De tirannie van het geld

44  12  Download (20)

Hele tekst

(1)

De tirannie van het geld

Economische ongelijkheid en de invloed op democratie

Rik Hollaar

Tilburg University

Bachelor Filosofie

U1267010

(2)

2 VOORWOORD

Tijdens mijn afstudeerstage bij de omroep Human werk ik mee aan het televisieprogramma ‘Het Filosofisch Kwintet’. We werpen tijdens dit programma een blik op problemen van vandaag de dag, die een gevaar vormen voor de toekomst. Deze analyse start vanuit een toekomstperspectief:

‘Hoe zullen historici in 2050 terugkijken op de tijd waarin wij nu leven? Zouden zij vinden dat wij genoeg hebben ondernomen tegen ontwikkelingen die klimaat, democratie en rechtsstaat bedreigen?’.1 Een van de afleveringen betreft het thema ‘groeiende ongelijkheid’. Dit is dan ook de aanleiding dat ik dit onderwerp in mijn bachelorthesis behandel. Ik voltrek mijn analyse aan de hand van de theorie van Michael Walzer. Dit omdat Walzer streeft naar een pragmatische analyse, waarin hij zijn onderzoek doet vanuit de samenleving zelf. Walzer distantieert zichzelf, naar eigen zeggen van de originele filosofische onderzoeksmethode, waarbij de filosoof zich uit de platoonse grot begeeft, de stad verlaat en de berg beklimt, al claimend een objectief en universeel standpunt in te nemen. Walzer wil zijn theorie juist vormen vanuit de samenleving zelf.2 Vanuit dit gegeven lijkt Walzer mij geschikt voor mijn onderzoek betreffende zowel mijn thesis alsmede mijn stageresearch. Voor de filosofische analyse in deze thesis wil ik kijken wat we op basis van Walzers theorie kunnen zeggen over de mate waarin economische ongelijkheid de democratie bedreigt en of Walzers theorie adequaat genoeg is in dit opzicht.

1 https://www.human.nl/het-filosofisch-kwintet/over.html

2 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), xiv.

(3)

3

VOORWOORD ... 2

INLEIDING ... 4

1. ECONOMISCHE ONGELIJKHEID ... 6

1.1. Liberté, égalité, fraternité... 6

1.2. De verwerkelijking van het Franse ideaal ... 7

1.3. Is ongelijkheid ook onrechtvaardigheid? ... 8

2. WALZER OVER RECHTVAARDIGHEIDSSFEREN ... 11

2.1. Rechtvaardigheid ... 12

2.2. Een gelijke samenleving ... 13

2.2.1. Simpele gelijkheid ... 13

2.2.2. Complexe gelijkheid ... 14

3. WALZER OVER DE INVLOED OP DE POLITIEK ... 19

3.1. Democratie ... 20

3.2. Walzers politieke sfeer ... 21

3.3. Rent-seeking ... 23

4. VOORBIJ WALZER ... 25

4.1. Het economisch subject ... 25

4.2. What Money Can’t Buy ... 28

4.3. De publieke sfeer ... 29

4.3.1. Gedeelde waarden ... 29

4.3.2. Habermas over de kolonisatie van de leefwereld door het systeem ... 30

4.3.3. Economisering van de gedeelde waarden ... 33

4.4. Macht en tegenmacht ... 36

BIBLIOGRAFIE ... 42

(4)

4 INLEIDING

De liberale democratie tracht een samenleving na te streven waarin ieder individu in vrijheid kan leven. De macht ligt bij het volk en niet bij een selecte groep of persoon. Echter, de democratische grondbeginselen dreigen te vervallen in een samenleving die economisch steeds ongelijker wordt.3 Een dergelijke democratie lijkt een autocratisch karakter te krijgen. Dit discussiepunt laaide in 2013 op door het verschijnen van ‘Kapitaal in de 21ste Eeuw’ van Thomas Piketty.4 Piketty stelt dat het rendement op vermogen groter is dan de groei van de economie. Dit heeft als gevolg dat de rijken alleen maar rijker worden; de bovenste één procent van de maatschappij bezit een steeds groter deel van het totale vermogen. In de samenleving van vandaag brengt deze economische ongelijkheid vele problemen met zich mee. In een samenleving waar de economie een steeds machtigere rol krijgt zorgt geld voor macht.

Economische ongelijkheid is dan een gevaar voor de democratie wanneer de macht van het geld onbegrensd zijn gang kan gaan. Economische ongelijkheid met dergelijke neveneffecten zorgt voor een ongelijke en onrechtvaardige samenleving, waarmee het gelijkheidsbeginsel van de democratie komt te vervallen en het hebben van tegenmacht, dat essentieel is in een democratie, eveneens in gevaar komt. Ongelijkheid met dergelijke uitkomsten is niet conform de normen van een gezonde democratie. Als deze neveneffecten van economische ongelijkheid zich daadwerkelijk voltrekken, dan zijn ze een gevaar voor de democratische waarden van onze samenleving. Dit is dan ook de hoofdvraag van mijn onderzoek: Op welke manier vormt groeiende economische ongelijkheid een gevaar voor een democratie? Om economische ongelijkheid in de samenleving van de westerse democratie te plaatsen, voltrek ik mijn analyse aan de hand van het boek ‘Spheres of Justice’ van Michael Walzer, waarin hij zijn ideeën over rechtvaardigheid en ongelijkheid uiteenzet.

Om dit te kunnen bewerkstelligen heb ik een uiteenzetting nodig van het begrip ‘economische ongelijkheid’. Ik begin mijn onderzoek dan ook met het introduceren van economische ongelijkheid in mijn eerste hoofdstuk. Dit doe ik aan de hand van een van de grootste omwentelingen voor de moderne westerse geschiedenis: de Franse Revolutie en haar idealen. Ik

3 Nienke de Haan, Grote ongelijkheid is desastreus voor de samenleving én de economie (Universiteit Utrecht. 12 april 2018), toegang via: https://www.sg.uu.nl/nieuws/2018/grote-ongelijkheid-desastreus-voor-de-samenleving- en-de-economie

4 Thomas Piketty and Lidewij van den Berg, Kapitaal in De 21ste Eeuw (Amsterdam: De Bezige Bij, 2016).

(5)

5 breng deze revolte in verband met de economische ongelijkheid van toen en nu. Ik focus mij in de thesis op de nationale economische ongelijkheid die wereldwijd vanaf 1980 een groeiende tendens vertoont.

Nadat het begrip economische ongelijkheid uiteen is gezet, onderzoek ik in hoofdstuk twee welke rol economische ongelijkheid hoort te spelen in de samenleving. Dit doe ik aan de hand van Walzers politiek filosofische theorie en zijn definitie van rechtvaardigheid. Volgens hem ontstaat onrechtvaardigheid wanneer één maatschappelijke sfeer zich opdringt aan andere sferen en deze domineert of tiranniseert.

In hoofdstuk drie bespreek ik economische ongelijkheid en diens gevaren voor de politieke sfeer.

Hoe kan in de moderne democratie economisch vermogen de politiek beïnvloeden?

Verschillende voorbeelden worden besproken waarin de invloed van geld in de politiek naar voren komt.

Hoofdstuk vier zal een onderzoek zijn waarin overige sferen van Walzer worden geanalyseerd en hoe deze worden beïnvloed door economische ongelijkheid. Ik vul hier Walzers theorie aan met andere auteurs en formuleer mijn eigen bedenkingen. Ik bespreek welke gevaren economische ongelijkheid heeft op de fundamenten van onze democratie.

(6)

6 1. ECONOMISCHE ONGELIJKHEID

In dit hoofdstuk introduceer ik het thema economische ongelijkheid. Ik bespreek de ongelijkheidfactoren die leidden tot de Franse Revolutie. Hieruit blijkt dat dergelijke ongelijkheidcijfers niet volgens de normen van een gezonde en goed functionerende samenleving zijn. Vervolgens bekijk ik of de Franse Revolutie zijn gelijkheidsideaal heeft weten te bereiken, door te kijken hoe de ongelijkheidscijfers zich voltrekken vanaf de Franse Revolutie. Ik zal dit hoofdstuk afsluiten met de vraag wat de morele bezwaren zijn betreffende ongelijkheid en het begrip ‘positionele goederen’ uitleggen. Dit hoofdstuk zal economische ongelijkheid als zodanig uiteenzetten en problematiseren. De cijfers die worden aangehaald laten de maatschappelijke relevantie van het onderzoek zien, omdat economische ongelijkheid prominent aanwezig is in de meeste Westerse samenlevingen. In de daaropvolgende hoofdstukken zal ik de relatie tussen economische ongelijkheid en de samenleving analyseren.

