• No results found

"Maar thans heb ik met heel mijn hart Toewan Jezus lief"

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2023

Share ""Maar thans heb ik met heel mijn hart Toewan Jezus lief""

Copied!
265
0
0

Bezig met laden.... (Bekijk nu de volledige tekst)

Hele tekst

(1)

“Maar thans heb ik met heel mijn hart Toewan Jezus lief”

Een onderzoek naar het zendingsbeeld in protestantse jeugdzendingspublicaties over Indonesië (1900- 1980)

Marrit Claus S2966239

Masterscriptie Neerlandistiek Faculteit der Letteren

MA Neerlandistiek Rijksuniversiteit Groningen Begeleider: dr. S. van Voorst Tweede beoordelaar: dr. J.E. Weijermars

Aantal woorden: 28.910

(2)

Voorwoord

Voor u ligt de masterscriptie “Maar thans heb ik met heel mijn hart Toewan Jezus lief”1. Deze scriptie is geschreven als onderdeel van de master Neerlandistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Stichting Zendingserfgoed, een stichting die zich bezighoudt met cultureel erfgoed van de protestantse zending, en die tevens de jeugdliteratuur die het corpus vormt, heeft aangeleverd. Stichting Zendingserfgoed diende in 2021 een aanvraag in bij de Wetenschapswinkel Taal, Cultuur en Communicatie van de Rijksuniversiteit Groningen om een onderzoek te laten uitvoeren naar het zendingsbeeld dat naar voren komt in publicaties voor kinderen en oudere jeugd. Zij waren destijds zowel op zoek naar een student Nederlands als een student theologie. Een onderzoek naar jeugdzendingsliteratuur vanuit het oogpunt van religie en ecologie (de verbeelding van de natuur en de omgeving in relatie tot het zendingswerk) wordt op dit moment uitgevoerd door Feike Dietz, hoogleraar ‘Mondiale dynamiek van de Nederlandse letterkunde’ aan de Universiteit van Amsterdam, en David Onnekink, universitair hoofddocent

‘Moderne geschiedenis van internationale betrekkingen’ aan de Universiteit Utrecht. Dit onderzoek zal aan het begin van 2023 worden afgerond en gepubliceerd.

Bij dezen wil ik het bestuur van Stichting Zendingserfgoed hartelijk bedanken voor de kans die mij is gegeven om dit onderzoek uit te voeren en om op deze wijze een bijdrage te kunnen leveren aan het streven van deze stichting om het cultureel erfgoed van de protestantse zending in Nederland te behouden. Bijzondere dank gaat uit naar Huub Lems en Hylkje Steensma, respectievelijk voorzitter en secretaris van Stichting Zendingserfgoed, voor het uitlenen van hun boeken en het meelezen met de conceptversie van deze scriptie. Hun expertise op het gebied van de zending en de historische context van de jeugdzendingsboeken was van toegevoegde waarde voor de totstandkoming van dit onderzoek.

Daarnaast wil ik dr. Sandra van Voorst graag bedanken voor de fijne begeleiding en ondersteuning tijdens het traject. De begeleidingsgesprekken die ik met haar heb gevoerd en het geduld dat zij toonde bij de vertraging van dit onderzoek stel ik zeer op prijs. Ook bedank ik graag dr. Janneke Weijermars voor het vervullen van de functie van tweede beoordelaar van deze scriptie.

Ik wens u veel leesplezier toe.

Marrit Claus, 12 oktober 2022

1 De titel van deze masterscriptie verwijst naar een passage uit het boek Blank en Bruin (Boschma, 1902). In deze passage getuigt een bekeerde Indonesiër van het feit dat hij eerst heiden was en nu bekeerd is tot het christendom.

Het woord “Toewan” betekent “Heer”.

(3)

Inhoudsopgave

1. Inleiding ... 5

2. Onderzoeksopzet ... 7

2.1. Terminologie... 7

2.2. Hoofdvraag en deelvragen ... 8

2.3. Literair-analysemodel ... 9

2.4. Materiaal ... 10

3. Historische context ... 12

3.1. Geschiedenis van de protestantse zending in Indonesië... 12

3.1.1. Zending in het VOC-tijdperk ... 12

3.1.2. Genootschapszending ... 13

3.1.3. Zending in oorlogstijd ... 15

3.1.4. Postkoloniale zending ... 16

3.2. Geschiedenis van de protestantse jeugdzendingsliteratuur ... 17

3.2.1. Protestantse jeugdliteratuur ... 17

3.2.2. Zendingsliteratuur ... 19

4. Algemeen zendingsbeeld ... 20

4.1. Twee verhaallijnen ... 20

4.1.1. Zendeling ... 20

4.1.1.1. Beschrijving zendingsmissie ... 21

4.1.1.2. Duiding zendingsmissie ... 22

4.1.2. Kind ... 26

4.1.2.1. Beschrijving bekeringsproces ... 26

4.1.2.2. Duiding bekeringsproces ... 28

4.2. Sleutelmomenten ... 29

4.2.1. Tegenslagen ... 29

4.2.2. Plotwending ... 32

4.3. Karaktereigenschappen en geloofsbeleving ... 35

4.3.1. Karaktereigenschappen en geloofsbeleving zendeling ... 35

4.3.2. Karaktereigenschappen en geloofsbeleving heidenen ... 39

4.3.3. Karaktereigenschappen en geloofsbeleving Indonesische christenen ... 44

4.3.3.1. Bekeerde Indonesiërs... 45

4.3.3.2. Kind ... 47

4.4. Relatie zendeling – Indonesiërs ... 49

4.4.1. Zendeling– heidenen ... 49

(4)

4.4.2. Zendeling– christenen ... 51

5. Verschuivingen en ontwikkelingen in de twintigste eeuw (1900 – 1980) ... 57

5.1. Verschuivingen en ontwikkelingen in de twee verhaallijnen ... 57

5.2. Verschuivingen en ontwikkelingen in de sleutelmomenten... 59

5.3. Verschuivingen en ontwikkelingen in de karaktereigenschappen en de geloofsbeleving.... 62

5.4. Verschuivingen en ontwikkelingen in de relatie tussen de zendeling en de Indonesiërs .... 65

6. Conclusie en discussie ... 69

7. Referenties ... 73

7.1. Primaire literatuur... 73

7.2. Secundaire literatuur... 74

8. Bijlagen ... 76

8.1. Bijlage 1. Literair-analysemodel ... 76

8.2. Bijlage 2. Analyse Dorcas en de kinderen van Toeroe (1960) ... 78

8.3. Bijlage 3. Analyse Het kind dat niemand hebben wou (1967) ... 87

8.4. Bijlage 4. Analyse Blank en bruin (1902) ... 99

8.5. Bijlage 5. Analyse Towasi, het slaafje (1948) ... 109

8.6. Bijlage 6. Analyse Sadjem, het sloofje uit de Waroeng (1931) ... 123

8.7. Bijlage 7. Analyse Bastiaan, de kleinen Timorees (1946) ... 131

8.8. Bijlage 8. Analyse Van een kleinen Papoea (1913) ... 143

8.9. Bijlage 9. Analyse Sporen onder de Waringin (1951) ... 157

8.10. Bijlage 10. Analyse Samoea en Ronto (1907) ... 173

8.11. Bijlage 11. Analyse De Woudloper van Sumatra (1954) ... 189

8.12. Bijlage 12. Analyse Naar het land van de Sangireezen (1921) ... 198

8.13. Bijlage 13. Analyse Vader Emde, de horlogemaker van Soerabaja (1921) ... 208

8.14. Bijlage 14. Analyse Mei Lan’s Overwinning (1979) ... 222

8.15. Bijlage 15. Analyse Waikri’s Jachtavontuur (1971) ... 237

8.16. Bijlage 16. Analyse Carl’s Kerstfeest in Papoealand (1939) ... 250

(5)

1. Inleiding

Geen enkel boek is compleet vrij van ideologische implicaties. Of een tekst nu de ideologieën van een cultuur wil neutraliseren of aanvechten, hij legt de lezer impliciet altijd iets op, aangezien ideologie inherent is aan de taal en beelden waaruit deze is gemaakt (McCallum & Stephens, 2011, p. 359). Binnen de literatuurwetenschap is veel onderzoek gedaan naar de verwerking van ideologieën in teksten en de manier waarop bepaalde culturen, zienswijzen en bevolkingsgroepen worden gepresenteerd, oftewel het beeld dat van deze zaken wordt geconstrueerd. Dergelijk onderzoek naar beeldvorming richt zich naast de representatie van culturen, zienswijzen en bevolkingsgroepen, ook op het beeld dat lezers vormen van ‘zichzelf’ en ‘de ander’. Hierbij kan ‘de ander’ een vertegenwoordiger van elke mogelijke cultuur, zienswijze of bevolkingsgroep zijn. Het betreft in dit geval meestal onderzoek naar de representatie en eventuele uitsluiting van subgroepen, met name in de vorm van emancipatorische studies naar vrouwen en etnische minderheden. Ook binnen onderzoek naar jeugdliteratuur neemt beeldvorming een belangrijke plaats in. (Hermans, 2007, p. 92). Een interessante vraag is hoe in dit specifieke subgenre bepaalde ideologieën of culturen gepresenteerd worden.

