Nederland in Indië

In document *Vi iffe^ (pagina 116-133)

DOOR

J. R. BEVERSLUIS.

Ter inleiding moet ik beginnen m e t de bespreking van eenige zaken, die op het eerste gezicht niet veel t e m a k e n schijnen te hebben m e t h e t onderwerp d a t de titel aangeeft.

Zooals echter, hoop ik, blijken zal, hebben zij er niet alleen wel m e d e t e m a k e n , doch bepalen en beheerschen zij primair alle meeningsvorming, uiteenzetting en gedachtewisseling; zóó zeer zelfs, dat voor gemotiveerde oordeelvelling en vruchtbare gedachtewisseling de beschouwing telkenmale verobjectiveefd, veralgemeend, dient te worden tot die primaire p u n t e n .

W e l n u dan, om methodisch en doelbewust t e werk te gaan. wenseh ik als p u n t e n ter voorbereiding van actueele en incidenteele meenings-vorming voorop te stellen de volgende fundamenteele stellingen en conclusies :

1. Meenings- en opvattihgs-uiting over een bepaalde zaak of kwestie dient steeds gebaseerd te zijn op die ruimere, algemeenere opvattingen die wij bezitten in onze wereldbeschouwing, levensaan-schouwing.

Zonder dit fundament zijn een meening of een oordeel slechts van geringe waarde, o m d a t zij dan niet aansluiten op een groote en konsekwente lijn.

I k vermoed dat deze stelling door n i e m a n d bestreden zal worden.

Zij lijkt zoo simplistisch, vanzelfsprekend. Doch daarin ligt juist het gevaar.

H e t is nog een zaak op zichzelve, om n a a s t de erkenning van die vanzelfsprekendheid ook diensvolgens te handelen bij oordeelvorming.

W e l h a a s t ieder zal vermoedelijk vaak zondigen tegen deze toch zoo eenvoudige eisch.

Men kan zich er niet genoeg van doordringen d a t m e n steeds en telkens weer zeer bewust zich m o e t afvragen of m e n zijn opvatting of meening over een bepaald iets inderdaad kan afleiden uit de fun-damenteele, grootere opvattingen.

"Uit die fundamenteele opvattingen vloeien onmiddellijk voort weder n a d e r e , hoewel toch ook nog ruimere en breedere, grondslagen voor oordeel- en standpunt-vorming.

H e t is hier niet de p l a a t s n a a r wereldbeschouwingen t e vragen, doch het is absoluut noodzakelijk ons even uit t e spreken over enkele eroote hoofdzaken die beslissend zijn voor ons te v o r m e n oordeel.

Vragen wij ons derhalve af:

Accepteert m e n m e t mij een doelmatigheid en wetmatigheid, een doel, en een zin, een beteekenis, van hoogeren aard in h e t l e v e n ?

Dit beteekent m . a . w . gelooft m e n in evolutie, in ontwikkeling, omhoogschrijding v a n den m e n s c h en het m e n s c h d o m ? E n verder:

hoe s t a a t m e n tegenover de historische wording van alles t o t dat-gene, wat — en zooals h e t — t h a n s i s ?

' I n de beantwoording v a n deze vragen ligt één der grondslagen die in cardinalen zin onze meening over bepaalde maatschappelijke en staatkundige kwesties beheerschen.

I m m e r s : a a n n a m e van doelgerichte evolutie b e t e e k e n t : aanvaar-ding in principe v a n het historisch gewordene, als basis van waaruit verder gegaan moet worden; en tevens bepaalt die a a n n a m e de waardeschatting daarvan, in h e t licht dier evolueertende wording bezien.

Deze inzichten leiden bovendien tot bescheidenheid, en t o t voor-zichtigheid en geduld.

