T OEREKENING AAN VERSTANDELIJK BEPERKTE

In document De doelen van het strafrecht ten opzichte van het sanctioneren van verstandelijke beperkten (pagina 29-33)

HOOFDSTUK 3. HUIDIGE MOGELIJKHEDEN EN DOELEN VAN HET STRAFRECHT MET BETREKKING TOT

3.2 T OEREKENING AAN VERSTANDELIJK BEPERKTE

Het Nederlands rechtssysteem is gebaseerd op het principe dat iedereen als volwassen en volwaardig persoon in staat is om, op basis van zijn cognitieve vermogens, zijn wil en handelen in vrijheid te bepalen. In beginsel kan daarom iedereen verantwoordelijk gehouden worden voor zijn eigen strafbare gedrag met de uitzondering van een jeugdig persoon onder de 12 jaar. Daarbij staat het onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad, en het besef daarvan, centraal. Hierbij gaat men uit van de presumptie dat de persoon voldoende kan overzien wat de mogelijkheden tot handelen zijn, maar ook wat de gevolgen van dergelijk handelen kunnen zijn.84 In een vorig hoofdstuk hebben wij reeds gezien dat bij personen met een verstandelijke beperking juist deze vermogens beperkt zijn.

Mede om die reden zal, indien een zaak door het Openbaar Ministerie voor de rechter wordt gebracht, in het geval van een verstandelijk beperkte verdachte, een mogelijk gevolg van een dergelijke zaak zijn dat de verdachte een beroep zal doen op ontoerekeningsvatbaarheid in de zin van artikel 39 Wetboek van Strafrecht. Cijfers daaromtrent zijn echter niet beschikbaar. Artikel 39 Wetboek van Strafrecht luidt namelijk: ‘Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis,

84 Hummelen & Aben, 2015

psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend’. Een verstandelijke beperking is, zoals reeds eerder uiteengezet, een ontwikkelingsstoornis maar ook het synoniem voor een verstandelijke handicap. Wanneer we dit strikt bekijken spreekt de wet hier niet over ontoerekeningsvatbaarheid maar over de ontoerekenbaarheid of de niet-toerekening van de schuld.85 De wet spreekt dus niet over een ontoerekeningsvatbaarheid van de persoon zelf. Het feit kan de persoon van de dader immers wel toegerekend worden.

Tot 1 januari 2020 luidde de tekst van artikel 39 Wetboek van Strafrecht nog: ‘Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.’ Bij de term ‘gebrekkig ontwikkeld’ moest men denken aan contactstoornissen en zwakzinnigheid, een ander woord voor het nu veel gebruikelijkere verstandelijke handicap of beperking.86 Begrippen als ‘zwakbegaafdheid, geestesziek, licht mentaal gehandicapt, zwakzinnig, geestelijk gehandicapt’ worden namelijk zowel in het dagelijks spraakgebruik als in de wetenschappelijke literatuur door elkaar gebruikt.87 In de jurisprudentie is er geen arrest van de Hoge Raad aan te wijzen die duidelijk uitleg geeft wat precies een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis is. Dit wordt ook door Mevis en Vegter geconstateerd.88 Wel zijn er vaak indirecte aanknopingspunten in de jurisprudentie te vinden. Zo stelt de Hoge Raad89 dat ‘de opvatting dat slechts een stoornis die is omschreven in de DSM-IV-TR90, kan worden aangemerkt als een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens zoals bedoeld in art. 37a91, eerste lid Sr., te beperkt en onjuist is.’ En ‘dat de enkele omstandigheid dat een stoornis wel als zodanig wordt aangeduid in de DSM-IV-TR, evenmin betekent dat de rechter tot het oordeel dient te komen dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van art. 37’. Waarbij moet worden opgemerkt dat de terminologie in artikel 39 Wetboek van Strafrecht, in tegenstelling tot die van artikel 37a Wetboek van Strafrecht, inmiddels gewijzigd is per 1 januari 2020.92 Daarmee is in de praktijk ten behoeve van de tbs-maatregel en de toerekenbaarheid bij verstandelijk beperkten echter niets gewijzigd. De rechter is dus redelijk vrij om iets als een stoornis of gebrekkige ontwikkeling aan te nemen, hier kan dus ook de verstandelijke beperking onder worden geschikt. Toch

85 De Hullu, 2018

86 Tervoort en Leuw, 2006

87 Kars & Zwets, 1998

88 Mevis en Vegter, 2011

89 HR 20 januari 2009

90 Inmiddels is de DSM-IV-TR vervangen door de DSM-V

91 Mogelijkheid tot tbs als maatregel

92 Kamerstukken II 2012/2013, 32399

is het niet gebruikelijk dat de rechter afwijkt van een deskundigenoordeel met betrekking tot het constateren van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling.

