Vertaalslag naar de Belgische residentiële zorg: basisprincipes als leidraad

In document Naar meer relatiegerichte zorg in Belgische woonzorgorganisaties. Evaluatierapport Piloottest Tubbe-model (pagina 19-0)

2. Wat is het Tubbe-model?

2.2. Vertaalslag naar de Belgische residentiële zorg: basisprincipes als leidraad

Tubbe-model in de praktijk te implementeren is er bijgevolg niet. Het handboek dat op basis van het Zweedse model geschreven werd, vormt weliswaar een leidraad waarin we verschillende elementen van de werkwijze die ze hanteren kunnen terugvinden.

Concreet zet het model in op relatiegerichte zorg. Het doel is de organisatie zo te veranderen opdat ouderen empowered worden en ze invloed hebben op het dag-dagelijks leven, ze een betekenisvolle rol krijgen. Relatiegerichte zorg geeft tevens het personeel meer verantwoordelijkheid.

Om die relatiegerichte zorg te verwezenlijken is er (Bohlin, 2015):

Aandacht voor de wensen en noden van ouderen. Dit vraagt om verbinding, verbinding met andere ouderen en met het personeel, op verschillende manieren. Door te luisteren, door fysiek contact, door hen te betrekken … , kortom door er te zijn.

Personeel nodig dat zich kan vinden in deze visie en verantwoordelijkheid.

Het vraagt de nodige vaardigheden om te handelen in een werksituatie die soms complex is en de functieomschrijving overstijgt, steeds opnieuw de ouderen echt centraal te stellen en als een individu te zien.

Dagdagelijks sociale activiteiten nodig waaraan ouderen kunnen deelnemen Dit vertalen ze heel concreet in een ondernemende organisatie waarin medewerkers en ouderen veel autonomie krijgen. Heel concreet werkt het model niet met departe-menten maar met thematische werkgroepen rond vb. activiteiten, personeel, aankoop en budget. Binnen elke werkgroep is er telkens één iemand ook lid van het managementteam die samen met de stuurgroep aan het hoofd staat van de organisatie.

In verscheidene werkgroepen zetelen ook ouderen (Bohlin, 2015).

Het personeel en ook de ouderen krijgen dus veel autonomie en inspraak in alle facetten van de organisatie. Zo worden ouderen bijvoorbeeld vaak betrokken bij de aanwerving van nieuw personeel.

Een andere concretisering is het belang van goede maaltijden. Heel concreet werkt men in Tjörn met een eigen keuken. De menu wordt opgesteld samen met de ouderen.

De verjaardag wordt gevierd met een maaltijd naar keuze van de jarige. Sommige ouderen kunnen ook zelf nog koken. Ook worden er recepten van ouderen gedeeld met de kok.

Ook gaat er veel aandacht naar de rol en het welbevinden van het personeel. Het uit-gangspunt is dat de verantwoordelijkheid en autonomie die het personeel krijgt leidt tot een grotere jobtevredenheid en een beter begrip van de werking van de organisatie, wat op zijn beurt leidt tot beter werk door het personeel. Dit wordt concreet vertaald in enkele richtinggevende waarden:

Klimaat van open dialoog

Klimaat gericht op ontwikkeling

Respect

Veiligheid en onderling vertrouwen tussen het personeel

Dit handboek vormde samen met de werkveldbezoeken van Zweden naar België en vice versa voor de zes pilootpraktijken in België de leidraad om concreet in de praktijk aan de slag te gaan.

Belangrijk om mee te geven is dat er enkele verschillen zijn in de organisatie van de Zweedse en de Belgische (semi-)residentiële zorg. Dit maakt dat de pilootpraktijken voor de uitdaging staan de visie van het Tubbe-model en de basisprincipes te enten op de Belgische context.

Zo is de gemiddelde verblijfsduur in het woonzorgcentrum te Zweden langer dan in België. Bovendien is ook het aandeel van ouderen met dementie in de (semi-) residentiële zorg hoog (Zorg & Gezondheid, 2018). Dit beïnvloedt uiteraard de context waarin het model geïmplementeerd wordt.

