3. Onderzoeksmethodologie

3.2. Onderzoeksmethode

3.2.3. Methode van analyse

Voor de analyses maken we telkens gebruik van de geschikte analysemethoden.

De enquêtes werden ingevoerd, gecleand en geanalyseerd in SPSS, een statistisch softwareprogramma. We hanteren telkens geschikte statistische tests, op maat van de variabelen en de dataset (Chi²-test, Anova, multionomiale logistische regressie, gepaarde t-test, Wilcoxon Signed Rank Test).

Van alle kwalitatieve data werden transscripties en syntheses gemaakt.

De analyse voerden we uit in NVivo, een programma voor kwalitatieve data-analyse.

We hanteerden de methode van de ‘Grounded Theory’. In eerste instantie werden alle data open gecodeerd. In een tweede stap werd er axiaal gecodeerd om dan in een laatste stap (selectief coderen) de relaties en mechanismen in kaart te brengen (Mortelmans, 2013).

Na anderhalf jaar “Tubbe”:

de resultaten

Deel 4

De verschillende pilootpraktijken gingen elk op hun wijze en op eigen tempo, op maat van de organisatie, aan de slag met het Tubbe-model. Om de impact van dit proces te vatten gingen we in eerste instantie na wat de impact is van de piloottest op het algemeen welbevinden van de ouderen. Draagt het model bij tot een aantrekkelijke en aangename plaats waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven? Vervolgens zoomen we in op de inspraak en participatie van ouderen maar ook van het personeel in de organisatie. In een volgende stap kijken we naar de realisatie van relatiegerichte zorg in de pilootpraktijken. Het vierde deel bekijkt de impact op het personeel. In het laatste deel van de resultaten tot slot staan we kort stil bij de dromen die het personeel en de staf en directie hebben in het licht van het Tubbe-model.

4.1. Hoge(re) tevredenheid

Het algemeen doel van het Tubbe-model is voor ouderen een aantrekkelijke en aangename plaats te creëren waar ze ten volle hun leven kunnen leven. Om dit in beeld te krijgen polsten we naar de tevredenheid van ouderen binnen de zes piloot-praktijken. We peilden tevens naar een inschatting hieromtrent bij het personeel en maakten zo ook een vergelijking doorheen de tijd.

4.1.1. Een aangename en aantrekkelijke plaats waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven (?)

Algemene tevredenheid

Zowel tijdens de eerste als de tweede bevraging vroegen we naar de algemene tevredenheid van de ouderen. Ze konden dit op een eenvoudige schaal aanduiden van 1 tot 5. 1 stond voor helemaal niet tevreden, 5 voor helemaal tevreden.

Algemeen ligt de tevredenheid op beide momenten hoog. Wanneer we de vergelijking maken van de verdeling tussen de eerste en tweede bevraging, zien we een significante toename over de tijd heen. Tijdens de eerste bevraging gaf 48% van de ouderen een score van 5; dit steeg naar wel 60% in de tweede bevraging.

Tabel 16. Algemene tevredenheid, in % (Chi2 = 14,43, df=4, p<0,01)

Fase 1 Fase 2

1 (helemaal niet tevreden) 0 0,5

2 1,4 0,5

3 11,6 15,1

4 39,1 23,8

5 (helemaal tevreden) 47,8 60,0

N 276 185

Wanneer we in een multivariate analyse controleren voor de organisatie en de duur van het verblijf, dan zien we ook hier dat de tevredenheid hoger is in de tweede bevraging dan in de eerste bevraging. De toename in tevredenheid is dus generiek.

Toegespitst op organisatieniveau, valt op dat er in één pilootpraktijk weliswaar een grote positieve wijziging is.

We peilden in de vragenlijst tevens of ouderen al dan niet opnieuw zouden kiezen voor de organisatie. Op die vraagt zegt wel 93% ja in de eerste bevraging en 95% in de tweede bevraging. De verschillen tussen beide meetmomenten zijn niet significant.

Wat opvalt bovendien is dat de tevredenheid hoog is in de organisaties, zowel bij aanvang als een jaar later. Ook dit is belangrijk om in het achterhoofd te houden wanneer we de impact van de piloottest van het Tubbe-model bij ouderen willen vatten. De organisaties die intekenden op deze piloottest zijn niet de gemiddelde woonzorgorganisaties in België wellicht. Het gaat om organisaties die op zoek zijn naar hoe ze hun werking kunnen verbeteren. Dit geeft al een indicatie van de manier waarop ze werken en hun bereidheid in te zetten op verandering, verbetering van zorg. Dat de algemene tevredenheid al bij aanvang van de piloottest hoog was, onderschrijft dit.

