Het priesterwezen bij de Dajaks van Kota Waringin,

In document *Vi iffe^ (pagina 140-155)

DOOR

Jb. MALLINCKRODT.

(Vervolg en slot van pag. 602).

Het rajah adoe hadei m a a k t e ik mee, toen ik na veel gepraat, de lieden in een k a m p o n g had overtuigd van het n u t om h u n kinderen n a a r school te zenden. Alvorens de mij toegezegde leerlingen mee-gingen, moest eerst voor h u n zieleheil een bezwering van de hier genoemde soort gehouden worden (belakoe oentoeng, Ngadjoesch).

M e n bezigde hierbij weer als centraal p u n t voor de bezwering een lange bamboestaak, op 2/3 van de hoogte w a a r a a n een offermandje was aangebracht, dat m e t velerlei gevlochten bladeren geheel was versierd en aan welks uiteinden gevlochten vogels a.a.z. waren aan-gebracht. H i e r a a n ontleende het voorwerp dan ook zijn n a a m van tompoejoeng boeroeng. Al deze n a g e m a a k t e dieren m o e t e n dienen om m e t h u n zielestof sterkend t e werken, deze afbeeldingen toch zijn al even goed v a n levensessence voorzien als de echte dieren.

I n h e t offermandje waren de gewone spijzen gelegd waarop de kinderen die ter schole zouden gaan hadden gespogen. Deze offer-spijzen werden door de bolin den Goden aangeboden zeggende: „ n e e m dit en laat de kinderen m e t r u s t . " Men ging hierbij uit v a n het prin-cipe een deel te geven (van de zielestof) en h e t geheel te behouden.

Ook bij deze bezwering ging weer een igal antang menajang vooraf evenals bij de anderen, terwijl m e n igalde d a n s t e n de helpers van den bolin weer m e t toewak rond. H i e r — aan de boven-Mapan noemde m e n deze lieden paranggapan.

Bij den aanvang der bezwering werd weer m e t wierook gewerkt, w a a r n a de bolin m e t zijn helpers rond de tompoejoeng plaats n a m . D e hoofdpersoon legde vervolgens een doek over zijn hoofd en begon te zingen, waarbij anderen op de trommel een eentonige wijs voort-brachten. Zoo wordt de bolin in extase gebracht, hij springt plotse-ling op en begint de rondedans. Deze manier van in opwinding brengen

n o e m t m e n bakaram. Onder het ronddansen, d a t een zelfde verloop heeft als de reeds genoemde rajah tjoemai, worden liederen gezongen, die de strekking hebben van h e t afsmeeken van voorspoed en h e t weren van ziekte. Ook t h a n s was de bolin als boven aangegeven versierd.

W e m o e t e n n u even stilstaan bij de muziek, die bij al deze bezwe-ringen wordt t e n beste gegeven. De voornaamste i n s t r u m e n t e n zijn de gong, de tatabong ( t r o m m e l ) en de Dajaksche gamelan uit 5 bekkens bestaande. Aan de M a p a n onderscheidt m e n van dit l a a t s t e i n s t r u m e n t al n a a r gelang van de klank drie soorten: de gamelan

bakelenang, de gamelan kambong en de gamelan kandjan. Elke be-zwering en ook elke afzonderlijke dans heeft een eigen wijze, die voor andere bezweringen niet gebruikt m a g worden. Zulke gamelans zijn het eigendom van het geheeie dorp. De bewoners hebben

ge-zamenlijk de i n s t r u m e n t e n aangeschaft en ze worden door het hoofd te zijnen huize bewaard, het onderhoud geschiedt op kosten van den m a n t i r , tenzij dat daarvoor groote onkosten zouden moeten worden g e m a a k t in welk geval m e n gezamenlijk betaalt.

Ten slotte nog de beschrijving van het Rajah Bagandjah, h e t kleinste bezweringsfeest dat m e n kent en dat gewoon op s t r a a t wordt gehouden, onder een klein afdakje. E e n kleine, ietwat versierde offer-m a n d h a n g t daarbij tusschen twee palen. N a d a t de bolin zich door trommelslag en gezang in extase heeft gebracht, danst m e n rond h e t offermandje in een zeer wild tempo, dat ook al weder eindigt m e t h e t flauw vallen van den priester.