Deze achtergrond is belangrijk om in het achterhoofd te houden tijdens de analyse van de resultaten. De organisatie van de zorg kan immers een grote impact hebben op de mogelijkheden om en de wijze waarop het Tubbe-model geïmplementeerd kan worden in de context van de Belgische ouderenzorg. Het Tubbe-model is immers telkens een proces op maat, op maat van de bewoners en de organisatie. Het is een paradigmashift, met de bewoner centraal. De samenstelling van de bewonersgroep maar ook de verblijfsduur kunnen dan logischerwijs een impact hebben op dit proces.

Zes pilootpraktijken

Zes pilootpraktijken, drie Vlaamse en drie Waalse, gingen sinds begin 2017 in hun organisatie aan de slag met het Tubbe-model. Ze deden dit elk op hun wijze. Bij de Waalse pilootpartners werd er voor gekozen om te werken met één externe coach die in alle drie de pilootpraktijken meewerkte aan de implementatie van het Tubbe-model.

De drie Vlaamse pilootpartners gingen elk op hun manier, met een eigen coach, aan de slag met het Tubbe-model.

Sommige organisaties opteerden er voor om het Tubbe-model in heel de organisatie te implementeren, andere organisaties kozen voor een piloottest in enkele afdelingen.

Ook werd het Tubbe-model in verschillende pilootpraktijken van woonzorg-organisaties geïmplementeerd: in het woonzorgcentrum, in serviceflats of assistentie woningen, in dagverzorgingscentra…

Tabel 1 geeft een overzicht van de betrokken organisaties, afdelingen en aantal ouderen/cliënten.

Tabel 1. Overzicht betrokken pilootpartners

Type woonzorgorganisatie Welke afdelingen?

Résidence Régina, Moresnet

De organisatie maakt deel uit van INAGO, een intercommunale van drie gemeenten en hun OCMW’s: La Calamine, Plombières en Aubel.

Heel de organisatie

Centre Sainte-Barbe, Seilles

Georganiseerd door een private organisatie, non-profit : de organisatie maakt deel uit van een associatie van 5 organisaties, op initiatief van de Christelijke Mutualiteiten van Namen.

Heel de organisatie

Reine des Prés, Marche-en-Famenne

Privaat Heel de organisatie

Open Kring, Ardooie Vzw Het Tubbe-model wordt geïmplementeerd

in volgende afdelingen:

• Dagverzorgingscentrum De Kim

• Assistentiewoningen Hof Ter Linden

• Inloophuis De Loods

Floordam, Melsbroek Vzw Heel de organisatie

Sint-Jozef, Neerpelt Vzw Het Tubbe-model wordt geïmplementeerd in volgende afdelingen:

• Afdeling ’t Klooster

• Dagopvang De Buurt

Tabel 2. Aantal bewoners/cliënten per deelnemende afdeling, Régina, 2017

Totaal aantal bewoners/cliënten 23 23 23 24 Tussen de

13 en 26 personen

Aantal ingevulde ROB bedden 8 13 7 17

Aantal ingevulde RVT bedden 15 10 16 7

Andere: Tussen de

13 en 26 personen

Tabel 3. Aantal bewoners/cliënten per deelnemende afdeling, Sainte-Barbe, 2017

Tabel 4. Aantal bewoners/cliënten per deelnemende afdeling, Reine des Prés, 2017 Woonzorgcentrum Serviceflats

Tabel 5. Aantal bewoners/cliënten per deelnemende afdeling, Open Kring, 2017 DVC De Kim

Tabel 6. Aantal bewoners/cliënten per deelnemende afdeling, Floordam, 2017 Woning

bewoners/cliënten 32 30 30 26 29 Gemiddeld 15

Aantal ingevulde

ROB bedden 8 8 2 12 19 /

Aantal ingevulde

RVT bedden 24 22 28 14 10 /

Tabel 7. Aantal ouderen per deelnemende afdeling, Sint-Jozef, 2017

’t Klooster De Buurt

Totaal aantal

bewoners/cliënten 20 25 1

Aantal ingevulde

ROB bedden 15

Aantal ingevulde

RVT bedden 5

Andere: 12 O/A categorie per week

13 F-forfait per week Algemeen valt, in lijn met de verwachtingen, op dat de meeste organisaties een groot aantal bedden hebben met een zwaar zorgprofiel hebben (RVT). De graad van zorg behoefte is dus groot en is een belangrijk punt om in het achterhoofd te houden bij de evaluatie van de piloottest van het Tubbe-model.