Er zijn twee vormen van ontoerekeningsvatbaarheid bekend binnen ons rechtssysteem. Enerzijds kennen we de volledige ontoerekeningsvatbaarheid waarbij de dader tijdens het begaan van de daad onder invloed was van zijn stoornis en zodoende begaat hij het strafbaar feit niet uit vrije wil maar eerder uit volledige beïnvloeding door zijn stoornis. Hierbij is er sprake van een schulduitsluitingsgrond. Anderzijds kennen we de verminderde toerekeningsvatbaarheid die tevens kan bestaan uit sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Hierbij gaat het niet om een schulduitsluitingsgrond maar juist om de mate waarin de gedraging daadwerkelijk aan de verdachte toe te rekenen is.93

Kort gezegd is de ontoerekeningsvatbaarheid het niet verwijtbaar overtreden van een strafbepaling doordat de verdachte lijdt aan een geestelijke stoornis. Dit wil echter niet zeggen dat er geen sprake is van opzet op het feit.9495 In de praktijk wordt daardoor spoedig enig besef aangenomen. Zo blijkt onder meer uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 201096, dat de mogelijke afwezigheid van opzet als gevolg van een psychische stoornis vooral betrekking heeft op het bewustzijn, het cognitieve deel van het opzet, en minder op het volitieve deel van het opzet, het willen. Hierdoor is het mogelijk dat de verdachte een strafvermindering krijgt of zelfs ontslag van alle rechtsvervolging wordt uitgesproken conform artikel 350 Wetboek van Strafvordering.97 Wel is, in een geval zoals bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht, dan het opleggen van een maatregel mogelijk conform artikel 352 lid 2 Wetboek van Strafvordering. Zoals de terbeschikkingstelling conform artikel 37a e.v.

Wetboek van Strafrecht, indien de wettelijke voorwaarden daartoe vervuld zijn.

Onder meer als gevolg van ontoerekeningsvatbaarheid kan er, zoals reeds aangegeven, bij een OVAR conform artikel 37a Wetboek van Strafrecht de maatregel tot terbeschikkingstelling worden opgelegd.

Conform artikel 37a lid 1 Wetboek van Strafrecht is daarvoor vereist dat de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het feit bestond. Naast de wettelijke vereisten uit artikel 37a lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht is hierbij, conform artikel 37a lid 1 Wetboek van Strafrecht, van belang dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist. Doordat, conform artikel 37a lid 1 sub 2 Wetboek van Strafrecht, het van belang is dat de verdachte tevens een gevaar voor de veiligheid van

93 Kelk 2019, p. 254

94 Ten Voorde, 2020

95 Stevens & Prinsen, 2009

96 HR 9 maart 2010

97 Hafmann 1989, p. 46

anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen is, zal er in veel gevallen bij een verstandelijk beperkte geen tbs-maatregel worden opgelegd. Het bepalen of de verdachte een gevaar is voor de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen wordt bepaald door een risicotaxatie.98 Op basis daarvan wordt de kans op herhaling van het gedrag bepaald. Een verstandelijke beperkte hoeft immers niet direct een gevaar voor de maatschappij te zijn waardoor de tbs-maatregel niet opgelegd kan worden.

Conform artikel 37a lid 2 Wetboek van Strafrecht kan de rechter bij toepassing van artikel 37a lid 1 Wetboek van Strafrecht afzien van het opleggen van straf. Ook indien hij van mening is dat het feit wel, deels, aan de verdachte kan worden toegerekend. De rechter geeft een last, als bedoeld in artikel 37a lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht, slechts indien hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – die de betrokkene hebben onderzocht. De gedragsdeskundige verricht onderzoek naar de aanwezigheid, en de reikwijdte, van een aanwezige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. Wanneer die daadwerkelijk gevonden is, is vervolgens de vraag in welke mate die heeft doorgewerkt en de gedragskeuzes van de verdachte heeft beïnvloed. Dit zal resulteren in een advies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid. In paragraaf 3.3.2. zal dieper op de tbs-maatregel worden ingegaan.

