Bij de opperrabbijn

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 81-88)

Het was op het einde van de maand juni 1907, dat ik op zaterdagmorgen de trappen beklom, aan de Boompjes te Rotterdam, vergezeld van mijn schoonvader, bij de weleerwaarde zeergeleerde heer Dr. R. opperrabbijn te Rotterdam.

We werden aangemeld en binnengeleid. Toen ik binnenkwam zag ik de grijsaard met zijn forse bouw, grijze baard en lorgnet op, waardoor hij een voorkomen had, dat aller achting afdwong. Daar was ook nog een hulprabbijn aanwezig, de weleerw. heer C.

Het eerste wat hij vroeg was: “U bent van Praag?” Ik antwoordde: “Jawel,” “Ik heb van enigen van uw familie vernomen, dat u geen Jood meer wil blijven, en dat u van geloof wil veranderen. Zij, mij daarover raadplegende, dacht ik het goed, om een poging in ’t werk te stellen, om u van uw dwaze denkbeelden af te houden en te voorkomen, dat er een familie in rouw gedompeld wordt door zo’n stap te doen, daarom liet ik u ontbieden en zou gaarne eens van u vernemen, wat u daartoe gedreven heeft, om zo’n verschrikkelijke daad te willen doen.”

“Eerwaarde,” antwoordde ik, “ik blijf wel Jood, want dat ben ik in de ware zin des woords geworden, en wat het andere betreft, dat ik van geloof veranderen wil, dat is ook niet zo; alleen dat mag ik zeggen, dat ik heb gebroken met alle leringen en inzettingen van mensen, (bedoelende op de Talmudistische inzettingen). Maar ik mag dat geloven, wat door God de Heere gesproken is, door Mozes en de Profeten.”

Hij antwoordde mij: “Nu, en u begrijpt mij heel goed. Hetgeen ik meen is, dat u zich wil laten dopen en niet meer naar de doodse ritus wilt leven, maar volgens de Christelijke leer. Wilt u mij daar eens een uitlegging van geven?”

Terwijl hij mij dat vroeg, legde hij een boek voor mij neer en dit openslaande, zag ik tot mijn verbazing, dat dit een Nieuwe Testament was. Ik dacht minstens, dat het een Joods boek zou zijn.

Ik legde het weg en vroeg hem een Oud-Testament in de Hollandse en Hebreeuwse taal. En dat gaf hij mij.

“Want;” zei ik, “ik ben niet bij u om over het Nieuwe Testament te spreken, maar we zullen beginnen bij het Oude Testament, om u te bewijzen, dat alles wat in het Oude Testament staat, vervuld is geworden.”

Ik begon met hem te spreken over het eerste hoofdstuk van Genesis; daar staat, dat God in den beginne de hemel en de aarde schiep, enz. En ging verder met te zeggen, dat wat God schiep goed was, ja zeer goed was. Dat God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis in ware Gerechtigheid en Heiligheid. Dat God de mens in het Paradijs plaatste en hem heerschappij gaf over alles, over het gewas, ja over de vogelen des hemels, enz. En de Heere God gaf ze een gebod, dat ze vrijelijk van alle bomen van de hof mochten eten, behalve die van de kennis van goed en van kwaad;

en met het heerlijke vooruitzicht van eeuwig te leven, maar ook de waarschuwing: ten dage als gij van deze boom eet, dan zult u de dood sterven. En wat zien wij verder?

Daar zien wij de mens het gebod van God overtreden, met het treurige gevolg, dat zij het Paradijs uit moesten; en zien wij de mens liggen in de dood, in zich meeslepende het ganse menselijk geslacht. Het beeld van God verliezende, waarnaar hij geschapen was; het pronkjuweel van de Schepping, om nooit weer in het beeld van God hersteld te worden, zo God hem daar had laten liggen. Want daardoor heeft de mens de drievoudige dood op zich geladen. Namelijk: de tijdelijke, geestelijke en eeuwige dood; daarom staat er: de dood sterven. En nu zullen wij de Goedertierenheid en.