Bescheidenheid in dezen zin, d a t m e n niet m e e n t m e t zijne ver-beterende opvattingen die wording te doen beëindigen, niet m e e n t dat m e t onze generatie en onze meeningen de evolutie den top be-reikt heeft. W a n t waarlijk, dat houden toch vele hervormings- en verbeterings-gedachten en -systemen in, (ik geloof g a a r n e : vaak on-bewust) : verwezenlijking van zulke t o e s t a n d e n en feiten, die niets meer of m i n d e r beteekenen, dan omschepping van sinds vele eeuwen

„ v e r k e e r d e " toestanden, ineens, in zulke, die volgens onze opvat-tingen ,,de b e s t e " zijn.

Zou dan waarlijk die eeuwen-lange evolutie, die historische wor-dingsgang slechts op ons gewacht hebben, om m e t ons, in één slag, het hoogst-bereikbare te k u n n e n verwezenlijken?

I k zei hierboven tevens dat a a n n a m e van zulk een evolutie ook leidt tot voorzichtigheid en geduld.

De historische ontwikkelingsgang loopt reeds eeuwen en eeuwen.

I n alle tijden waren er m e n s c h e n die wisten en verkondigden hoe wereld en menschen beter konden zijn. D e historie t o t heden leert ons dat het toch blijkbaar niet zoo eenvoudig is om verwezenlijkingen in die richting tot stand t e brengen.

Als er eeuwen noodig waren om t e komen tot wat n u is, zullen wij

686

ons waarlijk zeer ernstig m o e t e n afvragen, of dan die ingrijpende ver-beteringen die wij willen verwezenlijken, n u inderdaad wel stand-houdend te scheppen zullen zijn in den tijd van een oogenblik, of zelfs van eenige jaren. Zulk een ernstig afvragen leidt m . i . ongetwij-feld tot voorzichtigheid en geduld.

I k voel het, m e n zal mij hier willen toevoegen: „ m a a r de revoluties dan, b.v. de F r a n s c h e , bracht die geen verbeteringen langs geweld-dadig ingrijpenden weg, verbeteringen die anders misschien nog in lange, lange tijden niet t o t verwezenlijking gekomen zouden z i j n ? "

Om dit schijnbare tegenargument op zijn juiste waarde te doen schatten, moeten wij ons al weer op algemeener s t a n d p u n t stellen.

Bracht de F r a n s c h e revolutie inderdaad verbeteringen?

D a t hangt er geheel en al van af, wat wij m e t verbeteringen be-doelen.

Bedoelt m e n d a a r m e d e uitsluitend materieel, en in rechten, ja..., dan dient gezegd te worden, dat zulke inderdaad door de F r a n s c h e revolutie gebracht werden.

Maar, — zijn dat waarlijk verbeteringen in het licht der a a n n a m e eener evolutie van hooger orde?

Zijn de menschen er „ b e t e r " van geworden, in dien zin?

I k waag het niet hierop beslissend te antwoorden, doch, ik meen zulks wel althans te mogen betwijfelen: de doelstelling dier revolutie i m m e r s was bepaaldelijk de verkrijging van grootere rechten tot meer-der materieel voordeel.

Die doelstelling k e n m e r k t de daad dier revolutie, naar mijn ge-voelen, op zich zelve zonder twijfel als niet rechtstreeks dienstbaar aan de door ons bedoelde evolutie in hoogeren zin.

H e t is mogelijk dat die materieele en juridische verbeteringen be-vorderend werkten op die hoogere evolutie, m a a r indien dit het geval is, zijn zulke consequenties toch indirect en secundair.

E n meer dan dit — ik m e e n m i n s t e n s te mogen betwijfelen of die secundaire consequenties in het algemeen wel m e t veel waarschijnlijk-heid zelfs m a a r verwacht mogen worden als uitvloeisels van revolutio-nair verworven materieele verbeteringen.

W a n t — hoewel ik stellig van meening ben dat innerlijke evolutie betere kansen heeft bij behoorlijke, dan bij slechte materieele om-standigheden — ik ben er even zeer van overtuigd dat boven een zekere, vrij spoedig bereikte, grens, de neiging tot, en de behoefte r a n , opname van waarlijk geestelijk voedsel afneemt n a a r de m a t e waarin het materieel beter gaat.

