• No results found

Flexibele contracten zijn nu vooral onzekere contracten waarbij kostenreductie voor de werkgever centraal staat en de risico’s worden

In document Wat is van waarde? (pagina 121-128)

afgewenteld op werknemers. Dat kan beter.

klara boonstra

Het was een paar jaar geleden nog helemaal niet zo makkelijk om een pakkende Nederlandse vertaling te vinden voor het begrip ‘decent work’, de term die de Internationale Arbeidsor-ganisatie koos om een agenda voor de eenen-twintigste eeuw mee te presenteren. ‘Gewoon goed werk’ werd het uiteindelijk, en de interna-tionale agenda werd ook door de Nederlandse vakbeweging geadopteerd, met name om mis-standen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te bestrijden.

Wat is gewoon goed werk? Juan Somavia, de directeur-generaal van de International Labour Organization, verwoordde het aldus: ‘Als op straat of op het land aan mensen wordt gevraagd wat ze willen, te midden van alle nieuwe onzekerheden die de globalisering ons heeft gebracht, is het antwoord “werk”. Werk waardoor ze in de behoeften van hun gezinnen kunnen voorzien met betrekking tot veiligheid

en gezondheid, waarmee ze hun kinderen naar school kunnen sturen, werk dat hun ook inko-men verzekert als ze ziek worden of nadat ze met pensioen gaan, werk waarbij ze rechtvaar-dig worden behandeld en waarbij hun rechten worden gerespecteerd. Dat is decent work.’1

Onder deze prozaïsche beschrijving kun-nen ook de onveranderde doelstellingen van de vakbeweging worden geschikt: een adequaat in-komen voor de werknemer en degenen die ook van dat inkomen afhankelijk zijn, ontplooiings-mogelijkheden, een voortdurend inkomen ook als mensen om welke reden dan ook niet meer in staat zijn om te werken, rechtvaardigheid en respect. Daaruit bestaat de menselijke waardig-heid in verband met arbeid. De definitie geeft een opdracht aan de overheid, als wetgever en bestuurder, over de omstandigheden waarin wij willen werken. En ook aan de ondernemingen en de werkgevers; in wat voor soort bedrijven en instellingen willen wij werken?

Niets nieuws onder de zon wat betreft de opdracht die wij ons als vertegenwoordigers en behartigers van werknemersbelangen stellen. Maar het is anderzijds ook weer niet

onbete-Over de auteur Klara Boonstra is beleidsjurist bij

de vakcentrale fnv en verbonden aan de vu als hoogleraar Internationaal sociaal recht

124

kenend dat wij ons geroepen voelen om juist nu naar die uitgangspunten terug te grijpen en ze als het ware opnieuw te formuleren en agenderen. De aanleiding vloeit voort uit ontwikkelingen die zeker zorgwekkend zijn. Een politiek klimaat waarin wij het ministe-rie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet helemaal gekscherend het ministerie van Werkgeversbelangen noemen. Globalisering van de wereldhandel, arbeid en bedrijven als handelswaar in plaats van als productiefactoren, en een beperktere grip van nationale overheden en instituties op de omstandigheden waaronder arbeid plaatsvindt.

Al deze zaken worden soms voorgesteld als autonome processen, die door een kleine kring van belanghebbende superkapitalisten als in een soort complot worden gestuurd om slechts de financiële doelen van enkelen te dienen. De werknemer is in dat proces letterlijk weer het negentiende-eeuwse radertje in de economische machine; zijn persoonlijk belang doet er niet toe. De financiële crisis van 2008 en de nasleep ervan waarin wij ons bevinden, wordt vervol-gens vaak beantwoord alsof er maar twee wegen zijn te bewandelen die elkaar uitsluiten: of het vrije marktdenken zal de sociale rechtvaardig-heid vernietigen en we worden uit het sociale paradijs gestoten, of het roer moet weer totaal om en we moeten terug naar de tijden waarin de sociale gedachte nog wel heerste en de sociale rechtsstaat werd ontwikkeld, zo ongeveer tot het moment dat de Berlijnse muur viel. Nog afgezien van de vraag of het beeld wel klopt, is het voor de vakbeweging maar de vraag of dit wat apocalyptische denken nuttig is voor de eigen agenda. De weg van de vrije markt is om voor de hand liggende redenen geen pas-sende weg, maar wat moet ze met een ‘terug-naar-vroeger’- of ‘hakken-in-het-zand’-agenda? Is het bovendien wel zo dat in die pre-globaliseringperiode ‘gewoon goed werk’ werd gegarandeerd voor alle werkenden en degenen die van hen afhankelijk waren? Misschien mag ik eraan herinneren dat de uitzendconstructie van vóór de wet Flex en Zekerheid de ‘grote