Van maaltijden tot activiteiten: tevredenheid ouderen

Wanneer we inzoomen op enkele specifieke kenmerken van de afdeling, is het beeld naar tevredenheid meer gediversifieerd. Zo is de tevredenheid over de maaltijden die op het menu staan algemeen minder uitgesproken hoog. Hetzelfde geldt voor de tevredenheid over de gezelligheid van de eetkamer.

Tabel 17. Vergelijking uitspraken tevredenheid van ouderen met factoren in organisatie naar moment bevraging

Helemaal niet tevreden

<->

Helemaal tevreden

1 2 3 4 5

De maaltijden die op het menu staan Fase 1 1,9% 4,5% 17,6% 35,6% 40,4%

Fase 2 1,8% 2,9% 24,1% 20,0% 51,2%

De gezelligheid van de eetkamer Fase 1 0,4% 3,2% 16,1% 48,2% 32,1%

Fase 2 1,2% 3,0% 13,0% 39,6% 43,2%

De aankleding van de gemeenschappelijke ruimtes

Fase 1 1,1% 1,5% 15,5% 49,4% 32,5%

Fase 2 0,6% 2,3% 14,0% 32,6% 50,6%

De activiteiten die op het programma staan

Fase 1 0% 2,7% 17,2% 42,9% 37,2%

Fase 2 2,4% 2,4% 13,7% 29,8% 51,8%

De manier waarop het personeel met je omgaat

Fase 1 0,4% 2,2% 8,3% 32,6% 56,5%

Fase 2 1,1% 7,4% 22,3% 69,1%

Het moment waarop je hulp krijgt van het personeel (bv. voor te wassen, aan te kleden…)

Fase 1 0,4% 2,3% 6,3% 38,3% 52,7%

Fase 2 0,7% 0,7% 7,6% 25,0% 66,0%

Wanneer we dan een vergelijking doorheen de tijd maken, zien we ook hier over alle organisaties heen voor de meeste items een positieve trend naar tevredenheid.

Enkel de items “de aankleding van de gemeenschappelijke ruimtes” en “de manier waarop het personeel met je omgaat” kennen weliswaar een significant verschil tussen bevraging 1 en bevraging 2.

Vervolgens controleerden we in een multivariate analyse voor organisatie en verblijfs duur. Dan zien we dat voor alle items in de tweede bevraging significant meer ouderen categorie vijf aanduidden in vergelijking met categorie 4. Globaal zien we dus over de tijd heen over alle pilootpraktijken, los van verschillen tussen organisaties, een toename in de tevredenheid op deze subdimensies.

Wanneer we echter bij de ouderen zelf polsten of ze enige verandering ervaarden in de tweede bevraging, dan valt op dat zowel in de enquête als bij de diept-interviews heel weinig ouderen aangeven dat ze het gevoel hebben dat er iets veranderd is.

En zo ja, dan gaat het vaak over heel concrete zaken zoals vb. het eten is beter, er staat een nieuwe tafel … Ouderen vertellen vaak dat het goed is zoals het is. Ze ervaren niet de nood voor verandering en kijken dus ook niet vanuit die bril naar de organisatie.

We hebben een meervoudige hypothese om dit fenomeen te verklaren: de meeste ouderen die we hebben ontmoet, leven in het heden, van dag tot dag en enkel op korte termijn en ontwikkelen geen kritische kijk op middellange termijn over de doorgevoerde organisatorische veranderingen. Die interesseren hen maar weinig.

Dat komt niet noodzakelijk doordat zij daartoe niet in staat zijn, maar een dergelijk perspectief heeft gewoon geen zin voor hen in het kader van hun dagelijks leven.

Een tweede mogelijke verklaring is het feit dat een meerderheid van de ouderen verandering over het algemeen als negatief beschouwt en ervaart. Stabiliteit wordt binnen de instelling gezien als een waardevolle kwaliteit. Het feit dat er evoluties mogelijk zijn geweest zonder het dagelijks leven en de gewoonten van iedereen te verstoren, is een mogelijke indicatie dat het model met succes is ingevoerd. In die zin wijst het fenomeen van stabiliteit, dat we konden vaststellen en dat ook werd vermeld tijdens de gesprekken met ouderen, volgens ons op een organisatie die zich heeft weten aan te passen aan de mensen die ze begeleidt.