H e t is hierin dat zulk een groot gevaar schuilt, indien de pogingen tot verbetering der toestanden in h e t maatschappelijke mensenbe-staan t e zeer uitsluitend geformuleerd zijn in materieele doelstellingen. De zeer velen die toch reeds de neiging hebben een „ m e n s c h

-w a a r d i g ' ' bestaan te veel af te m e t e n n a a r het materieele, -worden daarmede in die gevaarlijke, eenzijdige houding versterkt.

2. E e n volgend p u n t is de belangrijke kwestie die t e stellen is in de twee begrippen: gelijkberechtigdheid, en gelijkwaardigheid van alle m e n s c h e n , welke twee begrippen m a a r al te veel als geheel, of bijna geheel, gelijkbeteekenend gebruikt worden.

Geliptberechtigdheid, d.w.z. in principe, beteekent dat ieder sterve-ling gelijk recht heeft om te streven naar wat hij wenscht t e verwer-ven, m i t s hij blijve binnen de grenzen van geschreven en ongeschreven recht en moraal.

H e t beteekent m e d e , dat niemand door bewust onrecht, of door willekeur daarin verhinderd m a g worden.

Dit is een beginsel w a a r a a n niet getornd k a n worden. E n alles wat daaraan eventueel nog strijdig is binnen de bestaande rechtsorde, moet u i t den weg geruimd worden.

Gelijkwaardigheid v a n alle menschen echter is een uitspraak, waar-over nader gesproken moet worden.

I k ontken t e n stelligste de waarheid dezer opvatting dat alle m e n -schen voor elkander gelijkwaardig zouden zijn.

Ik meen zelfs t e mogen zeggen dat zulks blijkens de eenvoudige feiten zeer beslist niet zoo is, wat heel w a t m e e r zegt.

De dagelijksche levenspraktijk, van ieder m e n s c h afzonderlijk, brengt voortdurend en in overmaat de voor zich zelf sprekende mani-festaties van het feit dat die gelijkwaardigheid er niet is.

Alle keuze tusschen m e n s c h e n is, afgezien van zakelijke motieven, een erkenning van de ongelijkwaardigheid.

Alle sympathie en antipathie, vertrouwen en wantrouwen en derg., m i t s niet van bekrompen en onzuiveren . aard, is manifestatie van ongelijkwaardigheid.

Vele der verhoudingen: meerdere en ondergeschikte, leider en uit-voerder, berusten absoluut niet op maatschappelijke of machts-toe-standen, doch zuiver en alleen op h e t besef van ongelijkwaardigheid.

Men ga bij zich zelven na.

Acht m e n de zeer eenvoudige van geest, toegerust m e t beperkte kennis, die weinig of niet n a d a c h t , gelijkwaardig aan zich zelven, die op de basis van ruimere kennis, ernstig en breed de gedachten kon laten weiden in vele en velerlei gebieden, en die kennis n a m van de gedachten van vele a n d e r e n ?

Men zal mij willen tegenwerpen dat die verschillen juist gevolg zijn van verschillen in maatschappelijken welstand, en d a a r m e d e in op-voeding en levenskansen.

Hierop antwoord ik ten eerste dat hiermede een zaak aangeroerd wordt die t h a n s niet ter sprake is ; ten tweede dat in die tegenwerping

688

zelve ongewild de bevestiging ligt van het b e s t a a n dier ongelijkwaar-digheid, en om de vaststelling daarvan is h e t hier voorloopige slechts t e doen. I n de tegenwerping t r a c h t m e n slechts h a a r b e s t a a n te ver-klaren, terwijl tevens in die poging tot verklaring besloten ligt de meening dat, als m e n aan allen dezelfde kansen bood, de ongelijk-waardigheid d a a r m e d e verdwenen zoude zijn.

Ook deze laatste meening echter is op velerlei wijze onjuist, en ongemotiveerd.