1.1.

Liberté, égalité, fraternité

Op 14 juli 1789 bestormen de inwoners van Parijs de Bastille. De gevangenis is het symbool voor de gevestigde orde en met de bestorming van dit symbolische gebouw ontketende de Franse Revolutie. De Franse Revolutie kwam tot stand na een periode van groeiende sociaaleconomische ongelijkheid, een economische crisis en toenemende onvrede onder de Franse burgerbevolking. Het Frankrijk onder leiding van Lodewijk XVI was een verdeeld Frankrijk. Het koninklijk huis, de adel en de kerk hadden het grootste deel van de goederen in handen. Ook genoten zij de vele privileges van hun standen, zoals het niet betalen van belasting en het verkrijgen van de beste posities op de arbeidsmarkt. De aristocratische klasse bezat grote vermogens en leefde luxueuze levens. Het gewone volk daarentegen leefde in armoede en arbeiders betaalden hoge belasting. Een schrijnend voorbeeld: in 1777 leefde er 1,1 miljoen mensen als bedelaar in Frankrijk.5 Het besef van een ongelijke samenleving ontketende een revolutie onder invloed van het Verlichtingsdenken. De Franse bevolking vroeg zich af hoe deze extreme vorm van ongelijkheid kon bestaan zonder dat de gewone burger ervan profiteerde. Het

5 , The Great French Revolution, 1789-1793 (St Petersburg, FL: Red and Black Publishers, 2010), hoofdstuk IV.

(7)

7 werd een strijd van de gewone burger tegen de welvermogende aristocratie. Onder de leus

‘Liberté, égalité, fraternité’6 begon de strijd voor een samenleving met vernieuwde idealen; een rechtvaardige samenleving.

De Franse Revolutie wierp zijn vruchten af. Het bleek het ontstaan van een beginnend democratisch bewustzijn met een drang naar economische gelijkheid. Het was eveneens het einde van het autoritaire regime in Frankrijk. Onder het mom van vrijheid ontstond er een nieuw

‘sociaal contract’.7 In de eerste veertig jaar na de revolutie werd er ook daadwerkelijk een vrijere en meer gelijke samenleving geconstrueerd. Zo daalde het landbezit van de geestelijke en de adellijke stand van 42 procent in 1788 naar 12 procent in 1802.8 Deze vruchtbare periode duurde niet lang. Het machtsmonopolie verschoof naar een nieuwe autoriteit: de fabriekseigenaren. Met de industriële revolutie werd een nieuw tijdperk ingeluid. De samenleving profiteerde van de economische groei, maar verschillende standen deden dat in erg verschillende mate. Terwijl het gemiddelde inkomen van Frankrijk in de periode 1831-1866 steeg met 115 procent, steeg dat van de laagste inkomens slechts met 40 procent.9 Het was een tijd van grote economische groei, maar die economische groei ging gepaard met steeds meer economische en sociale ongelijkheid.10

1.2. De verwerkelijking van het Franse ideaal

‘Égalité’ bleek, zoals hierboven aangetoond, op economisch vlak een korte houdbaarheidsdatum te hebben. Ruim twee eeuwen verder kunnen we de vraag stellen in hoeverre we het gelijkheidsideaal hebben weten te verwerkelijken. Als we de tendens bekijken van de afgelopen 40 jaar blijkt het ideaal steeds verder weg. De economische ongelijkheid is vanaf 1980 toegenomen in zowel Europa, de Verenigde Staten, China, Rusland en India.11 In het Midden- Oosten, Midden-Afrika en Brazilië is de ongelijkheid stabiel gebleven. Echter, in deze landen

6 V aa d: ‘V jh d, g j h d, b d cha ’.

7 De Idee dat de legitimiteit van de staat, die zijn gezag uitvoert over het individu, voortkomt uit een contract dat tussen beide is afgesloten.

8 Christian Morrisson and Wayne Snyder, The Income Inequality Of France In Historical Perspective (European Review Of Economic History 4 (1), 2000), 71.

9 Ibid., 73.

10 Ibid., 73.

11 Facundo Alvaredo, Lucas Chancel and Thomas Piketty, The World Inequality Report (2018”), (2017), 10, figure E2a. Toegang via: https://wir2018.wid.world/files/download/wir2018-summary-english.pdf

(8)

8 bevindt de ongelijkheid zich op een alarmerend niveau.12 Haast overal bezit de top één procent een groeiende hoeveelheid van het nationaal vermogen vanaf 1980. Zo bezat in de Verenigde Staten de top één procent van de bevolking in 1980 22% van het totale nationaal vermogen. In 2014 was dit gegroeid naar 39%.13 Deze cijfers tonen aan dat twee eeuwen na de Franse Revolutie het nog steeds relevant is om het thema economische ongelijkheid te onderzoeken.

Ik focus mij in de thesis op de tendens in nationale ongelijkheid vanaf 1980. Welke problemen ontstaan er bij groeiende economische ongelijkheid op nationaal niveau? Ik begin met ongelijkheid en de onrechtvaardigheid die het teweegbrengt. Daarna bespreek ik het gevaar van economische ongelijkheid voor de samenleving en de democratie.

1.3. Is ongelijkheid ook onrechtvaardigheid?

Binnen de westerse samenleving heeft het kapitalisme en de vrije markt veelal meer welvaart gebracht voor iedereen. Het Bruto Binnenlands Product is sterk gegroeid sinds de 19e eeuw.14 De bijkomende ongelijkheden die ons kapitalistische economische systeem met zich mee brengt kunnen een bijdrage leveren aan de welvaart voor iedereen in de samenleving. Zo stelt ook John Rawls, die laat zien dat economische ongelijkheid alleen verdedigbaar en rechtvaardigbaar is onder strikte condities. Rawls claimt dat in een rechtvaardige samenleving iedereen van dezelfde basisrechten en vrijheden moet kunnen genieten. Betreffende deze basisbeginselen is ongelijkheid nooit te rechtvaardigen. Daarentegen kunnen, in de distributie van economische goederen, ongelijkheden wel toegestaan zijn onder bepaalde voorwaarden: ongelijkheid moet ertoe leiden dat de minstbedeelden in de samenleving er het grootste voordeel uit halen en ongelijkheid mag zich enkel manifesteren onder een eerlijke gelijkheid van kansen.15

Moreel gezien is ongelijkheid tot op zekere hoogte verdedigbaar volgens Rawls. Absolute gelijkheid zorgt er namelijk niet voor dat de rijkdom op kwantitatief niveau voor iedereen het

12 Ibid., 11, figure E2b.

13 Ibid., 12, figure E8.

14 Angus Maddison, Statistics on World Population, GDP and Per Capita GDP, 1-2008 AD, Universiteit van Grongingen, toegang via: http://www.ggdc.net/maddison/Historical_Statistics/horizontal-file_02-2010.xls

15 John Rawls, A Theory of Justice (Cambridge, MA: Belknap Press of Harvard University Press, 1971), 75.

(9)

9 grootst is.16 Om de absolute rijkdom voor iedereen, en dus ook voor de minderbedeelden, zo groot mogelijk te maken, kan het zijn dat ongelijkheid nodig is en daarmee moreel te rechtvaardigen is. Deze vormen van ongelijkheid zijn in een theoretisch kader goed te verdedigen. Er is namelijk sprake van een ‘win-win situatie’. Echter, het probleem dat zich voordoet in de samenleving betreft ongelijkheid die niet ten voordele is van iedereen.