Deze vraag vormde de basis van een onderzoeksplan van Stichting Zendingserfgoed, een stichting die zich bezighoudt met “het beheer van collecties die tot het erfgoed van protestantse zendingen in Nederland behoren” (Lems, 2015). Deze collecties bestaan onder andere uit kunstvoorwerpen, etnografica, geschenken, tentoonstellingen, films, dia’s, geluiddragers en boeken. Stichting Zendingserfgoed is opgericht om het cultureel erfgoed van de protestantse zending in Nederland te behouden en voor het publiek beschikbaar te maken. De stichting wilde een onderzoek laten uitvoeren naar het beeld van de protestantse zending (het zogeheten

“zendingsbeeld”) dat wordt geschetst in boeken voor kinderen en oudere jeugd. Hierbij ging de voorkeur voornamelijk uit naar boeken over de zending in Indonesië uit de periode van de nieuwere protestantse zending die eind achttiende eeuw vanuit Nederland aanving, tot aan het einde van de twintigste eeuw.

Zoals gezegd, is binnen de literatuurwetenschap veel onderzoek gedaan naar de verwerking van ideologieën in teksten en de representatie van culturen, zienswijzen en minderheden.

Bovendien is binnen de theologie en missiologie ruime aandacht voor de wijze waarop protestantse zending werd en wordt uitgeoefend. Echter, onderzoek dat beide aspecten combineert en zodoende de representatie van het concept ‘zending’ in literatuur behandelt, is schaars. Een uitzondering lijkt het proefschrift Levi’s eerste kerstfeest (2016) van taalhistoricus en journalist Ewout Sanders. Hierin worden tachtig verhalen over jodenbekering geanalyseerd. De representatie van

(6)

het concept ‘bekering’ vormt het uitgangspunt van de analyse, waarbij de zending een belangrijke rol speelt. Toch is de analyse niet toegepitst op het concept ‘zending’. Ander onderzoek dat zich wel specifiek richt op jeugdzendingsliteratuur is er nauwelijks. Om deze redenen kan dit onderzoek naar het zendingsbeeld in protestantse jeugdzendingsliteratuur over Indonesië enerzijds worden ingebed in algemeen literair-wetenschappelijk onderzoek naar de verwerking van ideologieën en de representatie van culturen in teksten. Bovendien positioneert het zich binnen de bredere context van missiologisch en theologisch onderzoek naar zending. Anderzijds poogt het een verrijking te zijn van onderzoek naar het specifieke genre jeugdzendingsliteratuur. Boeken uit dit genre verschenen vanaf het einde van de negentiende eeuw tot in de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw. Na de jaren tachtig en negentig werd het jeugdzendingsboek nog nauwelijks ingezet omdat het niet zou functioneren als middel om de zending een impuls te geven (zie 3.2.2.

Zendingsliteratuur).

Dit onderzoek richt zich op het zendingsbeeld dat spreekt uit jeugdzendingsboeken van 1902 tot en met 1979. Onderzoeksmethoden uit de literatuurwetenschap zijn gebruikt om aan te tonen welk beeld van de zending zichtbaar wordt in het gebruikte corpus. De vraag die in dit onderzoek centraal staat luidt als volgt: ‘Welk zendingsbeeld komt naar voren in twintigste-eeuwse protestantse jeugdliteratuur over Indonesië en op welke wijze ontwikkelt dit zendingsbeeld zich gedurende de twintigste eeuw (1900 – 1980)?’. Allereerst wordt de manier waarop dit onderzoek is uitgevoerd uiteengezet in hoofdstuk 2. Vervolgens wordt in het derde hoofdstuk de relevante historische context besproken, omdat deze noodzakelijk is voor de analyse en de duiding van de jeugdzendingsliteratuur. Het algemene zendingsbeeld dat sprak uit de analyse wordt gepresenteerd in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden vervolgens ontwikkelingen in dit zendingsbeeld gedurende de twintigste eeuw (1900 - 1980) uiteengezet. In het laatste hoofdstuk wordt de onderzoeksvraag beantwoord en worden deze resultaten geïnterpreteerd. Ook zal dit hoofdstuk ingaan op suggesties voor vervolgonderzoek.

(7)

2. Onderzoeksopzet

In dit onderzoek staat het zendingsbeeld uit twintigste-eeuwse protestantse jeugdliteratuur centraal.

De onderzoeksvraag is als volgt geformuleerd: ‘Welk zendingsbeeld komt naar voren in twintigste- eeuwse protestantse jeugdliteratuur over Indonesië en op welke wijze ontwikkelt dit zendingsbeeld zich gedurende de twintigste eeuw (1900 – 1980)?’. De hoofdvraag is hiermee tweeledig: het onderzoek richt zich op het zendingsbeeld dat spreekt uit de jeugdzendingsboeken, maar ook op de ontwikkelingen in dit zendingsbeeld die zich voordoen in de loop van de twintigste eeuw. Om deze vraag te beantwoorden, is een kwalitatief literair-analytisch onderzoek uitgevoerd. Dit hoofdstuk zet uiteen op welke wijze dit is gedaan. Hierbij wordt de onderzoeksvraag toegelicht, het literair-analysemodel uitgelegd en het onderzoeksmateriaal beschreven. Ook is er aandacht voor de toelichting van de voor dit onderzoek relevante terminologie.

2.1. Terminologie

In deze scriptie wordt een aantal begrippen gebruikt dat toelichting behoeft om op juiste wijze geïnterpreteerd te worden. Deze paragraaf zal dergelijke woorden bespreken en woordkeuzes verantwoorden, te beginnen met ‘Indonesië’. De tijdsperiode waarin de jeugdzendingsboeken uit dit onderzoek zijn geschreven, beslaat een groot deel van de twintigste eeuw. Dit betekent dat de uitroeping van de onafhankelijkheid van Indonesië in 1945 precies in deze periode plaatsvindt en in dit corpus de termen ‘Nederlands-Indië’ en ‘Indonesië’ daarom door elkaar gebruikt zouden kunnen worden om hetzelfde land aan te duiden. In de bespreking van de jeugdzendingsboeken is ervoor gekozen om, onafhankelijk van de vraag of een boek voor of na de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog geschreven is, één naam te gebruiken om voormalig Nederlands- Indië/het huidige Indonesië aan te duiden: ‘Indonesië’. De inwoners van dit land worden daarom aangeduid als ‘Indonesiërs’.

Een ander woord dat in deze scriptie gebruikt wordt, is ‘heiden’. Omdat dit woord verschillende betekenissen kent, al dan niet met een negatieve connotatie, is toelichting nodig voor een juiste interpretatie. In deze scriptie wordt met het woord ‘heiden’ bedoeld: “nog niet tot het christendom bekeerde”, naar de definitie van het Etymologisch Woordenboek van Marlies Philippa et al. (2018), waar de term als “nog niet bekeerde” wordt uitgelegd (Philippa et al., 2018). Omdat dit onderzoek zich richt op bekering tot het christendom, is “tot het christendom” toegevoegd aan de definitie van het woord ‘heiden’. Echter, een moslim wordt hier niet toe gerekend: die wordt aangeduid met ‘moslim’.

(8)

2.2. Hoofdvraag en deelvragen

De hoofdvraag die in dit onderzoek centraal staat luidt: ‘Welk zendingsbeeld komt naar voren in twintigste-eeuwse protestantse jeugdliteratuur over Indonesië en op welke wijze ontwikkelt dit zendingsbeeld zich gedurende de twintigste eeuw (1900 – 1980)?’. Zoals in de inleiding al werd gezegd, is het zendingsbeeld “het beeld van de protestantse zending” dat spreekt uit de jeugdzendingsboeken. De protestantse zending wordt volgens het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal als “de verkondiging van het evangelie onder en ontwikkelingshulp aan volken in de derde wereld” geduid (Den Boon & Hendrickx, 2015). Met het beeld van deze zending wordt bedoeld op welke wijze dit concept naar voren komt in de jeugdzendingsboeken: de voorstelling die de lezer van dit concept krijgt. Er zijn meerdere aspecten die gezamenlijk deze voorstelling van het zendingsbeeld construeren. Deze aspecten zijn opgenomen in het analysemodel. Vervolgens zijn hieruit verschillende aspecten gedistilleerd die bij het gebruik van dit model het meest relevant bleken voor de constructie van het zendingsbeeld. Zij zijn bepalend voor de voorstelling die de lezer zich bij lezing van de boeken maakt van de zending. Het betreft hier: gekozen verhaallijn, sleutelmomenten in het verhaal, de karaktereigenschappen en geloofsbeleving van de personages en de relatie tussen de zendeling en de Indonesiërs. De hoofdvraag van dit onderzoek is zoals gezegd tweeledig: enerzijds behandelt dit onderzoek de representatie van de protestantse zending, anderzijds analyseert het de wijze waarop deze representatie wijzigt gedurende de twintigste eeuw. Naast de manier waarop deze aspecten bijdragen aan het zendingsbeeld, is er in dit onderzoek ook aandacht voor de manier waarop deze aspecten zich ontwikkelen in de tijdsperiode die dit corpus beslaat. Om de hoofdvraag op constructieve wijze te kunnen beantwoorden, zijn de volgende deelvragen opgesteld:

1. Op welke wijze draagt de gekozen verhaallijn in de jeugdzendingsboeken bij aan het algehele zendingsbeeld?

2. Op welke wijze dragen sleutelmomenten in de jeugdzendingsboeken bij aan het algehele zendingsbeeld?

3. Op welke wijze dragen de karaktereigenschappen en geloofsbeleving van de personages in de jeugdzendingsboeken bij aan het algehele zendingsbeeld?

4. Op welke wijze draagt de relatie tussen de zendeling en de Indonesiërs in de jeugdzendingsboeken bij aan het algehele zendingsbeeld?

5. Op welke wijze veranderen de kenmerkende aspecten van het zendingsbeeld dat in de jeugdzendingsboeken naar voren komt, gedurende de twintigste eeuw (1900 – 1980)?