leu-gen van het arbeidsrecht’ werd leu-genoemd, omdat wij deze juridisch niet konden duiden en er bo-vendien ook toen op grote schaal gebruik werd gemaakt van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Die onrechtvaardigheden waren de aanlei-ding voor de hele operatie tot het instellen van de wet. Flexibele arbeidsrelaties werden vanaf toen onder de definitie van de arbeidsovereen-komst gebracht. Het is heel logisch om na ruim tien jaar die verbeteringen weer eens tegen het licht te houden en te kijken of de toen beoogde doeleinden blijvend zijn bereikt. Uiteraard gaat dat samen met bedenken of er nieuwe aspecten aan oude problemen zijn te onderkennen, of dat nieuwe problemen op de agenda zijn gekomen die nopen tot een nieuwe aanpak.

In deze korte bijdrage wil ik schetsen voor welke problemen in verband met ‘gewoon goed werk’ we ons op dit moment gesteld zien. Deze vallen grotendeels samen met wat in deze s&d zorgen over bestaans(on)zekerheid genoemd wordt. Ten eerste is dat het feit dat niet iedereen toegang heeft tot werk, laat staan ‘gewoon goed werk’; er staat nog een flink aantal mensen aan de kant. Bovendien wordt hun inkomen be-dreigd op een manier die door de betrokkenen zelf niet kan worden beïnvloed.

Een tweede probleem is de fictie dat al het flexwerk goedkoper is, terwijl in feite de maat-schappelijke en persoonlijke kosten hoog zijn en elders in de samenleving terechtkomen. Ten derde is er het verschijnsel dat er steeds meer derde partijen, zoals arbeidsbemiddelaars, (in-ternationale) uitzendbedrijven, detacheerders et cetera een financieel belang hebben bij arbeids-relaties tussen werkgevers en werknemers. Dit hangt ook samen met de eenwording van Europa, waardoor arbeidskrachten makkelijker uit andere landen met andere arbeidsrechtsyste-men kunnen worden betrokken.

Een overkoepelend probleem is van een an-dere aard, maar hangt wel samen met de anan-dere problemen. Allerlei vormen van impliciete of expliciete solidariteit tussen werkenden, op de werkplek of in de samenleving, of in Europees of mondiaal perspectief, zijn minder

vanzelf-125 sprekend als werknemers elkaar als concurrent

beschouwen op de arbeidsmarkt. Dat heeft uiteraard gevolgen voor de vakbeweging.

uitkering, bijstand, wajong of wsw Nederland doet het niet slecht als we kijken naar het werkloosheidspercentage en, in iets mindere mate, dat voor arbeidsongeschiktheid. Niemand verlangt terug naar de crisis van de jaren tachtig waarin jongeren weliswaar een uit-kering ontvingen, maar vaak weinig kans zagen om werk te bemachtigen dat bij hun capacitei-ten paste. Ook kunnen we allemaal opgelucht zijn vanwege het feit dat het aantal van een miljoen arbeidsongeschikten waarover Lubbers in 1990 sprak, nimmer is behaald.

Soms lijkt het echter nu wel zo te zijn dat het aan de kant komen te staan, door ontslag of arbeidsongeschiktheid, niet wordt beschouwd als een risico dat wij allemaal lopen, maar als een persoonlijk falen. Alsof het een keuze is. Er is weinig mededogen voor degene die het over-komt. Zelfs de beschutting van de Wet sociale werkvoorziening (wsw) en Wajong worden beschouwd als tijdelijke voorziening, die men-sen dienen te verlaten als een bepaalde termijn is verstreken. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten die tot 35% van hun verdiencapaciteit verliezen, worden geacht bij hun werkgever een passende werkplek te bemachtigen. Dat deze groep op grote schaal wordt ontslagen, valt onder hun eigen risico.

