en dus zich goed leenend om bij ziektebezweringen dienst te doen, waarbij: dan de krachtige zielestof van het voorwerp wordt overgebracht op den lijdenden mensch.

Voordat het igal aanvangt, k o m t eerst h e t voordansende hoofd en strooit over de aanwezigen gele rijst, daarbij heilwenschen uitspre- kende en eindigende m e t rijst n a a r h e t oosten en h e t westen te werpen, zeggende: de zon gaat op, de zon gaat onder. De bedoeling zit daarbij voor dat de heilwenschen dan door de zon zullen worden medegenomen n a a r de plaats van zonsondergang (het zieleland) om

(29)

daar te worden overgebracht. Aan dit ba'igal doet de bolin nog niet mee, m a a r wel zijn helpers, die m e t glazen toewak tusschen de dan- senden doorspringen en af en toe den vermoeiden lafenis reiken. Bel- letjes aan de beenen versterken de m a a t der gamelanmuziek, h e t uitstooten van klanken doet de dansers de m a a t houden. Deze func- tionaris — veelal zijn er m e e r d a n één — n o e m t m e n de maharoeh.

D e d a n s , die m e e s t a l door vier personen tegelijk wordt uitgevoerd, be- s t a a t uit een nabootsen v a n de vlucht v a n den kiekendief ( a n t a n g ) en is vrij eentonig. Achtereenvolgens k o m e n ook de andere aanwezige hoogwaardigheidsbekleeders aan de beurt, zelden dansen in dit stadium v a n het feest de gewone kamponglieden m e e .

H e t ba'igal eindigt zoodra de vrouwen m e t h u n werk gereed zijn en dan wordt dadelijk onder gongslag de dandajoeh opgezet, waarna alles gereed is voor het rajah. T h a n s t r e e d t ook de bolin zelf o p ; eerst nog slechts gekleed in een sarong. Zijn eerste bezigheid is het bren- gen v a n een offer, dat hij iu h e t bakje der dandajoeh p l a a t s t , terwijl h]j m e t een potje reukwerk deze bewierookt en alweer onder gongslag kennis geeft van w a t gaat gebeuren.

W e zullen beginnen m e t de gewone rajah en de verschillende onder- soorten daarvan de revue te laten passeeren. W e zullen dan tevens zien hoe de priester daarbij te werk gaat. W e onderscheiden daarbij de volgende soorten dandajoeh te beginnen bij die, welke voor de voornaamste bezweringen gebruikt w o r d t :

Hawaii tingang (Mampajoeng) deze wordt slechts gebruikt bij de feesten voor oogst en plant, welke 3 dagen duren. Ze bestaat uit een bamboestaak m e t een dubbele afgeknotte pyramide (die éénzelfde afknottend vlak hebben) op 1/3 der hoogte van den grond af. Bovenop bevindt zich een h o u t e n neushoornvogel, die m e t den kop n a a r h e t westen ziet. De gevlochten versieringen wijken niet af van de gewone, ze zijn alleen talrijker.

Pandoeng atjap arai. D e paal is geheel omgeven door een 7-tal pyramide vormige bakjes ( b a t a b i n g ) , die afwisselend m e t top- en grondvlak elkaar raken.

Gantilang Gading heeft alleen op den top een batabing, die zoowel van boven als van onder middels bamboe vlechtwerk is gesloten ( b a b a n t a i ) . De wandvlakken zijn echter slechts tot halver hoogte aan- gebracht, door de zoo ontstane niet gesloten bovenste helft brengt m e n de offerspijzen in h e t bakje. Bij al de hier genoemde dandajoeh zijn de gevlochten bladeren m e t den voet aan de staak verbonden.

D i t is niet het geval bij de Pandoeng djndi w a a r de voet zoowel als de top in de staak steekt. Overigens heeft deze den zelfden vorm als de bovengenoemde.

D a t zelfde kan gezegd worden van de Pandoeng manoengkoel, die echter veel minder bladversiering heeft. De P a n d o e n g balang heeft

(30)

598

m a a r weinig saamgevlochten bladeren tot versiering, die slechts m e t den voet in de staak bevestigd zijn, de toppen hangen vrij neer.

De m i n s t belangrijke is de Pandoeng katja, die niet m e t bladeren versierd is m a a r m e t stukjes glas en spiegeltjes. Deze wordt slechts voor kleine bezweringen gebruikt. Al de bovengenoemde staken ver- richten h u n diensten voor bezweringen die een zelfde verloop hebben.

H e t verschil in belangrijkheid is te zoeken in den d u u r der feesten en de m e e r moeizaam verkregen dandajoeh. Beschrijven we één dezer bezweringen dan k e n n e n wij ook de andere.