D a t zij onjuist is, wordt bewezen door het feit der ongelijkwaardig-heid v a n verschillende m e n s c h e n uit een zelfde maatschappelijk milieu, die eenzelfde opleiding en dezelfde ontwikkelingskansen hebben genoten. D e desondanks daartusschen op t e m e r k e n groote ongelijkwaardigheid zal wel door n i e m a n d geloochend worden.

Ongemotiveerd is zij reeds krachtens de voorgaande zinsnede. M a a r bovendien o m d a t zij een ontkenning of miskenning inhoudt van den geweldigen invloed, juist van milieu, van geestes-sfeer, van opvattings-sfeer, h e t p r o d u k t van overbrenging van geslacht op geslacht in de lijn van afkomst van een bepaald individu.

Ook hier zal m e n weder dezelfde tegenwerping willen m a k e n als zooeven, en de oorzaak van dit laatste willen leggen, juist i n de ver-schillende omstandigheden.

Ook hier weer werpt m e n in die poging t o t verklaring een andere kwestie op dan die welke in behandeling is, en ook hier geldt t e n aanzien v a n die simplistische poging dezelfde weerlegging als hier-vóór gegeven werd.

W a a r het om gaat is de vaststelling, zonder beoordeeling of ver-klaring, — en waartegen n u wel geen tegenspraak meer geuit zal w-orden — van dit feit : de verschillende menschen zijn ongelijkwaar-dig, afgezien van feitelijke en zakelijke kennis, doch wat betreft aan-leg, wezen, neigingen, capaciteiten, opvattingen, enz.

3. Ten slotte wensch ik nog als derde fundamenteel p u n t vast te leggen: ,,de onderlinge en wederkeerige afhankelijkheid en beïnvloe-ding van alle m e n s c h e n , vooral in die zaken welke gebonden zijn 'aan ijzeren en onwrikbare economische wetten en feitelijkheden, doch daarnevens ook in niet-materieele o p z i c h t e n . "

Djt is een zeer belangrijk feit dat niet genoeg in de aandacht ge-houden k a n worden, doch hetwelk n a a r mijn meening vaak t e zeer v e r o n a c h t z a a m d wordt, of waaraan, opgevat als bijkomstige zakelijk-heid, vaak te weinig kracht van a r g u m e n t toegekend wordt.

Eecapituleeren wij t h a n s het voorgaande, dan produceerde ik de volgende drie grondleggende, richting-bepalende vaststellingen, welke ik langs anderen weg ook reeds ontwikkelde in een artikel in Onze Eeuw (Nov. '23) en waaruit ik ze hier in dezelfde formuleering overneem :

1. Maatschappelijke opvattingen en de daaruit voortvloeiende richtlijnen voor practische politiek, m o e t e n gebaseerd zijn op welbe-wuste, fundamenteele opvattingen o m t r e n t wereld en leven.

2. D e practische politiek beteekent ordening en regeling in een bestaande, historisch geworden, organisch "gegroeide, ingewikkelde maatschappelijke samenleving, w a a r v a n het k e n m e r k voor dezen tijd i s : alzijdige, onderlinge afhankelijkheid en beïnvloeding van elk der menschen en menschengroepen die h a a r samenstellen.

D i t feit beteekent voor eiken eenling en belangengroep den eisch van erkenning en besef v a n verantwoordelijkheid voor- en afhanke-lijkheid van- h e t welzijn van alle andere onderdeelen, en v a n het ge-heel (gemeenschapszin).

Tevens sluit dit in, dat goed begrip van economische wetten, feiten en mogelijkheden noodzakelijk is.

Ten slotte beteekent dit feit nog dat de maatschappelijke verder-ontwikkeling slechts mogelijk is langs den weg van geleidelijke voort-bouwing, aansluitend op h e t b e s t a a n d e .

3. Die ordening en regeling moet belichaamd worden door de levende m e n s c h e n . Bij de tenuitvoerlegging is m e n dus als beheer-schende factor gebonden aan de erkenning, aanvaarding en consequen-ties van h e t feit der zeer groote verscheidenheid in aanleg, wezen, neigingen en capaciteiten der verschillende menschen en menschen-groepen.