Er wordt gesproken dat mensen moeten doorwerken tot na hun 65ste, zonder aandacht te besteden aan het feit dat iemand die na zijn vijftigste zonder werk komt te zitten op de arbeidsmarkt een weinig florissante positie inneemt.

Ondersteunend beleid voor kwetsbare groepen blijft hard nodig, terwijl juist daarop nu wordt bezuinigd. Kees Korevaar zei hier onlangs over in Op eigen kracht2: ‘De kenniseconomie is er voor de happy few. Die groep redt zich wel, maar de rest van de werknemers niet. Het is belangrijk om iedereen mee te nemen, want de

verzorgingsstaat trekt zich steeds meer terug.’ Juist ook lager opgeleiden moeten meegenomen worden in ‘een leven lang leren’, en geholpen worden ¬ niet per se in opwaartse mobiliteit, maar minstens in een interessante stap opzij, zodat mensen worden gerespecteerd en ze fit naar de finish worden geholpen.

slechte flex en goede flex

Flexwerk zoals dat nu vaak wordt uitgevoerd brengt in feite hoge kosten met zich mee. Werk-gevers zijn in staat om bijna per uur hun ar-beidsbehoefte te berekenen. Het ondernemers-risico dat er geen werk voorhanden is, wordt op de flexwerkers en daarmee de onderkant van de samenleving afgewenteld.

Is het totale inkomen van deze flexwerkers te laag, dan wordt dat op de collectieve lasten oftewel rekening van de gemeenschap geboekt, in de vorm van uitkeringen. Het afwentelen van leeglooprisico’s, het vermijden van kosten voor zieke werknemers, het opkrikken van de aande-lenkoers door een groter deel variabele kosten (flexwerkers) en lager deel vaste kosten (vaste werknemers) na te streven; het zijn allemaal methoden die slechts op economische winst zijn gericht, met veronachtzaming van de belan-gen van de werknemers en de samenleving als geheel.

Laat niemand geloven dat dit geen financieel maatschappelijk en persoonlijk verlies oplevert. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt zien we een enorme versnippering van werk. Weliswaar hebben we dankzij de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de sociale zeker-heid theoretisch geen ‘working poor’ zoals in Amerika, maar we hebben in de praktijk onze nieuwe werkende armen gecreëerd door de verdeeltijding (kleine baantjes zoals in de schoonmaak waar mensen meer dan één baan nodig hebben om aan een volledig inkomen te komen), en door de opdrachtovereenkomsten zoals die bij de postbedrijven zijn geïntrodu-ceerd. Werkenden verdienen daardoor geen ‘living wage’. Een berekening tussen de eco-Klara Boonstra Flexibel waar het kan, zeker waar het moet

126

nomische opbrengst voor ondernemingen die gebruikmaken van flexwerk, en de maatschap-pelijke kosten van het fenomeen in de vorm van onzekerheid voor werkenden en hun gezin-nen en een groter gebruik van uitkeringen, is broodnodig.

Het voordeel dat werkgevers van flexwerk hebben is trouwens ook twijfelachtig. Henk Volberda, hoogleraar Strategisch Management en Ondernemingsbeleid aan de Erasmus univer-siteit, signaleert bijvoorbeeld dat bedrijven die voortdurend om meer flexibiliteit roepen, zelf de flexibiliteit missen ‘om binnen de condities in te spelen op veranderingen in de markt’. Vol-berda: ‘In Nederland hebben we een veel grotere uitzendmarkt dan in andere landen, we hebben grote aantallen zzp’ers en het personeelsbestand bij werkgevers bevat een flexibele schil. Dankzij deze numerieke flexibiliteit van onze arbeids-markt kunnen bedrijven goed meebewegen met de economische golven. Door het inschakelen van flexibel personeel kunnen ondernemingen pieken en dalen goed opvangen. Anderzijds kan deze numerieke flexibiliteit ook contraproduc-tief werken. Er schuilt een gevaar in een snel wisselend personeelsbestand met uitzend- en oproepkrachten die geen enkele binding heb-ben met het bedrijf. Zo bleek bij een onderdeel van Philips dat het veelvuldig inzetten van laag-waardig uitzendwerk tot veel uitval en een lage productiekwaliteit leidde. Door personeel echter te binden, hen langere arbeidscontracten aan te bieden en te investeren in hun vaardigheden, werden ze breder inzetbaar, daalde de uitval en steeg de productiekwaliteit spectaculair.’ De lasten die ontstaan als een werknemer, flex of vast, zijn werk op welke manier dan ook kwijtraakt en op zoek moet naar een nieuwe baan, zijn hoog. In de kranten wordt vaak gerept van de last van de transitiekosten voor de werk-gever en de overheid als geheel, maar er is wei-nig aandacht voor de transitiekosten, nominale, sociale en vergeet ook de emotionele niet, die de werknemer krijgt te dragen in die situatie. Er moet een veel betere praktijk ontstaan rondom mobiliteit, tussen banen in dezelfde sector en