D e andere bovengenoemde bezweringen heb ik niet persoonlijk zien uitvoeren, zoodat ik mij van een beschrijving moet onthouden. Andere bezweringen voor bepaalde gevallen zullen hieronder nader bespreking vinden, evenals de speciale handelingen bij ziekte en de geneesmid-delen die de bolins bezigen om de kwaal tegen te gaan. H e t k o m t mij echter wenschelijk voor om de verschillende bolintypen in de andere streken van dit ressort werkzaam eerst nader te leeren kennen.

W e beginnen aan de Delang, een der bronrivieren van de L a m a n -dau, w a a r we als merkwaardigheid aantroffen de erfelijke priester de bolin Golau. Deze familiegave, het behoeft nauwelijks vermelding, d a n k t m e n aan het feit dat de afstamming wordt teruggevoerd tot een voorouder, die niet alleen uit aardsche ouders is voortgekomen, m a a r bij wiens geboorte de hemelingen een rol hebben gespeeld. Voor zoover mij bekend, bestaat er aan de Delang m a a r één zulk een bolin Golau, een reeds oud m a n die, n a u w v e r w a n t aan h e t adathoofd dier streek, een groot aanzien geniet, en als priester optreedt, ook in die zaken waar elders het hoofd deze functie vervult. I n de andere deelen van mijn ressort heb ik evenmin deze priester-bij-geboorte ontmoet.

710

H e t o n t s t a a n van dit priestergeslacht gaat terug tot hadji Sandjoti, die uit een vrouw geboren was, m a a r als vader een luchtgeest h a d (hadji is de titel voor o u d s t e ) . I s er van de bolin Goïau nog slechts één die werkelijk heet af te s t a m m e n van dezen voorouder, de anderen zijn door onderwijs zoover gekomen, m a a r worden toch m e t den zelfden n a a m genoemd.

De afstamming (titjiran) gaat verder over Pongko Longko op Djondjongan Mas over. Al deze lieden hadden niet slechts de be-gaafdheden die nog tegenwoordig aan boiin eigen zijn, m a a r konden tevens dooden t o t het leven terugbrengen. Onder laatstgenoemde ver-loren ze die eigenschap. Toen n.J. Djondongan Mas op zekeren dag n a a r het Godenverblijf opsteeg, k w a m hij te vallen, waarbij zijn hoofd b a r s t t e . Dit werd in doeken gewikkeld om te genezen. M a a r een vrouw opende de doeken, waardoor voor goed een einde werd gemaakt aan deze gave. Dit ongelukkige geval s t a a t bekend als de „batoeang loem-bte hangat." E e n tweede m a c h t s m i d d e l van de vroegere bolin was de mogelijkheid om uit een t a m p a j a n , waarin m e n van riet gevloch-t e n visschen wierp, levende visschen voor hegevloch-t levensonderhoud op gevloch-te halen. E e n vrouw, die daarvan het hare wilde hebben opende de t a m p a j a n om te zien hoe een en ander in zijn werk ging, waardoor ook deze kundigheid voor komende geslachten verloren ging. x) Dit geval n o e m t m e n de kabasaan sagolang. Zoo is voor de komende ge-slachten deze ideaal toestand verloren gegaan. De bolin Golau houden zich t h a n s nog slechts bezig m e t ziekte-genezingen.

De tweede kategorie wordt gevormd door de bolin kalalai. Ook deze hebben h u n n e m a c h t in het grijs verleden te danken gehad aan afstamming. Die m a c h t is echter sinds lang verloren gegaan. Zij brengen h u n afkomst terug op Singa Sontaicai, die ook behoort tot de bovennatuurlijke menschen uit de dagen der kindsheids van deze aarde. D e afstamming gaat verder over Sangkodang B a n a n g n a a r Balian Balandjan Koening. Zij houden zich slechts bezig m e t kleine bezweringen en m e t hulp bij feestjes.

De derde zeer belangrijke priestersoort de doekoen tanah zullen we beneden behandelen.

Zij, die niet werkelijk afstammen, van de oorspronkelijke bolin, moeten door leering tot h u n a m b t komen. De eerste periode van het onderwijs wordt gevormd door het ,,balampah", een tijdperk van drie m a a n d e n , waarin de adspirant niet anders mag eten dan kleef-rijst en zout. I n dien tijd wordt h e m de theorie van het bezweren bij

*) Deze op tafeltje-dekjes gelijkende verhalen komen ook bij andere Dajaks voor. De Lawangan Dajaks toch kennen in hun Njoeli geloof de ongkeng Sokek, die ook op verzoek allerhande spijzen levert, hetzelfde prin-cipe als dat van de tampajan.

gebracht. H e t einde van dit tijdsbestek wordt gevormd door een be-zwering, die den n a a m draagt van „batikoe". H e t voornaamste deel van deze bezwering is h e t plakken van een blaadje der djarangan op zijn fontanel en dit n e t zoo lang te wrijven tot h e t verdwenen is.