1 Dagelijks zijn er 7 F-gerechtigde gebruikers en 5 O/A gebruikers

Onderzoeksmethodologie

Deel 3

3.1. Onderzoeksvraag

Op basis van 6 piloottesten in de (semi-)residentiële ouderenzorg in België, gaan we niet alleen na of maar ook op welke wijze de implementatie van het Tubbe-model bijdraagt aan een meer kwaliteitsvolle ouderenzorg.

Concreet zet het Tubbe-model in op volgende doelstellingen voor de verschillende betrokken actoren, nl.:

Voor de bewoners / cliënten: een aantrekkelijke en aangename plaats waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven

Voor het personeel: een aantrekkelijke en motiverende plek om te werken voor het personeel

Voor de organisatie: een effectieve, efficiënte aanpak van ouderenzorg

Deze drie doelstellingen vormen de leidraad voor ons onderzoek.

Het Tubbe-model hanteert een specifieke werkwijze (zie boven) die elk tot doel hebben bij te dragen tot bovenstaande doelstellingen en de driehoek (zie figuur 2) om te draaien.

Figuur 2 Klassiek model en Tubbe-model

In het evaluatieonderzoek gaan we na of, en zo ja hoe en waarom deze werkwijze bijdraagt aan de doelstellingen geformuleerd voor:

1. De oudere 2. Het personeel 3. De organisatie

Op basis van al deze deelonderzoeksvragen formuleren we een antwoord op de algemene onderzoeksvraag en situeren we de mogelijkheden, grenzen en rand-voorwaarden van het Tubbe-model binnen de Belgische ouderenzorg op basis van deze eerste piloottesten.

3.2. Onderzoeksmethode

3.2.1. Evaluatieonderzoek vanuit een brede kijk op effectiviteit

Voor het evaluatieonderzoek vertrekken we bewust van een brede kijk op effectiviteit.

We vertrekken vanuit de premisse dat de effectiviteit van een interventie context-gebonden is (Steens, 2015). Dit is in tegenstelling tot de meer enge ‘evidence based’

benadering van evaluatieonderzoeken die voortvloeit uit de medische wereld (‘evidence based medicine’) (Machielse, 2015). Deze enge manier van evalueren impliceert dat men de effectiviteit van een interventie nagaat door op voorhand een welbewuste indicator en norm voorop te stellen. Echter, deze manier van evalueren gaat voorbij aan de complexiteit van sociale interventies (Hermans, 2014; Steyaert, van Biggelaar & Peels, 2010; Machielse, 2015).

Eerst en vooral veronderstelt deze manier van evalueren dat er een standaard-procedure is die, indien correct toegepast, resulteert in het gewenste resultaat.

Dit gaat echter voorbij aan de sociale context en de manier van handelen van professio-nals (Steyaert, van Biggelaar & Peels, 2010). Professioprofessio-nals bouwen immers niet enkel verder op theoretische kennis, maar ook op hun vakkennis en hun eigen inschattings-vermogen van de situatie, die elke keer opnieuw contextafhankelijk is (Machielse, 2015). Dit geldt ook voor de implementatie van het Tubbe-model. Elke organisatie en zijn betrokken personeelsleden gaan elk op hun manier, op maat van hun organisatie aan de slag met het Tubbe-model. Er bestaat niet zoiets als een standaard stappen-plan voor het Tubbe-model. Wel zijn er enkele basisprincipes en een visie (de drie-hoek) die een kader en houvast bieden om de manier van werken te implementeren in de eigen praktijk.

Daarnaast kan de te enge benadering van effectiviteit ertoe leiden dat initiatieven die voor de betrokkenen een meerwaarde genereren ten onrechte als ineffectief beoordeeld worden. Door een brede kijk op effectiviteit te hanteren vermijden we dat deze ervaren meerwaarde uit ons blikveld verdwijnt. De gehanteerde benadering stelt dat ook de praktijkkennis van de betrokken professionals en de ervaringskennis van de ouderen belangrijke kennisbronnen zijn om de ‘effectiviteit’ van een interventie te beoordelen. Zowel de professionals als de ouderen worden als deskundig beschouwd in het beoordelen van een interventie (Machielse, 2015).