Barmhartigheid en Zijn eeuwig welbehagen zien, wat Hij in de gevallen mens had,

want God zei (nadat Hij Adam riep: Waar zijt gij?) en nadat Adam antwoordde in vers 10 van Gen. 3: “Ik hoorde uw Stem in de hof, en ik vreesde, want ik ben naakt, daarom verborg ik mij.”

vers 11 “En Hij zei: “Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van die boom gegeten, van welke Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?”

vers 12 Toen zei Adam: “De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van die boom gegeven, en ik heb gegeten.”

En in vers 13 zei de Heere “Wat is dit, dat gij gedaan hebt?” En de vrouw zei: “Die slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten!”

Dus de vrouw is het eerste gevallen, nu krijgen wij een aankondiging, van hetgeen er staat te gebeuren in vers 14: Toen zei de Heere God tot die slang: “Omdat gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds!

Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.” Als het dat alleen was zonder meer, dan had van het ganse menselijke geslacht niets terecht gekomen; want God is een Waarmaker van Zijn Woord en kan van Zijn Recht geen afstand doen. Daar is Hij te heilig voor. Maar nu wordt het vers 15 “Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.”

Dat heb ik nu zien vervullen in de overwinning van Hem, waar de Psalmdichter van zingt: “De steen die de tempelbouwers verworpen hebben, is tot een hoofd des hoeks geworden.”

Nadat het zaad van de slang de verzenen vermorzeld had van het zaad van de vrouw;

en door het zaad van de vrouw, de kop vermorzeld is van het zaad van de slang.

Terwijl ik aan het spreken was viel hij mij in de rede: “Dat slaat niet op de Christus, als een slang een mens ziet, bijt hij van achteren in de verzenen; en als dan een mens er op af gaat, zoals bij een slangenjacht, dan is het eerste wat geslagen wordt, de kop;

want die is het gevaarlijkste.”

Ik zei tegen hem: “Ik spreek nog niet van de naam Christus” (ik wilde eerst de voorzeggingen met hem behandelen) en om hem het duidelijk te maken, vroeg ik hem:

“Waarom staat er dan: Ik zal vijandschap zetten, tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang? En waarom niet tussen het zaad van de man en het zaad van de vrouw, daar Adam toch door Eva is verleid geworden? En God zegt toch tegen Adam:

Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw, zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt. Dus niet de strijd tussen Adam en Eva, maar nogmaals tussen het vrouwenzaad en het slangenzaad. Want ik heb leren kennen, dat het vrouwenzaad die verlossing heeft teweeg gebracht, namelijk Mooschiach (Ben David) de gezalfde, de Zoon van David. De geestelijke Zoon van David, die uit zijn lendenen zou voortkomen, de Beloofde aan de vaderen en waarvan Mozes en de profeten gewagen, zoals Psalm 2, Jes. 53, Psalm 110, Daniel 9, Hosea, Maleachi, enz. en waarvan alle ceremonieën afschaduwingen waren, zoals de offeranden waren in het offer van de verzoening, waarin ik door Gods genade verzoening heb gevonden; in Hem volgens Psalm 22 Wiens handen en voeten waren doorgraven, door Wiens striemen ik genezing heb gevonden en van Hem, waarvan Psalm 110 zegt: “De Heere heeft gesproken tot mijn Heere: zit aan Mijn Rechterhand; totdat Ik uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten.”

“Weleerwaarde,” vroeg ik, “waar hebt u uw verzoening in gevonden?”

“Spreek maar door!” luidde zijn antwoord.

Ik mocht verder gaan, want Zijn Eerwaarde liet mij geheel uitspreken.

“Er staat in de Heilige Schrift in Leviticus: “Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des Heeren uws Gods niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij

doet al Zijn geboden en inzettingen, die ik u heden gebied, zo zullen al deze vloeken over u komen en u treffen!”

