Een aangename en aantrekkelijke plaats waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven (?)

In document Naar meer relatiegerichte zorg in Belgische woonzorgorganisaties. Evaluatierapport Piloottest Tubbe-model (pagina 34-38)

4. Na anderhalf jaar “Tubbe”: de resultaten

4.1. Hoge(re) tevredenheid

4.1.1. Een aangename en aantrekkelijke plaats waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven (?)

Algemene tevredenheid

Zowel tijdens de eerste als de tweede bevraging vroegen we naar de algemene tevredenheid van de ouderen. Ze konden dit op een eenvoudige schaal aanduiden van 1 tot 5. 1 stond voor helemaal niet tevreden, 5 voor helemaal tevreden.

Algemeen ligt de tevredenheid op beide momenten hoog. Wanneer we de vergelijking maken van de verdeling tussen de eerste en tweede bevraging, zien we een significante toename over de tijd heen. Tijdens de eerste bevraging gaf 48% van de ouderen een score van 5; dit steeg naar wel 60% in de tweede bevraging.

Tabel 16. Algemene tevredenheid, in % (Chi2 = 14,43, df=4, p<0,01)

Fase 1 Fase 2

1 (helemaal niet tevreden) 0 0,5

2 1,4 0,5

3 11,6 15,1

4 39,1 23,8

5 (helemaal tevreden) 47,8 60,0

N 276 185

Wanneer we in een multivariate analyse controleren voor de organisatie en de duur van het verblijf, dan zien we ook hier dat de tevredenheid hoger is in de tweede bevraging dan in de eerste bevraging. De toename in tevredenheid is dus generiek.

Toegespitst op organisatieniveau, valt op dat er in één pilootpraktijk weliswaar een grote positieve wijziging is.

We peilden in de vragenlijst tevens of ouderen al dan niet opnieuw zouden kiezen voor de organisatie. Op die vraagt zegt wel 93% ja in de eerste bevraging en 95% in de tweede bevraging. De verschillen tussen beide meetmomenten zijn niet significant.

Wat opvalt bovendien is dat de tevredenheid hoog is in de organisaties, zowel bij aanvang als een jaar later. Ook dit is belangrijk om in het achterhoofd te houden wanneer we de impact van de piloottest van het Tubbe-model bij ouderen willen vatten. De organisaties die intekenden op deze piloottest zijn niet de gemiddelde woonzorgorganisaties in België wellicht. Het gaat om organisaties die op zoek zijn naar hoe ze hun werking kunnen verbeteren. Dit geeft al een indicatie van de manier waarop ze werken en hun bereidheid in te zetten op verandering, verbetering van zorg. Dat de algemene tevredenheid al bij aanvang van de piloottest hoog was, onderschrijft dit.

Van maaltijden tot activiteiten: tevredenheid ouderen

Wanneer we inzoomen op enkele specifieke kenmerken van de afdeling, is het beeld naar tevredenheid meer gediversifieerd. Zo is de tevredenheid over de maaltijden die op het menu staan algemeen minder uitgesproken hoog. Hetzelfde geldt voor de tevredenheid over de gezelligheid van de eetkamer.

Tabel 17. Vergelijking uitspraken tevredenheid van ouderen met factoren in organisatie naar moment bevraging

Helemaal niet tevreden

<->

Helemaal tevreden

1 2 3 4 5

De maaltijden die op het menu staan Fase 1 1,9% 4,5% 17,6% 35,6% 40,4%

Fase 2 1,8% 2,9% 24,1% 20,0% 51,2%

De gezelligheid van de eetkamer Fase 1 0,4% 3,2% 16,1% 48,2% 32,1%

Fase 2 1,2% 3,0% 13,0% 39,6% 43,2%

De aankleding van de gemeenschappelijke ruimtes

Fase 1 1,1% 1,5% 15,5% 49,4% 32,5%

Fase 2 0,6% 2,3% 14,0% 32,6% 50,6%

De activiteiten die op het programma staan

Fase 1 0% 2,7% 17,2% 42,9% 37,2%

Fase 2 2,4% 2,4% 13,7% 29,8% 51,8%

De manier waarop het personeel met je omgaat

Fase 1 0,4% 2,2% 8,3% 32,6% 56,5%

Fase 2 1,1% 7,4% 22,3% 69,1%

Het moment waarop je hulp krijgt van het personeel (bv. voor te wassen, aan te kleden…)

