De doelen van het strafrecht ten opzichte van het sanctioneren van verstandelijke beperkten

94  Download (0)

Hele tekst

(1)

De doelen van het strafrecht ten opzichte van het sanctioneren van verstandelijke beperkten

T.L. (Tom) van Brakel

(2)
(3)

De doelen van het strafrecht ten opzichte van het sanctioneren van verstandelijk beperkten

Een onderzoek naar de huidige strafrechtelijke mogelijkheden ter afdoening van zaken, met name de straftheorieën en doelen daarvan, waarbij de dader een verstandelijke beperking heeft.

Naam: T.L. (Tom) van Brakel

Snr: 1252358

Anr: 646079

Opleiding: Master Rechtsgeleerdheid Begeleider: mevr. mr. dr. L.A. van Noorloos

Datum: 03 mei 2021

(4)
(5)

Inhoudsopgave

VOORWOORD ... 7

LIJST MET AFKORTINGEN ... 9

HOOFDSTUK 1. INLEIDING ... 11

1.1 PROBLEEMBESCHRIJVING ... 11

1.2 ONDERZOEKSDOEL- EN OPZET ... 12

1.3 ONDERZOEKSVRAAG EN DEELVRAGEN ... 13

1.4 THEORETISCH KADER ... 14

1.5 MAATSCHAPPELIJKE EN WETENSCHAPPELIJKE RELEVANTIE ... 14

HOOFDSTUK 2. DE VERSTANDELIJK BEPERKTE IN HET STRAFRECHT ... 17

2.1INLEIDING ... 17

2.2DE DEFINITIE VAN EEN VERSTANDELIJKE BEPERKING ... 17

2.3PREVALENTIE VAN VERSTANDELIJK BEPERKTEN ... 20

2.3.1 Exacte prevalentie ... 20

2.3.2 Reden van prevalentie ... 23

2.4TUSSENCONCLUSIE ... 27

HOOFDSTUK 3. HUIDIGE MOGELIJKHEDEN EN DOELEN VAN HET STRAFRECHT MET BETREKKING TOT VERSTANDELIJK BEPERKTEN ... 29

3.1INLEIDING ... 29

3.2TOEREKENING AAN VERSTANDELIJK BEPERKTE... 29

3.3HET COMMUNE STRAFRECHT ... 33

3.3.1 doelen van het commune strafrecht ... 33

3.3.2. Mogelijkheden in het commune strafrecht ... 35

3.4JEUGDSTRAFRECHT ... 45

3.4.1 Doelen van het jeugdstrafrecht ... 45

3.4.2. Mogelijkheden in het jeugdstrafrecht ... 47

3.5ADOLESCENTENSTRAFRECHT ... 55

3.6DEELCONCLUSIE ... 57

HOOFDSTUK 4. WERKENDE SANCTIONERING ... 59

4.1INLEIDING ... 59

4.2DE STRAF ... 59

4.3VERMINDERING VAN RECIDIVE... 61

4.4PROBLEMEN VOOR DE VERSTANDELIJK BEPERKTE IN DETENTIE ... 62

4.6GEDRAGSINTERVENTIES ... 64

4.7 DEELCONCLUSIE ... 68

HOOFDSTUK 5. ANALYSE, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ... 69

5.1INLEIDING ... 69

5.2ANALYSE ... 69

5.3CONCLUSIE ... 70

5.4AANBEVELINGEN ... 72

LITERATUURLIJST ... 75

(6)
(7)

Voorwoord

Allereerst wil ik mijn dank betuigen aan mevr. mr. dr. L.A. van Noorloos. Zonder uw deskundige, kritische maar bovenal raadzame adviezen en begeleiding was het mij niet gelukt om tot een mooi eindresultaat te komen. Bovendien wil ik mevr. mr. S.R.B. Walther en mevr. dr. A.K. Bosma

bedanken. Zij hebben mij met adviezen op het onderwerp van deze scriptie gebracht en hebben mij, ondanks de moeilijke periode waarin ik zat, op het rechte pad hieromtrent gezet.

Maar vooral wil ik deze scriptie opdragen aan mijn zusje. Zoals Jean Piaget ooit zei is intelligentie iets wat je gebruikt wanneer je niet weet wat je moet doen. En juist door die beperking is jou overkomen wat je overkomen is. Ik hoop met deze scriptie dan ook zorg te dragen dat er een beter kader komt voor daders in dergelijke omstandigheden. Daarom lieve Tess, is deze scriptie voor jou.

Tom van Brakel Tilburg, april 2021

(8)
(9)

Lijst met afkortingen

DSM-IV-TR Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 4th Edition

DSM-V Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition

FPA Forensisch Psychiatrische Afdelingen

ISD Inrichting stelselmatige daders

IQ Intelligentiequotiënt

JJI Justitiële Jeugdinrichting

Jo. Juncto

LIJ Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafketen

LVB Licht Verstandelijke Beperking

NIFP Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en

Psychologie

OM Openbaar Ministerie

OVAR Ontslag van alle rechtsvervolging

OvJ Officier van Justitie

PIJ Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen

RJJI Rijks Justitiële Jeugdinrichting

RvdK Raad voor de Kinderbescherming

SCIL Screener voor Intelligentie en Licht verstandelijke beperking

SCP Sociaal en Cultureel Planbureau

SEO-R Schaal voor Emotionele Ontwikkeling bij mensen met een

verstandelijke beperking – Revised

Tbs Terbeschikkingstelling

VGN Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland

VIC Very Intensive Care

WODC Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

(10)
(11)

Hoofdstuk 1. Inleiding

1.1 Probleembeschrijving

‘Adolescenten kunnen onder het jeugdrecht worden gestraft. Dit is echter maar tot 23 jaar. We doen hier wel wat goeds in maar de discussie over wat passend is zou meer gevoerd moeten worden.’1

‘Zembla onthult: Seksueel misbruik onder verstandelijk gehandicapten groot onzichtbaar probleem in Nederland’2 en ‘Bijna kwart verstandelijk gehandicapte vrouwen misbruikt’.3 Zomaar twee koppen op journalistieke platformen die de noodklok luiden aangaande het seksueel misbruik met betrekking tot verstandelijk beperkten. Opvallend hierbij is dat het meerendeel van de daders ook een verstandelijke beperking blijkt te hebben, zoals onder meer Balogh stelt.4 Zo blijkt ook uit het rapport van de Commissie Samson, waar het voornamelijk gaat om seksueel misbruik van door de overheid uit huis geplaatste kinderen, dat in meer dan de helft van de gevallen (zo’n 58 procent) groepsgenoten de pleger van seksueel grensoverschrijdend gedrag zijn.5 Mensen met een verstandelijke beperking vinden het moeilijker om het verschil te zien tussen wat zou moeten horen en hoe zij het zien en kunnen daardoor, in combinatie met het feit dat zij beelden letterlijk nemen, een verkeerde weergave van de werkelijkheid hebben. Hierdoor kunnen zij snel een strafbaar feit plegen, zoals seksueel misbruik, zonder dat zij doorhebben dat dit daadwerkelijk een strafbaar feit betreft. Dat geldt echter ook voor veel andere strafbare feiten. Veel voorkomende strafbare feiten bij verstandelijk beperkten, voornamelijk in instellingen, zijn vernieling, brandstichting, diefstal, bezit van of handel in wapens of drugs, heling, oplichting, uitbuiting, huisvredebreuk, fraude, valsheid in geschrifte en het eerder genoemde seksueel misbruik.6 Bij oplichting of fraude zal niet direct aan een dader met een verstandelijke beperking gedacht worden, maar hierbij gaat het veelal om beperkten die bijvoorbeeld als katvanger fungeren bij een strafbaar feit. Personen met een verstandelijke beperking zijn daardoor oververtegenwoordigd binnen de strafrechtketen. Exacte cijfers hiervan zijn niet bekend maar schattingen variëren van 10% tot 45%.7 Belangrijk om daar bij te vermelden is dat in onderzoeken waar de schattingen oplopen tot 45% vaak zwakbegaafden mee zijn genomen in het onderzoek. Hier zal ik in hoofdstuk 2 dieper op in gaan.