En daar ik nu toch heb leren inzien dat al hetgeen de Heere daar zegt ik niet doen kan, zo ben ik toch schuldig aan de wet, en lig toch onder de vloek van de wet. Hoe word ik dan weer met God verzoend? Hoe word ik rechtvaardig voor God? Hij moet de zonde toch straffen? Ilij kan de zonde toch niet ongestraft laten? Er moet toch aan Gods Recht voldaan worden? Dat toch geen engel, noch mens, noch goud, noch zilver doen kan? Want op een zekere plaats in Gods Woord staat: “want wij zijn niet verlost door goud noch door zilver, maar door het bloed van het Lam, Die een eeuwig geldende gerechtigheid heeft teweeggebracht”; zoals in Daniël 9, na de 62 jaarweken, toen de Messias gekomen was en werd uitgeroeid, dat niet voor Hemzelf zou zijn, maar voor een verloren Adamsgeslacht, waaruit God de Heere, naar Zijn eeuwig, vrijmachtig welbehagen, de Zijnen bekend maken zal, dat het voor hun geschied is in het bloed van de verzoening. Leviticus 17. En waarvan zelfs de Talmud zegt: “Zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving.”

Dus ik kan niet meer leven naar de wet. Ik vroeg hem: “Kunt u dat wel?” Hij antwoordde mij: “Ja, want een mens kan toch de Sabbat houden, door niet te werken, zijn feest- en vastendagen te onderhouden, zijn ceremonieën in acht te nemen, dat is God aangenaam.”

Ik antwoordde hem: “Dat de priesters op de Sabbat twee volkomen eenjarige lammeren en twee tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd moesten brengen. Num. 28: 6. Dat was het gedurig brandoffer, dat de Heere God aan Mozes voor Israël gebood. “Dr.,” vroeg ik hem, “waar is dat Sabbatoffer? Hetwelk u en Israël op Sabbat brengen? En waar zijn de priesters, die dat ambt bedienen?” Hij antwoordde mij: “Dat hebben wij nu niet meer, wij hebben geen priester, geen tempel en geen altaar meer, wij zijn in ballingschap.” Daarop antwoordde ik hem weer: “Dat is een bewijs, dat we niet meer onder de wet kunnen leven! Maar dat de Heere ons wat anders daarvoor in de plaats heeft gegeven; waardoor Gods wet volkomen gehouden en vervuld werd. Alleen weer door het bloed van de Messias en door een oprecht geloof dat aan te nemen, en te omhelzen. Dus alzo uit genade alleen, niet uit ons, maar uit genade! Want dat is Gods gave.”

“Er is geen genade,” riep hij. “Als een mens maar leeft volgens de inzettingen, zoals ons geleerd wordt, dan is dat welgevallig in Gods oog.”

“Dat is niet waar,” antwoordde ik, “want God de Heere zegt: Vervloekt zij, die de woorden dezer Wet niet zal bevestigen, doende derzelve.” Wij zien hier dus, hoe wij allen onder de vloek besloten liggen; want u zegt zelf, dat wij dat alles niet meer hebben, en het dus moeten missen; maar gelijk ik zo-even zei, de Heere heeft ons wat anders gegeven en wel de vervulling van de Wet in de Messias, waarvan alle offeranden een afschaduwing waren; zelfs het heiligdom en de hogepriester waren er afschaduwingen van; en wat u nu niet heeft, dat heb ik gevonden. Want ik geloof, dat Jezus Christus het volkomen zoenoffer is en waar in wij altijd de toevlucht in mogen nemen. En ik geloof dat Hij die Priester is in eeuwigheid, die gezalfde Koning, die Profeet, die God ons zelf verwekt heeft, die nu niet meer de dienst waarneemt in een tempel, gemaakt door mensenhanden, door het bloed van beesten te offeren; maar eeuwig in de hemelen, dat is die Tabernakel, door Gods hand zelf gemaakt, waar Hij eeuwig woont en troont; daar op de troon van Zijn vader David zit, ter Rechterhand Gods, om daar eeuwig voor Zijn uitverkoren volk te bidden. Daar met Zijn doorboorde handen naar Jes. 53, naar Ps. 110 enz. Altijd voor Zijn kerk in de bres staat en waar wij elke keer weer, in dat bloed, de toevlucht mogen nemen. Niet meer in de Oud-Testamentische vorm, maar in Geest en in Waarheid en in waar, oprecht,

God verheerlijkend, geloof. Ziedaar, weleerwaarde, dat is mijn tempel, dat is mijn offer, en het bloed van de verzoening.”

