Algemene welbevinden ouderen: perspectief van het personeel

In document Naar meer relatiegerichte zorg in Belgische woonzorgorganisaties. Evaluatierapport Piloottest Tubbe-model (pagina 38-42)

4. Na anderhalf jaar “Tubbe”: de resultaten

4.1. Hoge(re) tevredenheid

4.1.2. Algemene welbevinden ouderen: perspectief van het personeel

Ook bij het personeel polsten we naar hun inschatting van de kwaliteit van zorg en de mate waarin ze inschatten of die al dan niet verbeterd is sinds de deelname aan de piloottest.

Algemeen geldt ook hier dat over de organisaties heen een groot aandeel de kwaliteit van zorg op hun afdeling goed tot zeer goed inschat (85%). Dit percentage is quasi vergelijkbaar in de tweede meting nl. 87%. Ook binnen de gekoppelde data zien we hierin geen significante verandering qua inschatting (N=53, n.s.).

Tabel 19. “Hoe zou u de kwaliteit van de zorg op de afdeling omschrijven?”

(Chi2=1,061, df=4, p=0,9) Zeer

zwak Zwak Neutraal Goed Zeer

goed N

Fase 1 0,5% 1,0% 13,5% 66,8% 18,1% 193

Fase 2 0,0% 1,3% 11,9% 67,5% 19,2% 151

Wanneer we echter kijken naar de inschatting van het personeel naar verbetering / verslechtering van zorg sinds de deelname aan het pilootproject, dan zien we wel een significante stijging. Wel 53% geeft aan dat de zorg in hun afdeling (sterk) verbeterd is. Dit verband blijft bestaan wanneer we controleren voor organisatie en andere achtergrondkenmerken. In de gekoppelde dataset zien we een zelfde tendens tevoorschijn komen (N=47, p<0,01).

Een aanzienlijk deel van het personeel ervaart dus een verbetering in de kwaliteit van zorg door hun de deelname van hun organisatie aan het pilootproject. Omgekeerd mogen we zeker ook niet uit het oog verliezen dat 46% noch een verbetering, noch een verslechtering ervaart. Voor deze groep betekent deelname aan de piloottest dus niet noodzakelijk een meerwaarde wat de kwaliteit van zorg betreft. Daarnaast is het aantal personeelsleden dat wijst op een verslechtering erg laag.

Tabel 20. “Is de kwaliteit van de zorg op de afdeling veranderd sinds uw organisatie meewerkt aan het project van de Koning Boudewijnstichting?” (Chi2=27,639, df=4, p<0,01)

Sterk

verbeterd Verbeterd

Noch ver-beterd, noch verslechterd

Ver-slechterd

Sterk ver-slechterd N

Fase 1 1,2% 24,0% 74,3% 0,6% 0,0% 171

Fase 2 4,6% 47,7% 46,4% 0,7% 0,7% 151

Ook op organisatieniveau kunnen we naar een aantal indicatoren kijken die een beeld geven van de kwaliteit van zorg. Belangrijk om hierbij in het achterhoofd te houden is dat het om slechts zes organisaties gaat, die bovendien elk op eigen wijze en eigen tempo met het Tubbe-model aan de slag zijn gegaan. Andere factoren kunnen eveneens een impact hebben op deze cijfers. De tabellen dienen dan ook met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Ze geven slecht een indicatie.

Een eerste indicator op organisatieniveau is het medicatiegebruik. Bij aanvang van de piloottest en een jaar later bevroegen we de organisaties naar het aantal ouderen op één referentiedag die 5 tot 9 verschillende geneesmiddelen voorgeschreven kreeg en het aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten geneesmiddelen.

Tabel 21. Medicatie met een systemisch effect en chronisch gebruik op één referentiedag 2

Fase 1 Fase 2

Omschrijving %

Pilootpraktijk 1 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 56% 43%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 35% 39%

Pilootpraktijk 2 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts N/A N/A Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts N/A N/A Pilootpraktijk 3 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 45% 44%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 39% 36%

Pilootpraktijk 4 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 10% 56%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 85% 30%

Pilootpraktijk 5 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 51% 51%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 22% 28%

Pilootpraktijk 6 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 68% 69%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 32% 35%

Wanneer we de verschillende pilootpraktijken vergelijken, dan zijn er weinig grote verschillen op de twee tijdstippen. Eén pilootpraktijk springt er weliswaar bovenuit:

pilootpraktijk 4. Daar daalde het aantal ouderen dat 10 of meer verschillende soorten medicatie neemt van 85% naar 30%.

Tabel 22 bekijkt vervolgens het aantal valincidenten op jaarbasis. Ook hier zijn er weinig verschillen met eerder een toename in de eerste pilootpraktijk. In één pilootorganisatie werd andere info aangeleverd rond de valincidenten. Daar was het aantal ouderen met 1 of meer incidenten tijdens de eerste bevraging 11%;

op het tweede tijdsmoment was dit 9,8%. In een laatste pilootpraktijk tot slot waren geen data beschikbaar omdat enkel de serviceflats, dagopvang en het inloophuis geïncludeerd werden in de piloottest.

2 Het gaat enkel om de bewoners van het woonzorgcentra; voor cliënten van de dagverzorgingscentra, assistentiewoningen, … zijn deze cijfers niet beschikbaar.

Tabel 22. Aantal valincidenten op jaarbasis vergeleken

Wat medicatiegebruik betreft en het aantal valincidenten leidde het Tubbe-model, tot hiertoe, dus niet tot grote trendbreuken. Opnieuw willen we hier graag onder-strepen dat ook heel veel andere factoren een impact hierop kunnen hebben.

Bovendien is het tijdsbestek, anderhalf jaar, mogelijk kort om een impact op organisatie niveau op niveau van deze indicatoren te hebben. Het Tubbe-model is immers een proces, waarin de organisatie doorheen de tijd een paradigmashift maakt. In het evaluatieonderzoek van het Zweeds model werd bijvoorbeeld een tijdsbestek van 5 jaar genomen voor de vergelijking (Håkansson, 2016).

Onderstaande tabel tot slot geeft voor één organisatie de vergelijking tussen het aantal alarmen per dag voor de maand november (2018). Voor deze organisatie kunnen we de vergelijking maken met een vergelijkbare organisatie binnen dezelfde koepel met een vergelijkbaar aantal ouderen en een vergelijkbare praktijk. Hoe-wel het slechts om één organisatie gaat, geven de cijfers een duidelijk verschil weer.

Het aantal alarmen per dag is opvallend hoger in de praktijk waar het Tubbe-model niet geïntroduceerd is dan in de pilootpraktijk met het Tubbe-model. Waar er dus op niveau van medicatiegebruik en valincidenten weinig verschil merkbaar is, zien we in de dagdagelijkse praktijk bij deze ene pilootpraktijk een groot verschil tussen de organisatie met het Tubbe-model en de organisatie zonder.

Tabel 23. Aantal alarmen: één pilootpraktijk vergeleken met “care as usual”

Care as

usual

Piloot-praktijk Care as

usual Piloot-praktijk

1/nov 294 92 8/nov 292 83

2/nov 289 96 9/nov 289 93

3/nov 337 93 10/nov 380 81

4/nov 477 74 11/nov 361 96

5/nov 280 99 12/nov 222 104

6/nov 241 90 13/nov 414 86

7/nov 279 77 14/nov 272 83

4.1.3. Samenvattend: een aangename en aantrekkelijke plaats waar ouderen

In document Naar meer relatiegerichte zorg in Belgische woonzorgorganisaties. Evaluatierapport Piloottest Tubbe-model (pagina 38-42)