Ongelijkheid is niet altijd ten gunste van iedereen in de samenleving. Soms worden de rijken rijker, terwijl de armen armer worden. Een specifiek mechanisme betreft de distributie van positionele goederen, waarbij vooral de relatieve verhoudingen tellen, eerder dan de absolute hoeveelheden. Ongelijkheid in positionele goederen schaadt steeds de minderbedeelden. Als er van de 100 mensen met een bachelor diploma vervolgens 50 een master diploma halen, dan is deze ongelijkheid niet ten voordele van de minderbedeelden (degene met enkel een bachelor diploma). De waarde van hun bachelor diploma vermindert in deze situatie. Bij positionele goederen hangt de waarde van het goed af van hoe het goed verdeeld is in de samenleving. Het betreft dus een relatieve positie in de distributie.17 De nadelen die ontstaan bij een ongelijke verdeling van positionele goederen worden ook wel ‘positionele externaliteiten’ genoemd.18 Geld is eveneens een sterk positioneel goed. Na onderzoek van Richard Layard blijkt dat de meeste mensen meer waarde aan hun relatieve vermogen en inkomen hechten, dan aan hun absolute inkomen.19 Layard verduidelijkt dit met het volgende gedachte experiment: in wereld X verdienen anderen 30.000 euro en jij 60.000 euro. In wereld Y verdien jij 100.000 euro en de rest verdient 200.000. De meeste mensen prefereren wereld X boven wereld Y. Dit toont aan dat geld een positioneel goed is. Hoe meer geld in een samenleving omgaat, hoe meer geld er bovendien in een samenleving wordt uitgegeven aan positionele goederen. We geven veel geld uit aan bijvoorbeeld statusgoederen. We kopen goederen die onze status signaleren en verbeteren. Maar status is op zichzelf een positioneel goed. Als iedereen een duurdere auto zou kopen omwille het verhogen van zijn status, zou het ironische effect van ieder zijn aankoop zijn dat de statussen

16 Absolute gelijkheid kan meerdere neveneffecten hebben die het economische winstproces vertragen en extra kosten met zich meebrengen. Zie: Stefan Gosepath, "Equality," Stanford Encyclopedia of Philosophy, March 27, 2001, sectie 3.1, https://plato.stanford.edu/entries/equality/#SimEquObjEquGen.

17 Robert H. Frank, The Demand for Unobservable and Other Nonpositional Good (The American Economic Review 75, no. 01. maart 1985), 101.

18 Bart Engelen, Leveling down wealth (Video college, Tilburg University, Tilburg, 6 februari 2018).

19 Richard Layard, Happiness: Lessons from a New Science (London: Penguin, 2005), 49.

(10)

10 onveranderd blijven. De waarde van het statusgoed is afhankelijk van de statusgoederen van anderen. Een competitie van positionele goederen levert geen wederzijds profijt of win-win op.

Hoe positionele goederen zich verhouden tot economische ongelijkheid komt duidelijk naar voren in het politieke landschap. Politieke macht is een positioneel goed: de partij met meer stemmen of zetels dan de andere heeft meer macht. Wanneer er in de politiek door de politicus steeds meer geld wordt geïnvesteerd in campagnes en lobby’s ontstaat er een probleem. In plaats van een win-win situatie, ontstaat er een positionele competitie waarin ofwel niemand verbetert ten opzichte van elkaar ofwel de allerrijksten slagen erin de meest effectieve campagnes en lobby’s te voeren en dus, relatief gesproken, meer macht te verwerven. Daarentegen hebben de minderbedeelden geen gelijke politieke mogelijkheden. Deze tendens zien we al in de Verenigde Staten waar de afgelopen verkiezingscampagnes miljarden dollars kostte. Dit zorgde ervoor dat alleen de vermogende partijen serieuze kansen kregen om verkozen te worden.20 In deze situatie wordt ongelijkheid problematisch. Economische ongelijkheid leidt tot vele neveneffecten, zoals ongelijkheid in politieke inspraak. In hoofdstuk drie zal deze stelling verder worden uitgewerkt.

Hoe we in onze samenleving om moeten gaan met dergelijke processen is een complex vraagstuk. De oplossing is complexer dan het simpel herverdelen, verlagen of verhogen van absolute inkomens of vermogens. Het inrichten van een samenleving vergt een distributie van positionele goederen en tevens een bescherming van sociale goederen tegen de macht van het geld en het positionele karakter daarvan. Economische ongelijkheid is onlosmakelijk verbonden met de distributie van sociale goederen. Om deze distributie te analyseren en in verband te brengen met ongelijkheid gebruik ik Michael Walzers theorie. Deze theorie zal ik in het volgende hoofdstuk uiteenzetten.

20 Reinier Kist, Wat Kost Het Om President Van Amerika Te Worden? (NRC. 12 juni, 2015. Toegang op: 10 juni, 2018). https://www.nrc.nl/nieuws/2015/06/12/wat-kost-het-om-president-van-amerika-te-worden-a1496140.

(11)

11 2. WALZER OVER RECHTVAARDIGHEIDSSFEREN

In dit hoofdstuk introduceer ik de Amerikaanse politiek filosoof Michael Walzer. Walzer beschrijft de distributie van sociaaleconomische goederen binnen de samenleving en hij brengt dit in verband met economische ongelijkheid. Voor Walzer is absolute gelijkheid een concept dat niet te waarborgen is, zoals Rawls eerder ook aantoonde. Walzer stelt dat we absolute gelijkheid ook niet moeten willen waarborgen. In een vrije samenleving is deze absolute gelijkheid namelijk onhoudbaar. We zijn allen individuen met onze eigen vaardigheden. De één heeft meer sociale vaardigheden waardoor diegene meer erkenning zou kunnen krijgen dan de ander; de één heeft meer academische vaardigheden dan de ander waardoor diegene meer diploma’s haalt. Als we streven naar een absoluut egalitaire samenleving zou dit betekenen dat er een samenleving ontstaat waarin alle individuen met hun verschillende eigenschappen en vaardigheden gedwongen worden om hetzelfde te zijn. Ze zouden beperkt worden in hun vrijheid en hun ontwikkeling.2122 Walzer beschouwt dergelijke ‘simpele gelijkheid’ niet als een nastrevenswaardig idee van rechtvaardigheid.23 Daarom formuleert Walzer het idee van

‘complexe gelijkheid’, welke ik later verder uiteenzet als oplossing voor de problemen die simpele gelijkheid met zich meebrengt.

Het probleem, volgens Walzer, is niet ongelijkheid als zodanig. Dat er rijke en arme mensen zijn is niet zozeer problematisch, maar dat de rijke de arme mensen domineren wel. Daarvoor heeft het politiek egalitarisme als doel om een samenleving te bewerkstelligen die vrij is van dominantie. In hoeverre ongelijkheid wel is toegestaan om een functionerende en tevens rechtvaardige samenleving te behouden bespreekt Walzer in zijn boek “Spheres of Justice”. Om een dergelijk idee van een rechtvaardige samenleving te kunnen schetsen moet eerst een begrip van rechtvaardigheid worden gedefinieerd.

21 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), xi-xii.

22 Een dergelijk argument komt naar voren in het eerste essay van ‘De genealogie van de moraal’ van Friedrich Nietzsche, waarin hij zich tegen de Verlichtingsidealen. Zo keert hij zich ook tegen het gelijkheidsideaal omdat de sterken zich moeten aanpassen aan de zwakkeren. Het zou leiden tot een dominantie van het slavenmoraal. Zie:

Friedrich Nietzsche, De genealogie van de moraal (Amsterdam: De Arbeiderspers, 2000).

23 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), xiii.

(12)

12 2.1. Rechtvaardigheid

Volgens Walzer ligt het rechtvaardigheidsbegrip verborgen in de concepten en categorieën van de samenleving zelf. Zijn argument is ‘radicaal particularistisch’: hij zoekt zijn rechtvaardigheidbeginsel in de samenleving zelf.24 Er kan geen rechtvaardige samenleving bestaan wanneer er geen samenleving is; het bijvoeglijk naamwoord ‘rechtvaardig’ verandert de invulling van de samenleving die het beschrijft. Een samenleving is pas gerechtvaardigd, als het is vormgegeven ingevolge het gemeenschappelijke idee van de leden van die samenleving over de verdeling van sociale goederen.25 Walzer noemt dit de ‘gedeelde waarden’. Deze gedeelde waarden bepalen hoe sociale goederen als onderwijs, geld en gezondheidszorg moeten worden gedistribueerd in een samenleving. Walzer is dus niet op zoek naar een metafysisch, universeel of platoons Idee van rechtvaardigheid.26 Hij doet een poging om rechtvaardigheid te definiëren op lokaal niveau. Ons begrip van rechtvaardigheid wordt gedefinieerd binnen de context van een natiestaat. De rechtvaardigheidsprincipes die zich voordoen in onze samenleving zijn het product van culturen, geschiedenis, religies en talloze andere invloeden.