Fase 1 0,4% 2,3% 6,3% 38,3% 52,7%

Fase 2 0,7% 0,7% 7,6% 25,0% 66,0%

Wanneer we dan een vergelijking doorheen de tijd maken, zien we ook hier over alle organisaties heen voor de meeste items een positieve trend naar tevredenheid.

Enkel de items “de aankleding van de gemeenschappelijke ruimtes” en “de manier waarop het personeel met je omgaat” kennen weliswaar een significant verschil tussen bevraging 1 en bevraging 2.

Vervolgens controleerden we in een multivariate analyse voor organisatie en verblijfs duur. Dan zien we dat voor alle items in de tweede bevraging significant meer ouderen categorie vijf aanduidden in vergelijking met categorie 4. Globaal zien we dus over de tijd heen over alle pilootpraktijken, los van verschillen tussen organisaties, een toename in de tevredenheid op deze subdimensies.

Wanneer we echter bij de ouderen zelf polsten of ze enige verandering ervaarden in de tweede bevraging, dan valt op dat zowel in de enquête als bij de diept-interviews heel weinig ouderen aangeven dat ze het gevoel hebben dat er iets veranderd is.

En zo ja, dan gaat het vaak over heel concrete zaken zoals vb. het eten is beter, er staat een nieuwe tafel … Ouderen vertellen vaak dat het goed is zoals het is. Ze ervaren niet de nood voor verandering en kijken dus ook niet vanuit die bril naar de organisatie.

We hebben een meervoudige hypothese om dit fenomeen te verklaren: de meeste ouderen die we hebben ontmoet, leven in het heden, van dag tot dag en enkel op korte termijn en ontwikkelen geen kritische kijk op middellange termijn over de doorgevoerde organisatorische veranderingen. Die interesseren hen maar weinig.

Dat komt niet noodzakelijk doordat zij daartoe niet in staat zijn, maar een dergelijk perspectief heeft gewoon geen zin voor hen in het kader van hun dagelijks leven.

Een tweede mogelijke verklaring is het feit dat een meerderheid van de ouderen verandering over het algemeen als negatief beschouwt en ervaart. Stabiliteit wordt binnen de instelling gezien als een waardevolle kwaliteit. Het feit dat er evoluties mogelijk zijn geweest zonder het dagelijks leven en de gewoonten van iedereen te verstoren, is een mogelijke indicatie dat het model met succes is ingevoerd. In die zin wijst het fenomeen van stabiliteit, dat we konden vaststellen en dat ook werd vermeld tijdens de gesprekken met ouderen, volgens ons op een organisatie die zich heeft weten aan te passen aan de mensen die ze begeleidt.

Ten slotte kan het vastgestelde fenomeen ook worden verklaard doordat de huidige generatie van ouderen in WZC niet gewend is om betrokken te worden en haar stem te laten horen. Autonomie wordt vandaag sterk gewaardeerd in onze samenleving (dat heeft onder andere geleid tot een aantal wetten met betrekking tot de gezond-heidszorg: zie bijvoorbeeld de wet van 2002 over de patiëntenrechten), maar het is helemaal niet zeker dat iedereen zin heeft om daar gebruik van te maken.

