HOOFDSTUK 4. WERKENDE SANCTIONERING

4.6 G EDRAGSINTERVENTIES

Binnen het huidige strafrechtelijk kader is een van de doelen van de sanctie om recidive en delinquent gedrag te voorkomen. De interventie is een geheel van methodische, gestructureerde, handelingen gericht op gedragsverandering die daarmee de kans op recidive vermindert.250 Binnen verschillende voorzieningen, zoals de inrichting voor stelselmatige daders (ISD), forensisch psychiatrische afdelingen (FPA’s) en forensisch psychiatrische centra worden daarom al gedragsinterventies voor mensen met een verstandelijke beperking toegepast. Op dit moment zijn die slechts toepasbaar in het kader van een voorwaarde, straf of maatregel. Hierbij wordt de interventie voornamelijk gericht op het verminderen van ‘dynamische’ risicofactoren, factoren die te beïnvloeden zijn, zoals werkloosheid, vijandigheid en crimineel netwerk. Het eerder genoemde responsiviteitsprincipe uit de ‘What Works’

principes is hierbij van belang. Bij een verstandelijk beperkte ligt de problematiek, of de sleutel tot de gedragsinterventie, immers niet alleen in de dynamische risicofactoren maar juist in de kenmerken van diens beperking of diens leerstijl.

247 Kool, 2018

248 Roef, 2012

249 Kool, 2018

250 Spanjaard & Slot, 2015

Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar gedragsinterventies bij verstandelijk beperkten en de effectiviteit daarvan. Een interventie is effectief op het moment dat die goed onderbouwd is en bij een bepaalde doelgroep tot realisatie van gestelde doelen leidt.251 Echter concludeerden Sturmey en Drieschner252 dat er nauwelijks onderzoek gedaan is naar recidive na een gedragsinterventie en als er wel onderzoek naar gedaan is meldden Cohen en Harvey253 dat er veel tekortkomingen aan die rapportages bleken te zitten. Cijfers over recidive na een gedragsinterventie zijn er dus niet bij verstandelijk beperkten of zijn niet juist gerapporteerd waardoor controle daarop onmogelijk is. Wel kan in algemene zin worden aangegeven aan welke richtlijnen een gedragsinterventie voor personen met een verstandelijke beperking moet voldoen om effectief te zijn. Didden en Moonen254 stellen dat een interventie rekening moet houden met de leerstijl en de kenmerken van de persoon met een verstandelijke beperking, de beperking bij informatieverwerking, tekort op regulerende functies, vaardigheidstekorten en de problemen met het generaliseren van vaardigheden. Bovendien stellen zij dat er rekening gehouden moet worden met het mondeling en schriftelijk taalniveau van de verstandelijk beperkte om te zorgen dat de communicatie met de beperkte goed verloopt.

Hoewel de ‘verstandelijk beperkte’ bestaat uit een heterogene groep mensen zijn er toch algemene richtlijnen waarbij de gedragsinterventie, in algemene en niet slechts strafrechtelijke zin, op de verstandelijk beperkte kan worden aangepast. Die richtlijnen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en door het Landelijk Kenniscentrum LVB opgesteld. In eerste instantie zijn dit richtlijnen voor jongeren, met een verstandelijke beperking, maar zij kunnen evengoed op volwassenen worden toegepast. Het gaat hierbij om het zorgen voor een uitgebreide diagnostiek, afstemmen van de communicatie, concreet maken van de oefenstof, vereenvoudigen en structureren van de stof, het betrekken van het netwerk van de verstandelijk beperkte om te zorgen voor een betere generalisatie van het geleerde en het creëren van een veilige en positieve leeromgeving waardoor het zelfvertrouwen van de verstandelijk beperkte kan groeien.255

Gedragsinterventies voor verstandelijk beperkten zijn in de regel altijd gericht op de persoon zelf.256 Diens omgeving wordt daar vaak niet bij betrokken en is geen onderwerp van de interventie. Dat is opvallend aangezien juist bij een verstandelijk beperkte het netwerk van belang is om onder meer het generaliseren van het geleerde te bespoedigen. Bovendien ontstaan veel problemen binnen die

251 Zwikker e.a., 2015

252 Sturmey & Drieschner, 2014

253 Cohen & Harvey, 2016

254 Didden & Moonen, 2017

255 De Wit e.a., 2011

256 Didden & Moonen, 2017

context of worden zij in stand gehouden in relatie tot die context. Het is echter aangetoond dat de behandeling en training die gericht is op interactiepartners gedragsproblemen substantieel kan doen afnemen.257 Didden en Moonen stellen bovendien dat een interventie haast altijd maatwerk is en dat de context daarbij een cruciale rol speelt. Hoewel er nog geen daadwerkelijk wetenschappelijk bewijs is dat gedragsinterventies werken is het vermoeden, mede op basis van buitenlands onderzoek, dat zij wel effectief kunnen zijn in het verminderen van recidiverisico.258 Hier ontstaat een spanningsveld met het gebruikelijke justitiële kader. De straf wordt immers aan de dader opgelegd en niet aan diens omgeving. Opvallend daarbij is dat, in tegenstelling tot een verstandelijk beperkte in het commune strafrecht, normaal begaafde jongeren die in een justitiële jeugdinrichting worden behandeld hun eigen behandelprogramma volgen waarbij een belangrijk accent is dat in die behandeling het netwerk en systeem rondom de jeugdige wordt betrokken. Dit dient veelal als protectieve factor bij latere resocialisatie. Bovendien wordt in de justitiële jeugdinrichting bij elke jeugdige rekening gehouden met het niveau en het onderwijslevel waarop de jeugdige zich bevindt. Indien duidelijk is dat een jeugdige het niveau niet aan kan zal het aanbod daarop aangepast worden en zal het tempo van de behandeling verlaagd worden. Deze aanpak is vooral in de praktijk ontwikkeld en lijkt effect te hebben.