Deze djarangan s t a a t bij de Inlanders ook van andere streken in hoog aanzien, als hebbende een krachtige zielestof. De Ngadjoe Dajaks achten ze geplant door een bekende Sangiangvrouw n.1. Pampahieep, die de knolletjes van h e t gewas voor poeder gebruikt en daardoor een mooie witte gelaatskleur krijgt.

Als het onderricht 7 m a a n d e n geduurd heeft, wordt de eindbezwe-ring gehouden, waarbij het bewijs geleverd moet worden of de leer-ling voldoende bekwaamheid zal hebben om zijn werk te verrichten.

Hij moet dan 't eerst in een paal k l i m m e n , die onder h e m wordt om-gekapt. Hij mag zich bij den val niet bezeeren. Dit is een nabootsing van het ongeluk dat we boven vermeldden, het draagt den n a a m naik boeloeh Sagolang. De tweede proeve is het basang gilipan, de leerling (anak bolin) wordt dan in een m a t gewikkeld en moet daar snel weer uitkruipen ( m a r o d j a h ) , lukt h e m dit niet dan is hij onge-schikt, i m m e r s dan zal hij ook zijn ziel niet uit zijn lichaam k u n n e n doen gaan. Vervolgens moet hij zich aan het bariban samboebang onderwerpen, waarbij hij snel een rijststamper in zijne h a n d e n m o e t ronddraaien. De vierde proef is het betarik tinting, w-aarbij hij door de o m s t a n d e r s snel heen en weer getrokken wordt en daarbij niet m a g struikelen of vallen. Ten slotte m o e t hij iemand die zich verstopt heeft opzoeken, berondang sonti. K a n hij dezen m a n niet voor den dag brengen dan zal hij zijn werk niet k u n n e n doen, i m m e r s dan zal hij weggemaakte zielestof niet k u n n e n opsporen.

I s dit alles n a a r wensch afgeloopen, dan zal de persoon bolin k u n n e n worden. Zoowel zij, die nog onderricht genieten, alsook de ware bolin, hebben zich in het leven van eiken dag aan verschillende verbodsbepalingen te houden. Voor de leerlingen geldt één bijzondere bepaling, zij mogen geen gemeenschap hebben m e t vrouwen. Deze toch zijn oorzaak geweest, dat h u n voornaamste k r a c h t e n verloren zijn gegaan. Men vreest dat omgang m e t vrouwen den leerling niet v a t b a a r zal m a k e n voor het onderricht. Op dit gebied zijn vrouwen uit den booze. Om die zelfde reden mogen bolin en anak bolin geen sirih p r u i m uit h a n d e n van een vrouw a a n n e m e n . Voorts m a g hij geen herten- en kidjang-vleesch eten, dit toch zijn dieren die priesterbloed in de aderen hebben. De juiste geschiedenis vernam ik niet, m a a r n a a r hetgeen ik ervan hoorde k o m t het mij voor dat deze dieren ziele-stof dragen van afgestorvenen. Ook mogen niet gegeten worden de z.g.n. paken, dat is een doeriansoort m e t rood vleesch en de hoemboet niboeng (de nog niet uitgegroeide top der niboeng). Deze toch houden soms een steenachtige verharding in, die bij de

priesterwerk-712

z a a m h e d e n wordt gebruikt om zwakke zielestof t e sterken, en daar-toe veelal in de penjang van den priester gebonden wordt. Die pen-jangs, die we in den loop dezer verhandeling nog wel zullen k u n n e n beschrijven, zijn voorwerpen die dienstig zijn ter afwering van booze invloeden. De hierboven bedoelde steen n o e m t m e n de batoe poni-pang poken en de batoe poentja saniboeng.

I s de bolin w e r k z a a m dan komen bij deze p a n t a n g s nog het ver-bod om varkensvleesch te eten en terong, tengkoeng en nangka djam-boe. Deze allen zouden, indien ze toch gegeten worden, sial, of zoo-als m e n deze ongelukstoestand hier n o e m t „ r a s i " , veroorzaken. Ook mag de priester n a de bezwering gedurende 3 m a a n d e n het dorp niet v e r l a t e n ; voor kleine bezweringen is deze tijd korter. Vergrijpt een

anak bolin zich tegen de verbodsbepalingen dan kan hij geen bolin meer worden, doch slechts het a m b t van tjojan vervullen. D a t zijn de heden die bij feesten van geringe beteekenis voordansen, en m e t godsdienstige function niets u i t s t a a n d e hebben.