ook tussen sectoren. Dat kan door ingrijpen van de overheid, maar eigenlijk zouden ook werk-gevers en werknemers op veel grotere schaal hierbij verantwoordelijkheid moeten nemen. Voor de vakbeweging is het van het grootste belang om de drogredenering uit de weg te wer-ken dat vaste werknemers en flexibele werkne-mers elkaars concurrenten op de arbeidsmarkt zijn. Daarvoor zijn verschillende methoden. De tweede methode die Paul de Beer in zijn bijdrage aandraagt (we moeten afstand nemen van onze oude bestaanszekerheid om meer ruimte te bieden aan individuele vrijheid en ontplooi-ing), is in dit verband aansprekend: een sociale basisverzekering voor iedereen, ongeacht het contract dat hij op zak heeft.

Door het invoeren van een sociale basisverze-kering worden de financiële, maatschappelijke en sociale risico’s die nu op flexwerkers worden afgewenteld ondervangen. Helaas lijkt de huidi-ge overheid op huidi-geen enkele manier bereid deze weg te gaan. Daarnaast is een nieuwe discussie nodig over hoe we ook aan de onderkant van de arbeidsmarkt het werk in behoorlijke banen vormgeven, en hoe we weer een sterkere link tussen werk en inkomen realiseren.

We zouden onderscheid moeten gaan maken tussen ‘slechte flex’ en ‘goede flex’, waarbij niet alleen de economische lasten en baten voor werkgevers, maar ook die van de betreffende werknemers en de samenleving als geheel wor-den betrokken.

de handel in flexcontracten

Op de flexmarkt wordt veel geld verdiend. Lees de wervingsvolder van Adecco van 19 oktober 2010: ‘Doordat de markt voor tijdelijk personeel de laatste jaren gecompliceerder en diffuser geworden is, zijn organisaties onnodig veel tijd kwijt aan de samenwerking met soms grote aan-tallen verschillende aanbieders. Immers: steeds meer flexleveranciers hebben zich gespeciali-seerd in specifieke flexvormen, beroepsgroepen en/of sectoren. En elke leverancier hanteert zijn eigen procedures, tarieven,

leveringsvoorwaar-127 den en kwaliteitsnormen. Nu de behoefte aan

flexibiliteit groeit, onder invloed van turbulente economische omstandigheden, kan versnip-perde inkoop remmend werken. De oplossing hiervoor heet msp ¬ Managed Service Provider. Het basisidee is simpel: één leverancier fungeert als venster op de totale flexmarkt. Deze leveran-cier doet zaken met gespecialiseerde detacheer-ders en uitzendetacheer-ders, maar ook met zzp’ers en andere professionals. Al naar gelang de behoefte van de opdrachtgever, kunnen hier nog tal van services aan worden toegevoegd, als On- en Offboarding, training en operationele planning. De eindbeslissing over de in te zetten tijdelijke flexwerker blijft altijd voorbehouden aan de business manager.’

Arbeid is handelswaar, en in dit voorbeeld is er wat betreft zeggenschap over de arbeidsre-latie een grote afwezige: de werknemer die de arbeid feitelijk zal verrichten. Dit geldt te meer als de arbeid ingekocht wordt van goedkope bui-tenlandse aanbieders die het met de rechten van de werknemers niet zo nauw nemen, met name in specifieke sectoren zoals land- en tuinbouw, de vleesindustrie en de onderkant van de uit-zendmarkt. Door selectief te zijn in het afsluiten van cao’s en alleen met betrouwbare partijen in zee te gaan, tracht de vakbeweging hier een dam op te werpen.

verbeter het systeem

Wat Nederland nodig heeft is een ‘high road to flexibility’. Flexibel werken binnen arbeids-relaties die zekerheid bieden. Het beleid van dit moment leidt tot de ‘low road to flexibility’, flexibele contracten zijn onzekere contracten waarbij kostenreductie voor de werkgever cen-traal staat en de risico’s worden afgewenteld op werknemers in de zwakste groepen.