I k behandel die, waarbij de P a n d o e n g B alang gebruikt wordt. D e bolin gaat m e t zijn helpers, die n u den n a a m dragen van p a n g a bajoe, rondom de dandajoeh zitten. Ze hebben belletjes om a r m e n en beenen.

De bolin legt dan het offer, bestaande uit ei, rijst en toewak, in de batabing, hij uit daarbij allerhande wenschen, opdat de hoogere wezens h e m mogen b e h u l p z a a m zijn. I s dit volbracht dan spuwt hij op de offerspijzen, welk voorbeeld door zijn helpers gevolgd wordt. De beteekenis v a n een en ander is duidelijk, hij geeft een zijner , ,ziele- stofdragers". H e t offer verklaren de Dajaks als volgt: het ei stelt h e t hoofd voor, de rijst h e t lichaam, de witte kleefrijst de a r m e n , de zwarte kleefrijst de beenen, de toewak het bloed. Door n u daarop te spuwen wordt een en ander bezield; h e t offer is dan geworden een

„ g a n t i d i r i " , een vervanging v a n h e m zelf. D a a r deze offerplechtig- heid dienstig is om geluk af te. s m e e k e n is h e t duidelijk, dat m e n even- tueele kwade geesten wil tevreden stellen door h u n een plaatsver- vanger te bieden, waarop zij h u n slechte praktfjken k u n n e n botvieren en dan den levenden mensch m e t r u s t zullen laten.

Zoodra echter de bolin heeft gespogen valt hij schijnbaar flauw:

zijn ziel heeft het lichaam verlaten. Door h e m in h e t oor te blazen en m e t majang te bestrijken, wordt hij door zijn helpers bijgebracht. D e verzwakte zielestof wordt versterkt, of w a t m e e r waarschijnlijk voor- k o m t , een hooger wezen heeft bezit v a n h e m genomen en wordt op die wijze gesterkt om in het stoffelijk omhulsel leven te brengen.

I m m e r s niet zoodra is de bolin weer op de been, of hij slaat zich een van majang gevlochten hoofdband om het hoofd, steekt zich jonge pinangkwasten in het h a a r en de sarong en n e e m t ze evenzoo in de h a n d . Hij is zoo t o t een verschijning geworden, die de Dajaks zich als een hooger wezen voorstellen. W e hebben t h a n s niet m e e r m e t een priester te doen, m a a r m e t een hooger wezen. De eigen ziel van den bolin m a a k t ondertusschen gebruik van het Sangiang omhulsel om de reis n a a r het Godenland te aanvaarden en daar hulp te zoeken voor zijn werk. N a gedurende eenigen tijd aan h e t boompje geschud te hebben, gaat de bolin m e t zijn helpers op de m a a t der gamelan en belletjes daaromheen draaien. Met een h a n d houden zij de dandajoeh vast. I n steeds sneller t e m p o draait m e n rond. Steeds meerder toe-

(31)

schouwers voegen zich bij de rondedans ( g a n d j a h ) . N a verloop van tijd k o m e n ook de vrouwen meedoen, zij dansen echter in rustiger tempo om de dandajoeh en de m a n n e n heen, in dit s t a d i u m n o e m t m e n de dans parinsit. V a n tijd tot ijd verlaat de bolin de balai igal om zich onder de toeschouwers te begeven, hij bewuift hen m e t de majang, en cureert hier en daar een lijder aan stijve gewrichten, buik- puin of iets dergelijks, door de zieke plaats t e bespuwen of door daar een of ander voorwerp uit te verwijderen (een doorn, steen, takje of iets van dien a a r d ) .

Zoodra. de dans t e n einde loopt, valt de bolin weer flauw. N a d a t hij is bijgebracht, worden h e m zijn majang-versierselen o n t n o m e n en worden deze weer in de dandajoeh gelegd. D i t deel der bezwering is afgeloopen, hij is weer tot deze aarde teruggekeerd. Meermalen op een avond heeft deze zelfde vertooning p l a a t s ; zang wordt soms — niet altijd — daarbij t e n gehoore gebracht. I k heb n i e t te weten k u n n e n k o m e n wat de inhoud dier liederen was.

Indien alleen vrouwen onder leiding van de bolin dansen is het tempo zeer rustig. Zij s t a a n m e t het gezicht n a a r de dandajoeh ge- keelrd en zakken l a n g z a a m door de knieën, daarbij de armen uitsprei- dende, zoo schuifelen ze bijna onmerkbaar rond de bamboe. Als op die m a n i e r gedanst wordt, spreekt m e n van een nganda.

De hier boven bedoelde bezwering m a g m e n niet buiten de balai igal houden, deed m e n dit dan zou daaruit een of ander ongeluk ontstaan.