Ik beval hem aan 2 Sam. 7 na te lezen. Mijn geachte lezers kunnen het ook nalezen.

Ik wees hem ook op Psalm 45: 7. Waar ook van de troon Christus gesproken wordt:

“Uw troon, o God, is eeuwig en altoos, de Scepter Uws Koninkrijks, is een Scepter der Rechtmatigheid” en vers 8 “Gij hebt Gerechtigheid lief en haat goddeloosheid!

Daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie boven uw medegenoten.”

Tot mijn verbazing bleef Zijn Eerwaarde het antwoord schuldig (hij het begin van mijn beschrijving heb ik u de onwetendheid van de Joden en ook van hun leraars medegedeeld, daar ik u toen reeds wees op dit gesprek, dat ik met deze voornoemde Rabbijn had gehouden).

De heer C., de hulprabbijn, begon over Psalm 2 met mij te spreken, hij zei: “Er staat in het Hebreeuws in Psalm 2 Naskoe-bar Benjeonouf, hetwelk betekent: kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, dat slaan de Christenen op Hem, riep hij uit, en hij sprak de naam van Christus niet uit, “dat betekent,” zo zei hij, “Reinigt uw hart of kuisen of schoonmaken (men kan ook in Hebreeuws dat woord vertalen met reinigen) (Naskoe).

Maakt u schoon, o zoon, van de zonde. Dus,” verklaarde hij, “Reinigt u zoon, opdat God niet toorne,” dus daar bedoelde hij een mens mee, en zo maakte hij die toepassing. En zodoende valt dan de naam Zoon, als Verlosser, in die verklaring weg.

Toen wees ik hem op het Hooglied van Salomo: “Hij kusse mij met de kussen Zijns Monds,” Hoogl, 1: 2.

Het woord (Naskesijnoe) in het Hooglied vertalen de Rabbijnen wel als kussen, liefhebben. In Psalm 2 staat hetzelfde woord Nesjek als wortelwoord “kussen”. Ik vroeg hem: “Waarom mag het in het Hooglied wèl kussen betekenen, Hij kusse mij enz. en in Psalm 2, niet?”

De lezers begrijpen zeker wel, als hun eerwaarden dat bekenden, dan zou ik hen de vraag gedaan hebben, “wie is dan die Zoon, die de kerk moest kussen en die dan zou toornen en op de weg zou vergaan, als Zijn toorn een weinig zou ontbranden en

“welgelukzalig” worden gesproken die op Hem betrouwen.

Ik wees hem, dat diezelfde Persoon in Psalm 2 ook Hij is, waarvan in Gen. 49 vers 2 gesproken is als de Silo; waarvan Jacob zegt: “Komt samen en hoort gij zonen van Jacob! en hoort naar Israël, uw vader.” en vers 1: “Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de volgende dagen wedervaren zal.” En als hij Juda zegent in vers 10 dan zegt hij: “De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelve zullen de volken gehoorzaam zijn.”

Hij antwoordde: “Dat wordt zo vertaald “totdat (gij) te Silo komt of totdat (Juda) te Silo komt” (Dit zegt een Joodse Heer Muller). Maar ik antwoordde hem, dat een grote Joodse geleerde genaamd Jarchie van Gen. 49 zegt in het boek Zohar: Silo, dat is de koning Messias, Wie het koninkrijk toebehoort.