(9)

Deze deelvragen dragen bij aan de beantwoording van de hoofdvraag doordat ze zowel de verschillende aspecten van het zendingsbeeld, als de ontwikkeling van dit zendingsbeeld gedurende de twintigste eeuw beslaan.

2.3. Literair-analysemodel

In dit onderzoek is gebruikgemaakt van een literair-analysemodel om de jeugdzendingsboeken op een gestructureerde, efficiënte en literair-wetenschappelijk onderbouwde manier te analyseren. Bij de totstandkoming van dit model is uitgegaan van de verschillende perspectieven en onderdelen voor kwalitatief literatuuronderzoek zoals geschetst door Erica van Boven en Gillis Dorleijn (2015). Ook zijn de inzichten van Mieke Bal (1983-1984) uit haar onderzoek naar de systematisering van wetenschappelijke verhaalanalyse gebruikt. Daarnaast zijn twee voorbeelden van vergelijkbaar onderzoek naar jeugdliteratuur (voor bachelor- en masterscripties aan de Rijksuniversiteit Groningen) meegenomen in de constructie van het analysemodel voor de toevoeging van relevante genre-specifieke elementen. Deze twee onderzoeken zijn: De representatie van Zwarte Piet in kinderboeken (1850-2013) door Cleo Vermuyen en Nienke Schuiling (2019) en Over lijden gesproken:

ziekte, dood en rouw in jeugdliteratuur door Anneroos Voetberg(2020). Zie Bijlage 1. Het literair- analysemodel voor de definitieve versie van het literair-analysemodel zoals gebruikt in dit onderzoek.

In het analysemodel zijn de volgende tekst-gerelateerde onderdelen opgenomen: algemene informatie, inhoudelijke informatie, beschrijving van Indonesiërs en beschrijving van zendelingen. Deze onderdelen hebben ofwel betrekking op het boek als geheel (algemene informatie) of op aspecten gerelateerd aan de tekst (inhoudelijke informatie, beschrijving van Indonesiërs en beschrijving van zendelingen).

Daarnaast zijn nog twee onderdelen voor beeldaspecten opgenomen: beeldaspecten Indonesiërs en beeldaspecten zendelingen. Immers, veel jeugdboeken bevatten illustraties. Aan de hand van deze twee onderdelen kunnen eventuele illustraties worden geanalyseerd en vergeleken met de tekst, om zo een compleet beeld te geven van de gehele inhoud van het boek. Hierbij zijn niet alleen de beeldaspecten op zich relevant, maar ook de relatie die zij hebben met de lopende tekst en eventuele discrepanties die tussen beide ontstaan.

Het grootste gedeelte van de subonderdelen van inhoudelijke informatie is opgesteld aan de hand van de basisaspecten van onderzoek naar verhalende teksten, zoals geschetst door Van Boven en Dorleijn (2015, p. 203), maar ook door Bal (1983-1984, p. 270). Hieronder vallen onder andere de verhaallijn (en secundaire verhaallijnen), de karakters (en karakterontwikkeling), focalisatie, vertelperspectief

(10)

en algemene boodschap. Daarnaast zijn inhoudelijke elementen toegevoegd die relevant zijn voor het specifieke genre van protestantse jeugdzendingsliteratuur. Hiertoe worden de volgende categorieën gerekend: de verwijzingen naar maatschappelijke/koloniale ontwikkelingen en de verwijzingen naar zending.

De categorieën beschrijving van Indonesiërs en beschrijving van zendelingen zijn tot stand gekomen met behulp van het tekstanalysemodel voor boeken over Zwarte Piet van Vermuyen en Schuiling (2019, p. 8). Hieruit zijn algemene beschrijvende aspecten overgenomen, zoals benaming, geslacht, leeftijd en beschreven uiterlijk. Daarnaast zijn beschrijvende aspecten toegevoegd die relevant zijn voor het specifieke genre protestantse jeugdzendingsliteratuur, zoals beleving van religie, verhouding tot Indonesiërs/zendelingen, verhouding tot anderen, karakter, taak als zendeling (zendelingen), heldhaftigheid (zendelingen) en primitieve aspecten (Indonesiërs).

Hetzelfde geldt voor de categorieën beeldaspecten inheemse bevolking en beeldaspecten zendelingen:

het beeldanalysemodel van Vermuyen en Schuiling (2019, p. 8) is hier als uitgangspunt genomen, waarbij de algemene beeldaspecten zijn overgenomen en specifieke beeldaspecten voor het genre zijn toegevoegd. De algemene beeldaspecten zijn de uiterlijke kenmerken en discrepantie tussen beeld en tekst. De specifieke beeldaspecten zijn verhouding tot Indonesiërs/zendelingen en verhouding tot anderen.

Het analysemodel zoals in dit hoofdstuk geschetst, is uitvoerig opgesteld aan de hand van wetenschappelijke literatuur over de analyse en interpretatie van verhalende teksten en aan de hand van vergelijkbaar onderzoek. Ook is het gebaseerd op een eerste lezing van het corpus en op verwachtingen over relevante aspecten van de boeken naar aanleiding van de verschillende ontwikkelingen die in het historisch overzicht besproken zullen worden (zie 3. Historiche context).

Bij het analyseren van de jeugdliteratuur is een cyclisch proces ontstaan van voortdurende toepassing en aanpassing van het model. Dit betekent dat sommige aspecten voor bepaalde jeugdzendingsboeken minder relevant waren dan voor andere, waardoor het uiteindelijke analyseschema per jeugdzendingsboek ietwat kan verschillen. Er kunnen aspecten zijn weggehaald die niet van toepassing zijn voor dit specifieke boek. Andersom zijn er daarnaast soms nieuwe, opvallende aspecten in een boek zichtbaar geworden die bijdragen aan het zendingsbeeld. Deze aspecten zijn dan aan het model toegevoegd. Echter, het betreft hier slechts hooguit één à twee aspecten per boek.

2.4. Materiaal

Het corpus bestaat uit vijftien jeugdzendingsboeken over Indonesië, verspreid over de periode tussen 1902 en 1979. Het genre werd na de jaren tachtig en negentig nog nauwelijks ingezet, omdat het als middel voor financiering van de zending onvoldoende bleek te functioneren (zie 3.2.2.

(11)

Zendingsliteratuur). Om deze reden beslaat het corpus niet de gehele twintigste eeuw. Door bij de selectie van het corpus rekening te houden met spreiding over de twintigste eeuw, konden tijdgebonden ontwikkelingen goed in kaart worden gebracht. Er is gekozen voor één soort jeugdzendingsboek, namelijk het leesboek voor basisschoolkinderen die zelfstandig kunnen lezen.

Binnen de jeugd(zendings)literatuur bestaan meerdere soorten boeken die voornamelijk gericht zijn op kinderen in de basisschoolleeftijd, waaronder ook prentenboeken of dunnere, pamflet-achtige boekjes(Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 12). Omdat dit onderzoek zich voornamelijk richt op tekst, zijn prentenboeken buiten beschouwing gelaten. De pamflet-achtige boekjes zijn niet behandeld omdat ze te weinig vruchtbaar zijn voor analyse ten opzichte van boeken met meer volume. De boeken die het corpus vormen, zijn op basis van deze criteria gekozen uit drie lijsten, aangeleverd door Stichting Zendingserfgoed. Het betreft hier allereerst een lijst uit de jeugdzendingsliteratuur van de Raad voor de Zending te Oegstgeest, zoals opgenomen in archief 1102-2 bij het Utrechts archief. Daarnaast zijn er publicaties gekozen uit de collectie van Stichting Zendingserfgoed en een lijst eigen verzamelde uitgaven in bezit van Huub Lems en Hylkje Steensma. De titels die samen het corpus voor dit onderzoek vormen, luiden als volgt (op chronologische volgorde):

1. Boschma, H. Blank en Bruin. Rotterdam: D.A. Daamen, 1902.

2. La Bassecour Caan, de, Jonkvr. Samoea en Ronto. Nijkerk: Callenbach, 1907.

3. Hoog, A. Van een kleinen Papoea. Arnhem: H. ten Brink, 1913.

4. Tuiten-Huvers, J. Naar het land van de Sangireezen – Reisverhaal voor kinderen.

Oegstgeest: Zendingsbureau, 1921.

5. Welzen, van, J.H. Vader Emde, de horlogemaker van Soerabaja. Oegstgeest:

Zendingsbureau, 1921.

6. Dijk, van, A. Sadjem, het sloofje uit de Waroeng. Oegstgeest: Zendingsbureau, 1931.

7. Zaaier, A. Carl’s Kerstfeest in Papoea-land. Nijkerk: Callenbach, 1939.

8. Durkstra, E. Bastiaan, de kleinen Timorees. Assen: Van Gorcum, 1946.

9. Capelle, M.C. Towasi, het slaafje. Baarn: Zendingscentrum Ger. Kerken, 1948.

10. Kamma, B. Sporen onder de Waringin. Oegstgeest: Zendingsbureau, 1951.

11. Noort, van, A. De woudloper van Sumatra. Oegstgeest: Zendingsbureau, 1954.

12. Berg, van den, P. Dorcas en de kinderen van Toeroe. Nijkerk: Callenbach, 1960.

13. Berg, van den, P. Het kind dat niemand hebben wou. Amsterdam: Nederlandse Zendingsraad, 1967.

14. Woldendorp, H. Waikri’s Jachtavontuur. Utrecht: Raad voor de Zending, 1971.

(12)

15. Wold Mobach, M.J. Mei Lan’s overwinning. Utrecht: Den Hertog, 1979.

3. Historische context

Om de jeugdzendingsliteratuur en de resultaten van de analyse op de juiste wijze te kunnen duiden, wordt in dit hoofdstuk de relevante historische context besproken. Het hoofdstuk besteedt aandacht aan de geschiedenis van de protestantse zending in Indonesië. Deze context is van belang voor een juist begrip van het concept zending. Ook bespreekt dit hoofdstuk de geschiedenis van de protestantse jeugdliteratuur om het genre jeugdzendingsliteratuur te expliciteren.