Ten slotte hebben we nog den priester, die alleen voor de grondaan-gelegenheden dienst doet en die werk overneemt dat elders door den m a n t i r gedaan wordt. Deze doekoen tanah treedt na den oogst (de poengka tahoen) op bij het groote offer voor het verkregene, welk offer babantan genoemd wordt. E e n tweede offer van belang is dat, w a t de priester brengt zoodra er veel ziekte in het dorp voorkomt.

Dit draagt den n a a m van batoboes (het vrijkoopen). E e n vrijkoop-feest wordt ook gehouden wanneer talrijke vreemdelingen ter plaatse zijn. I k m a a k t e h e t mee toen ter gelegenheid van de uitreiking der bronzen ster aan h e t adathoofd der Delang, m e e r dan 1000 vreem-delingen daar vertoefden. H e t bestaat daaruit dat m e n een popje, de z.g.n. poêlai, m e t bloed bestrijkt en het in den grond stopt onder de bezwering: „ n e e m dit en laat ons m e t r u s t . "

Heeft deze bezwering niet geholpen en gaat ziekte en sterfte voort, dan is de grond rasi, hij moet dan gereinigd worden. H e t is alweer de doekoen t a n a h die deze grootere bezwering houdt, h e t zooge-n a a m d e malazooge-ndas ( h e t mazooge-njaki lewu der Ngadjoe). Deze priester, die verwant m o e t zijn aan den stichter van het dorp, begint alvorens deze bezwering te houden een opsomming te geven van zijn afstam-ming tot aan den stichter van het dorp, w a a r n a hij den volke ver-haalt hoe aarde en water zijn o n t s t a a n . Hij n e e m t vervolgens een aanbeeld ( l a n d a s a n ) , dat hij rood gloeiend m a a k t en daarop vervol-gens eenige bladeren werpt (sterk riekend) die door de h i t t e ver-kolen, daarop wordt het aanbeeld voor één dag begraven op de kwade p l a a t s . M e n hoopt dat op die wijze tevens de kwade invloeden mogen verkolen, zooals dat m e t de bladeren geschiedde. Men l a a t vervolgens varkens- en kippenbloed op de aarde druipen en hangt bij de plaats waar de l a n d a s a n werd begraven een antjak op m e t verschillende

spijzen. Daarbij richt m e n zich t o t de kwaadgezinde doewata, die n a a s t de spijzen tevens een popje als ganti diri krijgen, m e t de woorden: „hier heb je reisproviand en eetn poêlai, ga n u heen en l a a t ons m e t r u s t . " Op deze wijze „koopt m e n dan grond van de doe-w a t a " , zooals m e n dat aan de Delang pleegt te zeggen. Blijkt ook deze bezwering niet t e helpen, dan s t a a t m e n machteloos, er is geen andere uitweg dan te verhuizen. Op deze aangelegenheid k o m e n we nog terug.

Aan de M a p a n n o e m t m e n de bezwering om de tanah bahantoe (behekste grond) te reinigen, didjala of sangkating. D e offers wor-den d a n gebracht aan de boeroeng djahat, zooals de booze geesten ge-noemd worden (waarschijnlijk ook al weer incarnaties der voor-o u d e r s ) . Men slaat tvoor-ot voor-offeren twee staken in den grvoor-ond w a a r a a n middels een touw vier offermandjes hangen, voor elk daarvan wordt een k a m b a t geplant (een soort h i d o e p2) . De offers bestaan uit rijst, ei en toewak, terwijl tevens van die zaken een popje gekneed wordt, waarop door elke dorpsgenoot gespogen wordt. Uit het bij h e t offeren gesprokene (de Urn padah der bezwering) blijkt dat we ook hier weer m e t een ganti diri te doen hebben. Tijdens het offeren danst m e n om het geheel. Gedurende 3 dagen m a g h e t offer niet worden wegge-n o m e wegge-n ewegge-n is het dorp p a wegge-n t a wegge-n g .

Keeren we weer tot den Delangschen priester terug en beschouwen we n u de manier waarop m e n daar zieken geneest. De bezwering, die daartoe dienstig is, b e s t a a t uit 7 onderdeelen.

