De grote verzoendag

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 54-58)

In verband met de grote verzoendag, moet ik u nog het één en ander verder mededelen.

Aan de avond voorafgaande aan de grote verzoendag is het de gewoonte zoenoffers te brengen. Men neemt voor een man een haan; voor een vrouw een hen, en voor een zwangere vrouw een haan en een hen; vanwege het kind.

De huisvader verzoent eerst voor zichzelf; immers de hogepriester heeft eerst voor zichzelf verzoend, daarna voor zijn familie, en eindelijk voor geheel Israël.

Het één en ander geschiedt op de volgende wijze: Hij neemt een haan in zijn hand en zegt de volgende verzen: “De mensenkinderen, die in duisternis en in de schaduw van de dood zaten gebonden met verdrukking en ijzer, deze voerde Hij uit de duisternis en de schaduw van de dood en hij brak hun banden. De zotten worden om de weg van hun overtreding en om hun ongerechtigheden geplaagd. Hun ziel gruwelde van alle spijzen, en zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen; doch roepende tot de Heere in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten. Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen. Dat ze de Heere loven voor Zijn goedertierenheid en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen. Is er dan bij Hem een gezant, en uitlegger, één uit duizend om de mens zijn rechte plicht te verkondigen, zo zal Hij hun genadig zijn en zeggen: Verlos hem, dat hij in ’t verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden”.

Terwijl een zoenoffer om zijn hoofd slingert, zegt hij:

“Dit is mijn plaatsvervanger! Dat is mijn uitwisseling! Dit is mijn zoenoffer! Deze haan gaat in de dood, ik echter ga in een gelukkig lang leven, en tot vrede”.

Daarop begint hij weer van voren aan bij de woorden:

“De mensenkinderen . . . enz.” En dit doet hij tot drie maal toe. Hierop nu volgen de verschillende ceremoniën, welke in echt genomen moeten worden, wanneer de verzoening van een vrouw of een ander persoon geschiedt.

Zodra men op deze wijze de verzoening volbracht heeft, moet men de handen op het offer leggen, evenals men vroeger de handen op het offer heeft gelegd; onmiddellijk daarna geeft men het over, om geslacht te worden.

Deze, onder de Joden algemeen heersende ceremonie, bewijst genoegzaam, de inwendige ontevredenheid van de Joden, met hun eigen leer. En de diepgegronde overtuiging van het hart, deze namelijk: dat zonder bloedstorten geen vergiffenis van zonde te verkrijgen is. Indien de Israëlieten werkelijk geloofden, dat boete of de verzoendag, of het geven van aalmoezen, of verdiensten, hetzij die van hunzelf of van hun voorvaderen, de zonden konden verzoenen, dan zouden zij nooit een gebruik, zoals het evengemelde hebben uitgevonden.

Het bewijst echter, dat de geest van de Mozaïsche wet, te diepe wortels heeft geschoten, dan dat het zich met een zaak vergenoegen zoud, welke beneden het werkelijk offer is. En daar dit volk thans priester, noch altaar bezit, zo werd een jammerlijke en wanhopige proef genomen, om het beschuldigend geweten, door deze uitvinding, rust te verschaffen. Dit gebruik bewijst dus, dat de leer van de rabbijnen, omtrent de verzoenende kracht van de boete, zelfs niet eens door haar uitvinders met bijzonder vertrouwen werd opgenomen. Hoe kan nu een Israëliet het heil van zijn onsterfelijke ziel op een leer gronden, die regelrecht tegen de Mozaïsche wet indruist, en wier belijders zelf bekennen, dat zij ongenoegzaam is? Moet dan de Israëliet steu-nen op het door hemzelf uitgedacht offer van een haan? Nergens vindt men, dat God

daarvoor vergiffenis heeft beloofd.