Ondanks de verwerping van een platoons Idee van rechtvaardigheid, moet er een zekere uniforme definitie van rechtvaardigheid bestaan om te weten hoe rechtvaardigheid zich zou moeten concretiseren en om sociale goederen binnen de samenleving rechtvaardig te kunnen distribueren. Walzers rechtvaardigheidsbegrip zou beschreven kunnen worden als ‘universeel lokaal’.27 Het is geen beroep op een universele notie van rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid is een lokaal begrip die geldt binnen een samenleving. Binnen de samenleving geldt wel dat het rechtvaardigheidsbegrip berust op een uniforme definitie; de gedeelde waarden van de samenleving. Het idee van distributieve rechtvaardigheid veronderstelt een wereld waarin deze distributie plaatsvindt, zoals in de liberaal westerse samenleving het geval is.28 Om dit proces te bewerkstelligen is een zekere gemeenschap nodig om de goederen te distribueren en om zo te kunnen spreken van distributieve rechtvaardigheid.

24 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), xiv.

25 Ibid., 313.

26Ibid., 5-6, 79.

27Margo Trappenburg en Paul Van den Berg. Tien jaar Spheres of justice-sporen in een debat. (P. van den Berg, &

M. Trappenburg, Lokale rechtvaardigheid. De politieke theorie van Michael Walzer, 1994), 2.

28 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 31.

(13)

13 Het rechtvaardigheidsbegrip in liberaal westerse staten is dus gebonden aan de gemeenschap waarin wij leven. Het is gebonden aan ons eigen sociaal contract: het is een overeenkomst voor het herverdelen van de middelen van de leden van de gemeenschap in overeenkomst met de gedeelde waarden die betrekking hebben op hun benodigdheden. Het contract verbindt de sterke en de zwakke, de rijken en de armen; het transcendeert alle verschillende belangen gebaseerd op geschiedenis, cultuur, religie, taal enzovoorts. In verschillende politieke gemeenschappen heeft het overheidsingrijpen niet volgens de regels van het sociale contract plaatsgevonden, maar volgens andere principes. Niet ten behoeve van de gemeenschap in het algemeen, maar ten behoeve van de welgeborenen en de rijken. Als dit het geval is, is economische ongelijkheid een gevaar voor het waarborgen van een rechtvaardige samenleving.

2.2. Een gelijke samenleving

2.2.1. Simpele gelijkheid

Hoe ziet ons begrip van een rechtvaardig sociaal contract eruit? Is een ongelijke samenleving per definitie een onrechtvaardige samenleving? Walzer beantwoordt deze vragen met zijn notie van simpele gelijkheid. Het louter herverdelen van goederen blijkt niet voldoende om een rechtvaardige samenleving te bewerkstelligen. In het regime van simpele gelijkheid stelt Walzer zich een hypothetische samenleving voor waarin alles te koop is en elke burger evenveel geld in bezit heeft. Walzer verduidelijkt zich door een hypothetische samenleving voor te stellen, die bestaat uit drie personen die allemaal dezelfde hoeveelheid geld hebben. In dit geval is het regime van simpele gelijkheid in werking. Eén persoon besluit om al zijn geld te spenderen.

Hierdoor heeft hij zelf minder geld en de andere personen hebben meer geld. Om simpele gelijkheid te laten werken zou er een sterk beleid nodig zijn die herverdeling mogelijk maakt en zo zorgt dat de gelijkheid gewaarborgd blijft. Er moet een controlerend orgaan zijn dat de gelijkheid kan waarborgen tegen de ongelijkheidtendens van de marktruil. Dit zou betekenen dat de staat een dominante positie bekleedt die de vermogenden hun bezit zou inperken.

Alleen een gecentraliseerde en actieve staat, die constant alle goederen zou herverdelen, zou sterk genoeg zijn om het regime van simpele gelijkheid te bewerkstelligen. Maar dit zou geen rechtvaardige samenleving betekenen voor Walzer. In dit ‘statisme’ ziet Walzer ook een gevaar

(14)

14 voor ons rechtvaardigheidsbegrip.29 Een staat die constant streeft naar simpele gelijkheid zorgt er niet alleen voor dat individuen beperkt worden in hun ontplooiing, bovendien ontkent deze absolute gelijkheid de verscheidende eigenschappen van de individuen in de samenleving. Een staat met dermate veel macht trekt diegenen die machtsbelust zijn aan.

Walzer concludeert op basis van bovenstaande analyse dat het regime van simpele gelijkheid niet werkt en niet wenselijk is. We hebben een ander, complexer begrip van gelijkheid nodig om rechtvaardigheid te vatten.30

2.2.2. Complexe gelijkheid

Als antwoord op de problematiek van simpele gelijkheid introduceert Walzer het concept van complexe gelijkheid:

Imaginenow a society in which different social goods are monopolistically held - as they are in fact and as they always will be, barring continual state intervention - but in which no particular good is generally convertible [...] This is a complex egalitarian society.

Though there will be many small inequalities, inequality will not be multiplied through the conversion process. Nor will it be summed across different goods, because the autonomy of distributions will tend to produce a variety of local monopolies, held by different groups of men and women. [...] And the resistance to convertibility would be maintained, in large degree, by ordinary men and women within their own spheres of competence and control, without large-scale state action.31

Het betreft het idee dat ongelijkheid binnen een sfeer geaccepteerd kan worden, zolang deze ongelijkheid binnen de autonomie van de sfeer bestaat en niet zorgt voor een geprivilegieerde positie binnen een andere sfeer. Als dit wel gebeurt is er sprake van een monopolie van het dominante goed. Een monopolie is het succesvol bezitten van sociale goederen door een kleine

29 Richard J. Arneson, Against ‘Complex’ Equality (Public Affairs Quarterly 4, no. 2. April 1990), 101.

30 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 14.

31 Ibid., 17.

(15)

15 groep mensen tegen hun rivalen.32 Een goed is dominant als de bezitter het gebruikt om controle te krijgen over vele andere goederen.33

Walzers universeel lokale idee van rechtvaardigheid heeft dus ook betrekking op rechtvaardigheden binnen de context van autonome instituties, binnen verschillende sferen.

Walzer definieert dit sferenbegrip aan de hand van de betekenis van de sociale goederen binnen de politieke gemeenschap. Binnen deze sferen geldt een eigen interne logica die afhankelijk is van de drie distributiemechanismen die Walzer benoemt: behoefte, vrije ruil en verdienste.34 Zo wordt onderwijs deels gegenereerd door de behoefte van onze maatschappij dat kinderen recht hebben op onderwijs ongeacht hun rang, stand of aanleg. Het wetenschappelijk onderwijs en de beloningen hierbinnen (goede cijfers, diploma’s) daarentegen worden gedistribueerd naar rato van verdienste. De vrije ruil is dan weer leidend in de sfeer van de economie in onze samenleving.35

2.3 Economische sfeer

Binnen elk van deze sferen wordt dus een specifiek goed verdeeld op basis van een eigen interne logica en een eigen criterium. Walzer stelt dat bijvoorbeeld de economie, de politiek, het onderwijs of de gezondheidszorg allemaal zouden moeten functioneren volgens de logica van hun eigen sfeer. Economische ongelijkheid is gerechtvaardigd alleen wanneer deze ongelijkheid zich binnen de economische sfeer bevindt. Dat de één meer geld verdient dan de ander is een proces dat zich binnen de economische sfeer mag voordoen, zoals aangetoond in hoofdstuk één, zolang de ongelijkheid binnen deze sfeer blijft en niet zorgt voor invloed binnen een andere sfeer. Walzer noemt de markt de meest effectieve manier van goederen distribueren. Binnen de economische sfeer is het distributiecriterium marktsucces. Het is een plek waar de behoeftes van iemand worden vervuld in ruil voor diegene die bereid is te betalen. En dat geldt tevens voor inkomens. Het is een proces van vraag en aanbod die in een gezonde markt in de meeste gevallen niet zal leiden tot grote ongelijkheden. Elke sfeer moet zich houden aan zijn eigen interne logica,

32Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 11.

33 Ibid., 11.

34 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 21-26.

35 Margo Trappenburg, In defence of pure pluralism: Two readings of Walzer's spheres of justice (Journal of Political Philosophy 8.3, 2000), 343-362.