Vanuit deze brede kijk op effectiviteit willen we niet alleen nagaan of de interventie een meerwaarde genereert, maar ook hoe en waarom. De doelstelling is om de werk-bare elementen te identificeren. Welke handelingen zijn nodig om tot bepaalde resultaten te komen (cfr. theory of action), maar ook, welke onderliggende mechanismen verklaren waarom bepaalde handelingen tot bepaalde resultaten leiden (cfr. theory of change) (Chen, 2005)?

3.2.2. Methode van dataverzameling

Om de algemene onderzoeksvraag te beantwoorden, hanteren we een “mixed methods” aanpak. Dit betekent dat we verschillende vormen van dataverzameling combineren nl. zowel kwantitatief als kwalitatief.

Het combineren van verschillende datatypen heeft als voordeel dat 1) men kan nagaan of verschillende bronnen tot dezelfde resultaten leiden en 2) de divergentie in standpunten duidelijker wordt waardoor tot een completer en breder beeld kan gekomen worden (Steens, 2015).

We verzamelden ook informatie op verschillende tijdsmomenten. De eerste dataver-zameling was bij aanvang van de piloottest, nl. juni tot september in 2017. De tweede periode van dataverzameling was een jaar later, van juni tot september in 2018.

Tabel 8 geeft een overzicht van de gehanteerde dataverzamelingsmethoden.

Tabel 8. Overzicht gehanteerde dataverzamelingsmethoden Fase 1

(1 per organisatie) Enquête 6

(1 per organisatie)

Enquête over doelstellingen piloottest

6

(1 per organisatie) Focusgroep 2

(1 per regio: Vlaande-ren & Wallonië)

Tabel 9. Aantal respondenten kwalitatief onderzoek fase 2 per pilootpraktijk Interview Focusgroep Focusgroep Bewoners / cliënten Professionals Staf & directie

Floordam 6 6 2

Per doelgroep verzamelden we op verschillende manieren informatie.

Ouderen

De ouderen (van vb. de dagopvang) van de verschillende betrokken afdelingen, ontvingen tijdens de zomer van 2017 (fase 1) een eerste enquête waarin gepolst werd naar hun tevredenheid over de organisatie en dit op verschillende vlakken. Voor de samenstelling van de vragenlijst bouwden we verder op de tevredenheidsvragenlijst die ook gehanteerd wordt in Zweden in kader van het Tubbe-model. De vragenlijst is terug te vinden in bijlage 1.

Een jaar later werd dezelfde enquête nog een keer afgenomen (fase 2). Omdat de ouderen een groot verloop kennen, opteerden we niet voor een longitudinale data-verzameling maar voor twee cross-sectionele metingen. Een deel van de ouderen werd dus tweemaal bevraagd; een deel slechts éénmaal.

Tabel 10. Overzicht achtergrondkenmerken bevraagde ouderen per organisatie, fase 1

Tabel 11. Overzicht achtergrondkenmerken bevraagde ouderen per organisatie, fase 2

Belangrijk om mee te geven is dat de respons voor sommige organisaties in de tweede bevraging een pak lager lag dan tijdens de eerste bevraging. Ook dienen we in het achterhoofd te houden dat de vragenlijsten enkel afgenomen werden bij ouderen die door het personeel cognitief in staat geacht werden de vragenlijsten in te vullen.

De dataverzameling gebeurde tevens intern. Er werden duidelijke instructies mee gegeven voor het personeel. Dit neemt niet weg dat de aanwezigheid en / of assistentie van personeel, stagiaire, vrijwilliger…, een impact kan hebben op de antwoorden.

De resultaten van de bevraging van ouderen dienen dan ook met de nodige omzich-tigheid behandeld te worden.

Daarnaast bevroegen we tijdens de tweede fase in totaal 29 ouderen/cliënten aan de hand van een interview met topiclijst (zie bijlage 4).

Personeel

Tijdens de eerste bevraging ontvingen alle betrokken personeelsleden de uitnodiging om een gestructureerde vragenlijst in te vullen. Deze kon op papier of online (via Qualtrics) ingevuld worden (zie bijlage 2).