Deze steun is alzo even ongenoegzaam, als één van die, welke wij al beschouwd hebben. Elke opgedrongen hoop van de rabbijnen, heeft zich reeds bij nader onderzoek als ongenoegzaam voorgedaan. Niet één van de velen is voldoende; ieder op zichzelf draagt zij zozeer de stempel van menselijke uitvinding, dat het verontruste hart, veeleer haar ontvlucht, dan zich er aan vastklemt.

Persoonlijke verdienste, de verdiensten van de voorvaderen, het blazen op de bazuin, de tegenwoordige waarneming van de grote verzoendag, het offer van een haan, dit alles hoe plechtig ook ten uitvoer gebracht, met welke goede bedoelingen ook gedaan, al deze dingen zijn, zo niet direct strijdig met de Heilige Schrift, dan toch door haar tenminste twijfelachtig gemaakt.

Uit het hierboven aangehaald gebruik, van het tegenwoordig Jodendom, blijkt intussen;

1. Dat elk menselijk wezen, waarlijk schuldig is en behoefte heeft aan verzoening;

2. Dat een verzoeningsoffer ter verkrijging van vergiffenis, de enige werkelijke hoop is;

3. Dat voor elke man, iedere vrouw, elk kind, ja, zelfs voor de ongeboren vrucht een offer nodig is;

4. Dat de natuur van de mens verdorven is; en dat de erfzonde zelfs daar, waar geen werkelijke overtreding plaats vond, door het bloed van een verzoenoffer moet worden uitgewist;

5. Dat de zonden, op het offerdier moeten worden overgebracht, en dat dit een plaatsvervanger van de zondaar is, zoals ten duidelijkste blijkt uit de woorden: “dit is mijn plaatsvervanger! Dit is mijn uitwisseling! Dit is mijn zoenoffer”;

6. Dat hij, die een offer aanbrengt voor een ander, zelfs vrij van zonde moet zijn;

aangezien de plechtigheid vereist, dat de vaderen van het huisgezin eerst voor zichzelf, en dan voor zijn familie verzoening doet.

Dit alles ligt klaarblijkelijk in de eenvoudige offerande van een haan. En wilt u nu ten slotte weten, geliefde lezers, waarom men juist een haan daarvoor heeft gekozen?

Welaan, luistert. De oude rabbijnen waren zich zeer goed bewust, en hebben het menigmaal niet onduidelijk uitgesproken, dat er éénmaal een Rechtvaardig mens zou opstaan, om voor het ganse menselijk geslacht verzoening aan te brengen. Hoe ook verminkt en verdraait, zijn er enkele brokstukken overgebleven, waarvan de latere rabbijnen zich bedienden. Gelijk wij dit zagen bij het Paasfeest, zo zien wij het ook hier bij het vieren van de grote verzoendag. In het boek genaamd Orag Gajim, pag.

605, waar over het offeren van deze haan breedvoerig gesproken wordt, is dan ook de rede opgegeven, waarom het een haan moet zijn: “Omdat zijn naam (Gower) in het Hebreeuws een mens betekent, zo is hij als de plaatsvervanging van de ene mens voor de andere mens” (Een boek merkwaardig, omdat het de dagelijkse verordening bevat, waaraan de Israëlieten zich te houden hebben). Deze haan moet dus een rechtvaardig mens voorstellen, en daarom is hij als offerande voldoende. De gronden zijn zo slecht niet, maar ongelukkig gaat het hiermee, zoals met alle andere plechtigheden. De juiste inhoud kennen ze niet, de ware grond weten ze niet. En ze stellen ook niet de geringste middelen in het werk, om het te kunnen weten. Evenals zij het van groot-vader en grootmoeder geleerd hebben, zó doen zij, geen haar meer en geen haar minder.

Zo spoedig is de haan niet geslacht of zij haasten zich, om van de met zware zonden beladen haan, heerlijke soep te koken, en die met zeer veel smaak te nuttigen.