H e e f t m e n b.v. voor ziekte h e t rajah m e t de pandoeng balang ge- houden en heeft zulks geen succes gehad, dan zal m e n na eenigen tijd het rajah m e t de pandoeng manoengkoel houden, en zoo ook dat geen r e s u l t a a t heeft zal m e n een der hoogere soorten probeeren tot de rajah rawan tingang toe. Als die geen r e s u l t a t e n afwerpt, s t a a t m e n voor een hopeloos geval.

Andere priesters passen de rajah tjoemai toe om h u n doel te be- reiken. Ook deze soort is nagenoeg uitgestorven, hij wordt tegen- woordig nog slechts door één oud m a n gehouden, die geefn leerlingen heeft. Deze laat zich helpen door jonge m a n n e n die voor andere soor- ten rajah zijn opgeleid. Hij is een ware geroepene, en werd, toen h e m deze roeping duidelijk werd, n a a r de kamponglieden mij mededeelden, malende en heeft toen gedurende drie weken nagenoeg niet gegeten.

Zijn zielestof zou toen verkeerd hebben m e t de hoogere wezens. Na weer normaal geworden te zijn, genoot hij zijn opleiding. M e n ont- biedt dezen persoon in hoofdzaak om bezweringen te houden t e n dienste van het beëindigen van een of anderen verbodstijd ( p a n t a n g ) . Ik m a a k t e zulk een tjoemai m e e ter gelegenheid van het einde der p a n t a n g voor de vruchtzetting der padi. Alles ging als volgt in zijn werk.

(32)

600

Op den avond v a n de plechtigheid als de zon ondergaat, begeeft zich de priester m e t het hoofd naar de dorpsofferplaats — we zien dus dat we m e t aardgeesten te doen zullen hebben, w a t ook in verband m e t h e t doel der bezwering duidelijk is — om een offer te brengen van ei, rijst, t o e w a k ; m e n kan ook m e t toewak alleen volstaan. Bij deze bezigheid wordt op de gong geslagen om de geesten op t e roepen, het- geen ook uit het gesproken woord blijkt. Op de panggoel l a m a n zag ik hier veel hidoep hidoep, een struikgewas dat evenals de sawang in reuk v a n heiligheid s t a a t en een sterke zielestof schijnt te bezitten.

Niet alleen bij de Dajaks m a a r ook bij de Maleiers s t a a t dit gewas in hooge eere. Bij ziekte m e n g t m e n het m e t sawangbladeren, karak naai en kakawang p a p a s .

N a d a t h e t offer op de panggoel is afgeloopen, gaat m e n weer over tot de inleidende dans (igal), evenals boven werd besproken. Onder- wijl m a a k t m e n de offermand (antjak) gereed, die in de balai igal wordt opgehangen. De bolin n e e m t n u plaats bij deze antjak en p l a a t s daarin de offerspijzen, vervolgens h o u d t hij daarbij een potje wierook, dat onder het uitspreken van bezweringen tot bescherming v a n het gewas.en tot afweer van ziekte, daaromheen bewogen wordt.

M e n n o e m t dit h e t galoeh baring badfi (baring badji is een verzamel- n a a m voor alle ernstige z i e k t e n ) . Met zijn helpers blijft de bolin zoo zitten terwijl een vrouw h e m m e t rijst bestrooit, waarbij al wederom bezweringen worden uitgesproken. Deze zijn gesteld in pantoen vorm en zijn een beurtzang tusschen de bolin (in dit geval bolin, sotti djaja geheeten) en zijne helpers, de panga bajoe. Deze bezwering draagt den n a a m perdandi. I s dit afgeloopen dan wordt door den bolin de antjak m e t een pinangbloemkolf in de bloemscheede (majang bakoe- ro'eng) bestreken.

Onder de antjak heeft ondertusschen een potje m e t olie gestaan waarin een steen ligt de z.g.n. baton Doewata. M e t deze olie besmeert n u de bolin zijn lichaam en drukt vervolgens den steen tegen zijn fontanel, niet zonder moeite schijnt hij deze er weer van te verwij- deren, w a a r n a hij flauw valt.

De vorm van den steen heeft niets bijzonders, m a a r de oorsprong is des te merkwaardiger. Toen n.1. de bolin destijds, als gezegd, ver- keer m e t de hoogere wezens had, is h e m deze steen aangewezen als van belang bij bezweringen. H e t is bekend dat gesteenten geacht worden te zijn het gebeente van de aarde en wie n u in h e t gelukkig bezit is v a n zoo'n aardknook zal zich daarvan bedienende in connectie k u n n e n komen m e t de aardgeesten, zoo goed als de bezitter van een menschenbot, m e t de ziel van den afgestorven eigenaar k a n ver- keeren. D a a r o m k a n dan ook gezegd worden dat bezweringen waarbij steenen t e pas komen, in verband s t a a n m e t de vereering der aard- geesten, d.w.z. m e t de voorouders. Niet alleen lieden, die tot het

Afbeelding

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :