Mogelijkheden in het jeugdstrafrecht

In document De doelen van het strafrecht ten opzichte van het sanctioneren van verstandelijke beperkten (pagina 47-55)

HOOFDSTUK 3. HUIDIGE MOGELIJKHEDEN EN DOELEN VAN HET STRAFRECHT MET BETREKKING TOT

3.4 J EUGDSTRAFRECHT

3.4.2. Mogelijkheden in het jeugdstrafrecht

Al in 1965 werd voor jongeren een nieuw sanctiearsenaal gecreëerd waarbij steeds minder het vergeldings- en beveiligingsaspect werd benadrukt maar waarmee een meer opvoedkundig traject in het sanctierecht gestart werd.174 Met de inwerkingtreding op 1 september 1995 van de wet van 7 juli 1994175 is echter de straftoemetingsruimte in het jeugdsanctierecht aanzienlijk uitgebreid waardoor er een grotere mogelijkheid was om het aspect vergelding toe te passen. Tevens werden op dat moment extra mogelijkheden gecreëerd om alternatief te sanctioneren door bijvoorbeeld een leerproject toe te voegen. Per 1 februari 2001176 is die zelfs gepromoveerd tot een zelfstandige hoofdstraf, de taakstraf, in artikel 77h lid 2 en artikel 77m Wetboek van Strafrecht waarbij de nadruk meer ligt op een pedagogisch karakter in de straffen. Immers ten behoeve van behandeling, rechtsherstel of maatschappelijke bescherming ligt het opleggen van een maatregel meer voor de hand.177

In lijn met artikel 40 lid 3 sub b Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en de Richtlijn jeugd van het Openbaar Ministerie hanteert een officier van justitie daarbij het startpunt dat er

171 Stb. 1994, 528

172 RSJ, 2011

173 Kamerstukken II 1992/93, 21 327, nr. 12, p. 6

174 Van der Landen, 1992

175 Stb. 1994, 528

176 stb. 2000, 365

177 Kamerstukken II 2012/2013, 33498, 3, p. 23/4

betekenisvolle interventies moeten plaatsvinden en dat de lichtste vorm van vervolging daarbij moet worden gebruikt.178 Hierbij zal de officier van justitie volgens de Richtlijn steeds een afweging maken tussen de aard en ernst van het delict, de kans op recidive en omstandigheden van de jeugdige. Hierbij zal de aanpak persoonsgericht en contextgericht zijn maar moet de aanpak vooral een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de jeugdige tot een invoegende, autonome en participatieve volwassene waardoor recidive voorkomen kan worden.179 De officier van justitie kan hierbij de zaak buitenrechtelijk af doen door bijvoorbeeld naar Halt, conform art. 77 e Wetboek van Strafrecht, te verwijzen, zoals de politie ook kan doen bij Halt-waardige delicten, of zelf de zaak afdoen via een OM-afdoening conform artikel 77f Wetboek van Strafrecht. Ook kan de officier van justitie de verdachte dagvaarden voor de kinderrechter of de meervoudige kamer. Het OM baseert haar vervolgingsbeslissingen op de pedagogische notitie dat het ‘pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht betekent dat beslissingen en handelingen richting de jeugdige verdachte, waaronder de toepassing van sancties en maatregelen, erop gericht zijn de ontwikkeling van onze jongeren te stimuleren, de jongere te heropvoeden, te resocialiseren en te weerhouden van een verdere criminele carrière’, aldus de Richtlijn.’180 De keuze wordt mede ingegeven door het advies dat de Raad voor de Kinderbescherming geeft met betrekking tot de verdachte. Dit doen zij op basis van het LIJ-onderzoek, Het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafketen, conform artikel 494 Wetboek van Strafvordering. Uit dit onderzoek komt onder meer naar voren of de verdachte verstandelijk beperkt is of op enig andere manier kwetsbaar en of de strafrechtelijke interventie daarop moet worden afgestemd om daadwerkelijk effectief te zijn voor de verdachte. In de Richtlijn komt dat echter niet terug. Daarbij kijkt de RvdK voornamelijk naar een dadergerichte in plaats van een delictgerichte aanpak. In de volgende alinea’s zullen per afdoeningsmogelijkheid de kenmerken worden uitgewerkt. Doordat het jeugdstrafrecht veel overeenkomsten heeft met het commune strafrecht zal ik hierbij slechts de relevante mogelijkheden benoemen die alleen voor jeugdigen of verstandelijk beperkten mogelijk zijn of waarvan de voorwaarden anders zijn dan bij het commune strafrecht. Hierbij zal ik kijken naar hoofdstraffen, maatregelen en buitengerechtelijke mogelijkheden. Tevens zal hierbij gekeken worden of dit specifiek toegepast kan worden op verstandelijk beperkten. Bovendien zal per afdoeningsmogelijkheid worden aangegeven of dit een puur vergeldende of opvoedkundige afdoeningsmogelijkheid is, en of dit in lijn ligt met de generale en speciale preventie.