Personen met een dergelijke verstandelijke beperking zullen in het strafrecht als een normaal volwassen persoon worden beoordeeld en bestraft. Dit terwijl een jeugdige, gezien zijn cognitieve

1 H. Kaal in NPO Radio 1, De Publieke Tribune (Human) [radio-uitzending] over Licht verstandelijke beperking en criminaliteit. 27 januari 2020

2 Zembla, 2017

3 Trouw, 2011

4 Balogh e.a. 2001, p. 194-201

5 Samson, 2012

6 Kaal 2019

7 Kaal, Smits & Vrij, 2017

(12)

achterstand en ontwikkeling, anders bestraft wordt en er in het jeugdstrafrecht andere doelen zijn met betrekking tot het straffen van daders dan in het commune strafrecht. Daar waar een normaal begaafd persoon in zijn ontwikkeling tot een volwassen persoon doorontwikkelt zal een persoon met een verstandelijke beperking hierop achterblijven. De geboortedatum van personen met een verstandelijke beperking impliceert in veel gevallen dan ook volwassenheid terwijl de mentale gesteldheid die absoluut niet ondersteunt. Bij mensen met een licht verstandelijke beperking is de

‘cognitieve leeftijd’ bijvoorbeeld, bij een IQ tussen de 50 en 70, vergelijkbaar met dat van een kind tussen de 6 en 12 jaar oud.8 Ook de ontwikkeling van inzicht en vaardigheden op sociaal en emotioneel vlak gaat langzamer.9

Indien een verstandelijk beperkte pleger, van bijvoorbeeld een zedendelict, voor de rechter staat is het niet uitgesloten dat er een afdoening komt die niet zorgt voor een oplossing of een les uit het gepleegde delict. Hiervoor zijn verschillende redenen maar het grootste probleem is mogelijk dat de verstandelijk beperkte dader als volwassene berecht zal worden terwijl zijn ontwikkeling nog steeds die van een kind of minderjarige volgt. De vraag die hierbij dus gesteld kan worden is of dit de juiste manier is om een verstandelijk beperkte te sanctioneren. De doelen en gevolgen van een straf kunnen dus haaks staan op het effect dat het heeft op een verstandelijk beperkte. Uit bovenstaande kan worden opgemaakt dat het huidig strafrechtelijk kader met betrekking tot het sanctioneren van verstandelijk beperkten mogelijk niet passend is. Mogelijk dat de doelen van het strafrecht door de huidige wijze van sanctioneren niet gehaald worden. Is een bestraffing van de verstandelijk beperkte dader wel op zijn plaats? Of zijn juist andere mogelijkheden die ons systeem geeft, voor bijvoorbeeld minderjarigen, een uitkomst doordat die eerder een opvoedkundig of reparatief karakter hebben?

1.2 Onderzoeksdoel- en Opzet

Het doel van dit onderzoek is het geven van een gefundeerde beoordeling met betrekking tot de vraag in hoeverre het huidige systeem van sanctioneren passend is bij de verstandelijk beperkte dader, met het oog op mogelijke verbeteringen van dit systeem. Gestreefd is om aan de hand van de bekende literatuur met betrekking tot de verstandelijk beperkte, uit de sociale- en medische wetenschap, alsmede de bekende literatuur, wetgeving en wetshistorie met betrekking tot het sanctiestelsel en de doelen van het strafrecht te bezien in hoeverre het huidig stelsel geschikt is voor een verstandelijk beperkte of hierop zou moeten worden aangepast. Om dit onderzoeksdoel te kunnen bereiken is een literatuurstudie gedaan dat zich voornamelijk richt op de Nederlandse literatuur op het gebied van het huidige stelsel en de doelen waarop het Nederlands strafrecht is gestoeld. Daarnaast is een studie

8 Roos, 2017

9 Roos, 2017

(13)

gedaan naar de Internationale literatuur met betrekking tot de verstandelijk beperkte in zijn algemeenheid alsmede de verstandelijk beperkte in het strafrecht. Bij de analyse is in het bijzonder gekeken naar verschillen, leemten en verbeteringen met betrekking tot passende sancties bij een verstandelijk beperkte. Hiertoe is allereerst invulling gegeven aan de sociaal- en medisch wetenschappelijke definitie van de verstandelijk beperkte en de informatie die over werkende sanctionering in het kader van vergelden of het voorkomen van delinquent gedrag bekend is.

Vervolgens is een beschrijving gegeven aangaande de wettekst, literatuur en de praktijk met betrekking tot het geldend sanctiestelsel en de doelen van het strafrecht waarop die is gebaseerd.

Hierbij is telkens uitgegaan van een volwassen verstandelijk beperkte dader van een misdrijf, leeftijd boven de 23 jaar, maar zijn de sancties en doelen van het jeugdstrafrecht meegenomen om te bezien of de doelen en sancties die daaruit voortvloeien ook passend, anders of beter zijn voor de verstandelijk beperkte dader. Nadat deze onderwerpen uiteen gezet zijn zullen in dit onderzoek de huidige mogelijkheden, en diens doelen, vergeleken worden bij de geschiktheid voor de verstandelijk beperkte dader. Vervolgens zal hieruit een conclusie vloeien waarin een antwoord op de onderzoeksvraag gegeven wordt. Tot slot sluit het onderzoek af met aanbevelingen die beogen het huidig sanctiestelsel preciezer toe te meten op de verstandelijk beperkte dader.

1.3 Onderzoeksvraag en Deelvragen

Hetgeen in het voorgaande besproken is resulteert in de volgende onderzoeksvraag:

‘Biedt ons huidige strafrecht voldoende mogelijkheden met betrekking tot het sanctioneren bij een misdrijf waarbij de dader een verstandelijke beperking heeft, bezien in het kader van de huidige doelen waarop het commune- en jeugdstrafrecht gebaseerd zijn?’

De onderzoeksvraag wordt beantwoord aan de hand van de volgende deelvragen:

1. Wat is een verstandelijke beperking en waarom zijn verstandelijk beperkten oververtegenwoordigd in het strafrecht?

2. Welke mogelijkheden biedt het strafrecht op dit moment om verstandelijk beperkte daders te sanctioneren?

3. Wat zijn de doelen van het commune- en het jeugdstrafrecht?

4. Welke sancties kunnen werken bij het voorkomen van strafbaar gedrag bij een verstandelijk beperkte? Dit in direct verband tot de doelen zoals gesteld onder deelvraag 3.

(14)

1.4 Theoretisch Kader

De definitie van de strafrechtelijke sanctie is een door de rechter op te leggen straf of maatregel in het geval de rechter vastgesteld heeft dat een feit bewezen is, het bewezen feit strafbaar is en de verdachte strafbaar is. Om die reden is het Wetboek van Strafrecht, als commuun strafrecht, voornamelijk van belang in dit onderzoek.

Het sanctiestelsel binnen het strafrecht gaat echter verder dan alleen het Wetboek van Strafrecht en –Strafvordering. Ook de Penitentiaire beginselenwet en het gebruik van maatregelen en sancties in de praktijk is van belang.

Ook de sociaal- en medisch wetenschappelijke benadering van de verstandelijk beperkte speelt in dit onderzoek een rol. De sociale wetenschap en de medische wetenschap met betrekking tot de verstandelijk beperkte overlappen elkaar grotendeels. Bij beiden gaat het om de kenmerken van een verstandelijk beperkte. Hierdoor is de definitie van een verstandelijke beperking, zoals gegeven door de American Association of Mental Retardation en vastgelegd in de DSM V10, van belang. Hierdoor gaat dit onderzoek verder dan enkel een strafrechtelijk theoretisch kader. De doelen van het strafrecht, bijvoorbeeld vergelden, zijn niet in de wetgeving vastgelegd maar blijken voornamelijk uit de wetshistorie, de achterliggende gedachten van die wet en de strafrechtelijke literatuur.

1.5 Maatschappelijke en wetenschappelijke relevantie

Binnen de strafrechtketen is er steeds meer aandacht voor de verstandelijk beperkte verdachte.

Bovendien lijkt de maatschappelijke tendens enerzijds te zijn dat er strenger gestraft moet worden maar anderzijds lijkt de juridische focus meer te verschuiven van het straffen van een dader naar het voorkomen van recidiverende gedragingen door het toepassen van zorg en voornamelijk resocialisatie.11 Middenin die discrepantie bevindt zich de verstandelijk beperkte dader van een strafbaar feit. Daar waar op het eerste oog een verstandelijk beperkte verdachte thuis hoort in een zorgkader komt hij door zijn beperkingen vaak in het strafrecht terecht en zal daar een juridische beslissing genomen moeten worden met betrekking tot het sanctioneren van de betreffende persoon.