Ten slotte kan het vastgestelde fenomeen ook worden verklaard doordat de huidige generatie van ouderen in WZC niet gewend is om betrokken te worden en haar stem te laten horen. Autonomie wordt vandaag sterk gewaardeerd in onze samenleving (dat heeft onder andere geleid tot een aantal wetten met betrekking tot de gezond-heidszorg: zie bijvoorbeeld de wet van 2002 over de patiëntenrechten), maar het is helemaal niet zeker dat iedereen zin heeft om daar gebruik van te maken.

Heel waarschijnlijk bestaat er in het hoofd van een groot deel van die generatie een zekere weerstand tegen het “bevel” tot autonomie (Ménoret, 2015) binnen onze huidige samenleving, en die vertaalt zich in de wens om niet te beslissen, om vertrouwen te hebben in het personeel en in het medisch korps, die “weten” wat goed voor hen is en wat niet. Dat “recht om niet te kiezen” is een van de elementen dat heel duidelijk naar voren kwam uit de focusgroepen en de gesprekken.

Leven ten volle leven

Naast de algemene tevredenheid van de ouderen, polsten we eveneens naar het contact van de ouderen met andere mensen en de mate waarin ze zich nuttig voelen.

Net hierop wil het Tubbe-model inzetten: relaties met anderen versterken en ouderen een betekenisvolle rol geven.

Inzetten op dit thuisgevoel en een plek waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven is ook duidelijk het streefdoel van personeel, zo leerden de focusgroepen in de zes pilootorganisaties.

“We werken in hun huis met alle consequenties daarvan, dat is een belangrijk item.

Niet de zorg, maar het leven op de eerste plaats zetten.” (focusgroep directie en staf)

“We proberen ervoor te zorgen dat de ouderen kunnen leven zoals bij hen thuis, dat ze zich niet hoeven te schikken naar het tempo van het huis, maar dat wij (het personeel) ons in de mate van het mogelijke aanpassen aan hun tempo.” (focusgroep personeel)

Tabel 18 geeft de mening van de ouderen voor twee stellingen hieromtrent weer.

Voor beide indicatoren is er een significant verschil tussen de eerste en tweede bevraging. Tijdens de tweede bevraging zijn significant meer ouderen helemaal akkoord met de stelling dat ze veel contact hebben met andere mensen. Ook geeft wel bijna 40% aan dat ze helemaal akkoord zijn met de stelling “ik voel me nuttig”;

tijdens de eerste bevraging was dit 20%.

Omgekeerd mogen we hierbij zeker niet uit het oog verliezen dat een aanzienlijk deel weinig contact heeft met anderen en zich niet nuttig voelt. Wel valt er een positieve trend doorheen de tijd op.

Tabel 18. Vergelijking uitspraken relaties ouderen in organisatie naar moment bevraging

Helemaal niet akkoord

<->

Helemaal akkoord

1 2 3 4 5

Ik heb veel contact met de andere mensen die hier komen

Fase 1 5,5% 10,3% 25,5% 35,1% 23,6%

Fase 2 3,5% 13,9% 20,8% 24,3% 37,6%

Ik voel me nuttig Fase 1 14,8% 15,1% 21,4% 28,8% 19,9%

Fase 2 8,8% 8,2% 16,5% 27,1% 39,4%

De tendens wordt ook onderschreven in de focusgroepen. In vier van de zes piloot-praktijken wordt door het personeel aangehaald dat ouderen meer buiten hun kamer komen, meer de gemeenschappelijke ruimtes innemen.

“Bij de ouderen voelen we in de diensten waar het Zweedse model goed is ingevoerd, vaak dankzij de motivatie van het kader, dat ze veel meer buiten hun kamer komen, zij nemen de gemeenschappelijke ruimten in, doen gemakkelijker dingen op eigen initiatief. Er zijn zo’n beetje overal kleine salonnetjes neergezet op vraag van de ouderen, en daar wordt veel gepraat.” (focusgroep personeel)

Wat te onthouden?

De gemiddelde tevredenheid van de bewoners ligt significant hoger na anderhalf jaar piloottest van het Tubbe-model.

Ouderen zelf ervaren weinig verandering. Ze stellen dat het goed is zoals het is. Ze kijken vanuit een andere bril naar de organisatie als het personeel:

voor hun is het een plaats waar ze wonen en verzorgd worden.

Significant meer ouderen geven aan contacten te hebben met anderen en zich nuttig te voelen na anderhalf jaar piloottest van het Tubbe-model.

4.1.2. Algemene welbevinden ouderen: perspectief van het personeel

Ook bij het personeel polsten we naar hun inschatting van de kwaliteit van zorg en de mate waarin ze inschatten of die al dan niet verbeterd is sinds de deelname aan de piloottest.