De bolin begint m e t zijn afstamming op te n o e m e n dan wel langs welke voorgangers h e m de heilige leer werd overgeleverd. De zelfde m e t h o d e dus, die de M o h a m m e d a a n s c h e leeraar in de mistiek toe-past als hij, alvorens zijn werk te beginnen, de salailah bekend stelt.

Zou de bolin dit achterwege laten dan zou zijn werk geen profijt af-werpen, hij zou niet „ i n dienst " zijn, de opgeroepen voorouders zou-den h e m niet b e h u l p z a a m zijn.

H e t eerste werk daarna is het batariang langit. Men d a n s t daartoe onder leiding van den bolin rondom een opgehangen pinangkolf, welke dans niet afwijkt van die welke m e n bij het rajah aan de M a p a n ziet vertoonen.

D e tweede bezigheid is het timbang tjajoe, dit is h e t eten geven aan de penjangs van de bolin. Zulk een penjang bestaat uit een groot aantal samengebonden takjes, stokjes, busjes m e t steentjes, enz., die alle op een of andere m a n i e r den bolin zijn aangewezen als van hooger m a c h t bezield. Hij heeft ze op alle mogelijke manieren verkregen, niet zelden zijn de belangrijksten door h e m op den berg die voor het hier-n a m a a l s doorgaat (Boekit Sebajahier-n) verzameld.

Hierop volgt h e t badahoepa, dit b e s t a a t daaruit dat m e n m e t een potje wierook over de zieke wuift. Uit de wijze waarop de rook

om-714

hoog. stijgt leert meii of de zieke genezen zal. Slaat de rook neer in westelijke richting, dan beteekent d a t de dood van de patiënt, stijgt ze. oostwaarts op, dan is genezing zeker. Vervolgens heeft het maoe-boer bras plaats, het strooien van rijst over h e t hoofd, de knieën en de voeten des lijders. Waarbij de hulp van alle voorvaders des bolins worden ingeroepen (tjari titiran). Hierop volgt het mendjampi, waarbij de kwade invloeden worden verdreven door het branden van djampi; een alleronaangenaamst riekende rook o n t s t a a t daardoor, het bestaat uit houtskool, tongang (een vezelstof), sangkoba-bladeren en kalk. De kwade invloeden toch die ziekte verwekken en die m e n aan de Delang s a m e n v a t onder den n a a m „tjaroek" k u n n e n niet tegen stank.

Heeft m e n op deze wijze de kwade geesten uitgedreven dan houdt de bolin het boven voor de doekoen t a n a h beschreven batoboes.

W a a r n a m e n t o t het laatste deel der genezing overgaat, het mimpin, het zoeken der ziekte-oorzaak. Daartoe wordt de bolin door wierook in extase gebracht en zoodra hij dan m e t de rondedans aanvangt, gaat hij tot den zieke, bekneedt deze, bewuift h e m m e t majang en derge-lijke en eindigt m e t h e t verwijderen van een of ander voorwerp uit het lichaam van den zieke. I s dit geschied dan valt de bolin wederom flauw en het werk is, n a d a t hij weer is bijgekomen, afgeloopen.

De bezweringen, die m e n laat houden om een of andere gunst van de hoogere wezens te verkrijgen, zijn talrijk. I n totaal k e n t m e n 150 soorten, die n a a r gelang van h e t belang der zaak waar het om gaat, in grooter of kleiner aantal achter elkaar worden uitgevoerd. H e t zou te ver voeren ze hier te beschrijven, ik zal slechts melding m a k e n van de wijze waarop de bezweringen worden samengevoegd.

De kleinste bezwering waaraan bolin meewerken b e s t a a t uit 7 soor-ten, deze samenvoeging n o e m t m e n de batiaoe. Bij een aangelegen-heid van iets grooter belang voegt m e n 15 bezweringen s a m e n tot de sangar gantoeng, 30 bezweringen n o e m t m e n s a m e n tami toetoep, ingeval er 50 zijn vereenigd tot een groote bezwering spreekt m e n van h e t toerocn tingang. Als alle (150) achter elkaar t e n beste worden ge-geven, in welk geval m e n 3 dagen en 3 nachten noodig heeft, spreekt m e n van een tampajoeng of tampijoeng. Voor eik der bezweringen, welke samengevoegd worden, moet bij de offerbak een nog niet uit-gekomen pinang-bloemkolf liggen (saloedang) terwijl ook de pinjang voor elke bezwering een tjajoe als spijze krijgt. E e n tjajoe is een klein bamboebusje m e t toewak of rijst. Voor de tampijoeng dus m o e t e n 150 saloedang en 150 tjajoe aanwezig zijn, voor welke ingrediënten de feestgever heeft te zorgen. Bovendien m o e t natuurlijk de bolin na afloop van zijn werk loon ontvangen. Voor de hier genoemde bezwe-ringen beloopt d a t : voor het batiedoe 1 pakoe ( ± f 0,50) ; voor het sangar gantoeng 5 riboe ( ± f 1,25); voor t a m i toetoep bosi sebelas