Middels dit onderzoek zal ik proberen om te bezien of de doelen van het huidig rechtssysteem daar voldoende op ingericht zijn en indien dat niet het geval is zal ik aanbevelingen doen hoe het strafrecht beter ingericht kan worden voor de verstandelijk beperkte. Op die manier dient dit onderzoek het algemeen belang door te voorkomen dat verstandelijk beperkten op een onjuiste wijze gesanctioneerd worden waardoor recidive niet voorkomen kan worden. Bovendien dient het ook het belang van de verstandelijk beperkte dader die hierdoor een passendere sanctie zal krijgen. Daarnaast is het beschouwen of het op dit moment aanwezige strafrechtelijk kader voldoende mogelijkheden voor de

10 American Psychiatric Association (APA), 2014

11 RSJ, 2018

(15)

verstandelijk beperkte dader biedt wetenschappelijk gezien ook relevant. In wetgeving is steeds meer aandacht voor de verstandelijk beperkte in het strafrecht, zie bijvoorbeeld ook de invoering van het adolescentenstrafrecht in 2014.12 Maar ook in de literatuur is meer aandacht voor de verstandelijk beperkte binnen het strafrecht.13 Er is hierbij veel aandacht voor het herkennen van de verstandelijk beperkte en de omgang daarmee. De doelen van het strafrecht zijn echter niet eerder tegen het licht van de sanctionering van de verstandelijk beperkte dader gehouden. Daardoor leidt dit onderzoek tot een toevoeging aan de huidige stand van de wetenschap.

12 Kamerstukken II 2012/2013, 33498, 3

13 Kaal, 2016

(16)
(17)

Hoofdstuk 2. De verstandelijk beperkte in het strafrecht

2.1 Inleiding

Lange tijd werden begrippen als debiliteit of imbeciliteit gebruikt om een gradatie aan te geven in de zwakzinnigheid of in de vorm van handicap van personen. Deze termen zijn echter verouderd en worden tegenwoordig zelfs als discriminerend beschouwd. Tegenwoordig gebruikt men hiervoor het verzamelbegrip verstandelijke handicap of beperking.14 Hoewel de term ‘verstandelijk beperkt’ het individu geen recht doet maakt de term wetenschappelijk categoriseren makkelijker. Zo zegt de term in beginsel weinig over het functioneren van het individu. Maar wat is de verstandelijke beperking waarover wij spreken? En overheerst deze groep daadwerkelijk in het strafrecht en indien dat het geval is, waarom? In dit hoofdstuk zal nader worden ingegaan op de deelvraag: ‘Wat is een verstandelijke beperking en waarom zijn verstandelijk beperkten oververtegenwoordigd in het strafrecht?’ Om de deelvraag te kunnen beantwoorden zal eerst worden ingegaan op de wetenschappelijke definitie van de verstandelijke beperking. Vervolgens zal worden aangegeven of de verstandelijk beperkte veel voorkomt in het strafrecht en zal worden uitgelegd waarom dat is. Hierbij zal een koppeling gemaakt worden tussen de kenmerken van een verstandelijk beperkte en de strafrechtelijke gevolgen die hieruit voort kunnen komen. Tot slot komen de belangrijkste bevindingen, die volgen uit dit hoofdstuk, in de deelconclusie aan bod.

2.2 De definitie van een verstandelijke beperking

Bij de verstandelijke beperking waarover wij spreken moet het gaan om enerzijds een beperking die ontstaan is voor het 18e levensjaar, om een onderscheid te maken met niet aangeboren hersenletsel, en anderzijds moet het gaan om een cognitieve functiestoornis.15 Daar wordt onder meer de waarneming, het geheugen, de vaardigheden, de concentratie en de aandacht onder verstaan.16 De meest gebruikte definitie van een verstandelijke beperking is gegeven door de American Association of Mental Retardation, die zij hebben neergelegd in: ‘Intellectual Disability: Definition, Classification, and Systems of Supports’.17 De definitie die zij geven aan een verstandelijke beperking is de volgende:

‘Intellectual disability is a disability characterized by significant limitations in both intellectual functioning and in adaptive behavior, which covers many everyday social and practical skills. This disability originates before the age of 18.’18

14 Vandereycken en Van Deth 2004, p. 86

15 Došen 2005, p. 19

16 Braanker 2010, p. 311

17 Schalock e.a. 2010

18 http:/www.aaidd.org geraadpleegd op 03 april 2021

(18)

Het is hierbij dus van belang dat er niet alleen een beperking van het intellectueel vermogen is, denk hierbij aan tekorten in het taalbegrip, probleemoplossend gedrag en het vermogen te leren door ervaringen, maar ook van het aanpassingsvermogen. Hierbij valt te denken aan communicatie, persoonlijke onafhankelijkheid en sociale participatie.

De gebruikelijke indeling voor verstandelijke beperkingen berust van oudsher op het IQ. Het IQ geeft normaliter de relatie aan tussen een mentale leeftijd en de kalenderleeftijd.19 Het gemiddelde IQ in Nederland bij volwassenen is 100.20 Verstandelijk gehandicapten hebben een lager intellectueel vermogen dan gemiddeld en een IQ van onder de 70.21 Volgens het SCP22 gaat het hierbij om zo’n 400.000 personen in Nederland. Bij een dergelijk intellectueel vermogen, een IQ van 70 of lager, hoort volgens Rooijmans, en anderen, een ontwikkelingsleeftijd tot 12 jaar oud.23 Sinds een paar jaar staat de intelligentiescore echter niet langer meer centraal in de DSM-V24 omdat het IQ alleen geen volledig beeld kan schetsen van de beperkingen die een persoon in het dagelijks leven ervaart. Zo zijn er tekorten op elk niveau van adaptief gedrag mogelijk bij conceptuele, sociale en praktische vaardigheden die vereist zijn om zich aan te passen aan de gebruikelijke wijze van handelen.25 Hierdoor wordt het IQ bezien in een relatie tot het aanpassingsvermogen dat de persoon met een verstandelijke beperking heeft.2627 Een andere reden voor het niet langer centraal stellen van het IQ is dat personen met een verstandelijke beperking op diverse onderdelen van een intelligentietest zeer divers kunnen scoren. Dit wordt een disharmonisch intelligentieprofiel genoemd.28 Het is daarom dan ook belangrijk om bij diagnostiek goed te letten op de scores van de verschillende onderdelen van de intelligentietest om de sterke en zwakke kanten van een persoon helder te krijgen.

Verstandelijk beperkten doorlopen op alle domeinen, cognitief, emotioneel en sociaal, de normale ontwikkelingsstadia die een normaal persoon ook doorloopt. Wel gaat dat in een trager tempo en bereikt de ontwikkeling sneller een plafond.29 Vaak vertoont de sociaal-emotionele ontwikkeling zelfs een nog grotere achterstand op dan op basis van het cognitief functioneren zou worden verwacht.30 Hoewel zij bijvoorbeeld seksueel wel gevoelens en gedragingen krijgen blijven zij qua

19 Van de Sleen e.a., 2010

20 SCP, 2019

21 Došen, 2005

22 SCP, 2019

23 Rooijmans e.a, 2005

24 American Psychiatric Association (APA), 2014 25 Blockstaele & de Clerck, 2014

26 Hove & van Loon, 2006 27 Kaldenbach, 2015

28 Kraijer, 2006

29 Hodapp e.a., 1998

30 Roos, 2017

(19)

hersencapaciteiten daarop achter. De geboortedatum van personen met een verstandelijke beperking impliceert daardoor in veel gevallen dan ook volwassenheid terwijl de mentale gesteldheid die absoluut niet ondersteunt. Bij mensen met een licht verstandelijke beperking is de ‘cognitieve leeftijd’

bijvoorbeeld, bij een IQ tussen de 55 en 70, vergelijkbaar met dat van een kind tussen de 6 en 12 jaar oud.31 Dit kan worden ingeschat door gebruik te maken van een beoordelingsschaal als de SEO-R waarbij een vergelijking gemaakt kan worden met de normale ontwikkeling van kinderen.32 Ook de ontwikkeling van inzicht en vaardigheden op sociaal en emotioneel vlak gaat langzamer.33 Zo kan het zijn dat een persoon die cognitief op het niveau van een elfjarige functioneert sociaal-emotioneel kan reageren op een vergelijkbaar niveau met dat van een kleuter.34 Wel kan het zo zijn dat personen met een verstandelijke beperking, en de mentale leeftijd van een kind, op andere vlakken op een hoger niveau functioneren. Volgens Wagenaar moet er dan gedacht worden aan levenservaring, sociale netwerk en de seksuele behoeften op het niveau van volwassenen.35 Om die reden kan de vergelijking met de mentale leeftijd van een kind sterk misleidend zijn.

Indien in dit onderzoek wordt gesproken over een verstandelijk beperkte of verstandelijk gehandicapte zal het altijd gaan om een persoon waarbij de beperking reeds voor zijn 18e jaar is ingetreden, waarbij het gaat om een cognitieve functiestoornis en waarbij het IQ onder de 70 is.