178 Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt (2021R001)

179 Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt (2021R001)

180 Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt (2021R001)

Hoofdstraffen

De kinderrechter kan verschillende uitspraken doen waarbij de mogelijkheden in beginsel overeen komen met die uit het commune strafrecht. Zo kan hij conform artikel 77g Wetboek van Strafrecht ook hier hoofdstraffen tezamen met bijkomende straffen opleggen en tevens is het mogelijk om maatregelen afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen, bijkomende straffen en met andere maatregelen op te leggen. Toch zijn er ook andere mogelijkheden binnen het jeugdstrafrecht. De strafmodaliteiten die de kinderrechter op kan leggen zijn de taakstraf, bestaande uit een werk en/of leerstraf, de geldboete, gedragsbeïnvloedende maatregelen, jeugddetentie, de PIJ-maatregel en bijkomende straffen en maatregelen conform artikel 77h Wetboek van Strafrecht.

Met de inwerkingtreding van de wet van 7 september 2000181 is ook in het jeugdsanctierecht de taakstraf opgenomen als zelfstandige hoofdstraf en is die neergelegd in artikel 77h lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht. In tegenstelling tot de wet, die een taakstraf als een evenredige hoofdstraf ziet ten op zichten van een geldboete of de jeugddetentie, heeft het OM in diens richtlijn182 het uitgangspunt neergelegd dat zij bij jeugdigen een taakstraf opleggen of ter zitting dit als strafeis hebben, tenzij er ernstige redenen zijn om strenger te eisen. Geheel in lijn met de pedagogische doelen van het jeugdstrafrecht waarbij eerst gekeken zal worden of er mogelijkheden zijn om de jeugdige iets bij te brengen in plaats van kaal af te straffen en het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind waaruit blijkt dat vrijheidsbeneming bij minderjarigen het ultimum remedium is. Bovendien is dit in lijn met artikel 37 Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind waarin aangegeven is dat bij een jeugdige vrijheidsberoving het uiterste middel moet zijn. De taakstraf kan in Nederland, voor minderjarigen, worden onderscheiden in een leerstraf en een werkstraf. Hierbij ligt de mogelijkheid voor de kinderrechter open om een combinatie van beiden op te leggen conform artikel 77m juncto 22c e.v. Wetboek van Strafrecht. Op verstandelijk beperkten zijn geen speciale werkstraffen ingericht.