( + ƒ 2,50) ; voor toeroen tingang eveneens bosi sebelas; en voor tampajoeng 1 tadjau ( ± f 2,50 à 3 , — ) . Bij deze laatste betaling echter k o m e n nog verschillende nevenbetalingen zooals: voor daoen sagolang 1 k a i n ; voor boengkoeng sagolang 1 t a d j a u ; voor tahe m e m -bajoengan 1 snoer k r a l e n ; voor timboe salodang 1 kopje; voor m a h a n e i menjawei 1 lenden-gordel; voor soendang baringit 1 stuk ijzer; verder nog 1 m a t , 1 beitel, 1 a r m b a n d , 1 kip, 1 varken, 1 pikoel rijst, 1 kain, 1 blaasroer. Dit alles bekomt de bolin mede als loon, de l a a t s t e giften worden voor een bezwering gebruikt voor een basang-kolan ( m e t bloed bestrijken).

Onder de werkzaamheden der priesters behoort, zooals gezegd, ook het terugbrengen van verloren gegane zielestof; b.v. in het geval dat iemand uit een boom is gevallen, na een bevalling, in geval m e n een boozen droom heeft gehad, en m e e r dergelijke. D e bezwering die daar-toe gehouden wordt is het basilih, daarbij wordt ook alweer een ganti diri van iloeng bladeren (een w a t e r p l a n t ) gevlochten, waarop door den te bezweren persoon gespogen wordt n a d a t de gevluchte ziel ge-vangen is. Op een manier die we later zullen leeren kennen wordt den Goden deze pop geofferd.

Ook het raadpdegen der voorteeken-vogels (boelalai boeroeng) is een plicht des bolins ; aan de Delang wordt dit werk door de doekoen t a n a h verricht. Hij stelt daartoe 7 of 14 offermandjes op, bij elk w a a r v a n hij een sirihpruimpje m e t cigaret plaatst (kilim pinang).

Hij roept daarop de vogels op (basangan) terwijl hij rijst werpt. Als de vogels verschijnen, gaat hij n a over welke antjak zij vliegen; uit welke richting ze verschijnen en waarheen ze weer verdwijnen. Daar-uit m a a k t hij op of de teekenen gunstig zijn of niet.

Als een en ander is afgeloopen is het dorp gedurende 7 dagen in verbodstijd; m e n m a g dan h e t dorp niet bezoeken en evenmin het-zelve verlaten, levende voorwerpen (barang banjawa) mag m e n niet dooden of vellen.

Aan de Mantobi bestaat weer een eenigszins andere verdeeling van de priesters. Wij onderscheiden dan 3 soorten: bolin Sangin, bolin Tatoem en bolin Golau. De laatste hebben h u n n e leerling aan de L a m a n d a u ontvangen en zijn imitaties van den reeds vroeger beschre-ven gelijknamigen priester. De bolin T a t o e m zijn voor kort hier ge-ïmporteerd van uit de Westerafdeeling. De Sangin echter zijn de origineele Mantobi-priesters en voeren h u n n e b e k w a a m h e d e n terug op zekere Mangkoe Djaja. Deze persoon leefde op aarde t e n tijde van den eersten m e n s c h en had de b e k w a a m h e d e n om dooden tot het leven

Aan de Mantobi bestaat weer een eenigszins andere verdeeling van de priesters. Wij onderscheiden dan 3 soorten: bolin Sangin, bolin Tatoem en bolin Golau. De laatste hebben h u n n e leerling aan de L a m a n d a u ontvangen en zijn imitaties van den reeds vroeger beschre-ven gelijknamigen priester. De bolin T a t o e m zijn voor kort hier ge-ïmporteerd van uit de Westerafdeeling. De Sangin echter zijn de origineele Mantobi-priesters en voeren h u n n e b e k w a a m h e d e n terug op zekere Mangkoe Djaja. Deze persoon leefde op aarde t e n tijde van den eersten m e n s c h en had de b e k w a a m h e d e n om dooden tot het leven

In document *Vi iffe^ (pagina 140-155)