Algemeen geldt ook hier dat over de organisaties heen een groot aandeel de kwaliteit van zorg op hun afdeling goed tot zeer goed inschat (85%). Dit percentage is quasi vergelijkbaar in de tweede meting nl. 87%. Ook binnen de gekoppelde data zien we hierin geen significante verandering qua inschatting (N=53, n.s.).

Tabel 19. “Hoe zou u de kwaliteit van de zorg op de afdeling omschrijven?”

(Chi2=1,061, df=4, p=0,9) Zeer

zwak Zwak Neutraal Goed Zeer

goed N

Fase 1 0,5% 1,0% 13,5% 66,8% 18,1% 193

Fase 2 0,0% 1,3% 11,9% 67,5% 19,2% 151

Wanneer we echter kijken naar de inschatting van het personeel naar verbetering / verslechtering van zorg sinds de deelname aan het pilootproject, dan zien we wel een significante stijging. Wel 53% geeft aan dat de zorg in hun afdeling (sterk) verbeterd is. Dit verband blijft bestaan wanneer we controleren voor organisatie en andere achtergrondkenmerken. In de gekoppelde dataset zien we een zelfde tendens tevoorschijn komen (N=47, p<0,01).

Een aanzienlijk deel van het personeel ervaart dus een verbetering in de kwaliteit van zorg door hun de deelname van hun organisatie aan het pilootproject. Omgekeerd mogen we zeker ook niet uit het oog verliezen dat 46% noch een verbetering, noch een verslechtering ervaart. Voor deze groep betekent deelname aan de piloottest dus niet noodzakelijk een meerwaarde wat de kwaliteit van zorg betreft. Daarnaast is het aantal personeelsleden dat wijst op een verslechtering erg laag.

Tabel 20. “Is de kwaliteit van de zorg op de afdeling veranderd sinds uw organisatie meewerkt aan het project van de Koning Boudewijnstichting?” (Chi2=27,639, df=4, p<0,01)

Sterk

verbeterd Verbeterd

Noch ver-beterd, noch verslechterd

Ver-slechterd

Sterk ver-slechterd N

Fase 1 1,2% 24,0% 74,3% 0,6% 0,0% 171

Fase 2 4,6% 47,7% 46,4% 0,7% 0,7% 151

Ook op organisatieniveau kunnen we naar een aantal indicatoren kijken die een beeld geven van de kwaliteit van zorg. Belangrijk om hierbij in het achterhoofd te houden is dat het om slechts zes organisaties gaat, die bovendien elk op eigen wijze en eigen tempo met het Tubbe-model aan de slag zijn gegaan. Andere factoren kunnen eveneens een impact hebben op deze cijfers. De tabellen dienen dan ook met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Ze geven slecht een indicatie.

Een eerste indicator op organisatieniveau is het medicatiegebruik. Bij aanvang van de piloottest en een jaar later bevroegen we de organisaties naar het aantal ouderen op één referentiedag die 5 tot 9 verschillende geneesmiddelen voorgeschreven kreeg en het aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten geneesmiddelen.

Tabel 21. Medicatie met een systemisch effect en chronisch gebruik op één referentiedag 2

Fase 1 Fase 2

Omschrijving %

Pilootpraktijk 1 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 56% 43%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 35% 39%

Pilootpraktijk 2 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts N/A N/A Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts N/A N/A Pilootpraktijk 3 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 45% 44%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 39% 36%

Pilootpraktijk 4 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 10% 56%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 85% 30%

Pilootpraktijk 5 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 51% 51%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 22% 28%

Pilootpraktijk 6 Aantal ouderen met 5 tot 9 verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 68% 69%

Aantal ouderen met 10 of meer verschillende soorten

geneesmiddelen voorgeschreven door een huisarts 32% 35%

Wanneer we de verschillende pilootpraktijken vergelijken, dan zijn er weinig grote verschillen op de twee tijdstippen. Eén pilootpraktijk springt er weliswaar bovenuit:

pilootpraktijk 4. Daar daalde het aantal ouderen dat 10 of meer verschillende soorten medicatie neemt van 85% naar 30%.

Tabel 22 bekijkt vervolgens het aantal valincidenten op jaarbasis. Ook hier zijn er weinig verschillen met eerder een toename in de eerste pilootpraktijk. In één pilootorganisatie werd andere info aangeleverd rond de valincidenten. Daar was het aantal ouderen met 1 of meer incidenten tijdens de eerste bevraging 11%;

op het tweede tijdsmoment was dit 9,8%. In een laatste pilootpraktijk tot slot waren geen data beschikbaar omdat enkel de serviceflats, dagopvang en het inloophuis geïncludeerd werden in de piloottest.