Er zijn verschillende niveaus van verstandelijke beperking. Zo kennen we de lichte verstandelijke beperking met een IQ tussen de 55 en 70, de matige verstandelijke beperking met een IQ tussen de 40 en 55, de ernstige verstandelijke beperking met een IQ tussen de 25 en 40 en de diepe verstandelijke beperking met een IQ lager dan 25. De ernst van de verstandelijke ontwikkelingsstoornis wordt voornamelijk bepaald door het gedrag, de benodigde mate van ondersteuning en de mate van stabiliteit in de eigen sociale context.36 Volgens het SCP gaat het hier in 2018 in totaal om 2,3% van de personen in Nederland als de normaalverdeling gevolgd wordt.37 Personen met een licht verstandelijke beperking vormen hiervan de grootste groep, ongeveer 90%. Dit is een zeer heterogene groep waarbij de personen over het algemeen niet tot ontplooiing komen waar zij, gezien hun potentie, zouden moeten komen.38 Personen met een matig verstandelijke beperking hebben grotere noden dan zij die een licht verstandelijke beperking hebben. Personen met een licht verstandelijke beperking denken

31 Roos, 2017

32 Claes & Verduyn, 2011

33 Roos, 2017

34 Roos & Goedhart, 2017

35 Wagenaar, 2010

36 Van den Hazel & van Toorn, 2017

37 SCP, 2019

38 Feldman, 2013

(20)

vooral in het hier en nu en zijn in staat om sociale vaardigheden aan te leren.39 Personen met een diepe en een ernstige verstandelijke beperking hebben een hogere incidentie van motorische, sensorische en fysische beperkingen. Er is een erg beperkt inzicht in de tijdsstructurering en een erg gebrekkige ruimtelijke oriëntatie volgens Feldman.40 Zij zijn dan ook mogelijk in staat om tot een basale vorm van zelfredzaamheid te komen maar zullen hun gehele leven intensieve begeleiding nodig hebben.

In mijn onderzoek sluit ik personen die zwakbegaafd zijn uit. Zwakbegaafde personen hebben immers een intellectueel vermogen met een IQ dat ligt tussen de 70 en 85 en vallen derhalve niet onder de categorie verstandelijk beperkt.41 In Nederland wordt deze groep wel vaak onder de verstandelijk beperkten gerekend omdat de problematiek vergelijkbaar kan zijn.42 Dit zorgt voor veel inconsistentie in het Nederlands onderzoek naar deze doelgroep. Om die reden heb ik getracht in het vervolg van dit onderzoek in de literatuur een duidelijk onderscheid te maken tussen de zwakbegaafde en de verstandelijk beperkte.

2.3 Prevalentie van verstandelijk beperkten 2.3.1 Exacte prevalentie

Zoals reeds eerder aangegeven komen verstandelijk beperkten relatief vaak voor in de strafrechtketen.

Exacte cijfers lijken onbekend maar de uitkomsten en schattingen variëren tussen de 10% en 45% van het totaal aantal verdachten binnen de strafrechtketen.43 Het geringe onderzoek dat is gedaan, in Nederland maar ook internationaal, geeft een onbetrouwbaar en niet eenduidig beeld. Zo wordt in het buitenland structureel uitgegaan van de definitie verstandelijke beperking bij een IQ lager dan 70, zoals ook in dit onderzoek. Hoewel de DSM-V steeds meer nadruk heeft gelegd op de beperkingen van het aanpassingsvermogen dan op harde IQ-grenzen spreekt men ook daar toch over een IQ dat lager is of gelijk aan 70.44 In Nederland heeft men een bredere opvatting van de term verstandelijk beperkt en wordt ook de groep zwakbegaafden, met een IQ tot 85 en bijkomende problematiek, vaak tot de licht verstandelijk beperkten gerekend. 45 Hierdoor is het lastig om exacte cijfers met betrekking tot de prevalentie van verstandelijk beperkten in de strafrechtketen te vergelijken.

De vraag naar de prevalentie van verstandelijk beperkten binnen het justitiële domein wordt al langer gesteld. Reeds in 2003 deed Geus46 door middel van een vragenlijst een quickscan onder alle

39 Feldman, 2013

40 Feldman, 2013

41 Braanker, 2010

42 Roos, 2017

43 Kaal, Smits & Vrij, 2017

44 Kaldenbach, 2015

45 CIZ, 2016

46 Geus, 2004

(21)

instellingen die vallen onder de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN). Hij vroeg zich voornamelijk af hoeveel verstandelijk beperkten, die onder die instellingen vielen, in 2003 daadwerkelijk als verdachte met de politie in aanraking gekomen waren en voor welke specifieke delicten. Na het verwerken van de gegevens van 78 instellingen bleek dat in 54 van de 78 instellingen een of meerdere personen in aanraking waren gekomen met de politie. Het ging om een totaal van ongeveer 43 duizend personen met een verstandelijke beperking binnen het zorgkader van VGN waarvan 1,5% met de politie in aanraking was gekomen. Deze cijfers betreffen slechts het jaar 2003, over eerdere jaren waren geen cijfers bekend, en het ging hierbij slechts om verstandelijk beperkten binnen een zorgkader. Toch bieden deze cijfers een interessant inzicht in de prevalentie van verstandelijk beperkten in de strafrechtketen.

Zo stelt Geus dat 36,1% van de verstandelijk beperkten in zijn onderzoek met de politie in aanraking kwam vanwege geweldpleging, 16,5% vanwege diefstal (zonder geweld), 14,1 % vanwege vernielingen, 3,7% vanwege brandstichting, 15,6% vanwege seksuele delicten en 14% vanwege overige feiten. Een zeer breed scala aan delicten dus. Bovendien blijkt uit het onderzoek van Geus47 dat van alle personen waarvan een verstandelijke beperking bekend was, en welke in aanraking gekomen waren met de politie, 79,4% een lichte verstandelijke beperking had, 2,7% een ernstige verstandelijke beperking en 17,7% zwakbegaafd was.

Later onderzoek voor het WODC48, naar de haalbaarheid van onderzoek, naar de prevalentie van verstandelijk beperkten in detentie, wees uit dat er geen onderbouwde uitspraken gedaan konden worden naar de aanwezigheid van verstandelijk beperkten in het gevangeniswezen.49 Kaal heeft daarop een inventarisatie van de beschikbare gegevens binnen het justitiële domein uitgevoerd.50 Prevalentie van (licht) verstandelijke beperking in reguliere detentie, die vastgesteld is door diagnostiek, lijkt op basis daarvan rond de 10% te zijn. Op een vergelijkbaar gemeten wijze is de prevalentie op bijzondere afdelingen hoger, circa 15-20%, en op forensisch psychiatrische instellingen zelfs nog hoger, 20-25%. De cijfers die vastgesteld zijn door middel van screening vallen echter hoger uit. Voorbeelden daarvan zijn tests zoals de Raven, ‘Raven Standard Progressive Matrices test’ of een SCIL test. Hierbij is de Raven een non-verbale test van het abstract redeneren en een SCIL test is een kort screeningsinstrument dat kan leiden tot een vermoeden van het functioneren op het niveau van een verstandelijke beperking. Binnen de reguliere detentie worden bij het gebruikmaken van deze

47 Geus, 2004

48 Kaal, 2010

49 Kaal e.a., 2011

50 Kaal, 2016

(22)

tests prevalentiepercentages gevonden van 30-45%. De prevalentie bij dadergroepen van zware misdrijven lijkt veruit het hoogst te zijn. Hierbij moet echter wel de kanttekening geplaatst worden dat de steekproeven in dergelijke studies erg klein zijn. 51 Bovendien dient te worden vermeld dat in de onderzoeken van Kaal gekeken is naar de prevalentie van licht verstandelijk beperkte personen. Zij gaat hierbij uit van de definitie van een licht verstandelijke beperking met een IQ tot 85 en bijkomende problematiek. Het werkelijke aantal verstandelijk beperkten conform de definitie die in dit onderzoek gevolgd wordt lijkt dus lager te liggen.

Bij jeugdigen lijken de cijfers hoger uit te vallen. Zij laten echter een variëteit aan prevalentiepercentages zien. Zo ziet Spaans52 bijvoorbeeld dat 8% van de jongeren die binnen justitiële opvang en behandelinrichtingen zit een IQ heeft van 50-70. Een onderzoek naar de Pro Justitia rapportage bij jongeren toont aan dat 5% van die groep een IQ lager dan 71 heeft.53 De verschillen in percentages tussen die verschillende onderzoeken zijn deels te verklaren door de manier waarop de onderzoeken zijn uitgevoerd. Zo worden er verschillende definities van een (licht)verstandelijke beperking gehanteerd en is er een verschil waarop die beperking wordt vastgesteld. Bovendien worden de onderzoeken in verschillende fasen van de strafrechtketen uitgevoerd. Hierdoor is het onderzoek naar exacte prevalentie cijfers zeer lastig. Ondanks dat de exacte prevalentie dus niet bekend is, laten de uitgevoerde studies ons wel structureel zien dat de groep verstandelijk beperkten binnen de (jeugd)strafrechtketen groot is.