Een jaar later ontvingen alle personeelsleden in de betrokken afdelingen opnieuw dezelfde vragenlijst. Via een unieke code kunnen we de vragenlijsten voor een deel van het personeel koppelen aan elkaar (N=56). Voor een deel van de personeelsleden was dit niet mogelijk. Mogelijk omdat ze enkel tijdens één van de bevragingen deelnamen, mogelijk omdat ze pas startten. Ook lieten niet alle vragenlijsten omwille van ontbrekende antwoorden toe een koppeling te maken. In de analyses maken we telkens een analyse op de totale dataset met alle bevraagde personeels-leden waar we een globale vergelijking maken tussen de eerste en de tweede fase en een analyse op de gekoppelde data. De eerste dataset heeft de beperking dat het om een mix van respondenten gaat die één of twee maal deelnamen. Anderzijds gaat het om geen grote groep van respondenten waardoor we een globale vergelijking maken over de tijd heen: na 1 jaar piloottest. Bovendien kunnen we op die manier ook controleren voor mogelijke verschillen tussen de organisaties. Elke organisatie ging immers op zijn eigen tempo, op zijn eigen wijze aan de slag met het Tubbe-model.

De gekoppelde data laten dan toe om aanvullend voor de groep van 56 respondenten op niveau van het individu verschillen doorheen de tijd te analyseren.

Tabel 12. Verdeling naar gender naar moment bevraging

Mannen Vrouwen N

Fase 1 5,7% 94,3% 193

Fase 2 6,7% 93,3% 150

De gemiddelde leeftijd van de personeelsleden is op beide meetmomenten 40 jaar.

Tabel 13. Verdeling periode werkzaam in organisatie naar moment bevraging

Tabel 14 Verdeling functie naar moment bevraging

Verpleeg-kundige Zorgkundige

/ verzorgende Animatie Andere N

Fase 1 19,8% 47,7% 3,0% 29,4% 197

Fase 2 21,8% 38,5% 4,5% 35,3% 156

Tabel 15. Verdeling diploma naar moment bevraging

Fase 1 Fase 2

Lager onderwijs 2,1 1,4

Lager secundair onderwijs 6,4 2,7

Diploma secundair

onder-wijs 26,7 38,5

A2 / HBO5 35,3 24,3

A1 / graduaat / bachelor 15,0 20,9

Licentiaat / master 11,8 10,1

Doctoraat 2,7 2,0

N 187 148

We peilden tot slot ook naar het werkregime. Dit ligt gemiddeld tijden de eerste bevraging op 75% en op 80% tijdens de tweede bevraging. Het minimum is 20%, het maximum 100%.

Waar relevant, worden deze achtergrondkenmerken meegenomen in de analyses.

Daarnaast werd er tijdens de tweede fase in elke pilootpraktijk een focusgroep met betrokken personeelsleden georganiseerd om te peilen naar de ervaringen met de piloottest van Tubbe (zie topiclijst bijlage 3). In totaal werden dus 6 focusgroepen georganiseerd.

Management / organisatie

Om een goed zicht te krijgen op de betrokken pilootorganisaties, kregen alle organi-saties een vragenlijst waarin gepeild werd naar het aantal ouderen, het zorgprofiel

van de ouderen, het aantal personeelsleden … De vragenlijst omvatte tevens enkele indicatoren op organisatieniveau zoals het personeelsverloop, medicatiegebruik …