Wel kan er in de executiefase rekening gehouden worden met de beperking van de bestrafte door de intensiviteit of werkzaamheden aan de mogelijkheden van de verstandelijk beperkte aan te passen.183 Met betrekking tot de leerstraffen is er echter wel een breed scala aan mogelijkheden. Voorbeelden daarvan zijn leerstraffen die cognitieve sociale vaardigheden moeten verbeteren, gericht zijn op seksualiteit, middelengebruik aanpakken of juist trachten de agressie van de bestrafte te reguleren.184 Hierbij kan dus maatwerk geleverd worden voor de verstandelijk beperkte door in de executiefase

181 stb. 2000, 365

182 Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt (2021R001)

183 Mijnarends, 2017

184 Mijnarends, 2017

daarvan specifiek te bezien welke vorm van een leerstraf geschikt is voor de verstandelijk beperkte dader in dat specifieke geval.

Sinds de invoering van het taakstrafverbod is het verboden om als rechter een taakstraf op te leggen wanneer het gaat om een misdrijf waarop de maximale straf zes jaar of meer betreft en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad.185 In dergelijke gevallen zal de taakstraf dan tenminste gecombineerd moeten worden met een gedragsbeïnvloedende maatregel, een (voorwaardelijke) jeugddetentie of een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel. Door dit taakstrafverbod is het lastiger voor de rechter om maatwerk te leveren met betrekking tot de verstandelijk beperkte dader in het kader van bijvoorbeeld een leerstraf. Er zal hierbij dus volgens de wet sneller een zwaardere straf moeten worden opgelegd.

De geldboete is conform artikel 77l juncto artikel 23 lid 2 Wetboek van strafrecht ten minste drie euro maar bedraagt ten hoogste 4350 euro conform artikel 77l lid 1 juncto artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht. Het draagkrachtbeginsel conform artikel 24 Wetboek van Strafrecht is conform artikel 77a Wetboek van Strafrecht buiten toepassing gelaten. Hierbij is echter wel in de Richtlijn en kader strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten halt, met zoveel woorden aangegeven dat bij het bepalen van de geldboete rekening wordt gehouden met de draagkracht.186 Om die reden wordt de geldboete in het jeugdstrafrecht nauwelijks opgelegd. De veroordeelde jeugdige heeft vaak geen, of een zeer laag jeugdig, inkomen waardoor de geldboete snel een hevige inbreuk maakt op het draagkrachtbeginsel zoals ook in artikel 24 Wetboek van Strafrecht en de richtlijn is neergelegd.

Jeugddetentie is de meest verregaande straf die opgelegd kan worden aan een minderjarige dader van een misdrijf en de enige vrijheidsbenemende straf in het jeugdstrafrecht. Het plaatsen van een jeugdige in jeugddetentie kan bij een jeugdige, die de leeftijd van 12 jaar maar nog niet de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, conform artikel 77h jo. 77i Wetboek van Strafrecht voor maximaal 12 maanden worden opgelegd. Bij 16- en 17-jarigen is dat maximum verdubbeld naar 24 maanden conform artikel 77i lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht. Hierbij had de rechter tot 1 januari 2020 conform artikel 77j Wetboek van Strafrecht de mogelijkheid om de jeugdige voorwaardelijk in vrijheid te stellen maar had de rechter ook de mogelijkheid om een voorkeur uit te spreken voor plaatsing in een justitiële jeugdinrichting. Dat kan voor jeugdigen met een verstandelijke beperking van groot belang zijn. Binnen de verschillende justitiële jeugdinrichtingen worden namelijk diverse soorten plaatsen voor verblijf onderscheiden en zijn bepaalde inrichtingen speciaal ingericht voor verstandelijk beperkte daders. Zo heeft de JJI Lelystad drie groepen beschikbaar die speciaal zijn ingericht op jeugdigen met een IQ onder

185 Stb. 485, 2013

186 Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt (2021R001)

de 70 waarbij er een specifiekere manier van begeleiding en specifiekere kennis en ervaring bij de medewerkers aanwezig zijn. Ook heeft diezelfde JJI Lelystad, maar ook RJJI Den Hey-Acker, bepaalde Very Intensive Care, VIC, groepen waar specifiek plaats is voor verstandelijk beperkten die tevens ernstige psychiatrische problematiek hebben waar zij specifieke behandeling voor nodig hebben.187 Deze mogelijkheid uit artikel 77j Wetboek van Strafrecht is echter op 1 januari 2020 komen te vervallen. Toch zijn restanten van die regeling, waarbij de rechter invloed had op de tenuitvoerlegging van door hem opgelegde vrijheidsbenemende sancties, te vinden in artikel 6:1:1 lid 3 en artikel 6:6:31 lid 7 Wetboek van Strafvordering waarin de rechterlijke adviesbevoegdheid kan worden gelezen. Ook is het mogelijk om de jeugdige in een nachtdetentie te laten verblijven. Binnen een nachtdetentie gaan de jeugdigen overdag naar school maar zitten zij buiten schooltijd en in de nachten in een justitiële jeugdinrichting. Hierdoor kunnen de jeugdigen een opleiding blijven volgen of hun werk blijven doen terwijl zij in detentie zitten.188 Binnen de justitiële jeugdinrichting is voor de minderjarige een plan opgesteld waarbij de te bereiken doelen binnen de inrichting zijn vastgelegd. Hierop wordt tevens het onderwijs van de jeugdige afgestemd waarbij hij een op de persoon toegesneden behandeling met erkende gedragsinterventies krijgt.189

Het doel van jeugddetentie is volgens het Openbaar Ministerie een ‘krachtige correctie voor een jeugdige’.190 Hiermee lijkt het in eerste instantie geen straf te zijn die overeen komt met de pedagogische gedachte uit het jeugdstrafrecht. Toch laat de opleiding en het programma binnen jeugddetentie de pedagogische insteek vanuit het jeugdstrafrecht zien.

Maatregelen

Met de inwerkingtreding op 1 februari 2008 van de wet van 20 december 2007191 is het sanctierecht voor jeugdigen uitgebreid met de maatregel aangaande het gedrag van de jeugdige. Indien de rechter van mening is dat opsluiting van een jeugdige een te zware straf is maar een voorwaardelijke straf te licht, dan kan de jeugdige deze gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd krijgen conform artikel 77h juncto artikel 77w e.v. Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel kan slechts worden opgelegd indien de ernst van het misdrijf of de veelvuldigheid van de begane misdrijven daar aanleiding toe geven en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De maatregel voorziet in een vorm van vrijheidsbeperking voor de duur van ten minste zes maanden en

187 https://www.dji.nl/justitiabelen/jongeren-in-detentie/straffen-en-maatregelen geraadpleegd op 04-04-2021

188 Van der Heide & Eggen, 2003

189 Kamerstukken II 2012/2013, 33498, 3

190 Openbaar Ministerie, 2010

191 Stb. 2007, 575

ten hoogste een jaar. Het accent ligt hierbij niet op de straf maar juist op gedragsverandering waarbij het belang van de jongere en bescherming van de maatschappij voorop staan. 192

Een gedragsbeïnvloedende maatregel bestaat uit een of meer trainingen of behandelingen van de dader waarbij de jeugdreclassering toezicht houdt op het verloop daarvan.193 Hierbij kan een gedragsbeïnvloedende maatregel bijvoorbeeld bestaan uit een training en/of behandeling in sociale vaardigheden of het omgaan met agressie. Het belang van een ‘zo gunstig mogelijke ontwikkeling’

staat daarbij voorop zoals ook te lezen is in artikel 77w lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht. Hierbij is beoogd om de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding of (her)opvoeding te vergroten door een specifiek daarop gerichte jeugdsanctie in het leven te roepen. Het idee is hierbij om heroepvoedend karakter van de maatregel verder te versterken.194 Dit is volledig in lijn met de opvoedkundige insteek van het jeugdstrafrecht. De gedragsbeïnvloedende maatregel is geen vrijheidsberovende maatregel maar heeft als stok achter de deur wel de vervangende jeugddetentie indien de jeugdige de aan de gedragsbeïnvloedende maatregel gebonden voorwaarden overtreedt.

De maatregelen kunnen effectief zijn voor personen met een verstandelijke beperking mits de voorwaarden die daaraan gekoppeld zijn, of het daadwerkelijk programma, toezien op de specifieke noden van de verstandelijk beperkte.195 Hierop moet er dus door de raad voor de kinderbescherming een speciaal programma gemaakt worden met gedragsinterventies specifiek gericht op de verstandelijk beperkte zelf. Daardoor is maatwerk geboden maar kan een gedragsbeïnvloedende maatregel wel goed werken in het kader van speciale preventie. Het is dus onmogelijk om de gedragsbeïnvloedende interventie op te leggen voor een dader die voor de eerste keer in zijn leven een feit pleegt dat tevens niet zo zwaar is, gezien artikel 77w lid 1 Wetboek van Strafrecht. Op die manier is het lastig om een verstandelijk beperkte die voor de eerste keer met justitie in aanraking komt deze maatregel op te leggen.

De PIJ-maatregel, Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen, conform artikel 77h juncto artikel 77s en verder Wetboek van Strafrecht,196 is de zwaarste strafrechtelijke maatregel die aan een jeugdige kan worden opgelegd en werd gebaseerd op een advies van de Commissie Terbeschikkingstelling en sanctietoepassing geestelijk gestoorde delinquenten.197 Met een PIJ-maatregel wordt een jongere met

192 Ministerie van Justitie en Veiligheid, 2017

193 Ministerie van Justitie en Veiligheid, 2017

194 Kamerstukken II 2012/2013, 33498, 3

195 Frowijn e.a., 2017

196 Kamerstukken II 1989/90, 21 327, nr. 3, p. 9

197 Commissie Fokkens: Sancties op maat, 28 juni 1993

een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis opgenomen in een justitiële jeugdinrichting om te worden behandeld en begeleid en hiermee herhaling van het misdrijf te voorkomen. Daarbij moet de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel vereisen en moet de maatregel in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechter wint echter voor hij een PIJ-maatregel op gaat leggen het oordeel van twee gedragsdeskundigen, waarvan één psychiater, in. De voornaamste doelen van de PIJ-maatregel zijn dan ook behandeling en (her)opvoeding van de minderjarige maar bovendien draagt de maatregel bij aan de bescherming van de maatschappij.198 De jongere moet beter toegerust terugkeren in de maatschappij of inmiddels voldoende basisvaardigheden hebben ontwikkeld dat hij zich in de maatschappij weer staande kan houden zonder terug te vallen in crimineel gedrag. Hiermee sluit de PIJ-maatregel duidelijk aan bij de pedagogische invalshoek van het jeugdstrafrecht maar tevens bij het doel van speciale preventie.

De maximale duur van de PIJ-maatregel is zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk is conform artikel 6:6:31 lid 2 Wetboek van Strafvordering juncto artikel 77s lid 3 Wetboek van Strafrecht.

Tot 2014 was de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens geen vereiste en was het slechts nodig dat er een noodzaak van heropvoeding was voor het opleggen van de PIJ-maatregel. Door het toevoegen van dit vereiste is het mogelijk om de PIJ-maatregel om te zetten in een maatregel van tbs indien de veiligheid van de maatschappij dit vereist en de maximale periode van de PIJ-maatregel is verstreken.199 Doordat deze wet pas in 2014 is ingegaan en het moet gaan om feiten die gepleegd zijn na die datum zijn er tot op heden geen jeugdigen waarvan de PIJ-maatregel omgezet is in een tbs. Omdat de PIJ een maatregel betreft kan de maatregel, in tegenstelling tot bijvoorbeeld jeugddetentie, ook eerder worden gestopt indien die niet langer noodzakelijk is.