3.1. Geschiedenis van de protestantse zending in Indonesië

De jeugdliteratuur die het materiaal vormt voor dit onderzoek, is ontstaan binnen de context van de twintigste-eeuwse protestantse zending in het huidige Indonesië. Om deze literatuur goed te kunnen analyseren, is het belangrijk om inzicht te hebben in de organisatie en ontwikkeling van de protestantse zending.

3.1.1. Zending in het VOC-tijdperk

De Nederlandse protestantse zending heeft haar oorsprong in het tijdperk van de Verenigde Oost- Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC). Voor de komst van de VOC en de WIC in het begin van de zeventiende eeuw, hadden de handelsmaatschappijen van de katholieke Portugezen en Spanjaarden op de meeste eilanden vrij spel. Echter, in 1622 werd in het tweede verlengde octrooi tussen de VOC en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden besloten dat de VOC verantwoordelijk was voor het religieuze welzijn van haar eigen personeel en de werkers in de koloniën. In het eerste VOC-octrooi van 1602 werd deze verantwoordelijkheid in eerste instantie niet genoemd omdat dit als vanzelfsprekend werd geacht voor de protestants- christelijke natie. Om te zorgen dat dit religieuze welzijn zo goed mogelijk kon worden gewaarborgd, werden de predikanten, ziekenverzorgers en Nederlandse en inlandse schoolmeesters in de kolonie kerkelijk aangestuurd en gestructureerd. Ook waren de kerk- en schoolzaken onderworpen aan regionale gezaghebbers van de VOC. Echter, het missionaire karakter van de VOC beperkte zich tot de geestelijke verzorging van het VOC-personeel en de zorg voor inheemse christenen (Jongeneel, 2015, p. 77). Door de uitvoerig doordachte organisatie en kerkelijke structurering, was de VOC goed in staat haar pastorale taken uit te voeren. Alhoewel de religieuze identiteit bij de handelsonderneming hoog in het vaandel stond, waren kapitalistische

(13)

belangen altijd het belangrijkste speerpunt en dienden religieuze missies voornamelijk ter behartiging van deze belangen. Jan Jongeneel omschrijft deze belangen als volgt:

De VOC en WIC streefden naar maximale winsten via doelgericht beleid en krachtdadig optreden, met plichtsvervulling en een ascetische levensstijl als richtlijn. … Discipline en godvruchtigheid werden gezien als uitgangspunt en draagvlak voor de ordening van het persoonlijke en gemeenschappelijke leven, voor het maken van winst, en voor het onttoveren van ‘de betoverde wereld’, (Balthasar Dekker) dat is het bevrijden van de mensheid uit de klauwen van bijgeloof en angst. (Jongeneel, 2015, p.77)

De Kerk in de Republiek had door deze dubbele belangen een haat-liefdeverhouding met de VOC.

Aan de ene kant dankte zij aan de compagnie de mogelijkheid om het evangelie te verspreiden en kerken te planten. Aan de andere kant stond zij altijd in dienst van het beleid van de compagnie (Jongeneel, 2015, p. 140). Gedurende twee eeuwen (van 1625 tot 1775) werden onder dit gezag kerken gevestigd in Batavia, de Molukken en op een aantal andere plekken in Oost-Indië, ten behoeve van de geestelijke verzorging van VOC-personeel en inheemse christenen. Van 1775 tot aan het einde van de eeuw nam het aantal permanent geplaatste pastorale werkers stapsgewijs af (Jongeneel, 2015, p. 143).

3.1.2. Genootschapszending

Aan het einde van de achttiende eeuw werden ook alle kerkelijke zaken in de Nederlandse koloniën een directe staatsaangelegenheid als gevolg van het faillissement van de VOC. De vrijheid van godsdienst en de vrijheid van vereniging en vergadering die, met de Bataafse Republiek, in Nederland gemeengoed waren geworden, boden Nederlandse christenen de mogelijkheid tot nieuw zendingswerk: in de negentiende eeuw richtten zij verschillende soorten comités op voor uitwendige zending, inwendige zending2 en bijbelvertaalwerk. Dit zorgde voor een complexere, meer gefragmenteerde zending dan in het tijdperk van de Republiek en de compagnieën, maar leidde uiteindelijk ook tot een impuls in de verspreiding van het evangelie. Overzee waren nu drie soorten protestantse instellingen actief: kerken en aan kerken gelieerde organisaties, interkerkelijke zendingsgenootschappen en -comités en het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) (Jongeneel, 2015, p. 152). In 1797 werd het Nederlandsch Zendelinggenootschap ter Voortplanting en Bevordering van het Christendom, bijzonder onder de Heidenen (NZG) opgericht. Het NZG was

2 Met ‘uitwendige zending’ wordt zending buiten de landsgrenzen bedoeld. ‘Inwendige zending’ vindt plaats binnen

(14)

van 1797 tot 1951 veruit de grootste en meest productieve zendingscorporatie van protestants Nederland. Halverwege de negentiende eeuw scheidden drie groepen zich van het NZG af, maar het voortbestaan van de corporatie werd hierdoor niet in gevaar gebracht (Jongeneel, 2015, p. 158- 159). Waar de hervormde en lutherse kerkgenootschappen, waartoe de leden die het meerendeel van de achterban van het NZG vormen behoorden, nog lange tijd verbonden waren aan de Nederlandse staat (en haar financiële steun), kregen afgescheiden kerken en de Nederlandse zendingsgenootschappen geen rijkssubsidie. De nieuwe zendingsgenootschappen spanden zich op allerlei manieren in om het benodigde geld in te zamelen: collectes, contributies en abonnementen, bazaars en eigen publicaties. In tegenstelling tot de genootschappen, was de gevestigde Protestantse Kerk in Nederlands-Indië (PKNI), beter bekend als de Indische Kerk, minder autonoom en nauwelijks vrij om zelf missionair werk te verrichten: vanaf 1844 regelde het kerkelijk leven in Nederlands-Indië zich naar het ‘Reglement op het bestuur der Protestantse Kerk in Nederlands- Indië’, een wet waarin de behartiging van de belangen van de Protestantse Kerk Nederlands-Indië en het algemeen toezicht op beheer, predikanten en kerkenraden werd opgedragen aan het kerkbestuur, benoemd door de gouverneur-generaal. Op deze manier moest de Indische Kerk altijd verantwoording afleggen aan het (Nederlandse) kerkbestuur (De Jong, 2021, p. 35).

Gedurende de negentiende eeuw professionaliseerde het zendingswerk. Er werd veel aandacht besteed aan de organisatiestructuur en aan de verbetering van de opleiding van predikanten (Lems & Van Vliet, 2010, p. 34). Protestanten bleven de aanhangers van andere godsdiensten en geloven omschrijven als ‘heidenen en mohammedanen’, maar beperkten zich tijdens hun missies niet slechts meer tot niet-gelovigen, en richtten zich ook steeds meer op aanhangers van andere godsdiensten. Er werd intensief zending bedreven in toenmalig Nederlands- Indië en bij ontmoeting met deze godsdiensten stuitten westerse zendelingen niet alleen op grote islamitische groepen, maar ook op allerlei kleinere inheemse religieuze stromingen. Voornamelijk deze laatste groep was nauwelijks ontvankelijk voor de boodschap die de ‘blanke vreemdelingen’

kwamen brengen. Om toch hun vertrouwen te winnen, verdiepten de zendelingen zich in hun rituelen en boden ze onderwijs en gezondheidszorg aan (Jongeneel, 2015, p. 242-244). De gestichte christelijke ziekenhuizen en scholen gaven persoonlijk gerichte aandacht aan de inheemse bevolking, waarbij de focus lag op gelijke behandeling van aanhangers van andere godsdiensten ten opzichte van inheemse christenen. Op deze manier wilden de zendelingen hun een levensstijl aanleren die niet gekenmerkt werd door de angst voor boze geesten, maar door vrijheid van het

‘heidense juk’ (Jongeneel, 2015, p. 299).

(15)

3.1.3. Zending in oorlogstijd

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleven de Nederlandse koloniën grotendeels gespaard door de neutrale positie die Nederland innam. De Nederlandse zendingsgenootschappen konden in deze periode vrijwel ongehinderd hun taken voortzetten (Jongeneel, 2015, p. 128-129). Wel intensiveerde de Eerste Wereldoorlog in het huidige Indonesië en de rest van Azië het verlangen naar onafhankelijkheid en de beëindiging van het kolonialisme (Jongeneel, 2015, p. 129). In het interbellum groeide dit verlangen in de Indische archipel door, niet in de laatste plaats vanwege het pleidooi van Mahatma Gandhi voor non-coöperatie met de koloniale machten. In de jaren voorafgaand aan de soevereiniteitsoverdracht over de Indische archipel in 1949, vonden conferenties, onderhandelingen en politionele acties plaats. In deze transitieperiode, waar de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) een groot deel van uitmaakte, hadden de meeste Nederlanders weinig tot geen begrip voor het nationalisme in de archipel. Dit nationalisme werd overigens niet alleen aangehangen en gepropageerd door moslims of hindoes, maar ook door inheemse christenen. De Nederlandse kerk-, zendings- en Bijbelgenootschappen bleven in het interbellum mensen uitzenden naar de Nederlandse koloniën. Naast predikanten voor de Protestantse Kerk in Oost en West, zendelingen en Bijbelvertalers, werden ook leger- en vlootpredikanten meegezonden (Jongeneel, 2015, p. 131).