259

Aanvullend daarop is Zoon260 , gebaseerd op de Richtlijn Effectieve Interventies LVB261, tot de conclusie gekomen dat, hoewel zij geen direct onderzoek gedaan heeft naar de strafrechtelijke mogelijkheden, zij in algemene zin kon aantonen dat bij een verstandelijk beperkte van belang is dat er in eerste instantie sprake is van een uitgebreide diagnostiek. De kans op over- of onderschatten van de verstandelijk beperkte is namelijk hoog en het uitvoeren van een functionele gedragsanalyse voordat de behandeling begint zou positief bijdragen aan diens effectiviteit.262 Ook geeft zij aan dat oefenstof voor verstandelijk beperkten concreet gemaakt moet worden, communicatie afgestemd moet worden op de verstandelijk beperkte263, er meer externe structurering moet zijn om de informatie op een overzichtelijke manier bij de beperkte te brengen en het netwerk om de verstandelijk beperkte moet betrokken worden bij een interventie omdat een verstandelijk beperkte langdurige zorg nodig heeft en daardoor het netwerk veel werk moet verrichten om het geleerde gedrag te generaliseren naar andere situaties en omgevingen.264

Ook blijkt uit het rapport van Leenaarts, van Wijngaarden en van der Giessen naar gedragsinterventies voor jongeren met een verstandelijke beperking binnen de jeugdstrafrechtketen265 dat de bestaande gedragsinterventies vaak langer duren bij verstandelijk beperkte jongeren omdat meerdere en kortere gesprekken nodig zijn.266 Tevens blijkt dat de problematiek van jongeren met een verstandelijke beperking vaak complex is. Om recidive te voorkomen is het daarom vaak nodig om meer dan één potentieel effectieve gedragsinterventie in te zetten. Deze groep heeft namelijk een samenhangend pakket op maat nodig zoals door respondenten in het rapport van Leenarts et al267 is aangegeven.

Maatwerk is dus geboden.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat cognitieve gedragstherapie positieve effecten laat zien bij de behandeling van jongeren met een verstandelijke beperking. Het gaat hierbij om een therapie waarbij de verstandelijk beperkte leert om zijn stemming te beheersen, zich adequaat te gedragen en functionele denkbeelden te hanteren.268 Bovendien blijkt dat agressie-regulatietrainingen effectief kunnen zijn voor jongeren met een verstandelijke beperking en gedrags- of psychiatrische problematiek. Doordat verstandelijk beperkten moeite hebben met stress en daarop agressief kunnen reageren lijkt een dergelijke training aan te slaan.269 Onderzoek daarnaar bij volwassenen is nog niet gedaan maar de kans dat bij verstandelijk beperkten dit hetzelfde effect heeft lijkt, gezien de ontwikkeling van de verstandelijk beperkte, zeer groot.

Van Daele heeft in 2000 al een onderzoek gedaan naar ambulante Psychotherapeutische behandeling, bij verstandelijk gehandicapte plegers van zedendelicten, op het Centrum voor Daderhulp te Brussel.270 Onderzoeksresultaten naar de methodiek van Van Daele geven een duidelijk beeld met betrekking tot de verstandelijk beperkte. Daarbij is te zien dat het werken met relationele en seksuele onderwerpen, maar vooral het onderwijs daarin en het ontwikkelen van een zo groot mogelijke participatie bij deze doelgroep, zoals Van Daele dat toepaste direct een toename in kennis, risicoperceptie en een toepassing van het gewenste preventieve gedrag veroorzaakte.271 Uiteraard boden deze onderwerpen belangrijke leerkansen omdat de verstandelijk beperkte plegers een beperktere kennis hebben over relaties en seksualiteit. Hierdoor kon men de verstandelijk beperkte gedragsalternatieven aanreiken

265 Leenarts e.a., 2017

266 Intermetzo, 2015

267 Leenarts e.a., 2017

268 Didden & Moonen, 2007

269 Dekker, 2014

270 Van Daele, 2000

271 Kemme, 1995

om onacceptabel seksueel gedrag te voorkomen. Lange termijn onderzoeken zijn hier echter niet naar gedaan. Hoewel hulpverlening aan verstandelijk beperkte plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag op dat moment nog in de kinderschoenen stond bleek dit toch een duidelijk voorbeeld van wat zou kunnen werken bij een verstandelijk beperkte dader van een zedendelict.

In document De doelen van het strafrecht ten opzichte van het sanctioneren van verstandelijke beperkten (pagina 64-68)