Na deze inmeting en opstelling van vaste oriëntatiepunten en aan-sluitiags-baken, welke absoluut noodzakelijk zijn, wil m e n bij een eventueele gedachtewisseling niet stuurloos door en langs elkander heen zwalken, ga ik t h a n s over tot de behandeling van eenige groote en principieele kwesties inzake Nederland in I n d i ë .

Bij deze behandeling beroep ik mij implicite en explicite voort-durend op de voormelde drie grondstellingen, weshalve ik die vooraf m o e s t ontwikkelen.

Als eerste p u n t van bespreking n e e m ik:

H E T B E G B I P „ I N D O N E S I Ë E " .

Dit begrip „ I n d o n e s i ë r " is een fictie en een dwaasheid, zooals dit m e e r en m e e r gebruikt wordt als uitdrukking van de idee eener volks-eenheid over geheel Nederlandsch-Indië, van eene o m v a t t e n d e

„ n a t i o n a l i t e i t . "

I n de Telegraaf v a n Dinsdag 18 November 1924 o.a. heeft m e n als recent voorbeeld juist weer een bericht k u n n e n lezen o m t r e n t plannen tot de oprichting eener kweekschool voor „ N a t i o n a a l onderwijs"

w a a r m e d e h e t b e s t u u r van „ B o e d i O e t o m o " zich n a a r h e t schijnt bezig hield.

44

690 \

M e t „ n a t i o n a a l onderwijs" wordt blijkens het bericht bedoeld het den l a a t s t e n tijd sterk uitgebreide bijzonder Inlandsen onderwijs op nationalen grondslag, waarvoor verschillende organisaties scholen op-richtten, en dat zoowel van nationalistisch-Javaansche, als van theosophisch-Europeesche zijde wordt gepropageerd. Ten einde den toevoer van onderwijskrachten voor dit onderwijs te verzekeren, zou m e n een kweekschool gesticht willen zien.

. Dezelfde opvatting van eene „Indonesische n a t i o n a l i t e i t " (en daarmede van een nationalistischen Indonesiër) wordt gehuldigd door E u r o p e a n e n m e t sociaal-democratische, en., m e t communistische maatschappij-beschouwing, als ook door de z.g. „ e t h i s c h e " koloniale politiek, voor h e t grootste deel onder die betiteling produkt van de z.g.

Leidsche School van hoogleeraren die vakken doceeren welke de a.s.

Indische B e s t u u r s - a m b t e n a a r tijdens zijn opleiding moet verwerken.

(Zie betreffende de laatste categorie h e t recentste bewijs in het

„ V e r w e e r " , dat, geteekend door alle leden der Lqidsche faculteit, in De Gids van Febr. 1925 verscheen, speciaal het 3e p u n t van de 4 die als „beginselverklaring" gegeven worden, waarin zij eonsta-teeren dat de bevolking in overgroote meerderheid behoort tot één enkel, het Indonesisch ras ) .

H e t spreekt vanzelf dat t e n slotte zulk een ,,nationaliteits"-idee m e t groot enthousiasme aangehangen en gepropageerd wordt door een deel van de in Indië inheemsche bevolking zelve, speciaal de leiders en voorgangers.

H o e sympathiek en aanlokkelijk deze idee ongetwijfeld ook is, ik herhaal, de inhoud ervan is een fictie, èn een dwaasheid.

Wij zijn in E u r o p a nog zeer verre verwijderd van het synthetische produkt, den m e n s c h die, in analogje m e t den Indonesiër, „ d e E u r o p e a a n " zal zijn.

J a , sterker, binnen verschillende landen, en zelfs binnen onderdeelen van landen, heersenen nog d e r m a t e exclusivistische, en voorshands onvereenigbare, ras-, landelijke- en locale bewustzijnen, dat m e n t e n rechte nog niet eens spreken k a n van den Duitscher, den Engelsch-m a n ( B r i t ) , den Nederlander, enz.

H e t synthetische gemeenschaps- en eenheidsbesef, dat hiertoe noo-dig zou zijn, is nog m a a r zeer m a t i g ontwikkeld, zelfs binnen zulke landsgrenzen.