In de eerste helft van de twintigste eeuw bleven de meeste Nederlandse zendingsgenootschappen en het NBG actief. Dankzij de vrijheid van godsdienst in de Nederlandse koloniën, konden christenen daar, zij het met de nodige beperkingen in de vorm van overheidscontrole, vrijwel probleemloos hun taken uitvoeren. Toch zorgden het ontwakend nationalisme en het groeiende streven naar onafhankelijkheid gedurende de twintigste eeuw voor spanningen in het zendingsveld. Meerdere zendingsorganisaties, waaronder ook niet-Nederlandse, drongen destijds aan op meer garanties voor een vrij godsdienstig verkeer (Lems & Van Vliet, 2010, p. 32). Tijdens het interbellum zetten de zendelingen in het toenmalige Nederlands-Indië zich ondanks de groeiende spanningen steeds meer in om zichzelf overbodig te maken en de uit hun arbeid voortgekomen groepen christenen en gemeenten op weg te helpen organisatorisch, financieel en theologisch zelfstandig te worden. De verzorging van lokale groepen christenen werd waar mogelijk steeds meer aan henzelf toevertrouwd, wat een geleidelijke toename van de afstand tussen zendeling en inheemse christenheid in gang zette. Wat de zendelingen niet hadden voorzien, was dat de Japanse bezetting van 1942 tot 1945 een enorme impuls zou geven aan de reeds groeiende nationalistische gevoelens van de inheemse bevolking, waaronder van de inheemse christenen. Waar veel zendelingen het voornemen hadden om na de Tweede Wereldoorlog naar

(16)

hun zendingsveld terug te keren en de vooroorlogse draad weer op te pakken, bleek dit in de praktijk onmogelijk te zijn. Tijdens de bezetting had de islam sterk aan macht en invloed gewonnen en daarnaast hadden inheemse christenen alle leidinggevende posities op de zendingsvelden overgenomen. Bovendien waren vrijwel alle zendelingen en hun gezinnen in de Jappenkampen terechtgekomen. In die kampen droomden velen van hen over de naoorlogse kansen op een hernieuwd christendom en het herstel van het oorspronkelijke zendingswerk, maar dit bleek bij terugkomst uitgesloten (Lems & Van Vliet, 2010, p. 32).

3.1.4. Postkoloniale zending

Na de Tweede Wereldoorlog verzette Nederland zich met hand en tand tegen de roep om onafhankelijkheid en de geëiste overdracht van Indië, wat uitmondde in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949). Met de soevereiniteitsoverdracht in 1949 viel het koloniale coördinatensysteem in Indonesië weg en brak een periode van missionaire heroriëntatie aan. Deze heroriëntatie werd gekenmerkt door een verschuiving van wie de dienst uitmaakte binnen de zending. Niet-westerse christenen gingen zelf ook zending bedrijven, wat betekende dat de westerse christenen niet meer als enige vormgaven aan theologie, kerk en zending wereldwijd. In Indonesië konden Nederlandse christenen niet meer missionair opereren zonder overleg te plegen met de daar aanwezige christenen: de inheemse christelijkheid kreeg kerkelijk en missionair het primaat (Jongeneel, 2015, 586). De door zending en missie gebouwde scholen en ziekenhuizen in Indonesië werden voor het grootste deel teruggegeven aan inheemse kerken. Een deel werd geseculariseerd.

In het postkoloniale tijdperk moesten westerse christenen in Indonesië plaatsmaken voor inheemse christenen, maar ook voor de ontwikkelingshulp die in die periode tot bloei kwam. In Nederland kreeg de zending te maken met de opmars van geseculariseerd denken in de medische en educatieve sector en ook in het buitenland ontstond een groeiend aantal seculiere, ‘neutrale’

hulporganisaties (Jongeneel, 2015, p. 591). Toch waren veel zendingsorganisaties van mening dat hun werk in het geheel van de (geseculariseerde) internationale hulpverlening niet overbodig was:

Het doorlichten van de diepste problematiek, die niet op het materiële, maar op het innerlijk, geestelijk vlak is gelegen; het scheppen van de juiste zedelijke voorwaarden voor het gebruik van technische hulp; het stellen en voorleven van christelijke normen in de veranderende sociale situatie; het opvoeden tot verantwoorde leiding bij de omzetting van de oude in de nieuwe maatschappij; het werken van de verbetering van de tussenmenselijke

(17)

verhoudingen; en het dienend, helpend inspringen in alle nood, in solidariteit en zelfverloochende liefde. (Enklaar & Verkuyl, 1968, p. 122)

Tot vandaag de dag bestaan Nederlandse zendingsorganisaties vanuit een dergelijke visie in Indonesië naast lokale Indonesische kerken en naast seculiere hulporganisaties. Hun focus is veelal hetzelfde gebleven als in het koloniale tijdperk: evangeliebediening als hoofdzaak, catechese en christelijk onderwijs en medische zending als ondersteunende taken (Jongeneel, 2015, p. 102).

Echter, de evangeliebediening kan nu op veel kleinere schaal worden uitgevoerd dan in het koloniale tijdperk en in de praktijk zijn de taken in het onderwijs en in de medische hulpverlening steeds meer vergelijkbaar met het werk van seculiere hulporganisaties, zij het vanuit een andere ideologie (Jongeneel, 2015, p. 591).

3.2. Geschiedenis van de protestantse jeugdzendingsliteratuur

De protestantse jeugdzendingsliteratuur is een specifiek genre dat als onderdeel van de protestantse jeugdliteratuur kan worden gezien, maar ook als onderdeel van de algemene zendingsliteratuur.

Om deze literatuur goed te kunnen analyseren, is het belangrijk inzicht te hebben in de ontstaanscontext en de ontwikkeling van de protestantse jeugdliteratuur en de zendingsliteratuur.

In deze subparagraaf zal het genre worden geduid en zullen ontwikkelingen in kaart worden gebracht.

3.2.1. Protestantse jeugdliteratuur

Aan het begin van de negentiende eeuw was het genre jeugdliteratuur net begonnen aan een enorme opmars. Ook binnen zondagsscholen en christelijke genootschappen kwam dit genre op. Jan de Liefde (1816-1869), doopsgezind predikant en stichter van de Vrij-Evangelische Gemeente in Amsterdam, was in Nederland de eerste auteur van protestants-christelijke kinderverhalen. De Liefde was beïnvloed door het Revéil, een religieuze opwekkingsbeweging die in de eerste helft van de negentiende eeuw overwaaide uit het buitenland. Vanuit deze beweging werden de eerste zondagsscholen opgericht. Op deze scholen werd in de begintijd armenzorg beoefend, maar de verkondiging van het evangelie was binnen de zondagsscholen het uitgangspunt. Vanuit dit uitgangspunt werden met het kerstfeest zogeheten ‘kerstboekjes’ of ‘cadeauboekjes’ cadeau gegeven, waarmee de zondagsscholen van groot belang waren voor de bloei van de protestantse jeugdliteratuur. Deze boekjes werden tevens op christelijke scholen verspreid (Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 9).

(18)

Niet alleen De Liefde zelf, maar ook zijn leerling Eduard Gerdes (1821-1898) was een van de bekendste negentiende-eeuwse schrijvers van protestants-christelijke jeugdliteratuur. Ook Gerdes schreef in de traditie van het Réveil, evenals honderden andere auteurs uit de negentiende en begin twintigste eeuw. Zij schreven orthodox en moralistisch, met als idee: “Men verkondigt al evangeliserend de almacht van God en benadrukt het zondige in de mens. Alleen absolute overgave aan God en oprechte bekering leiden tot verlossing van het kwaad.” (Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 11) Zowel de algemene jeugdliteratuur als de protestants-christelijke jeugdboeken uit de negentiende eeuw werden vooral gedomineerd door opvoedkundige aspecten.

Echter, binnen dit laatste genre werd een deugd benadrukt die volgens de auteurs belangrijker was dan alle andere deugden: de evangelisatie (Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 11).

De protestants-christelijke auteurs focusten in de beginjaren niet op de kwaliteit van het verhaal, maar voornamelijk op de evangelisatie. Hierbij werd veel nadruk gelegd op de zondige aard van de mens, veelal met ondersteuning van Bijbelteksten. Daarnaast kwamen veel thema’s aan bod als arm en rijk, dankbaarheid, gehoorzaamheid, vlijt en bekering en de dood. Bij dat laatste thema was de boodschap steeds dat je je diende te bekeren tot het christendom, want dan hoefde je niet bang te zijn om te sterven. Bijna alle verhalen in de zondagsschoolboekjes spelen zich af in een armelijk milieu, vergelijkbaar met de thuissituatie van de kinderen die de zondagsschool bezochten.

De focus lag in deze boekjes nog nauwelijks op de kinderlijke vrolijkheid, maar voornamelijk op deugden en plichten, berusting in de wil van God en berouw van de zonde (Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 16).

Met de komst van schrijvers als W.G. van de Hulst (1879-1963), Anne de Vries (1904-1964) en K. Norel (1899-1971), kreeg de traditioneel evangeliserende kinderliteratuur een geheel nieuwe impuls. Er werd vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw steeds meer uitgegaan van de belevingswereld van het kind en er werd minder nadruk gelegd op het moraliserende en evangeliserende aspect (Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 17). Toch was er voor echte kinderlijke vrolijkheid nog steeds weinig ruimte: de boodschap moest hoe dan ook in meer of mindere mate meegegeven worden en een neutraal kinderboek was daarvoor het meest geschikt (Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 20).