De fnv is niet voor of tegen ‘flexibiliteit’. Essentieel is het antwoord op de vraag: welke flex voor wie en hoe? Dus niet alleen het Nieuwe Werken voor de hoger opgeleide elite, en slechte flexcontracten voor de onderkant en zwakkeren op de arbeidsmarkt. Wel: meer zeggenschap en

invloed van de werknemer op de organisatie van zijn werk, en voldoende zekerheid voor iedereen. Om dit te bereiken is het noodzakelijk het totale beeld van alle elementen van flexicu-rity in de analyse te betrekken. Het syteem moet niet worden versoepeld, maar worden verbe-terd, met als doel zekerheidsarrangementen die niet alleen mobiliteit en flexibiliteit stimuleren, maar het ook bevorderen dat geïnvesteerd wordt (in mensen).

Het gaat erom mensen zekerheid te bieden in een periode van verandering. Maar ook: de bestaande zekerheidsarrangementen te ver-anderen om beter opgewassen te zijn tegen de uitdagingen van de toekomst. Het is nodig om arrangementen te ontwikkelen die onderdeel zijn van een breder en samenhangend pakket met een langetermijnvisie. Arrangementen die uitgaan van de eigen kracht van mensen, en die deze waar nodig ondersteunen. Daarin past een zich moderniserende vakbeweging, die de verbinding blijft leggen tussen de moderne, zelfredzame, autonome werker en de kwetsbare werker aan de onderkant. Beide soorten werk-nemers moet de vakbeweging ondersteuning en belangenbehartiging bieden in de complexe wereld van het werk. Naast de meer traditionele vormen van belangenbehartiging als individu-ele juridische dienstverlening, horen hierbij nieuwe vormen als ‘organizing’ en raadpleging van niet-leden van de vakbond over een al dan niet te sluiten cao.

Daarin passen ook werkgeversorganisaties die erkennen dat maatschappelijk verantwoord ondernemen en investeren in duurzame inzet-baarheid welbegrepen eigenbelang is. En hierin past ten slotte een actieve overheid die inves-teert in dynamische en vitale arbeidsverhoudin-gen en in mensen, in het algemeen belang.

Noten

1 Speech Somavia tijdens unctad-conferentie, Bangkok 15 februari 2000, te vinden op de ilo-site. 2 Kees Korevaar, Op eigen kracht, H. Nelissen, Vianen

2011.

128

129

column

Vandaag ben je heftruckchauffeur bij dhl. Je werkt er al twintig jaar; je werkte er al toen het nog Van Gend & Loos heette. Morgen ben je je baan kwijt. In hun oneindige wijsheid hebben hoge heren, die je nog nooit van dichtbij hebt gezien, besloten twee banen op te knippen in vier banen. Je mag er blijven werken: van 03.00 uur tot 07.00 uur in de nacht. Een geweldig aan-bod, maar niet heus. Hoe is het mogelijk daar je gezin van te onderhouden? Nog een baan erbij? Op welk tijdstip dan?

Voor de goede orde: dit verhaal is niet ver-zonnen. Het ene mens noemt het onrecht als iemand zijn exorbitant hoge salaris ter discus-sie durft te stellen. De ander leeft met onrecht: onzeker van zijn baan, niet veilig in zijn buurt, ongelijk in een rechtszaak tegen iemand die het financieel beter heeft en vechtend voor de toe-komst van zijn kinderen. De heftruckchauffeur was met zijn twintig dienstjaren nog wel een ‘insider’, volgens een aantal politieke partijen. Wat een bof. De ene mens komt alles aanwaaien, de ander moet worstelen om vooruit te komen. Misschien moet je het zelf hebben ervaren om het te zien; de schaamte van het niet rond kun-nen komen. De frustratie bij ouders die het beste willen voor hun kind, maar hun een bijdrage

In document Wat is van waarde? (pagina 121-128)