Ik keek in het Hebreeuwse boek, waarin stond geschreven: “De scepter zal van Juda niet wijken noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat (gij) te (Silo komt),” Het woordje “gij” en “Silo komt” stond erbij gevoegd tussen haakjes. Nu staat in Genesis 49, in de zuivere overzetting van de Herv. Bijbel Silo (Sajlou), Silo komt. De plaats Silo wordt geschreven in het Hebreeuws met drie letterklanken (Slh); maar in Genesis 49 staat het woord Silo, geschreven in vier letterklanken (Sjlh) Dus in Gen. 49 komt het in twee lettergrepen, Sjai louh. Zo is dan de vertaling: totdat God Almachtig komt, dat niet kan vertaald worden van de Plaats Silo (Slh). Het woordje Sjai betekent: God Almachtig (Rustaanbrenger), en het woordje: louh, betekent: Hij komt. En de plaats Silo, kan niet vertaald worden.

Ik schrijf het hier wat uitgebreid neer, daar de meesten het Hebreeuws niet kunnen vertalen.

Hij verwierp dat zonder tegenrede!

Toen verwees ik hem naar Daniël 9 over de 70 jaarweken, waarvan ik de lezer in mijn vorige bladzijden uitvoerig heb geschreven.

Een enkel woord nog daarover. Hij antwoordde mij op het woord (dat de Messias zal uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn): “Dat betekent niet Messias, maar Gezalfde, bedoelende op Nebucadnezar. Een gezalfde die komen zal en niet meer zal zijn,” Zo vertaalde hij dat.

Ik vroeg hem op welke grond hij dat zo vertaalde. Hij antwoordde mij:

“Omdat God Nebucadnezar Zijn knecht noemt; hiertoe heb Ik Nebucadnezar Mijn knecht verwekt” En ik legde hem uit, dat de vertaling van Daniël 9: 26 in verband stond met Jesaja 53, dat “de Messias zal uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn” enz.

De lezers zullen net zomin als ik verwachten, dat hun eerwaarden zouden instemmen met al hetgeen ik hen uit de Schrift bewees.

Maar wel merkte ik, dat deze geleerde schriftgeleerden, de geschriften van het Oude Testament, verdraaiden tot hun eigen ondergang.

Zo is dan de arme Jood, hetgeen Paulus zegt, lopende met het deksel van Mozes op hun aangezicht en een ijver tot God hebbende, maar niet met verstand. En gaan ver-loren, omdat ze de kennis van God missen.

Nadat ik hen nog het één en ander beantwoordde, begon hij met mij te spreken over de Drieëenheid in het Goddelijk Wezen. Hij zei: “Hoor, Israël, de Heere onze God is een Enig, eeuwig Wezen,” en toen begon hij in zijn onwetendheid te spotten, en vroeg mij: “Als er een mens stervende is en de dood in de hand, voet of hoofd aanwezig is, of meerdere mensen stervend zijn, wie moest dan van deze Drie de ziel halen bij dezen of de anderen?” Ja, lezers, wat wordt hierin vervuld, dat de Heere Jezus, God dankt, dat het voor de wijzen en verstandigen verborgen is, maar heeft het de kinderkens geopenbaard.

Ik wees hem, dat het niet van spot ontdaan was, wat hij daar zei. En ik mocht het hem op eenvoudige wijze meedelen; en had het hem, zoals ik het u ook in het begin van mijn schrijven uitlegde, toen verklaard. Dat we geen drie Goden hebben en aanbidden, maar Eén eeuwig, enig Goddelijk Wezen, geopenbaard in drie Goddelijke Personen;

waarvan Gods Woord en Getuigenis vol van is. Het is die God, Die hemel, zee en aarde schiep en sinds bewaarde, en alles wat in en op dezelve is, geschapen heeft. Ook wees ik hem, waarvan wij, Joden, in onze gebeden gewag maken, als wij belijden:

Hoor Israël, de Heere (dat is eenmaal) onze God (dat is tweemaal) de Heere (dat is driemaal) is een Enig Heere. Hierin wordt de Naam van het Opperwezen driemaal genoemd. Op het eind van dit gebed staat het woord Egod, dat betekent Eén, waarmee

Hoor Israël, de Heere (dat is eenmaal) onze God (dat is tweemaal) de Heere (dat is driemaal) is een Enig Heere. Hierin wordt de Naam van het Opperwezen driemaal genoemd. Op het eind van dit gebed staat het woord Egod, dat betekent Eén, waarmee

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 81-88)