Deze nieuwe impuls duurde tot de jaren zestig, toen de protestants-christelijke jeugdliteratuur begon te stagneren. De ontkerkelijking zorgde voor een afname in de vraag naar zondagsschoollectuur. De meeste uitgevers van dit genre gingen failliet of werden overgenomen.

Daarna werd de markt grotendeels bediend door reformatorische uitgevers: de voortzetting van de protestantse zondagsschoollectuur wordt dan ook hoofdzakelijk ingevuld met de reformatorische jeugdliteratuur (Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 118). Naast deze

(19)

zondagsschoollectuur ontstaan er bij deze reformatorische uitgevers ook “spannende boeken met een christelijk sausje” (Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 118), prentenboeken met Bijbelse onderwerpen en boeken die maatschappelijke problemen aan de kaak stellen. Ook binnen deze nieuwe soorten protestantse jeugdliteratuur blijft de christelijke moraal aanwezig.

3.2.2. Zendingsliteratuur

In de zeventiende en achttiende eeuw verschenen in Nederland tientallen zendingspublicaties. De meeste waren normatief van aard en onderstreepten de noodzaak van de verkondiging van het evangelie aan de ‘heidenen’ en moslims (Jongeneel, 2015, p. 52). Ook verschenen steeds meer empirisch georiënteerde werken die de zending als een historisch verschijnsel beschreven. Tijdens de negentiende en twintigste eeuw bleven de Nederlandse kerk-, zendings- en Bijbelgenootschappen studies leveren over de Nederlandse zending en ontmoeting met andere godsdiensten en geloven. In wetenschappelijke en populaire uitgaven werd verslag gedaan van de zendingsmissies, niet in de laatste plaats om de financiering van de zending te kunnen realiseren.

Immers, het overgrote deel van de zendingsorganisaties kreeg geen financiële overheidssteun (Jongeneel, 2015, p. 92).

Ook kinderboeken over de zending verschenen met enige regelmaat. Deze werden, net als andere protestants-christelijke jeugdliteratuur, voornamelijk geproduceerd voor verspreiding via de zondagsscholen en het basisonderwijs. Daarnaast werden deze boekjes gebruikt in jeugdzendingsverenigingen en catechisaties. Het verhaal was vaak van dezelfde aard: inboorlingen waren bijna zonder uitzondering wreed, vals en in de ban van bijgeloof, tot zij bekeerd werden door westerse zendelingen. Vanaf dat moment werden ze onderwezen in het christendom en begon een positieve verandering (Van Schoonenwoerd den Bezemer, 2015, p. 20). De jeugdzendingsliteratuur begon evenals de algemene protestantse jeugdliteratuur aan een stagnatie vanaf de jaren zestig. Deze stagnatie was gerelateerd aan de ontkerkelijking, maar ook aan de afname van de effectiviteit van het genre: het jeugdzendingsboek werd na de jaren tachtig en negentig nog nauwelijks ingezet, omdat het niet voldoende zou functioneren als middel om de zending een impuls te geven. Vanaf die periode werd naar andere middelen gezocht om de zending te kunnen financieren, voornamelijk via collectes. Schrijvers van jeugdzendingsboeken richtten zich vervolgens voornamelijk op de algemene protestants-christelijke jeugdliteratuur (Heijs, 1987, p. 32).

(20)

4. Algemeen zendingsbeeld

Om het zendingsbeeld goed in kaart te brengen, bespreekt dit hoofdstuk de meest relevante informatie uit het literair-analyseschema. Dit is informatie uit de jeugdzendingsboeken die het beste bijdraagt aan een zo volledig mogelijk zendingsbeeld. De aspecten die behandeld worden, zijn:

verschillende gekozen verhaallijnen, sleutelmomenten in het verhaal, de karaktereigenschappen en geloofsbeleving van personages, en de verhouding tussen zendelingen en Indonesiërs. Het is belangrijk om te benadrukken dat het hierbij gaat om het algemene zendingsbeeld over de gehele twintigste eeuw (1900 - 1980). Specifieke ontwikkelingen in dit zendingsbeeld die zich binnen dit tijdsbestek voordoen, zullen in hoofdstuk 5 aan bod komen.

4.1. Twee verhaallijnen

Het algemene zendingsbeeld dat uit de jeugdzendingsboeken spreekt, wordt voor een belangrijk gedeelte bepaald door de keuze voor een hoofdpersonage. In dertien van de vijftien jeugdzendingsboeken uit dit onderzoek is het hoofdpersonage ofwel een zendeling, ofwel een kind dat woont in het land waar de zending wordt bedreven: Indonesië. De lezer krijgt daarmee een inkijk in het zendingswezen vanuit het leven van degene die de zending bedrijft of degene die het object ervan is. In een van de twee overige boeken, Sporen onder de Waringin (1971) van Babs Kamma, is het kind van de zendeling het hoofdpersonage. Het laatste boek, Naar het land van de Sangireezen – Reisverhaal voor kinderen (1921) van J. Tuiten-Huivers, is een beschrijvend boek zonder hoofdpersonage. Omdat de keuze voor het hoofdpersonage het verhaalverloop bepaalt, bestaat dit corpus dan ook grotendeels uit jeugdzendingsboeken met twee mogelijke verhaallijnen.

4.1.1. Zendeling

In vier van de vijftien jeugdzendingsboeken is het hoofdpersonage een zendeling. In de overige boeken speelt de zendeling ook een belangrijke rol in het verhaal, maar in die gevallen blijft het kind in Indonesië het belangrijkste personage. In het boek Sadjem, het sloofje uit de Waroeng (1931) van Aletta Hoog zijn zowel de zendeling als Sadjem, een Indonesisch meisje, de hoofdpersonages.

De hoofdstukken zijn om en om geschreven vanuit het perspectief van Sadjem en vanuit het perspectief van de zendeling. De boeken waarin de zendeling het hoofdpersonage is, zijn gericht op zijn zendingsmissie. In deze subparagraaf zal het verloop van deze zendingsmissie uiteengezet worden en het doel ervan worden geduid.

(21)

4.1.1.1. Beschrijving zendingsmissie

Wanneer een zendeling het hoofdpersonage van het boek is, verloopt het verhaal veelal op dezelfde wijze: een man ervaart op een zeker moment in zijn (jonge) leven een goddelijke roeping om de zending in te gaan. De zendeling is in alle jeugdzendingsboeken een man. Soms is hij overigens wel getrouwd en speelt zijn vrouw ook een (bij)rol in het verhaal. In drie van de vier boeken waar de zendeling het hoofdpersonage is, wordt de manier waarop deze roeping tot uiting komt, expliciet beschreven. In De Woudloper van Sumatra (1954) van Annie van Noort wordt het hoofdpersonage Ludwig Nommensen als kind door middel van gebed genezen van een ziekte. Hierop belooft hij aan God om zijn hele leven aan het christelijk geloof te wijden en zendeling te worden (Van Noort, 1954). In Vader Emde – De horlogemaker van Soerabaja (1921) en Carl’s Kerstfeest in Papoealand (1939) worden de hoofdpersonages zendeling omdat ze van kinds af aan al door de zending geïntrigeerd zijn en hun interesse hierin ervaren als een roep van God. Deze mannen gaan vervolgens op reis naar een eiland in of nabij Indonesië, waar zij proberen het evangelie te verkondigen. Hun reis is erop gericht de volken te bereiken die nu nog in de wildernis leven en die nog niet door andere gelovigen, voornamelijk moslims, zijn gevonden en bekeerd. Uiteindelijk is het de bedoeling dat de zendeling de bevolking bekeert, een zendingsdorp sticht en een plaatselijke dominee aanstelt.

Daarna trekt hij naar het volgende dorp om daar hetzelfde te doen. Het is niet de bedoeling dat de zendeling altijd op dezelfde plek blijft; hij maakt zichzelf misbaar. Immers, hij wil zoveel mogelijk volken bereiken. Dit gaat doorgaans niet gemakkelijk: de zendeling komt veel tegenslagen tegen, voornamelijk in de vorm van de vijandigheid waar hij op stuit bij ontmoetingen met de dorpen die hij wil bekeren. In De Woudloper van Sumatra (1954) wordt zendeling Ludwig Nommensen bijvoorbeeld regelmatig weggejaagd door de inwoners van deze dorpen of wordt er geprobeerd hem te vermoorden. Nommensen wint uiteindelijk hun vertrouwen door vriendelijk en geduldig te blijven. Ook vindt hij een ingang door de zieken te verzorgen, de kinderen les te geven en te helpen wanneer zijn hulp nodig is. Hetzelfde gebeurt in Vader Emde – De horlogemaker van Soerabaja (1921):

hier wordt zendeling Emde veel bespot door de lokale bevolking. Hij wordt uitgelachen om zijn geloof en de manier waarop hij daarover praat. Ook wordt hij op andere manieren onheus bejegend:

De horlogemakers werden in de stad bekend als “de bonte hond” en het gepeupel schreeuwde hen, wanneer zij zich op straat vertoonden na; als de samenkomsten in het huisje van Emde aanvingen, werd de woning vaak met steenen gebombardeerd, meermalen schroomde men niet de ruiten en wanden van zijn woning met platen te beplakken van

(22)

allerschandelijkst gehalte en verontreinigde men alles wat daarvoor in aanmerking kwam.

(Van Noort, 1954, p. 17)

Ook in Sadjem, het sloofje uit de Waroeng (1931) stuit de zendeling op verzet tegen zijn boodschap. Hij woont in de hoofdstad en wil daar het evangelie verkondigen, maar vindt weinig gehoor omdat de stad wordt bestuurd door islamitische overheersers. Hierop trekt de zendeling het binnenland in om daar een zendingsdorp te stichten. Immers, hij is op zoek naar een plek waar hij de meeste invloed kan uitoefenen en niet hoeft te concurreren met andersgelovigen.