Heel waarschijnlijk bestaat er in het hoofd van een groot deel van die generatie een zekere weerstand tegen het “bevel” tot autonomie (Ménoret, 2015) binnen onze huidige samenleving, en die vertaalt zich in de wens om niet te beslissen, om vertrouwen te hebben in het personeel en in het medisch korps, die “weten” wat goed voor hen is en wat niet. Dat “recht om niet te kiezen” is een van de elementen dat heel duidelijk naar voren kwam uit de focusgroepen en de gesprekken.

Leven ten volle leven

Naast de algemene tevredenheid van de ouderen, polsten we eveneens naar het contact van de ouderen met andere mensen en de mate waarin ze zich nuttig voelen.

Net hierop wil het Tubbe-model inzetten: relaties met anderen versterken en ouderen een betekenisvolle rol geven.

Inzetten op dit thuisgevoel en een plek waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven is ook duidelijk het streefdoel van personeel, zo leerden de focusgroepen in de zes pilootorganisaties.

“We werken in hun huis met alle consequenties daarvan, dat is een belangrijk item.

Niet de zorg, maar het leven op de eerste plaats zetten.” (focusgroep directie en staf)

“We proberen ervoor te zorgen dat de ouderen kunnen leven zoals bij hen thuis, dat ze zich niet hoeven te schikken naar het tempo van het huis, maar dat wij (het personeel) ons in de mate van het mogelijke aanpassen aan hun tempo.” (focusgroep personeel)

Tabel 18 geeft de mening van de ouderen voor twee stellingen hieromtrent weer.

Voor beide indicatoren is er een significant verschil tussen de eerste en tweede bevraging. Tijdens de tweede bevraging zijn significant meer ouderen helemaal akkoord met de stelling dat ze veel contact hebben met andere mensen. Ook geeft wel bijna 40% aan dat ze helemaal akkoord zijn met de stelling “ik voel me nuttig”;

tijdens de eerste bevraging was dit 20%.

Omgekeerd mogen we hierbij zeker niet uit het oog verliezen dat een aanzienlijk deel weinig contact heeft met anderen en zich niet nuttig voelt. Wel valt er een positieve trend doorheen de tijd op.

Tabel 18. Vergelijking uitspraken relaties ouderen in organisatie naar moment bevraging

Helemaal niet akkoord

<->

Helemaal akkoord

1 2 3 4 5

Ik heb veel contact met de andere mensen die hier komen

Fase 1 5,5% 10,3% 25,5% 35,1% 23,6%

Fase 2 3,5% 13,9% 20,8% 24,3% 37,6%

Ik voel me nuttig Fase 1 14,8% 15,1% 21,4% 28,8% 19,9%

Fase 2 8,8% 8,2% 16,5% 27,1% 39,4%

De tendens wordt ook onderschreven in de focusgroepen. In vier van de zes piloot-praktijken wordt door het personeel aangehaald dat ouderen meer buiten hun kamer komen, meer de gemeenschappelijke ruimtes innemen.

“Bij de ouderen voelen we in de diensten waar het Zweedse model goed is ingevoerd, vaak dankzij de motivatie van het kader, dat ze veel meer buiten hun kamer komen, zij nemen de gemeenschappelijke ruimten in, doen gemakkelijker dingen op eigen initiatief. Er zijn zo’n beetje overal kleine salonnetjes neergezet op vraag van de ouderen, en daar wordt veel gepraat.” (focusgroep personeel)

Wat te onthouden?

De gemiddelde tevredenheid van de bewoners ligt significant hoger na anderhalf jaar piloottest van het Tubbe-model.

Ouderen zelf ervaren weinig verandering. Ze stellen dat het goed is zoals het is. Ze kijken vanuit een andere bril naar de organisatie als het personeel:

voor hun is het een plaats waar ze wonen en verzorgd worden.

Significant meer ouderen geven aan contacten te hebben met anderen en zich nuttig te voelen na anderhalf jaar piloottest van het Tubbe-model.

In document Naar meer relatiegerichte zorg in Belgische woonzorgorganisaties. Evaluatierapport Piloottest Tubbe-model (pagina 34-38)