Op basis van de huidige registraties en kennis is het onmogelijk om tot een betrouwbare schatting te komen van de prevalentie binnen het huidige justitiële domein. De aanwezigheid van een (licht) verstandelijke beperking wordt in het jeugdbeschermingsdomein, het slachtofferdomein en aan het begin van de strafrechtketen niet structureel gesignaleerd en niet stelselmatig op een gestandaardiseerde wijze betrouwbaar geregistreerd volgens Kaal & Jong.54 Deze onzekerheid heeft onder meer te maken met het niet betrouwbaar vaststellen van een licht verstandelijke beperking, het onvolledig registreren van IQ in de verscheidene dossiers maar ook met een lage onderzoeks- bereidheid bij de groep mogelijk verstandelijk beperkten.55 Hoewel de conclusie dus getrokken kan worden dat het betrouwbaar vaststellen van de prevalentie ondoenlijk is kan uit schattingen op basis van de verschillende studies wel worden geconcludeerd dat er sprake is van een oververtegenwoordiging van deze groep in het justitiële domein en de strafrechtketen.

51 Kaal & Jong, 2017

52 Spaans, 2005

53 Buysse e.a., 2014

54 Kaal & Jong, 2017

55 Kaal, 2010

(23)

2.3.2 Reden van prevalentie

Zoals reeds in de inleiding werd aangegeven, kan een verstandelijk beperkt persoon eerder dader worden van een strafbaar feit en blijkt dat zij oververtegenwoordigd zijn in het justitiële domein. Om te begrijpen wat voor hen gepast zou zijn en om later te kunnen stellen welke strafdoelen het beste passen bij de verstandelijk beperkte moeten we begrijpen wat de redenen zijn die ervoor zorgen dat verstandelijk beperkten oververtegenwoordigd zijn. Collot d’Escury heeft onderzoek gedaan naar de vraag waarom jongeren met een licht verstandelijke beperking oververtegenwoordigd zijn in het justitiële circuit.56 Haar conclusie is dat jongeren met een licht verstandelijke beperking een grotere kans lopen om in aanraking te komen met justitie omdat zij minder cognitieve mogelijkheden hebben om ‘aan de rem te trekken’ en omdat zij een minder ontwikkeld vermogen hebben om de intenties van anderen in te schatten. Dit zou vooral zichtbaar worden indien er sprake is van complexe situaties.

Maar hoe zit dat precies?

In paragraaf 2.2 is al uitgelegd wat een verstandelijke beperking precies is. Hierbij zagen we dat bij het vaststellen van een verstandelijke beperking van belang is dat er een gebrek is in het adaptieve vermogen van de verstandelijk beperkte. Hierbij bestaat het adaptieve vermogen uit praktische vaardigheden zoals veiligheid, omgang met geld, zorg voor gezondheid, persoonlijke verzorging en arbeidsvaardigheden maar ook uit conceptuele vaardigheden zoals lezen, schrijven en begrip van tijd, geld en getallen. Een laatste onderdeel van het adaptieve vermogen dat gebrekkig is bij verstandelijk beperkten bestaat uit sociale vaardigheden zoals lichtgelovigheid, moeite om zich aan de regel of de wet te houden, moeite om sociale problemen op te lossen en weinig sociale verantwoordelijkheid of zelfrespect.57 Op sociaal gebied blijkt dat het vaak problematisch is voor de verstandelijk beperkte om zichzelf in het perspectief van een ander te kunnen verplaatsen. Hierdoor heeft de verstandelijk beperkte moeite om zich in te leven in een ander.58 Bovendien is de verwerking van, voornamelijk sociale, informatie veel minder efficiënt dan bij een normaal begaafde.59 Hierdoor kan een persoon met een verstandelijke beperking een situatie vijandig beoordelen omdat men niet in staat is om mogelijke alternatieven te bedenken. Daardoor geeft de verstandelijk beperkte niet de voorkeur aan een assertieve oplossing maar reageert hij eerder agressief of passief op die situatie.60 Dit werkt strafbaar gewelddadig gedrag in de hand. Het gaat hier voornamelijk om het hebben van een zogenoemde ‘theory of mind’. Dat is het vermogen om samenhang te zien in het gedrag van anderen op basis van inzichten die de persoon zelf heeft over wat de ander denkt, voelt of wil. Het herkennen

56 Collot d’Escury, 2007

57 AAIDD, 2010

58 Ponsioen, 2001

59 Van Nieuwenhuijzen e.a., 2009

60 Van Nieuwenhuijzen & Elias, 2006

(24)

van die emoties, gedachten of belevingen van de ander is juist wat ontbreekt bij een verstandelijk beperkte.61 Een laatste probleem op sociaal gebied is dat veel verstandelijk beperkten het moeilijk vinden om hun eigen emoties te reguleren. Daardoor kunnen zij onvoorspelbaar zijn in hoe zij reageren op situaties.62

Greenspan63 stelt om die reden dat, bezien vanuit het standpunt van definiëren en diagnosticeren, de verstandelijke beperking als zodanig niet per se zit in de afwezigheid van vaardigheden maar dat die veel meer gelegen is in de moeilijkheid die een verstandelijk beperkte heeft om die vaardigheden toe te passen indien er sprake is van onduidelijkheid of stress. Belangrijk hierin is ook dat de verstandelijk beperkte moeite heeft om informatie snel te verwerken en dat zij geleerde ervaringen op concrete situaties toe kunnen passen maar hierbij moeilijk kunnen improviseren.64 Doordat de verstandelijk beperkte moeite heeft met het verwerken van informatie is het voor hem moeilijker om een ander ‘te lezen’ waardoor conflictsituaties en misverstanden snel om de hoek komen kijken. Forensische behandeling voor het aanleren van oplossingsstrategieën daarvoor is mogelijk maar de informatieverwerkingssnelheid bij een persoon met een verstandelijke beperking is onbehandelbaar.

Hierdoor zal een persoon met een verstandelijke beperking ook na een behandeling nog steeds kwetsbaarder zijn dan een ander in diezelfde conflictsituaties. 65

Een van de belangrijkste gevolgen van de verstandelijke beperking is dat er een beperking in het denken en daarmee het leren zit. Hierdoor hebben verstandelijk beperkten vaak een zeer specifieke denk- en leerstijl.66 De belangrijkste kenmerken daarvan zijn, ten opzichte van een normaal begaafde, een slechter functionerend werkgeheugen, het moeilijker leren, de moeite abstracte begrippen te begrijpen en abstract te redeneren en de eerder genoemde moeite met het verwerken van sociale informatie, het lagere denktempo, de verlaagde flexibiliteit in het denken en de problemen met het verwerken van informatie.67 Deze achterstand in de, voornamelijk, sociaal-emotionele ontwikkeling van een verstandelijk beperkt persoon kan problemen opleveren op het gebied van een gebrekkig ontwikkelde empathie, geweten, impulscontrole, zelfsturing en onder meer seksualiteit.

61 Steerneman & Meesters, 2009

62 Mulder e.a., 2006

63 Greenspan, 1999

64 Van der Wielen, 2006

65 Hesper & van den Berg, 2017

66Roos, 2011

67 De Beer, 2011

(25)

Een vorm van geweten wordt gedurende het leven vormgegeven68 doordat men, voornamelijk door het maken van ‘fouten’, een gevoel ontwikkelt dat sommige gedragingen verkeerd zijn. Hiervan leert men waardoor sturing gegeven kan worden aan het eigen gedrag en er een innerlijk besef van goed en kwaad ontstaat. Bij personen met een verstandelijke beperking verloopt die ontwikkeling veel langzamer en is het vaak niet mogelijk om een volledig volgroeid geweten te ontwikkelen. Bovendien is de ontwikkeling van het geweten bij verstandelijk beperkten eerder gevormd door anderen dan door zichzelf. Er zal daardoor eerder sprake zijn van een schuldgevoel of een gevoel van schaamte dan van een goed werkend geweten.69 Hierdoor kan er een grotere kans ontstaan op regelovertredend gedrag.70 Dit blijkt ook duidelijk uit het gebrek aan besef dat sommige verstandelijk beperkten hebben.