Dergelijke tegenslagen vormen een belangrijk onderdeel van het verloop van de verhalen waarin de zendeling het hoofdpersonage is. Dit zijn namelijk de momenten waarop de zendeling zich heldhaftig, vriendelijk en geduldig kan tonen, en waarna het oorspronkelijke doel van de zendingsmissie wordt behaald. Uiteindelijk vindt de boodschap in alle boeken waar de zendeling het hoofdpersonage is, doorgang: de dorpelingen die hij wilde bekeren staan open voor het evangelie en worden ook christen. Dit is ook waar het verhaal doorgaans eindigt (zie 4.2.

Sleutelmomenten). Daarna volgt nog een kort overzicht van de rest van het leven van de zendeling en een aanmoediging voor de lezer om naar het voorbeeld van deze zendeling te leven. Echter, de bekering van de heidenen is het belangrijkste moment van het verhaal. In 4.2. Sleutelmomenten zal dit proces verder uiteen worden gezet.

4.1.1.2. Duiding zendingsmissie

De moraal van verhalen waarin de zendeling het hoofdpersonage is, is vooral gericht op leven naar het voorbeeld van de zendeling. De zendeling wordt als een held geportretteerd en het accent ligt op zijn positieve karaktereigenschappen. Zijn heldenstatus komt voornamelijk tot uiting in de manier waarop hij op tegenslagen reageert en de manier waarop hij zijn taak als zendeling uitvoert.

De belangrijkste taak van de zendeling is de verkondiging van het evangelie en het stichten van een zendingsdorp. Echter, hij is nooit alleen dominee of evangelist. In de zendingsboeken waar de zendeling de hoofdpersoon is, maar ook in de andere boeken, komt naar voren dat hij ook dikwijls de taak van dokter, onderwijzer of timmerman op zich neemt. In de tijd voorafgaand aan zijn zendingsmissie, heeft de zendeling in Nederland een opleiding in deze richting genoten. In Vader Emde, de horlogemaker van Soerabaja (1921) is hij bijvoorbeeld horlogemaker en in De Woudloper van Sumatra (1954) dokter, evenals in Sadjem, het sloofje van uit de Waroeng (1931). Ook in de boeken waar niet de zendeling, maar een kind uit een heidens dorp het hoofdpersonage is, komt naar voren dat de zendeling een extra taak heeft naast de verkondiging van het evangelie. In drie van deze boeken is hij dokter. Wanneer de zendeling als dokter optreedt en bijvoorbeeld op huisbezoek gaat,

(23)

maakt hij dikwijls van die gelegenheid gebruik om over het evangelie te vertellen, bijvoorbeeld in Waikri’s Jachtavontuur (1971), waar hij met behulp van zijn tolk de patiënt uitnodigt om mee te gaan naar de kerk:

In de kerk komen de mensen bij elkaar en luisteren naar de guru3 die hun vertelt van de Heer Jezus, die van alle mensen houdt. Ook van melaatsen. Hij stuurt ze niet weg, zoals de mensen hier. Die sturen alle melaatsen het dorp uit en het bos in. Maar daar ginds is dat niet zo. Daar worden ze geroepen. “Kom maar” zegt Hij, “bij Mij en Ik zal je helpen…”

Zo vertelt de dokter en Amandus de tolk moet het vertalen voor de zieke man. Hij luistert heel stil en zijn ogen gaan glinsteren. “Ja” denkt hij “Daar moet ik ook bij zijn.” En als Amandus hem vraagt of hij met de dokter mee wil dan zegt hij: “ja, ja natuurlijk, ik ga graag mee.” (Woldendorp, 1971, p. 53)

De zendeling benut in zijn rol als dokter elke gelegenheid om over het evangelie te praten, maar doet dit wel met enige voorzichtigheid en een zorgvuldig uitgedacht plan, zo blijkt ook uit een gesprek in het boek Mei Lan’s Overwinning (1979). De christen-geworden Indonesische dokter Hamid en de zendeling (zendingspredikant) willen hun patiënt Thio graag vertellen over het evangelie en bespreken hoe ze dat het beste kunnen doen:

Meneer Hamid vertelt van zijn bezoek en samen met de zendingspredikant bespreken zij hoe zij hier zullen handelen. Beiden zijn het er over eens om Thio in geen geval te overrompelen, maar wel zien zij hier een taak, een opdracht. Voorlopig zullen zij hun bezoeken aan Thio beperken tot het tonen van belangstelling, meer niet. Er moet een sfeer van vertrouwen ontstaan, wat niet wegneemt dat getracht moet worden om hem de boodschap van het Evangelie te brengen. En aan de Heere zullen ze vragen of Hij de weg naar Thio’s hart wil vrijmaken, want ze dienen te bedenken dat Thio een man is die bij de Chinese godsdienst, bij de god Kuan-yin is opgegroeid en voor wie de Bijbelse boodschap totaal onbekend is. (Mobach, 1979, p. 103)

In zes andere boeken waar een kind uit de heidense stam het hoofdpersonage is, is de zendeling in het verhaal ook schoolhoofd of leraar. Vaak is zijn vrouw dat ook, bijvoorbeeld in Van een kleinen Papoea (1913), waar de zendeling het godsdienstonderwijs verzorgt en zijn vrouw het overige

(24)

onderwijs. De scholen die de zendeling sticht zijn er doorgaans op gericht om de heidense kinderen enerzijds het westerse onderwijs bij te brengen en anderzijds tot christen te maken:

Die goeroe was door de zendeling heengezonden om de kinderen les te geven op school en om aan de mensen te gaan vertellen van de grote Mensenvriend, die eenmaal in Bethlehem was geboren. (Durkstra, 1946, p. 14)

Wanneer er in een gebied al veel zendingsdorpen gesticht zijn en er een plaatselijke dominee is aangesteld, maakt de zendeling vaak tochten langs deze dorpen om onder andere medicijnen en schoolspullen te brengen. Hij fungeert hiermee als contactpersoon van zendingsorganisaties in Nederland, die deze spullen betalen en opsturen. Dit gebeurt bijvoorbeeld in Het kind dat niemand hebben wou (1967). Ook in Sporen onder de Waringin (1971) gaat de zendeling op reis:

De zendeling ging op reis en die moest naar vele dorpen langs kust en bospad. Daar waren gemeenten en scholen, die allemaal bezocht moesten worden. Winkels heb je daar niet en daarom bestelden die onderwijzers en Evangelisten altijd van allerlei wat ze nodig hadden voor hun school en huisgezin, want de zendeling kon dat best meenemen in zijn boot. Ook waren er nergens ziekenhuizen of dokters, zodat de meesten verlangend uitzagen naar medicijnen die werden uitgedeeld, want er waren altijd veel zieken. Want, zie je, de zendeling was ook zo’n beetje dokter. (Kamma, 1971, p. 12)

Het uitoefenen van een extra beroep had als doel om toenadering te kunnen zoeken bij de dorpen die bekeerd dienden te worden. Door hun zieken te verzorgen of huizen voor hen te bouwen, zou er een relatie kunnen ontstaan en daarmee ruimte om in gesprek te gaan over het christendom. De nadruk ligt bij de uitvoering van deze taken dan ook altijd op het uiteindelijke doel: de heidenen bekeren. Dit blijkt onder andere uit Carl’s Kerstfeest in Papoeland (1939), waar de zendelingen geschoolde meubelmakers zijn. Wanneer echter blijkt dat de Papoea’s geen behoefte hebben aan meubelmakers of handwerkers in welke vorm ook, zetten de zendelingen zich in als dokter en onderwijzer. Er wordt gezocht naar een taak die relevant genoeg is voor de Papoea’s en de zendeling laat zich omscholen om van betekenis te kunnen zijn. De zendeling is door zijn taak als dokter, leraar, schoolhoofd of leverancier van levensmiddelen een voorname figuur in het dorp.

Hij is een belangrijke contactpersoon voor de dorpelingen en vervult een taak die van toegevoegde waarde is voor hen. In sommige gevallen zijn ze hierdoor zelfs afhankelijk van hem. Zodoende is hij een personage met veel invloed en autoriteit. Ook heeft hij door de plek die hij inneemt een

(25)

vertrouwelijke status: dorpelingen met wie hij een goede band heeft opgebouwd, vragen om zijn advies of roepen zijn hulp in bij problemen.

De jonge lezer wordt geacht te leren van de manier waarop de zendeling deze taken vervult en van zijn religieuze karakter dat hierin zichtbaar wordt. Daarnaast is het van belang dat de lezer een voorbeeld neemt aan zijn heldhaftigheid bij tegenslagen. De manier waarop hij op zulke tegenslagen en vijandigheid reageert, is daarin van belang. De hoofdpersonages uit De Woudloper van Sumatra (1954), Vader Emde – De horlogemaker van Soerabaja (1921) en Carl’s Kerstfeest in Papoealand (1939) blijven altijd vriendelijk en geduldig wanneer zij stuiten op weerstand of onheus bejegend worden. Ze winnen het vertrouwen van deze dorpen enerzijds door hun vriendelijkheid en geduld en anderzijds door volhardend te blijven in het verkondigen van het evangelie. Ze laten zich niet ontmoedigen en stoppen niet met vertellen over het christelijk geloof, ondanks het risico uitgescholden, geslagen of vermoord te worden. Door hun gehoorzaamheid aan hun taak en volharding in vriendelijkheid, wordt het religieuze karakter en de heldenstatus van de zendelingen zichtbaar. De heldenstatus van de zendeling wordt extra benadrukt door het feit dat Vader Emde – De horlogemaker van Soerabaja (1921) en De Woudloper van Sumatra (1954) biografische werken zijn.