(16)

16 met eigen interne waarden en goederen. Een sfeer moet niet functioneren volgens de logica van een andere sfeer. Elke sfeer moet zo worden ingericht, zodat het binnen de eigen interne logica optimaal functioneert. Zo kan binnen de economische sfeer, geld zorgen voor macht en ongelijkheid binnen de economische sfeer. Dit is moreel te rechtvaardigen, zolang het functioneert volgens de interne logica van de sfeer (bereidheid tot betalen, vraag en aanbod). In de economische sfeer is de interne logica conform een zekere instrumentele rationaliteit, die de rede als instrument gebruikt. Het handelen volgens deze rede wordt doelgericht handelen genoemd. Het streven van dit handelen is een wereld met maximale efficiëntie.36

Deze efficiëntie kan als neveneffect economische ongelijkheid teweegbrengen, maar zolang deze economische ongelijkheid binnen de economische sfeer blijft is het voor Walzer niet problematisch. Als economische ongelijkheid, en dus het bezitten van meer geld dan de ander, geen invloed heeft op je politieke machtspositie of dat economisch vermogen je geen betere toegang tot onderwijs zou verschaffen, dan is deze ongelijkheid veelal gerechtvaardigd. Wanneer een goed echter dominant wordt, zodat je met het bezitten van één dominant goed je verschillende goederen uit andere sferen kan veroorloven en dus ook die sferen kan monopoliseren, dan is er sprake van verwisselde sferen: als ik veel geld heb, dan kan ik macht en invloed kopen. Dit zorgt voor een ongelijke en onrechtvaardige samenleving. Dit proces kan worden voorkomen door het regime van complexe gelijkheid; door het waarborgen van de autonomie van de rechtvaardigheidssferen.

2.4 Tirannie

Als de sferen zijn ingedeeld en handelen volgens de interne logica van de sfeer, dan is de situatie van complexe gelijkheid gecreëerd. Walzer beschouwt ongelijkheid binnen een sfeer niet per definitie als een probleem. Een monopolie mag ontstaan zolang deze binnen haar sfeer blijft. In het geval van simpele gelijkheid is het gevaar dat er één dominant goed is (bijvoorbeeld geld) en dat het dominante goed alle sferen domineert. Een dominant goed zorgt ervoor dat de bezitter van dat goed een ander niet gerelateerd goed kan verkrijgen. In onze markt is het dominante goed geld. Dominantie is problematisch. In een samenleving is er een selecte groep van mensen

36 Bert van De Ven, Kritiek Van De Instrumentele Rede (College, Tilburg University, Tilburg, februari 09, 2016).

(17)

17 die een monopolie krijgt over het dominante goed. Deze selecte groep kan andere sferen tiranniseren door middel van het bezit van het dominante goed. Ten tijde van het feodale stelsel was land het dominante goed. Toen hadden landheren, dankzij hun bezit van het dominante goed, vaak ook politieke macht of andere sociale voordelen. Vandaag de dag is geld het dominante goed en zijn alle andere goederen hierop aangepast.37 Het criterium binnen de economische sfeer (namelijk marktsucces) bepaalt dan niet enkel of je rijk of arm bent, maar ook of je succes hebt in het onderwijs en of je politieke macht kunt verwerven, terwijl dit goederen zijn die op basis van andere criteria verdeeld moeten worden.

In de situatie van complexe gelijkheid zijn daarentegen veel verschillende monopolies. Deze monopolies zijn gerechtvaardigd, omdat ze binnen de eigen sfeer blijven. Het monopolie in één sfeer zorgt niet voor eenzelfde monopolie in een andere sfeer. Als dit wel het geval is, is er sprake van wat Walzer ‘tirannie’ noemt: Een situatie waarin een bepaald goed door een het dominante goed verkregen wordt, terwijl het alleen te verkrijgen zou moeten zijn door middel van een ander goed (en de bijbehorende verdeelcriteria).38 Een tirannie doet zich dus voor wanneer een dominant goed wordt gebruikt om goederen in een andere sfeer te verkrijgen. Een monopolie binnen één sfeer is acceptabel, bijvoorbeeld als behulpzame en overtuigende mannen en vrouwen politieke macht vergaren. Als persoon X wordt verkozen in de politiek boven persoon Y, dan zijn ze ongelijk binnen de politieke sfeer. Echter, de twee personen zullen niet ongelijk zijn in het algemeen, omdat de politieke positie van persoon X hem geen voordelen geeft in andere sferen. Wanneer deze politieke macht wel wordt gebruikt om macht te vergaren over een andere sfeer – betere gezondheidszorg, betere toegang tot onderwijs, enzovoorts – dan is er sprake van tirannie. Het monopolie binnen één sfeer wordt gebruikt om een monopolie te vergaren in andere sferen.

Vandaag de dag zien we dat een tirannie wordt gecreëerd door middel van geld, het dominante goed in onze samenleving. We veranderen steeds meer in een samenleving waarin alles te koop is en vermarkt wordt en waar de autonomie van niet-economische sferen niet gewaarborgd is.

Een dergelijke samenleving staat daardoor zwak tegenover het gevaar van tirannie en met name

37 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 11.

38 Ibid., p. 18-19. Marx maakte een evenredig argument in zijn manuscripten van 1844. Zie: Karl Marx, Manuscripts de 1844 (1844), 62

(18)

18 tirannie van het geld.39 Economische ongelijkheid is hierdoor problematisch, omdat het de welvermogenden de macht geeft andere sferen te tiranniseren en de minder vermogenden in alle sferen machteloos zijn.

39 Michael J. Sandel, What Money Can’t Buy: The Moral Limits of Markets (New York: Farrar, Straus and Giroux, 2013), 3. In hoofdstuk drie wordt dit punt verder onderbouwd.

(19)

19 3. WALZER OVER DE INVLOED OP DE POLITIEK

Als de situatie van complexe gelijkheid niet is gerealiseerd, in hoeverre is economische ongelijkheid dan problematisch in een democratie? In dit hoofdstuk en in hoofdstuk vier zal ik deze vraag beantwoorden. Ik doe dit in hoofdstuk drie door mij voornamelijk te focussen op hoe de economische ongelijkheid invloed heeft in de politieke sfeer. In het vorige hoofdstuk heb ik laten zien waarom de autonomie van de rechtvaardigheidssferen gewaarborgd zou moeten zijn.

In dit hoofdstuk zal ik Walzer zijn theorie toepassen op de democratische samenleving vandaag de dag. Ik begin met een terugblik op de Franse Revolutie; de historische gebeurtenis die het fundament van de moderne democratie legde. In hoeverre was de situatie van complexe gelijkheid toen gecreëerd? Vervolgens kijk ik of dat in de huidige samenleving wel het geval is en wat de gevaren zijn voor de democratie indien dit niet zo is.

Ik begon mijn thesis met een voorbeeld van ongelijkheid in de Franse Revolutie. Binnen de samenleving van vóór de Franse Revolutie was er sprake van tirannie. De verschillende sferen zouden volgens hun eigen interne logica moeten werken. In dat geval krijgt een priester zijn geestelijke macht vanwege zijn jarenlange theologische studie en de handelaar krijgt zijn geld door het handelen van goederen. Ten tijde van de Franse Revolutie werd deze logica niet altijd gewaarborgd. Zo kregen de machtigen binnen de geestelijke stand vaak ook veel vermogen, land en politieke macht. Dit verkregen zij niet door de verdienste binnen de economische sfeer, maar vanwege de dominantie van de sfeer van de godsdienst.40 Wanneer men een geprivilegieerde plaats bekleedde binnen één sfeer, zorgde dit voor dominantie over meerdere sferen. Deze onrechtvaardige en ongelijke samenleving leidde tot de revolutie die verbetering in gang zou moeten zetten. Langzamerhand sijpelde het ideaal van gelijkheid door in het westerse politiek landschap en kwam de democratie tot stand. Dit nieuwe politiek systeem bracht vragen met zich mee: Hoe moeten we een democratische samenleving vormgeven? En hoe moeten we de rechtvaardigheid waarborgen binnen een democratie?

40 Petr Alekseevid Kropotkin, The Great French Revolution, 1789-1793 (St Petersburg, FL: Red and Black Publishers, 2010), hoofdstuk I.