2 Het gaat enkel om de bewoners van het woonzorgcentra; voor cliënten van de dagverzorgingscentra, assistentiewoningen, … zijn deze cijfers niet beschikbaar.

Tabel 22. Aantal valincidenten op jaarbasis vergeleken

Wat medicatiegebruik betreft en het aantal valincidenten leidde het Tubbe-model, tot hiertoe, dus niet tot grote trendbreuken. Opnieuw willen we hier graag onder-strepen dat ook heel veel andere factoren een impact hierop kunnen hebben.

Bovendien is het tijdsbestek, anderhalf jaar, mogelijk kort om een impact op organisatie niveau op niveau van deze indicatoren te hebben. Het Tubbe-model is immers een proces, waarin de organisatie doorheen de tijd een paradigmashift maakt. In het evaluatieonderzoek van het Zweeds model werd bijvoorbeeld een tijdsbestek van 5 jaar genomen voor de vergelijking (Håkansson, 2016).

Onderstaande tabel tot slot geeft voor één organisatie de vergelijking tussen het aantal alarmen per dag voor de maand november (2018). Voor deze organisatie kunnen we de vergelijking maken met een vergelijkbare organisatie binnen dezelfde koepel met een vergelijkbaar aantal ouderen en een vergelijkbare praktijk. Hoe-wel het slechts om één organisatie gaat, geven de cijfers een duidelijk verschil weer.

Het aantal alarmen per dag is opvallend hoger in de praktijk waar het Tubbe-model niet geïntroduceerd is dan in de pilootpraktijk met het Tubbe-model. Waar er dus op niveau van medicatiegebruik en valincidenten weinig verschil merkbaar is, zien we in de dagdagelijkse praktijk bij deze ene pilootpraktijk een groot verschil tussen de organisatie met het Tubbe-model en de organisatie zonder.

Tabel 23. Aantal alarmen: één pilootpraktijk vergeleken met “care as usual”

Care as

usual

Piloot-praktijk Care as

usual Piloot-praktijk

1/nov 294 92 8/nov 292 83

2/nov 289 96 9/nov 289 93

3/nov 337 93 10/nov 380 81

4/nov 477 74 11/nov 361 96

5/nov 280 99 12/nov 222 104

6/nov 241 90 13/nov 414 86

7/nov 279 77 14/nov 272 83

4.1.3. Samenvattend: een aangename en aantrekkelijke plaats waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven

Samenvattend kunnen we stellen dat de algemene tevredenheid van de ouderen binnen de organisaties hoog is. Door de tijd heen zien we bovendien een positieve tendens. In de beleving van de ouderen zelf is er weliswaar weinig of geen verandering.

Vanuit de bril van het personeel daarentegen zien we wel een sterke positieve shift.

Iets meer dan de helft van de bevraagde personeelsleden gaf tijdens de tweede bevraging aan dat ze kwaliteit van zorg als (sterk) verbeterd inschatten.

Daarnaast zagen we ook een positieve trend in de mate waarin ouderen contacten hebben met anderen en zich nuttig voelen. Een belangrijke kanttekening hierbij weliswaar is dat een aanzienlijke minderheid weinig contact heeft met anderen en zich niet nuttig voelt.

Wat te onthouden?

53% van de personeelsleden geeft aan dat de zorg binnen hun afdeling (sterk) verbeterd is sinds de deelname aan het project.

Quasi geen van de bevraagde personeelsleden wijst op een verslechtering.

Er is weinig verandering in de indicatoren op organisatieniveau waarneem-baar. Eén organisatie wijst op een daling in het aantal alarmen.

4.2. Inspraak & participatie

Om een plaats te creëren waar ouderen hun leven ten volle kunnen leven, zet het Zweedse Tubbe-model expliciet in op inspraak en participatie. In deze paragraaf staan we stil bij de impact van de piloottest op de mate van inspraak en participatie onder ouderen. We bekijken dit vanuit de bril van de ouderen zelf en vanuit de bril van het personeel. We gaan ook na op welke wijze de pilootpraktijken ingezet hebben hierop en hoe dit proces verliep. Wat liep goed, wat liep minder goed en welke randvoorwaarden, succesfactoren en drempels komen naar voor?

4.2.1. Perspectief ouderen

Wanneer het om inspraak van de ouderen gaat, werd in de eerste plaats aan de

Wanneer het om inspraak van de ouderen gaat, werd in de eerste plaats aan de

In document Naar meer relatiegerichte zorg in Belgische woonzorgorganisaties. Evaluatierapport Piloottest Tubbe-model (pagina 32-0)