Michiel Vermaak, Arts Verstandelijk Gehandicapten, zegt hierover in ‘De Publieke Tribune’: ‘Het besef van wat je gedaan hebt, en het vermogen om naar jezelf te kijken, is bij deze groep kleiner. Als ze iemand hebben geslagen, en je vraagt: 'Heb je er spijt van?' Dan is het antwoord: 'Ja, tuurlijk.' Daarmee is de rechter tevreden. Maar als je doorvraagt, en wil weten waar ze spijt van hebben, dan zeggen ze:

'Dat ik hier sta'.’71 Wel is bij personen met een verstandelijke beperking vaak sprake van een aangeleerd besef van goed en kwaad. Doordat zij zich echter onvoldoende kunnen verplaatsen in anderen heeft dat aangeleerde besef onvoldoende sturende werking op het eigen gedrag.72

Ook is er bij veel verstandelijk beperkten sprake van een bepaalde naïviteit of goedgelovigheid.

Hierdoor laten zij zich gemakkelijk voor de gek houden maar worden zij ook eenvoudiger voorgelogen, gebruikt en ingezet om handelingen te verrichten zonder dat zij daarvan de gevolgen overzien. Ook stemmen zij makkelijker in met verzoeken zonder dat zij daarbij doorvragen.73 Hierdoor is de verstandelijk beperkte een makkelijker ‘gebruiksmiddel’ voor criminelen ten opzichte van normaal begaafde personen en zijn zij gevoeliger voor de beïnvloeding door criminele personen.74 Vermaak zegt hierover dat het voor een verstandelijk beperkte makkelijker is om ‘Ja’ te zeggen dan ‘Nee’. Bij

‘Nee’ krijg je immers vragen en moet de verstandelijk beperkte zichzelf weer zien te redden in een situatie waarvan hij niet weet hoe hij daar uit moet komen.75 De verstandelijk beperkte zal hierdoor dan ook sneller in de strafrechtketen terecht komen terwijl ook beargumenteerd kan worden dat hij

68 Schalkwijk, 2011

69 Van den Hazel & van Toorn, 2017

70 Collot d’Escury, 2007

71 Verbraak, C. (Presentator). (2020, 27 januari). Licht verstandelijke beperking en criminaliteit. In NPO Radio 1, De Publieke Tribune (Human) [radio-uitzending]

72 Schalkwijk, 2011

73 Snell et al, 2009

74 Nieuwenhuijzen e.a., 2007

75 Verbraak, C. (Presentator). (2020, 27 januari). Licht verstandelijke beperking en criminaliteit. In NPO Radio 1, De Publieke Tribune (Human) [radio-uitzending]

(26)

in de praktijk eerder een slachtoffer van een dergelijke crimineel is, en gebruikt wordt voor het plegen van een strafbaar feit, dan dat hij de dader van een misdrijf is.

Hieruit kan geconcludeerd worden dat het achterblijven van, voornamelijk, de sociaal-emotionele ontwikkeling van een verstandelijk beperkte het risico op grensoverschrijdend en crimineel gedrag significant vergroot. De kans op anders dan gebruikelijk handelen bij sociaal complexe situaties is groot. Bovendien blijkt dat de verstandelijk beperkte vatbaarder is voor beïnvloeding door anderen en hebben zij meer moeite om met hun emoties om te gaan wat sneller kan leiden tot een vorm van agressie. Dit komt doordat de verstandelijk beperkte sneller verstoord raakt in zijn psychisch evenwicht, onder meer door het langzamer verwerken van informatie, maar dit kan ook komen door externe factoren zoals spanningen en plotselinge veranderingen en/of door interne factoren zoals frustraties en gedachten.76 Ook zorgt het gebrek aan empathie en geweten ervoor dat verstandelijk beperkten hierdoor sneller over de grenzen van een ander persoon heen zullen stappen.77

Los van de algemene redenen die hiervoor neergelegd zijn, zijn er ook specifieke redenen waarom een verstandelijk beperkte vaker een bepaald delict pleegt. Zo zijn er volgens Senn78 relatief veel verstandelijk beperkten onder de plegers van seksuele delicten ten opzichte van normaal begaafde plegers van dat soort feiten. Dit kan worden verklaard uit het gegeven dat zij minder sociale vaardigheden tot hun beschikking zouden hebben en, cognitief, minder vermogens hebben dan normaal begaafde plegers. Janssens, Schakenraad, Lammers & Brants79 stellen dat het plegen van dergelijke feiten een gevolg is van de discrepantie tussen de cognitieve ontwikkeling en de ontwikkelingen op seksueel gebied van jongeren met een verstandelijke beperking. Personen met een verstandelijke beperking kunnen daardoor situaties niet goed inschatten en stappen zodoende eerder over grenzen die normaal begaafde mensen zien, en begrijpen, heen waardoor zij ook eerder over de strafbare grens van de wet heen stappen. Bovendien hebben zij een letterlijker beeld van beelden waardoor pornografisch materiaal voor hen als referentiekader kan dienen in het aangaan van seksuele relaties.80 De kennis, zoals reeds eerder aangegeven, die verstandelijk beperkten hebben alsmede de emotionele en sociale vaardigheden ontwikkelen zich onvoldoende waardoor zij niet op een juiste manier om kunnen gaan met het verschil tussen realiteit en fictie en hierdoor een verkeerde weergave van de werkelijkheid hebben.81 Het gebrek aan seksuele voorlichting speelt daarbij ook een

76 Van den Hazel & van Toorn, 2017

77 Roos, 2017

78 Senn, 1989

79 Janssens e.a., 2009

80 Gesell e.a., 2010

81 Lammers e.a., 2005

(27)

grote rol.82 Bovendien is het door de beperking van de ontwikkeling van het inlevingsvermogen, de sociale vaardigheden maar zeker ook het geweten voor mensen met een verstandelijke beperking veel moeilijker om zich te gedragen volgens algemeen geldende normen en sociale regels. Zeker op het gebied van seksualiteit.83 Hierdoor kan de verstandelijk beperkte snel een strafbaar feit plegen, zoals seksueel misbruik, zonder dat hij door heeft dat dit daadwerkelijk een strafbaar feit betreft.

2.4 Tussenconclusie

De definitie van een verstandelijke beperking is gegeven door de American Association of Mental retardation en leert ons dat de verstandelijke beperking een ontwikkelingsstoornis is die voor de volwassenheid is ingetreden. Hierbij zijn specifieke kenmerken aanwezig die aantonen dat de verstandelijk beperkte een beperking heeft aan zijn intellectueel vermogen en zijn aanpassingsvermogen. De gebruikelijke IQ grens voor een verstandelijke beperking is ten hoogste 70.

In de DSM V is die grens echter losgelaten en gaat het meer om de omschrijving van de verschillende beperkingen van de verstandelijk beperkte omdat het IQ alleen geen volledig beeld schetst van de beperkingen van een persoon. Verstandelijk beperkten doorlopen op het cognitief, emotioneel en sociaal domein alle normale ontwikkelingsstadia als een normaal begaafd persoon maar dit gaat in een trager tempo en bereikt sneller een plafond. Hierdoor is de biologische leeftijd niet gelijk aan de cognitieve leeftijd.

Hoewel cijfers met betrekking tot de exacte prevalentie van verstandelijk beperkten in het strafrecht ontbreken blijkt uit verschillende studies dat tussen de 10% en 45% van de daders in het strafrecht een verstandelijke beperking heeft. Redenen daarvoor lijken te zijn dat een verstandelijk beperkte minder cognitieve mogelijkheden heeft om situaties goed in te schatten. Hierdoor maakt hij verkeerde keuzes en kan hij ook anderen niet goed inschatten. Ook is de informatieverwerking bij verstandelijk beperkten trager dan bij normaal begaafde personen en is het voor hen moeilijk om aangeleerd gedrag toe te passen in andere situaties. De verstandelijk beperkte kan hier, uit onmacht, agressief op reageren wat strafbaar gedrag in de hand werkt. Bovendien is bij menig verstandelijk beperkt persoon het geweten niet volledig ontwikkeld en zijn zij door hun goedgelovigheid een makkelijk middel voor criminelen. Met betrekking tot zedendelicten zien we dat de reden voor het plegen van dit soort feiten veel meer ligt in het gebrek aan kennis en de impact van visuele beelden op de manier van denken van een verstandelijk beperkte.