(20)

20 3.1. Democratie

Om rechtvaardigheid binnen een democratische samenleving te kunnen analyseren moet er een normatieve definitie zijn van democratie waarin het universeel lokale concept van rechtvaardigheid kan worden toegepast. Onder de term ‘democratie’ wordt een methode van het maken van groepsbeslissingen verstaan, die wordt gekenmerkt door een vorm van gelijkheid onder de deelnemers in een essentieel stadium van de collectieve besluitvorming.41 In een democratie verloopt de besluitvorming door en voor het publiek, het electoraat, waarvan elk lid elk één stem heeft, en die met zijn of haar stem een representatieve overheid mede vormt. In een democratie moeten de behoeftes van de gemeenschap worden verzorgd. Dit komt tot stand in een rechtvaardige verdeling van goederen. In het distribueren van de goederen zouden de onderliggende principiële gelijkheid van burgers gerespecteerd moeten worden.42

Er zijn drie aspecten van de democratie die genoemd moeten worden. Ten eerste dat de democratie een collectieve besluitvorming betreft, dit betekent dat de beslissingen gemaakt worden voor de groep en dat ze bindend zijn voor alle leden van de groep. Ten tweede, democratie kan zich op vele niveaus afspelen, maar ik beperk me tot het niveau van de politieke organisatie van een samenleving. Ten derde is gelijkheid op te vatten als dat, alvorens de wet, iedereen gelijk is, in deze zin geldt het principe van ‘één persoon, één stem’.

Vaak wordt over democratie gesproken in de zin van ‘zelf regeren’ of ‘de macht van de burgers over henzelf’. Toch zijn de machtsuitvoerende mensen niet altijd dezelfde mensen die ook onderworpen zijn aan diezelfde macht en is het ‘zelf regeren’ niet het regeren van ieder over zichzelf, maar van ieder die wordt geregeerd door de rest. De wil van de burgers betekent vaak niet de wil van iedereen. Het betreft de wil van velen; het belang van de meerderheid.43 De morele overtuigingen van deze meerderheid over hoe sociale goederen verdeeld zouden moeten worden in een samenleving noemt Walzer de gedeelde waarden.

Volgens deze gedeelde waarden zijn er bepaalde sociale goederen die niet gekocht kunnen worden. Walzer benoemt dat sommige zaken geblokkeerd zijn voor geld. Een duidelijk

41 Tom Christiano, Democracy (The Stanford Encyclopedia of Philosophy, Spring 2015 Edition), Edward N. Zalta (ed.), http://plato.stanford.edu/archives/spr2015/entries/democracy/.

42 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 84.

43 John Stuart Mill en David Spitz, On Liberty (New York: Norton, 1975), hoofdstuk 1.

(21)

21 voorbeeld is het kopen van politieke macht en invloed.44 Alleen wanneer dit geblokkeerd is voor invloed van geld kan er de collectieve besluitvorming ontstaan die verloopt volgens het principe van politieke gelijkheid. Een gevaar dat we in onze democratie zien ontstaan is wanneer dit niet gebeurt en een selecte vermogende elite de dominantie van geld gebruikt om een tirannie te bewerkstelligen en hiermee de geblokkeerde goederen alsnog kan verkrijgen. Dit ontstaat door het niet waarborgen van de autonomie van de sferen. Wat dit teweegbrengt is dat economische ongelijkheid vertaald wordt in politieke ongelijkheid. Degenen die welvermogend zijn, zijn in staat om alles te kopen, waaronder ook politieke macht en invloed. Diegenen die minder vermogend zijn, hebben niet diezelfde macht. Door middel van de tirannie heeft de welvermogende elite de mogelijkheid om andere sferen te domineren zoals het onderwijs, de media en eveneens de politiek.

3.2. Walzers politieke sfeer

De politieke sfeer is volgens Walzer de meest complexe en de meest essentiële rechtvaardigheidssfeer. De politieke macht controleert de grenzen van alle distributieve sferen en beschermt ons voor het gevaar van de tirannie. Ze riskeert daardoor een tirannie op zichzelf te worden. De politiek is bijna alomvattend in hun controlerende taak. Zelfs hun eigen macht beperken ze door middel van constitutionele rechten en wetten. Walzer ziet de democratie als een autonome politieke sfeer. Democratie is een manier om macht toe te wijzen en het gebruik ervan te legitimeren. Diegene die de meeste mensen het meest overtuigende verhaal kan overbrengen krijgt deze macht. Binnen de democratie zouden diegenen verkozen moeten worden die de meeste vaardigheden hebben op politiek vlak. Een democratie is een monopolie van politici.45 Walzer stelt dat macht behoort tot diegene die ‘overtuigingskracht’ bezit, en door dat gegeven zijn politici geen tirannen. Overtuigen zou in een politieke sfeer moeten gebeuren op basis van de kracht van het argument en niet door middel van geld of verwantschap. In hoofdstuk vier zal dit idee uitgebreid aan bod komen.

44 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 100.

45 Ibid., 304.

(22)

22 Zoals eerder aangetoond, speelt geld een steeds belangrijkere rol in het verkrijgen van politieke macht. De Verenigde Staten is hier een schrijnend voorbeeld van: miljarden zijn nodig om de campagnes te kunnen bekostigen om een serieuze invloed te kunnen uitoefenen op de verkiezingen.46 Er zijn nagenoeg geen individuen die zowel de politieke vaardigheden bezitten om volgens de interne logica van de politieke sfeer hun macht te vergaren, alsmede het economisch vermogen bezitten om de dure campagnes te kunnen bekostigen. Het gevolg hiervan is dat veel individuen niet voldoende hebben aan hun politieke vaardigheden om ook daadwerkelijk politieke macht te kunnen verkrijgen. Economische macht is nodig om politieke macht te vergaren. Als gevolg van dit proces kan de politieke macht niet meer autonoom functioneren. Om politieke macht te verkrijgen is er een mogelijkheidsvoorwaarde ontstaan die er niet zou moeten zijn: het bezitten van het dominante goed geld. Dit gaat in tegen het principe van politieke gelijkheid dat zou moeten heersen in democratische besluitvorming. Economische ongelijkheid vertaalt zich dan in politieke ongelijkheid.

De Amerikaanse filosoof Michael Sandel beschrijft in zijn boek ‘What Money Can’t Buy: The Moral Limits of Markets’ voorbeelden van de indirecte, maar funeste invloed van geld op de politieke sfeer en de neveneffecten van economische ongelijkheid. Hij bespreekt het voorbeeld van ‘queueing’. In de Verenigde Staten vinden hoorzittingen plaats van de congres comité over wetgeving. Tijdens deze hoorzittingen zijn er een beperkt aantal plekken beschikbaar voor publiek. Lobbyisten zijn gedreven om deze openbare plekken te bemachtigen om de wetmakers te kunnen beïnvloeden en om alle wettelijke veranderingen die belangrijk zijn voor hun bedrijf te kunnen bijhouden. De rijen voor deze publieksplaatsen zijn lang. Als gevolg huren de bedrijven die een plek willen in de hoorzitting mensen in die voor hen in de rij gaan staan. Op het moment dat de hoorzitting begint nemen de lobbyisten de plaats in van de ingehuurde mensen.

Bovenstaande casus is een voorbeeld van hoe het dominante middel geld indirect de politieke sfeer doordringt en dus tiranniseert.

Walzer bekritiseert dergelijke processen en spreekt over het ‘temmen van geld’.47 Het is van belang om de macht van geld te temmen. Het is een macht die zich alleen mag manifesteren in de economische sfeer en zich niet buiten deze kaders mag bevinden. Wanneer men door het bezit

46 Reinier Kist, Wat Kost Het Om President Van Amerika Te Worden? (NRC. 12 juni, 2015). Toegang op: 10 juni, 2018. https://www.nrc.nl/nieuws/2015/06/12/wat-kost-het-om-president-van-amerika-te-worden-a1496140.

47 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 107.

(23)

23 van het geld een geprivilegieerde positie inneemt in meerdere sferen gaat dit namelijk in tegen het gelijkheidsprincipe van de democratie, omdat de economische ongelijkheid zich vertaalt in ongelijkheden in andere sferen. Wanneer persoon X meer geld bezit dan persoon Y kan hij meer macht verwerven en zich betere onderwijs en gezondheidszorg permitteren. Mensen hebben niet meer dezelfde kansen op politiek vlak, in het onderwijs of in de gezondheidszorg. De rijken hebben bij voorbaat meer kansen in de verschillende sferen dan de armen die hebben. Zo ontstaat een (complex) ongelijke en dus onrechtvaardige samenleving.