Bij de keuze van de indicatoren bouwden we verder op kwaliteitsindicatoren voor de residentiële zorg in Vlaanderen en Wallonië. We streefden ernaar zoveel mogelijk vergelijkbare indicatoren voor Vlaanderen en Wallonië te includeren. De residentiële ouderenzorg is immers een regionale bevoegdheid. Niet alle informatie wordt op een zelfde manier verzameld. Naar kwaliteit van zorg op organisatieniveau verzamel-den we informatie over het medicatiegebruik, fixatie en valinciverzamel-denten. Op niveau van het personeel peilden we naar het aantal personeelsleden op een afdeling, het verloop en het absenteïsme. Op die manier kunnen we de impact van het Tubbe- model op het personeel beschouwen. In de samenstelling van de vragenlijst, streefden we ernaar op die manier, via deze selectie van indicatoren, een indicatief beeld te krijgen van de kwaliteit op organisatieniveau. Enkele kanttekeningen zijn hierbij belangrijk om in het achterhoofd nemen. Zo gaat het slechts om 6 pilootorganisaties. Dit aantal volstaat niet om statistisch betrouwbare uitspraken te doen. Ze geven slechts een indicatie. Ook maakten we een ‘foto’ van de piloottesten na anderhalf jaar praktijk-ervaring met het Tubbe-model. Vanuit veranderingsoogpunt op organisatieniveau is dit kort. In het evaluatieonderzoek van het Zweeds model werd bijvoorbeeld een tijdsbestek van 5 jaar genomen voor de vergelijking (Håkansson, 2016). De grootste nadruk in dit evaluatieonderzoek ligt dan aan ook op het kwalitatieve onderzoeks-luik en de kwantitatieve bevraging via de enquêtes. Desalniettemin is het, zeker op lange termijn, interessant om alvast een blik op deze indicatoren te werpen.

De kwaliteits bevragingen van de regionale overheden (zoals de VIP-indicatoren en de bevraging naar kwaliteit van leven van bewoners in Vlaanderen) zouden aan-vullend, op lange termijn, nieuwe inzichten kunnen verschaffen naar de impact op organisatieniveau na enkele jaren ervaring met het model.

We peilden daarnaast naar de doelstellingen die elke organisatie vooropstelde bij aanvang van de piloottest. Dit liet ons toe om, na 1 jaar, terug te koppelen en de resultaten van de focusgroepen en diepte-interviews te kaderen. Dezelfde vragen-lijsten werden tijdens fase 2 eveneens verspreid met de vraag een update te geven en mogelijke wijzigingen / aanpassingen door te geven.

Daarnaast organiseerden we twee focusgroepen met de directie en stafmedewerkers van respectievelijk de drie Vlaamse en drie Waalse pilootpartners.

3.2.3. Methode van analyse

Voor de analyses maken we telkens gebruik van de geschikte analysemethoden.

De enquêtes werden ingevoerd, gecleand en geanalyseerd in SPSS, een statistisch softwareprogramma. We hanteren telkens geschikte statistische tests, op maat van de variabelen en de dataset (Chi²-test, Anova, multionomiale logistische regressie, gepaarde t-test, Wilcoxon Signed Rank Test).

Van alle kwalitatieve data werden transscripties en syntheses gemaakt.

De analyse voerden we uit in NVivo, een programma voor kwalitatieve data-analyse.

We hanteerden de methode van de ‘Grounded Theory’. In eerste instantie werden alle data open gecodeerd. In een tweede stap werd er axiaal gecodeerd om dan in een laatste stap (selectief coderen) de relaties en mechanismen in kaart te brengen (Mortelmans, 2013).

Na anderhalf jaar “Tubbe”:

de resultaten

Deel 4

De verschillende pilootpraktijken gingen elk op hun wijze en op eigen tempo, op maat van de organisatie, aan de slag met het Tubbe-model. Om de impact van dit proces te vatten gingen we in eerste instantie na wat de impact is van de piloottest op het algemeen welbevinden van de ouderen. Draagt het model bij tot een aantrekkelijke en aangename plaats waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven? Vervolgens zoomen we in op de inspraak en participatie van ouderen maar ook van het personeel in de organisatie. In een volgende stap kijken we naar de realisatie van relatiegerichte

De verschillende pilootpraktijken gingen elk op hun wijze en op eigen tempo, op maat van de organisatie, aan de slag met het Tubbe-model. Om de impact van dit proces te vatten gingen we in eerste instantie na wat de impact is van de piloottest op het algemeen welbevinden van de ouderen. Draagt het model bij tot een aantrekkelijke en aangename plaats waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven? Vervolgens zoomen we in op de inspraak en participatie van ouderen maar ook van het personeel in de organisatie. In een volgende stap kijken we naar de realisatie van relatiegerichte

In document Naar meer relatiegerichte zorg in Belgische woonzorgorganisaties. Evaluatierapport Piloottest Tubbe-model (pagina 19-0)