82 Douma e.a., 1998

83 de Beer, 2016

(28)
(29)

Hoofdstuk 3. Huidige mogelijkheden en doelen van het strafrecht met betrekking tot verstandelijk beperkten

3.1 Inleiding

Daar waar in het vorige hoofdstukken de verstandelijke beperking en diens prevalentie in het strafrecht aan bod kwamen zullen in dit hoofdstuk juist de algemene doelen van het strafrecht en de bijbehorende sanctiemogelijkheden uit het strafrecht aan bod komen. Om te kunnen bepalen of een verstandelijk beperkte moet worden gesanctioneerd moet echter eerst bepaald worden in hoeverre de gedraging aan hem kan worden toegerekend. Om die reden zal ik in dit hoofdstuk eerst dieper in gaan op de toerekening van de gedraging aan de verstandelijk beperkte. Hierbij ga ik uit van het startpunt dat het gaat om een bewijsbare zaak waarbij de verstandelijk beperkte het ten laste gelegde delict heeft gepleegd. Vervolgens zal ik de algemene doelen van het strafrecht uiteenzetten en zal ik de achterliggende gedachten hiervan benoemen. Daaropvolgend zal ik uiteenzetten welke sanctionerende mogelijkheden het strafrecht op dit moment kent. Hierbij zal ik onderscheid maken tussen de mogelijkheden in het volwassenstrafrecht, adolescentenstrafrecht en het jeugdstrafrecht en zal ik tevens per sanctiemogelijkheid diens achterliggende doelen uiteen zetten. Tot slot komen de belangrijkste bevindingen, die volgen uit dit hoofdstuk, aan bod. In hoofdstuk 4 zult u zien welke vormen van sanctioneren werken bij een verstandelijk beperkte, onder meer om een gedragsverandering teweeg te brengen.

3.2 Toerekening aan verstandelijk beperkte

Het Nederlands rechtssysteem is gebaseerd op het principe dat iedereen als volwassen en volwaardig persoon in staat is om, op basis van zijn cognitieve vermogens, zijn wil en handelen in vrijheid te bepalen. In beginsel kan daarom iedereen verantwoordelijk gehouden worden voor zijn eigen strafbare gedrag met de uitzondering van een jeugdig persoon onder de 12 jaar. Daarbij staat het onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad, en het besef daarvan, centraal. Hierbij gaat men uit van de presumptie dat de persoon voldoende kan overzien wat de mogelijkheden tot handelen zijn, maar ook wat de gevolgen van dergelijk handelen kunnen zijn.84 In een vorig hoofdstuk hebben wij reeds gezien dat bij personen met een verstandelijke beperking juist deze vermogens beperkt zijn.

Mede om die reden zal, indien een zaak door het Openbaar Ministerie voor de rechter wordt gebracht, in het geval van een verstandelijk beperkte verdachte, een mogelijk gevolg van een dergelijke zaak zijn dat de verdachte een beroep zal doen op ontoerekeningsvatbaarheid in de zin van artikel 39 Wetboek van Strafrecht. Cijfers daaromtrent zijn echter niet beschikbaar. Artikel 39 Wetboek van Strafrecht luidt namelijk: ‘Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis,

84 Hummelen & Aben, 2015

(30)

psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend’. Een verstandelijke beperking is, zoals reeds eerder uiteengezet, een ontwikkelingsstoornis maar ook het synoniem voor een verstandelijke handicap. Wanneer we dit strikt bekijken spreekt de wet hier niet over ontoerekeningsvatbaarheid maar over de ontoerekenbaarheid of de niet-toerekening van de schuld.85 De wet spreekt dus niet over een ontoerekeningsvatbaarheid van de persoon zelf. Het feit kan de persoon van de dader immers wel toegerekend worden.

Tot 1 januari 2020 luidde de tekst van artikel 39 Wetboek van Strafrecht nog: ‘Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.’ Bij de term ‘gebrekkig ontwikkeld’ moest men denken aan contactstoornissen en zwakzinnigheid, een ander woord voor het nu veel gebruikelijkere verstandelijke handicap of beperking.86 Begrippen als ‘zwakbegaafdheid, geestesziek, licht mentaal gehandicapt, zwakzinnig, geestelijk gehandicapt’ worden namelijk zowel in het dagelijks spraakgebruik als in de wetenschappelijke literatuur door elkaar gebruikt.87 In de jurisprudentie is er geen arrest van de Hoge Raad aan te wijzen die duidelijk uitleg geeft wat precies een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis is. Dit wordt ook door Mevis en Vegter geconstateerd.88 Wel zijn er vaak indirecte aanknopingspunten in de jurisprudentie te vinden. Zo stelt de Hoge Raad89 dat ‘de opvatting dat slechts een stoornis die is omschreven in de DSM-IV-TR90, kan worden aangemerkt als een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens zoals bedoeld in art. 37a91, eerste lid Sr., te beperkt en onjuist is.’ En ‘dat de enkele omstandigheid dat een stoornis wel als zodanig wordt aangeduid in de DSM-IV-TR, evenmin betekent dat de rechter tot het oordeel dient te komen dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van art. 37’. Waarbij moet worden opgemerkt dat de terminologie in artikel 39 Wetboek van Strafrecht, in tegenstelling tot die van artikel 37a Wetboek van Strafrecht, inmiddels gewijzigd is per 1 januari 2020.92 Daarmee is in de praktijk ten behoeve van de tbs-maatregel en de toerekenbaarheid bij verstandelijk beperkten echter niets gewijzigd. De rechter is dus redelijk vrij om iets als een stoornis of gebrekkige ontwikkeling aan te nemen, hier kan dus ook de verstandelijke beperking onder worden geschikt. Toch

85 De Hullu, 2018

86 Tervoort en Leuw, 2006

87 Kars & Zwets, 1998

88 Mevis en Vegter, 2011

89 HR 20 januari 2009

90 Inmiddels is de DSM-IV-TR vervangen door de DSM-V

91 Mogelijkheid tot tbs als maatregel

92 Kamerstukken II 2012/2013, 32399

(31)

is het niet gebruikelijk dat de rechter afwijkt van een deskundigenoordeel met betrekking tot het constateren van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling.

Er zijn twee vormen van ontoerekeningsvatbaarheid bekend binnen ons rechtssysteem. Enerzijds kennen we de volledige ontoerekeningsvatbaarheid waarbij de dader tijdens het begaan van de daad onder invloed was van zijn stoornis en zodoende begaat hij het strafbaar feit niet uit vrije wil maar eerder uit volledige beïnvloeding door zijn stoornis. Hierbij is er sprake van een schulduitsluitingsgrond. Anderzijds kennen we de verminderde toerekeningsvatbaarheid die tevens kan bestaan uit sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Hierbij gaat het niet om een schulduitsluitingsgrond maar juist om de mate waarin de gedraging daadwerkelijk aan de verdachte toe te rekenen is.93

Kort gezegd is de ontoerekeningsvatbaarheid het niet verwijtbaar overtreden van een strafbepaling doordat de verdachte lijdt aan een geestelijke stoornis. Dit wil echter niet zeggen dat er geen sprake is van opzet op het feit.9495 In de praktijk wordt daardoor spoedig enig besef aangenomen. Zo blijkt onder meer uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 201096, dat de mogelijke afwezigheid van opzet als gevolg van een psychische stoornis vooral betrekking heeft op het bewustzijn, het cognitieve deel van het opzet, en minder op het volitieve deel van het opzet, het willen. Hierdoor is het mogelijk dat de verdachte een strafvermindering krijgt of zelfs ontslag van alle rechtsvervolging wordt uitgesproken conform artikel 350 Wetboek van Strafvordering.97 Wel is, in een geval zoals bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht, dan het opleggen van een maatregel mogelijk conform artikel 352 lid 2 Wetboek van Strafvordering. Zoals de terbeschikkingstelling conform artikel 37a e.v.

Wetboek van Strafrecht, indien de wettelijke voorwaarden daartoe vervuld zijn.

Onder meer als gevolg van ontoerekeningsvatbaarheid kan er, zoals reeds aangegeven, bij een OVAR conform artikel 37a Wetboek van Strafrecht de maatregel tot terbeschikkingstelling worden opgelegd.

Conform artikel 37a lid 1 Wetboek van Strafrecht is daarvoor vereist dat de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het feit bestond. Naast de wettelijke vereisten uit artikel 37a lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht is hierbij, conform artikel 37a lid 1 Wetboek van Strafrecht, van belang dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist. Doordat, conform artikel 37a lid 1 sub 2 Wetboek van Strafrecht, het van belang is dat de verdachte tevens een gevaar voor de veiligheid van

93 Kelk 2019, p. 254

94 Ten Voorde, 2020

95 Stevens & Prinsen, 2009

96 HR 9 maart 2010

97 Hafmann 1989, p. 46

(32)

anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen is, zal er in veel gevallen bij een verstandelijk beperkte geen tbs-maatregel worden opgelegd. Het bepalen of de verdachte een gevaar is voor de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen wordt bepaald door een risicotaxatie.98 Op basis daarvan wordt de kans op herhaling van het gedrag bepaald. Een verstandelijke beperkte hoeft immers niet direct een gevaar voor de maatschappij te zijn waardoor de tbs-maatregel niet opgelegd kan worden.