3.3. Rent-seeking

Een concreet voorbeeld van deze onrechtvaardige samenleving zien we vandaag de dag wederom terug in de Verenigde Staten. In de Verenigde Staten heeft één procent van de bevolking twintig tot vijfentwintig procent van alle rijkdom in handen. De Verenigde Staten draagt niet langer haar democratische ideologie uit van ‘the land of equal opportunity’.48 Kinderen zijn afhankelijk van het inkomen van hun ouders om toegang te verkrijgen tot goed onderwijs. Het gemiddelde inkomen is gestagneerd in de afgelopen eeuw, dit ten opzichte van een economische groei die vooral ten voordele is van de elite.49 De Verenigde Staten is niet langer een samenleving van rechtvaardigheid maar een ‘rent-seeking society’, waarin mensen niet zozeer door hard te werken en hun talenten te ontplooien en in te zetten economische rente verkrijgen, maar door middel van het beïnvloeden van het politieke of sociale klimaat deze rente verkrijgen. Het klassieke voorbeeld, volgens Robert Schiller, is een landheer die op een dag een touw over zijn rivier spant en boten tol laat betalen om te mogen passeren.50 Hij rekent geld voor iets wat voorheen kosteloos was. Hij draagt niet bij aan een betere samenleving, de landheer verdient er alleen zelf geld aan. Dit is ‘rent-seeking’.51

‘Lobbyen’ is een voorbeeld van dergelijke rent-seeking in de politiek. Dit houdt in dat derde partijen de politieke besluitvorming beïnvloeden. Denk aan de bedrijven die politieke campagnes

48 Joseph E. Stiglitz, The Price of Inequality (London: Penguin Books, 2013), xliv.

49 Ibid., 3.

50 Robert Shiller, The Best, Brightest and Least Productive?, (Project Syndicate, 20 september, 2013),

http://www.project-syndicate.org/commentary/the-rent-seeking-problem-in-contemporary-finance-by-robert-j-- shiller.

51 Ibid.

(24)

24 financieel steunen onder voorwaarde dat de politieke partij hun belangen later zal behartigen. Zo worden er bijvoorbeeld overheidsrestricties opgelegd aan bedrijven om concurrentie te verminderen en zo de consument meer te laten betalen. Deze vorm van rente is niet ten gunste van het algemeen belang in de samenleving, maar louter voor één selecte groep.

Het creëren van monopolies is niet ten gunste van de meerderheid en ondermijnt dus het democratisch systeem. De elite zal de ongelijkheid in stand houden met dergelijke praktijken om haar machtpositie te behouden. Het doorbreken van dit proces wordt alsmaar lastiger naarmate het machtproces zich voltrekt. Door de tirannie van de elite in alle rechtvaardigheidssferen is het lastig voor de minder vermogende burgers om een democratische tegenmacht te bieden. De politiek zal de belangen van de gewone burgers niet langer behartigen doordat private belangen van een kleine groep ook de politiek overheersen.

Wanneer er sprake is van een dergelijke gesegregeerde en ongelijke samenleving, staat het algemeen belang onder druk. De rijke elite, die door hun economisch bezit politieke invloed bezit, heeft geen publieke scholen, basiszorg of publieke economische groei nodig en zal daarom niet meegaan in de gedeelde waarden van de meerderheid van de bevolking. In een echte democratie zal de minderheid (de kleine rijke elite) zwichten onder de wil van de meerderheid (het gewone volk). Maar door de tirannie van de economische sfeer zal het distribueren van de sociale goederen niet langer volgens de gedeelde waarden van die meerderheid verlopen, maar zal het enkel leiden tot zelfverrijking. De rijke één procent zal ageren tegen een sterke overheid die onafhankelijk van de economische sfeer opereert en die zal ingrijpen op de privileges van de elite en die beroep doet op het vermogen van de één procent om dit te bewerkstelligen. Volgens econoom Joseph Stiglitz is dit proces niet eenvoudig te doorbreken, omdat het voor de elite van belang is om zwakke overheden aan te stellen die niet de autonomie van de politieke sfeer waarborgen, maar gevoelig zijn voor tirannie.52

52 Joseph E. Stiglitz, The Price of Inequality (London: Penguin Books, 2013).

(25)

25 4. VOORBIJ WALZER

In het vorige hoofdstuk besprak ik het gevaar van economisch ongelijkheid in de politieke sfeer.

In dit hoofdstuk bespreek ik de invloed van economische ongelijkheid in andere sferen. Ook onderbouw ik verdere problemen betreffende economische ongelijkheid en vul ik de tekortkomingen in Walzers theorie aan. Ik ga in dit hoofdstuk de kritiek fundamenteler maken. Ik laat zien dat de publieke democratische besluitvorming niet enkel direct wordt beïnvloedt door de macht van het geld, maar dat ook de mens verder economiseert, de samenleving verder economiseert en dat ook de publieke sfeer doordrongen raakt van geld en de instrumentele rationaliteit van de markt. Wat de mens aangaat gebruik ik Karl Marx. Wat betreft de economisering van de samenleving gebruik ik Michael Sandel en de publieke sfeer analyseer ik aan de hand van Jürgen Habermas.

4.1. Het economisch subject

Sandel stelt dat we in een samenleving leven waarin nagenoeg alles te koop is.53 Een samenleving waarin bijna alles te koop is, is een samenleving die draait om één dominant goed.

Er heerst een tirannie van het geld. Waar het gevaar van de tirannie van het geld bij Walzer beperkt blijft tot de rechtvaardigheidssferen en waar hij louter pleit voor het functioneren volgens de interne logica van de verscheidene rechtvaardigheidssferen, en niet volgens de ene logica van de economische sfeer, is er tevens een ander, existentieel gevaar van de dominantie van het geld en de bijbehorende economische ongelijkheid, wanneer we leven in een samenleving waarin alles te koop is. Ik begin dit hoofdstuk met de marxistische kritiek over een samenleving waarin alles te koop is, over het tiranniserende karakter van geld in onze samenleving.

Marx stelt dat de macht van het geld het subject onderwerpt aan een monetair begrip en daarmee het subject reduceert tot een kwantitatief object.54 Het denken en handelen van de mens wordt

53 Michael J. Sandel, What Money Can’t Buy: The Moral Limits of Markets (New York: Farrar, Straus and Giroux, 2013), 3.

54 Karl Marx, Manuscripts de 1844 (1844), 49-50, 59-60.

(26)

26 bepaald door economische begrippen en zodoende wordt ons mensbeeld geëconomiseerd. We beschouwen de ander steeds meer als consument in een marktsamenleving.

Walzer stelt, zoals eerder besproken, dat de samenleving niet zou moeten streven naar absolute gelijkheid, omdat dit in strijd is met de verscheidenheid en vrijheid van de individuen. Marx stelt dat het reduceren van de mens tot economisch subject eveneens de vrijheid van de mens ondermijnt. Een economisch begrip van de mens is onderworpen aan de instrumentele rede.

Deze onderwerping zorgt voor een onvrijheid in denken en handelen. Om de vrijheid te waarborgen zou de autonomie van de economische sfeer gerespecteerd moeten worden. Niet louter ten behoeve van de rechtvaardigheid, zoals Walzer stelt, maar als bescherming van de autonomie van het menselijk zijn. De onbegrensde behoefte naar geld die in onze moderne marktsamenleving wordt gecreëerd, waarin alles te koop is, leidt tot een verval van de autonome mens. Als de economische sfeer dermate tiranniseert dat het al onze behoeftes kan verschaffen, leidt dit tot een onderwerping van de mens aan de economie, omdat de mens louter economisch zal gaan handelen.