Omdat deze verhalen de levensgeschiedenis vertellen van zendelingen, is het de bedoeling dat de lezer bijzonder geïnspireerd wordt door de manier waarop zij hun taak als zendeling hebben uitgevoerd en hebben gereageerd op tegenslagen. Om nog meer aan te dringen op het naleven van het voorbeeld van de zendeling, wordt benadrukt welke positieve gevolgen een dergelijk leven voor de lezer heeft. Wanneer je gehoorzaam blijft en op God vertrouwt, kun je rekenen op Gods bescherming. Dit blijkt onder andere uit Carl’s Kerstfeest in Papoealand (1939). In dit verhaal komt de zendeling Carl regelmatig in gevaarlijke situaties terecht, waaronder het kapseizen van zijn schip en een gijzeling door een heidense stam. Toch beschermt God Carl steeds omdat hij op Hem vertrouwt, tot Hem bidt en blijft gehoorzamen aan de roep het evangelie te verkondigen (Zaaier, 1939). Ook in Sadjem, het sloofje uit de Waroeng (1931) staat centraal dat God de dingen ten goede laat meewerken wanneer men wandelt in Gods plan: “En de zendeling, wanneer hij alles overdacht kwam hij weer tot de verootmoedigende, maar ook bemoedigende waarheid: “De Heere wrocht mede”. Als God werkt, wie zal het keeren?” (Hoog, 1939, p. 47).

Het verhaal waarin de zendeling het hoofdpersonage is, is dus gecentreerd rondom zijn zendingsmissie. De wijze waarop hij deze missie uitvoert en reageert op scenario’s die zich voordoen, staan hierin centraal. De invloedrijke rol die hij inneemt in het dorp en de vriendelijke, geduldige, heldhaftige en godvrezende wijze waarop hij zijn missie uitdraagt, dragen bij aan zijn voorbeeldfunctie. De lezer trekt de belangrijkste les uit het verhaal door deze voorbeeldfunctie te zien, te erkennen en ervoor te kiezen te leven naar dit voorbeeld.

(26)

4.1.2. Kind

In tien van de zestien jeugdzendingsboeken is het hoofdpersonage een kind uit het land waar de zendingsmissie wordt of reeds is uitgevoerd. Twee van deze boeken, Dorcas en de kinderen van Toeroe (1960) en Waikri’s Jachtavontuur (1971) gaan over een kind dat al christen is. In deze verhalen staan de belevenissen van het kind centraal. Het overbrengen van een christelijke moraal is hieraan ondergeschikt. In de overige acht verhalen is een kind dat nog niet bekeerd is tot het christendom het hoofdpersonage van het verhaal. Deze boeken zijn gericht op de wijze waarop dit kind zich bekeert tot het christendom. Deze subparagraaf zal het verloop van beide verhalen bespreken. Het bekeringsproces zal uiteengezet worden en de functie die dit proces vervult in het verhaal zal worden geduid. Bij de duiding van dit bekeringsproces zullen de verhalen waarin het kind al christen is een ondergeschikte rol spelen, omdat het bekeringsproces hier reeds heeft plaatsgevonden.

4.1.2.1. Beschrijving bekeringsproces

Wanneer een kind uit het land waar de zending wordt bedreven het hoofdpersonage is, verloopt het verhaal doorgaans op twee manieren: ofwel het kind is nog aanhanger van een heidense godsdienst en wordt gedurende het verhaal bekeerd, ofwel het kind is reeds bekeerd en het verhaal geeft een inkijk in het leven van dit kind. In het eerste geval is het verhaal gecentreerd rond het moment van bekering. Het kind komt in aanraking met zendelingen, vaak doordat het tegenslagen meemaakt in zijn of haar leven. In twee verhalen, Towasi het slaafje (1948) en Het kind dat niemand hebben wou (1967) wordt het kind bijvoorbeeld door zendelingen geadopteerd. Hetzelfde gebeurt in het boek Mei Lan’s Overwinning (1979), waar het hoofdpersonage Mei Lan blind wordt door een ongeluk. Mei Lan’s ouders kunnen niet meer voor haar zorgen en ze wordt in het gezin van de zendeling opgevangen.

Wanneer een kind niet door tegenslagen met het christelijk geloof in aanraking komt, gebeurt dat vaak doordat het op een zendingsschool terechtkomt. In het gebied waar het kind woont, wordt een zendingsdorp gesticht en de kinderen uit het gebied worden uitgenodigd om naar de zendingsschool te gaan, ofwel door de zendeling zelf, ofwel door een ander kind dat al christen is. In onder andere Bastiaan, de kleine Timorees (1946) komt het hoofdpersonage, in dit geval het jongetje Bastiaan, op de zendingsschool terecht. In eerste instantie staan zijn ouders negatief tegenover dit idee omdat ze niet met de christenen willen omgaan. Uiteindelijk mag Bastiaan toch

(27)

naar de zendingsschool wanneer hij ziek wordt en door de zendeling wordt genezen. Bastiaan wordt na het bezoek aan de school christen. Dit proces van bekering duurt meestal een aantal jaren:

het kind is in eerste instantie afwachtend richting de zendelingen en staat nog niet meteen open voor de christelijke boodschap (al dan niet door toedoen van zijn ouders). Wel hoort het kind op de zendingsschool Bijbelverhalen en doet het mee met de vieringen. Langzaamaan ontstaat een interesse in het christelijk geloof, waarna de uiteindelijke bekering plaatsvindt. In de meeste gevallen wil het kind vervolgens zelf ook zendeling worden, bijvoorbeeld in Towasi, het slaafje (1948), Het kind dat niemand hebben wou (1967), Bastiaan, de kleine Timorees (1946), Mei Lan’s Overwinning (1979) en Blank en bruin (1902).

In de verhalen waarin het hoofdpersonage een kind is dat al christen is, is deze geloofsovertuiging het gevolg van het feit dat dit kind geboren is in een zendingsdorp. De ouders of grootouders zijn dan reeds tot bekering gekomen en het kind is gewend aan een leven als christen. In deze verhalen staat de bekering dan ook niet centraal, maar gaat het vooral over de belevenissen van het kind en zijn leven in het zendingsdorp. Het is nog steeds een christelijk verhaal met christelijke hoofdpersonages, maar het accent ligt in mindere mate op het overbrengen van een bepaalde moraal. In het boek Waikri’s Jachtavontuur (1971) leeft het hoofdpersonage Waikri bijvoorbeeld al zijn hele leven in het zendingsdorp. Het verhaal gaat dan ook voornamelijk over de avonturen die Waikri beleeft in dit dorp. De lezer krijgt in dit verhaal een beeld van het leven in een zendingsdorp door de belevenissen van Waikri, maar niet doordat de zendeling of de verteller het ontstaan en het doel van het zendingsdorp becommentarieert. Hetzelfde gebeurt in Dorcas en de kinderen van Toeroe (1960): het meisje Dorcas is al christen, omdat haar ouders tot geloof zijn gekomen voordat zij geboren was. Het verhaal gaat over de belevenissen van Dorcas op het dorpsschooltje en gaat niet uitgebreid in op de manier waarop de zending wordt bedreven.

In twee gevallen bekeert het hoofdpersonage zich niet heel duidelijk tot het christendom, onder andere in Samoea en Ronto (1907). Dit verhaal omschrijft het proces van de stichting van een zendingsdorp. Het jongetje Samoea groeit op in deze tijd, maar er wordt nergens genoemd dat hij christen wordt. Hij is geïnteresseerd in het christelijk geloof en gaat naar de dorpsschool, maar het verhaal heeft een open einde doordat er geen sprake is van een duidelijk bekeringsmoment of doop.

Hetzelfde geldt voor Naar het land van de Sangireezen (1921), een boek over het leven op het Indonesische eiland Sangir Besar. Dit verhaal bevat geen hoofdpersonages, maar het omschrijft wel de manier waarop de Sangirezen leven. Deze Sangirezen zijn in enkele gevallen al christen en leven in een zendingsdorp. Waar zij nog geen christen zijn, wordt nergens in het verhaal vermeld dat ze dat uiteindelijk worden. Deze Sangirezen vormen een onderdeel van de algemene

Referenties

GERELATEERDE DOCUMENTEN

Nu hier te lande de liberale partij niet slechts andermaal in de opgang is, maar ook weder regeringsverantwoordelijkheid op zich heeft genomen, is het niet

Ik zie het kruis, waar Jezus Verscheurd door angst en pijn Door lijden heen zijn leven geeft Zijn sterven maakt mij vrij.. Gerekend onder moordenaars Hangt Hij daar aan

o mocht ik zelf een lichtje zijn, dat straalt temidden van de wereld, die gebukt gaat onder zorg en pijn3. Ik wandel in het licht

Another set of responses focused on practical measures: the need to improve data on families and ensure fathers are recorded, always addressing both partners in a couple, being

Speciaal aan de orde komt de eigen situatie van de regio met veel specifieke problematiek, waardoor niet alle kinderen krijgen, waar ze eigenlijk recht op hebben (laaggeletterdheid,

Therefore, based on these results of the crystallization unit exergy performance of Chapter 3, an integrated biorefinery concept was developed for the valorisation of A-molasses

infestans dan de jonge planten, wederom in al- le vier de getoetste rassen en wederom was de toename in resistentie geleidelijk.. Uit deze resultaten hebben we geconcludeerd dat in

Gebleken is dat bij de verdeling van het deelbudget voor ‘Te goeder trouw’ (in de definitieve vaststel- ling 2017) de Aanwijzingen besteedbare middelen beheerskosten Wlz 2017 van