Halt

De Halt-straf, volgend uit artikel 77e Wetboek van Strafrecht, is mogelijk voor jongeren van 12-18 jaar en is een voorbeeld van een buitengerechtelijke afdoening. Om in aanmerking te komen voor een Halt-straf moet het gaan om een aantal geselecteerde lichte delicten waar maximale schadebedragen voor staan. Gedacht moet hierbij worden aan delicten zoals winkeldiefstal of vernieling. Hierbij moet de jongere het feit bekennen, moet hij instemmen met een Halt verwijzing, en mag de verdachte niet eerder met Halt in aanraking zijn geweest tenzij de officier van justitie toestemming geeft tot een nieuwe Halt verwijzing.200 Er zijn situaties denkbaar dat een verstandelijk beperkte verdachte geen

198 Donner, J.P.H. 10-07-2006, Justitiële Inrichtingen (Brief Minister) over pij-maatregel

199 Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 2.

200 Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt (2021R001)

Halt-straf kan worden opgelegd, gelet op de genoemde voorwaarden voor de straf, ondanks dat de doelstelling van de straf geschikt zou zijn voor de verstandelijk beperkte verdachte. De doelstelling van Halt is immers iedere jongere een kansrijke toekomst te bieden door van fouten te leren en ze goed te maken.201 Halt confronteert hiermee direct de jongeren met hun gedrag én de gevolgen daarvan om op die manier het normbesef bij hen te vergroten. De Halt afdoening is daardoor een directe reactie op het grensoverschrijdende gedrag van de jongeren zonder dat zij daarvoor een strafblad krijgen.

Hierbij is de maximale duur van een Halt-afdoening twintig uur waardoor er geen strafkarakter ontzegd kan worden aan deze vorm van afdoening. Halt probeert hiermee te voorkomen dat het gedrag van jongeren escaleert en probeert hiermee recidive te voorkomen.202

Halt heeft een sterk opvoedkundig karakter en probeert inzicht te creëren in wat je als jeugdige wel en niet kan doen, juist bij jongeren die dat morele besef nog niet hebben. Eerder hebben we gezien dat verstandelijk beperkten dat besef ook, in zekere mate, missen. De sociaal-emotionele beperkingen die aanwezig zijn bij verstandelijk beperkten hebben echter wel consequenties voor de werkzaamheid van Halt.203 Om die reden hebben De Wit et al.204 richtlijnen geformuleerd waaraan interventies voor jongeren met een verstandelijke beperking moeten voldoen. Indien tijdens de Halt-procedure met die richtlijnen rekening gehouden wordt kan de werkzaamheid van de kernelementen bij die jongeren bevorderd worden. Zo is het daarbij van belang dat leeropdrachten concreet zijn en een laag abstractieniveau hebben. Anders zijn de opdrachten te moeilijk voor de verstandelijk beperkte en kan het beoogde doel niet worden bereikt.

Een mogelijk onderdeel van de Halt-afdoening kan een excuusgesprek zijn. Hierdoor wordt Halt ook wel genoemd als een voorbeeld van een herstelrechtelijke interventie.205 Bij verstandelijk beperkten kan er sprake zijn van een minder ontwikkeld taalgebruik en een minder begrip van taal.206 Hayes en Snow207 stellen daarom dat het excuusgesprek van de verstandelijk beperkte verbale vaardigheden

Een mogelijk onderdeel van de Halt-afdoening kan een excuusgesprek zijn. Hierdoor wordt Halt ook wel genoemd als een voorbeeld van een herstelrechtelijke interventie.205 Bij verstandelijk beperkten kan er sprake zijn van een minder ontwikkeld taalgebruik en een minder begrip van taal.206 Hayes en Snow207 stellen daarom dat het excuusgesprek van de verstandelijk beperkte verbale vaardigheden

In document De doelen van het strafrecht ten opzichte van het sanctioneren van verstandelijke beperkten (pagina 47-55)