H o e hooger de innerlijke en geestelijke ontwikkeling, hoe wijder de omvatting wordt van dat synthetische gemeenschapsbesef, hoe grooter de gemeenschapszin, ondanks de tevens eraan verbonden sterkere individualisatie der persoonlijkheden.

D a t besef, die gemeenschapszin, missen de „ I n d o n e s i ë r s " zeer zeker in de hoogste m a t e . De gemeenschap die h u n belangstelling boeit, en desnoods eenige offers waard is, is voor den Inlander in

dalende orde: zijn eigen persoon, de familie, de dessa (het d o r p ) , en hoogstens de streek. Verder gaat niet alleen zijn belangstelling niet, sterker, al het verdere vertegenwoordigt minstens vaagweg van allerlei dat hij voornamelijk aanvoelt als mogelijkheden voor concur-rentie, verstoring van zijn afgesloten r u s t en zekerheid, tot direkte bedreiging toe.

Verre dus daarvan, dat Indonesië „ I n d o n e s i ë r s " herbergt, wonen zelfs b.v. op J a v a geen J a v a n e n in de beteekenis van landaard, doch wonen hier minstens reeds de zeer verschillende, en zich zelven ook allerminst één voelende S o e n d a n e e z e n , ' J a v a n e n en Madoereezen. M e n denke in dit verband reeds alleen nog m a a r aan de scheidende moei-lijkheden der taal en der zede.

Doch ook die volks-soorten ieder op zich zelve vormen nog lang geen waarlijke volkseenheid. De h a a r vormende locale o n d e r d e d e n zouden niet o m v a t b a a r zijn door een zelfgevoelde volkseenheidsband.

Zulk een besef zou het meerendeel der daarbij betrokken I n l a n d e r s hoegenaamd niet r a k e n ; er zouden, dus zeker geen consequenties daarvan door hen gedragen willen worden, zooals daar zouden zijn allerlei verplichtingen en beperkingen, een wederzijds geven en n e m e n , en meer derg.

Dit laatste klinkt zelfs dwaas, als m e n even bedenkt hoe in E u r o p a , n e m e n wij b.v. m a a r Nederland, de politieke en sociale groepeeringen, ja deels ook de locale groepeeringen, ( m e n denke aan Friesland, L i m b u r g , B r a b a n t e n z . ) , tegenover elkaar staan, en er weinig of geen sprake is van gezamenlijk, gemeenschappelijk, regelen onder alzijdig wat geven en n e m e n .

Wie dus ,,den I n d o n e s i ë r " p l a a t s t in zijn opvattingen betreffende Indië, in die beteekenis van ,,één uit h e t volk van I n d o n e s i ë " , plaatst h e r s e n s c h i m m e n in een zeer reëele wereld, uit een dwaasheid, of...

begaat bewust een misdaad door een onwaarheid te misbruiken voor agitatie die andere oogmerken nastreeft. ])

a) Ziet hier wat een zeer ontwikkeld, fljnvoelend, zich volkomen Javaan voelend, mensch omtrent zijn eigen Indonesië zegt:

Men kan zich onmogelijk aan voorspellingen wagen aangaande de stellig-heid van de wording eener Indonesische eenstellig-heid, laat staan aangaande den tijd, waarop die geboorte verwacht kan worden. Alles hangt af van de mate van wijsheid en geduld der leiders wier taak het zal zijn van de aanwezige factoren gebruik te maken om de komst van die eenheid, die saamhoorigheid voor te bereiden en te vergemakkelijken. Doch één ding durf ik te voorzeggen:

die Indonesische natie of Indonesische supra-nationaliteit of voor het minst die Indonesische saamhoorigheid komt nooit en te nimmer, wanneer de leiders een gemeenschappelijken haat en afkeer jegens den „overheerscher"

opkweeken en aanwakkeren, uitsluitend met het oogmerk dat gevoel te bezigen als bindmiddel voor de vorming van een Indonesisch gezin. — Noto Soeroto in ,.Oedaya". Juli 1925.