Marx stelt dat elk individu tracht om de ander onder een vreemde macht te dwingen om daarin de bevrediging van zijn eigen zelfzuchtige behoefte te vinden. Deze behoefte kan alleen maar ontstaan wanneer de macht van het geld dermate groot is dat het geld, dat de eigenschap bezit alles te kunnen kopen, alle objecten kan toe-eigenen. Dat het geld met andere woorden zich buiten de economische sfeer treedt en het dominante goed in de gehele samenleving is. Dat de economische logica de hele samenleving en eveneens je mens-zijn tiranniseert. Op termijn bepaalt geld volgens Marx zelfs je identiteit:

Dat wat door middel van het geld tot mijn beschikking staat, wat ik kan betalen, dat wil zeggen wat het geld kopen kan, dat ben ik, de bezitter van het geld, zelf. Mijn macht is zo groot als de macht van het geld. De eigenschappen van het geld zijn — omdat ik er de bezitter van ben — mijn eigenschappen en vermogens. Wat ik ben en doen kan wordt dus geenszins bepaald door mijn individualiteit. Ik ben lelijk maar ik kan de mooiste vrouw kopen. Dus ben ik niet lelijk, want het effect van de lelijkheid, de afschrikkende werking ervan is door het geld teniet gedaan.55

55Karl Marx, Manuscripts de 1844 (1844), 60.

(27)

27 In een ongelijke en geëconomiseerde samenleving zou diegene met veel vermogen al zijn tekortkomingen teniet kunnen doen en zijn identiteit volledig ontlenen aan zijn bezit. Wat voor identiteit bezit diegene zonder dat vermogen? In een dergelijke samenleving zou de economische ongelijkheid, vooral voor de minder vermogenden, leiden tot een verval van de identiteit. De mate waarin je een mens kan zijn, zou afhankelijk zijn van de verdeling van geld in de samenleving. Een groot gevaar voor een westerse democratie waarin ieder mens in zijn essentie gelijk behoort te zijn. Walzer haalt socioloog Lee Rainwater aan die een dergelijk argument maakt: in hoeverre mensen zichzelf zien als volledig lid van de gemeenschap, als sociaal wezen, is afhankelijk van het bezit van geld. Het gebrek aan het bezit van geld leidt tot een zekere sociologische onterving.56 Economische ongelijkheid zou niet moeten leiden tot een dergelijke existentiële en maatschappelijke ontvreemding.

Geld wordt, wanneer het fungeert als tirannie, een bijna goddelijke macht.57 Daar waar mijn menselijke kwaliteiten tekortschieten kan geld die tekortkoming teniet doen. Dit idee van Marx gebruikt Walzer ook in zijn theorie. Neem als voorbeeld de corrupte regimes waarin het bezit van geld kan leiden tot politieke invloed. Diegene zonder politieke competenties, maar met het bezit van een groot vermogen, bekleedt de politieke macht. In een samenleving die steeds ongelijker wordt is dit erg problematisch. De tirannie is niet enkel economisch van aard, maar de economische ongelijkheden worden eveneens vertaald in politieke ongelijkheden, hetgeen dus een bedreiging vormt voor onze westerse democratie.

De marxistische analyse van de dominante rol van geld in onze samenleving onderbouwt Walzers claim dat het geld getemd moet worden. Zoals eerder benoemt zorgt de macht van het geld voor zelfzuchtige behoeftebevrediging. Door deze zelfzuchtige behoeftebevrediging komt economische ongelijkheid tot stand. De één wil verdienen aan de ander. Deze zelfzuchtige behoeftebevrediging wordt verklaard door de leidende rol van de instrumentele rationaliteit. De instrumentele rationaliteit uit zich in een mensbeeld als een wezen dat rijkdom nastreeft. Om dit te bereiken zal het louter handelen uit efficiëntie, in elke sfeer waarin hij handelt. De ander zal hij als middel gebruiken om zijn doel rijkdom na te streven. Met dit mensbeeld zal een zelfzuchtige uitbuiting van de ander een van de middelen zijn om efficiënt te handelen. Een

56 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 105.

57 Michael Walzer, Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality (New York: Basic Books, 1983), 14.

(28)

28 uitbuiting van de ander brengt per definitie ongelijkheid met zich mee. Dergelijk handelen is geen streven in onze westerse democratie en opnieuw is aangetoond dat het creëren en waarborgen van complexe gelijkheid een vereiste is voor een gezonde democratie.

4.2. What Money Can’t Buy

In hoeverre is dit mensbeeld van de mens die louter economisch handelt reëel in de huidige samenleving? Sandel stelt dat de economisering van onze samenleving en de mens wel degelijk aan de gang is.58 Hij onderbouwt Walzers problematisering van de dominantie van geld met concrete voorbeelden uit de samenleving. Sandel beweert dat we zijn verschoven van het hebben van een markteconomie, naar het zijn van een marktsamenleving.59 Economische ongelijkheid zal zich in steeds meer sferen settelen gezien de groeiende invloed van geld in onze samenleving.

De markteconomie heeft geen inherent moreel karakter en dit is ook geen vereiste van de markt.

De markt moet functioneren volgens diens autonome logica. Deze interne logica van de economische sfeer is gebaseerd op winst en omzet.

Door de tiranniserende tendens van de markt, moet de overheid een tegenmacht bieden. Het betreft het contoleren van de rechtvaardigheidssferen zodat het ten voordele is van het grootste gedeelte van de burgers. Maar de overheid kan haar functie als tegenmacht en controlerend orgaan niet meer behouden, omdat de vermogende elite een groeiende invloed krijgt in de politieke sfeer.60 Deze vermogende elite, die gebaat is bij een onbegrensde markt die zelfverrijking mogelijk maakt, zal de tegenmacht van binnenuit neutraliseren. Om de politieke sfeer te betreden gebruikt de elite het dominante goed dat ze zelf monopoliseert: geld. De elite zal de politieke macht die ze verkrijgen gebruiken om zo haar eigen organisaties en bedrijven te bevoordelen. De inkomsten zullen in haar eigen zakken verdwijnen in plaats van in de gehele samenleving. Zodoende wordt, zodra er een tirannie ontstaat, een vicieuze cirkel gevormd die

58 Michael J. Sandel, What Money Can’t Buy: The Moral Limits of Markets (New York: Farrar, Straus and Giroux, 2013).

59 Ibid., 10-11.

60 Noam Chomsky en Robert W. McChesney, Profit over People: Neoliberalism and the Global Order (New York:

Seven Stories Press, 2011), hoofdstuk II.

(29)

29 steeds moeilijker te doorbreken is. Economische macht leidt tot politieke macht en de politieke macht wordt gebruikt om de economische macht te versterken.61

4.3. De publieke sfeer

Om deze tirannie van het geld een tegenmacht te bieden zijn er duidelijk gedefinieerde gedeelde waarden nodig. Walzers notie van deze gedeelde waarden is een discutabel punt in zijn theorie.

Om de gedeelde waarden te definiëren is er een autonome publieke sfeer nodig. Alleen wanneer de publieke sfeer autonoom functioneert is het mogelijk om een tegenmacht te kunnen bieden tegen de tirannie van het geld, wat essentieel is in een democratie. Ik ga Walzers notie van gedeelde waarden problematiseren en tracht dit op te lossen met behulp van Habermas’ theorie van de publieke sfeer.

4.3.1. Gedeelde waarden

Walzer beperkt zich in zijn theorie tot de duidelijk gedefinieerde rechtvaardigheidssferen als de gezondheidszorg, het onderwijs en de politiek. Echter, in de democratie is een nog fundamentelere sfeer die geteisterd wordt door de tirannie van het geld: de publieke sfeer. In onze westerse samenleving hebben wij bepaalde gedeelde waarden waar onze samenleving op steunt, zo stelt Walzer. Dit begrip van de gedeelde waarden in de samenleving is een van de knelpunten in de theorie van Walzer, want hoe en waar worden deze gedeelde waarden gecreëerd? Walzer ontkent het bestaan van universele waarden waarop wij ons kunnen beroepen en die ons idee van de samenleving normatief vorm kunnen geven. Hij stelt dat de normatieve waarden zijn af te leiden uit de bestaande samenleving zelf. Wanneer men zich beroept op de moraliteit is dit geen beroep op een universele moraliteit, maar op die van de samenleving, op universeel lokaal niveau. De gedeelde waarden worden geconcretiseerd in de instituties en de goede burger dient zich hiertoe te conformeren met de eigen gecreëerde instituties. Toch mist deze opvatting binnen de democratie een zeker fundament. Hoe komen de instituties en dus de gedeelde waarden waarop het rechtvaardigheidsidee wordt gedefinieerd tot stand?

61Peter Hutchison, Kelly Nyks, Jared P. Scott, Noam Chomsky, Malcolm Francis, Michael McSweeney, C. Alan Canant en Rob Featherstone, Requiem for the American dream (2016).

Afbeelding

Updating...

Referenties

Gerelateerde onderwerpen :