Het hebben van een verstandelijke beperking op zich is echter geen verklaring voor het plegen van strafbare feiten. Er zijn immers heel veel mensen met een verstandelijke beperking die geen delicten plegen. Volgens Van den Hazel en Kruikemeier99 is de beperking, indien er sprake is van strafbare feiten en een verstandelijke beperking, vaak wel van invloed op het komen tot strafbaar gedrag. Zij stellen echter dat er geen lineair verband is tussen de beperking en de toerekeningsvatbaarheid. Over die stelling is in de literatuur veel discussie aangezien de wet slechts gelijktijdigheid vereist en niet per definitie vereist dat de stoornis het plegen van het delict heeft veroorzaakt.100

Indien er dus een advies gegeven moet worden over de mate van toerekeningsvatbaarheid moet er vooraf onderzoek worden gedaan naar welke mate van invloed de beperking daadwerkelijk heeft gehad op de keuzes, de bepaling en de controle die die persoon had op het zijn gedrag. Het is voor een verstandelijk beperkt persoon immers lastig om zichzelf te beheersen of controleren door de beperkte cognitieve ontwikkeling die die persoon meemaakt als gevolg van zijn verstandelijke beperking. Het strafrecht gaat bij de toerekening van een strafbaar feit aan een persoon immers uit van de betrekkelijk normale mens. Hierdoor geldt veelal de veronderstelling dat ook een persoon met een verstandelijke

98 Van Esch, 2012

99 Van den Hazel & Kruikemeier, 2017

100 Bijlsma, 2016

beperking gedeeltelijk in staat zou zijn om zijn eigen keuze te maken. Eerder hebben we gezien dat dat gedeeltelijk juist is maar dat het juist voor een verstandelijk beperkt persoon lastig is om dan de juiste keuze te maken.

Bovendien hebben personen met een verstandelijke beperking maar een beperkt vermogen om structuur aan te brengen en gedragsalternatieven te bedenken.101 Schuyt, van Oppenraaij, Vrij en Koudijs zeggen daarom dan ook: ‘De aanwezigheid van een verstandelijke beperking kan reden zijn voor de vaststelling dat sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid in enige mate, maar dit zal slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot volledige ontoerekenbaarheid, waardoor de voor een veroordeling noodzakelijke aanwezigheid van schuld ontbreekt en geen straf kan worden opgelegd.’102 Hoe dat in de praktijk werkt is echter onduidelijk. Wel van belang is daarbij dat het gedrag bij een persoon met een verstandelijke beperking alleen kan worden begrepen vanuit een ontwikkelingspsychologisch perspectief in de context met belangrijke anderen, de context en de leergeschiedenis aldus Van den Hazel en Kruikemeier.103 Bovendien stellen zij dat het onmogelijk is gedrag en gedragsproblemen in

‘hun betekenis te begrijpen vanuit het gedrag dat hier en nu wordt waargenomen, vanuit een alleen beschrijvende (fenomenologische) en classificerende benadering (in DSM-termen) van gedrag. Het is onmogelijk de functie en betekenis van grensoverschrijdend en delictgedrag te begrijpen zonder de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling te kennen. Het in vrije wil en in vrije ruimte kunnen bepalen hoe je zult handelen en reageren op anderen wordt immers niet alleen bepaald door al of niet begrijpen. De verschillende dimensies die het hebben van een licht verstandelijke beperking kenmerken, moeten worden meegenomen in het begrijpen en beschrijven van de relatie tussen stoornis en gedrag.’ 104 Het is dus altijd van belang om een volledig beeld van de verstandelijk beperkte te krijgen alvorens er conclusies getrokken worden uit het delictgedrag in combinatie met de verstandelijke beperking van de verdachte. Hier zal ik in hoofdstuk 4 op terug komen.

In document De doelen van het strafrecht ten opzichte van het sanctioneren van verstandelijke beperkten (pagina 29-33)