Conform artikel 37a lid 2 Wetboek van Strafrecht kan de rechter bij toepassing van artikel 37a lid 1 Wetboek van Strafrecht afzien van het opleggen van straf. Ook indien hij van mening is dat het feit wel, deels, aan de verdachte kan worden toegerekend. De rechter geeft een last, als bedoeld in artikel 37a lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht, slechts indien hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – die de betrokkene hebben onderzocht. De gedragsdeskundige verricht onderzoek naar de aanwezigheid, en de reikwijdte, van een aanwezige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. Wanneer die daadwerkelijk gevonden is, is vervolgens de vraag in welke mate die heeft doorgewerkt en de gedragskeuzes van de verdachte heeft beïnvloed. Dit zal resulteren in een advies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid. In paragraaf 3.3.2. zal dieper op de tbs-maatregel worden ingegaan.

Het hebben van een verstandelijke beperking op zich is echter geen verklaring voor het plegen van strafbare feiten. Er zijn immers heel veel mensen met een verstandelijke beperking die geen delicten plegen. Volgens Van den Hazel en Kruikemeier99 is de beperking, indien er sprake is van strafbare feiten en een verstandelijke beperking, vaak wel van invloed op het komen tot strafbaar gedrag. Zij stellen echter dat er geen lineair verband is tussen de beperking en de toerekeningsvatbaarheid. Over die stelling is in de literatuur veel discussie aangezien de wet slechts gelijktijdigheid vereist en niet per definitie vereist dat de stoornis het plegen van het delict heeft veroorzaakt.100

Indien er dus een advies gegeven moet worden over de mate van toerekeningsvatbaarheid moet er vooraf onderzoek worden gedaan naar welke mate van invloed de beperking daadwerkelijk heeft gehad op de keuzes, de bepaling en de controle die die persoon had op het zijn gedrag. Het is voor een verstandelijk beperkt persoon immers lastig om zichzelf te beheersen of controleren door de beperkte cognitieve ontwikkeling die die persoon meemaakt als gevolg van zijn verstandelijke beperking. Het strafrecht gaat bij de toerekening van een strafbaar feit aan een persoon immers uit van de betrekkelijk normale mens. Hierdoor geldt veelal de veronderstelling dat ook een persoon met een verstandelijke

98 Van Esch, 2012

99 Van den Hazel & Kruikemeier, 2017

100 Bijlsma, 2016

(33)

beperking gedeeltelijk in staat zou zijn om zijn eigen keuze te maken. Eerder hebben we gezien dat dat gedeeltelijk juist is maar dat het juist voor een verstandelijk beperkt persoon lastig is om dan de juiste keuze te maken.

Bovendien hebben personen met een verstandelijke beperking maar een beperkt vermogen om structuur aan te brengen en gedragsalternatieven te bedenken.101 Schuyt, van Oppenraaij, Vrij en Koudijs zeggen daarom dan ook: ‘De aanwezigheid van een verstandelijke beperking kan reden zijn voor de vaststelling dat sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid in enige mate, maar dit zal slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot volledige ontoerekenbaarheid, waardoor de voor een veroordeling noodzakelijke aanwezigheid van schuld ontbreekt en geen straf kan worden opgelegd.’102 Hoe dat in de praktijk werkt is echter onduidelijk. Wel van belang is daarbij dat het gedrag bij een persoon met een verstandelijke beperking alleen kan worden begrepen vanuit een ontwikkelingspsychologisch perspectief in de context met belangrijke anderen, de context en de leergeschiedenis aldus Van den Hazel en Kruikemeier.103 Bovendien stellen zij dat het onmogelijk is gedrag en gedragsproblemen in

‘hun betekenis te begrijpen vanuit het gedrag dat hier en nu wordt waargenomen, vanuit een alleen beschrijvende (fenomenologische) en classificerende benadering (in DSM-termen) van gedrag. Het is onmogelijk de functie en betekenis van grensoverschrijdend en delictgedrag te begrijpen zonder de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling te kennen. Het in vrije wil en in vrije ruimte kunnen bepalen hoe je zult handelen en reageren op anderen wordt immers niet alleen bepaald door al of niet begrijpen. De verschillende dimensies die het hebben van een licht verstandelijke beperking kenmerken, moeten worden meegenomen in het begrijpen en beschrijven van de relatie tussen stoornis en gedrag.’ 104 Het is dus altijd van belang om een volledig beeld van de verstandelijk beperkte te krijgen alvorens er conclusies getrokken worden uit het delictgedrag in combinatie met de verstandelijke beperking van de verdachte. Hier zal ik in hoofdstuk 4 op terug komen.

3.3 Het commune strafrecht

3.3.1 doelen van het commune strafrecht

Het straffen van een dader heeft volgens de strafrechtelijke literatuur105 verschillende, klassieke, doeleinden die zijn weergegeven in verschillende straftheorieën zoals vergelding en genoegdoening volgens de absolute theorie106 en generale preventie en speciale preventie volgens de relatieve theorie. Middels deze theorieën wordt getracht om straffen te rechtvaardigen.

101 Barkley, 2012

102 Schuyt e.a., 2017

103 Van den Hazel & Kruikemeier, 2017

104 Van den Hazel & Kruikemeier, 2017

105 Stijnen, 2011

106 Van Dijk, 2002

(34)

De absolute straftheorie wordt gezien als de moeder van de straftheorieën en kan al worden afgeleid uit het oude testament door middel van het beginsel van ‘oog om oog, tand om tand’.107 De rechtvaardiging van een straf komt volgens deze theorie voort uit vergelding van het gepleegde misdrijf. Het doel van de straf is hierbij, zoals Groenhuijsen en Van der Landen stellen, een herstel van een metafysisch evenwicht.108 Het delict is daarmee een kwaad dat door het met de straf beoogde leed wordt vereffend.109 Het draait in deze theorie dus specifiek om het vergelden door middel van een straf en daarbij is die vergelding bedoeld om wraak aan banden te leggen en te zorgen voor verzoening waarbij een straf de noodzakelijke reactie op het gepleegde feit is.110

Volgens de relatieve straftheorie is juist het te verwachten toekomstig effect van belang.111 In deze theorie wordt uitgegaan van het startpunt dat de mens een rationele afweging maakt tussen voor- en nadelen van het plegen van een strafbaar feit, de mens wordt hierbij gezien als een ‘homo economicus’.112 Bij dit uitgangspunt kunnen bij verstandelijk beperkten natuurlijk vraagtekens geplaatst worden. De mogelijkheid tot het afwegen van gevolgen van een daad is namelijk bij hen zeer beperkt. Het doel van de bestraffing in de relatieve straftheorie is preventie. Het slechts dreigen met leedtoevoeging, en de zekerheid dat die overtreding ook gesanctioneerd wordt, zou de potentiële dader al weerhouden van het plegen van een strafbaar feit.113 Volgens Jeremy Bentham kun je die preventie verdelen in de generale preventie en de speciale preventie. De generale preventie ziet voornamelijk op een afschrikwekkende werking op andere burgers middels het bestraffen van de verdachte en het hiermee aan zetten van anderen tot normconform. Hierbij is de toepassing van de straf een voorbeeld voor de rest van de bevolking zodat zij niet dezelfde fout begaan als de dader.114 De speciale preventie probeert juist te voorkomen dat de gestrafte opnieuw de fout in gaat.115 Dit tracht men te doen door hem uit te sluiten van de samenleving of juist aan diens resocialisatie te werken zodat het plegen van misdrijven ontmoedigd wordt. Hierbij is de afschrikwekkende werking dus specifiek op de dader gericht.

Naast de absolute- en relatieve straftheorie bestaat ook de verenigingstheorie, waar we in Nederland momenteel van uit gaan, die bepaalde gedachten uit beide theorieën verenigt. Binnen deze theorie

107 Deuteronomium 19:21

108 Groenhuijsen & Van der Landen, 1990

109 Groenhuijsen & Van der Landen, 1990

110 Kommer, 2016

111 Bleichrodt & Vegter, 2020

112 Bleichrodt & Vegter, 2020

113 Groenhuijsen & Van der Landen, 1990

114 Jörg, Kelk & Klip, 2013

115 Ten Voorde, 2008

Afbeelding

Updating...

Referenties

Gerelateerde onderwerpen :