692

H e t tweede groote en principieele vraagstuk dat ik behandelen wil l u i d t :

I N D I Ë Z E L F B E S T U U B .

Direkt s a m e n h a n g e n d m e t d a t irrëeele begrip Indonesiër v e r n e e m t m e n den eisch of do doelstelling die kortweg luidt: „ I n d i ë zelf-b e s t u u r " .

Dit is een leuze, en laat ik h e t direkt er bij zeggen, niet eens een aanlokkelijke leuze.

L e u z e n stellen is niet moeilijk, doch t h a n s vraag ik den stellers daarvan n a a r ontvouwing van wezen en inhoud dier leuze, en de consequenties harer eventueele verwerkelijking.

H o e ver wil m e n gaan, en hoe denkt m e n zich de t o t s t a n d k o m i n g dier doelstelling; welk schema heeft m e n voor oogen dat een onge-stoorde verderschrijding waarborgt v a n het maatschappelijk samen-leven in Indië onder „eigen b e s t u u r " ?

Moeten plotseling de Nederlanders, de „ o v e r h e e r s c h e r s " , zooals de vijandige uitdrukking luidt, zich geheel en al terugtrekken uit alle leiding-geving en machts-posities die zij t h a n s uitoefenen?

Indien dat de, vermoedelijk m i n of m e e r vage, wensch is, beseffen dan de stellers daarvan wel goed de consequenties?

Meent m e n werkelijk d a t in een afzienbaar verschiet uit de in-heemsche bevolking zelve, in een voldoend aantal, m e n s c h e n beschik-baar zijn van die mentaliteit, en m e t die m a t e van gemeenschaps-besef,welke als m i n i m u m aanwezig m o e t e n .zijn om billijk, eerlijk en onpersoonlijk te t r a c h t e n n a a r h e t beste voor de door hen bestuurde gemeenschap, of een onderdeel d a a r v a n ?

Al weder zeg ik: m e n beseffo in hoe sterke m a t e zelfs beteren onder de E u r o p e a n e n dergelijke vertrouwens-posten misbruiken, of in onvol-doende m a t e de daarin voor hen liggende plichten t e n uitvoer brengen.

Men bedenke vervolgens hoe weinig generaties p a s er zijn v a n I n l a n -ders die beginnen te naderen tot die kennis en die inzichten, welke, zooals wij in de inleiding zagen, niet uitsluitend k u n n e n worden aan-geleerd, doch welke, van geslacht op geslacht overgebracht, den ge-heelen m e n s c h moeten doordringen. H o e durft m e n dan te m e e n e n dat nu reeds, of al spoedig, voldoende leiders van voldoend gehalte onder hen t e vinden zouden zijn.

E n t e n overvloede: wàt m e n w a a r n e e m t bij velen dier zich t h a n s als leiders opwerpende meer-ontwikkelde I n l a n d e r s , moest toch min-stens tot voorzichtigheid en twijfel leiden betreffende h e t oordeel om-t r e n om-t heom-t peil dier groeiende menom-taliom-teiom-t.

I k aarzel niet de overtuiging uit te spreken d a t verwezenlijking dier leuze binnen afzienbaren tijd een r a m p voor de „ I n d o n e s i ë r s "

zou zijn, van onmetelijke omvang en duur.

H e t zou iu Indië een B a l k a n worden die twintigvoudig verschrik-kelijker zou zijn dan de Europeesche B a l k a n op zijn ergst.

Voor zoover mij bekend, hebben de stellers der genoemde leuze geen schema voor oogen betreffende de organisatie van Indonesië's bestuur, vrij van Nederlandsch gezag.

Na het voorgaande acht ik mij ontslagen van de verplichting nader aan t e toonen dat er trouwens, al ware er een schema, niet de minste

Na het voorgaande acht ik mij ontslagen van de verplichting nader aan t e toonen dat er trouwens, al ware er een schema, niet de minste

In document *Vi iffe^ (pagina 116-133)