Omstreeks 5 uur spoedt men zich naar de synagoge, er gaan dan ook sommige vrouwen daarheen. Voordat echter de dienst een aanvang neemt, geeft men elkaar de

hand (vooral in kleinere plaatsen) toewensende, dat aan ieder een goed jaar mag ten deel vallen en een verzegeling ten leven. Dit nu geschiedt hoofdzakelijk uit gehoorzaamheid aan de Talmud, die voorzeker de juiste aanmerking maakt: “Zonde tussen de mens en God bestaande, wordt op de grote verzoendag niet vergeven, tenzij men met elkaar verzoend zij”.

Vervolgens wordt de dienst geopend met een ceremonie, welke ik hier niet zal beschrijven. Daarna zet men de dienst voort met gebeden, die voor een groot gedeelte boetgebeden en waarlijk ernstig en krachtig zijn. Ongeveer om half tien is dit avondgebed geëindigd, en elkeen maakt spoed om zich ter ruste te begeven.

’s Morgens om 7 uur vangt de dienst weer aan, welke tot ’s avonds, wanneer de sterren zichtbaar zijn, voortduurt. Het laatste gebed heet: Negilo (slotgebed); en is wegens vele kernachtige uitdrukkingen wel het lezen waard. Het luidt aldus:

“Open dan nu de poorten van de hemel voor onze gebeden, want de dag is bijna voorbij gegaan”. En als ware het een wanhopende uitdrukking daarop: “O, de dag gaat voorbij, ook de zon, die gekomen is gaat onder, nu komen wij tot Uw troon! Och, draag toch, verzoen toch! Vergeef toch! Help toch! en wat er meer volgt. Vindt u dat, waarde lezers, niet ernstig? En als uit het hart voortkomende jammerklachten en gebeden? En het gaat ten laatste zover en laten niet na ook de engelen aan te roepen, om hun middelaars te zijn bij de Almachtige God! “Doet u een voetval voor het aangezicht van de grote God; misschien erbarmt Hij zich over een arm en ellendig volk. Misschien erbarmt Hij zich! Wanneer nu reeds het reeds lang gewenste ogenblik dáár is, dat namelijk de sterren aan de hemel zichtbaar worden, zo wordt er nog éénmaal op de bazuin geblazen en, de grote verzoendag is voorbij.

Nu kent de verwarring geen grenzen meer, allen lopen door elkaar, de doodsklederen worden afgelegd, het gewone avondgebed wordt opgezonden. Dit alles is het werk van een ogenblik.

Thuis wachten hun de warme koffie, brood, kaas, haring, enz. enz. Alles reeds in orde gebracht door de vrouwen, die enige tijd vroeger naar huis zijn gegaan; of die haar troost de gehele dag maar in huis gezocht hebben. Binnen een uur tijds is de maaltijd afgelopen. Men steekt een pijp of sigaar op en men begint nu eens te spreken over het verledene. “Ik heb goed gevast”, zegt de één, (nu hij zijn buik vol heeft), “O” zegt de ander, “mij was de dag om, voordat ik het wist.” Immers hij had een groot gedeelte van de dag doorgebracht met slapen! En meer dergelijke stichtelijke nabetrachtingen.

Nu gaat men ook eens de ronde maken. Ieder gaat naar zijn familie of betrekkingen, om te vernemen, hoe ze gevast hebben. Van lieverlede komt nu het gesprek over de voorzangers, die op die dag gefungeerd hebben, en wel over de vraag of zij wel of niet in de smaak vielen! Deze is natuurlijk verschillend; men blijft ook niet in gebreke over dezen en genen de staf te breken. En nog veel andere zaken komen in het gesprek naar voren. Men kijkt op het horloge, men moet weer huiswaarts, om weer wat te eten en hiermede is ook de rij van de nabetrachting gesloten.

Hier lezer, hebt u een volledige beschrijving van de wijze, waarop de grote verzoendag, die grote en eerbiedwaardige dag, voor het merendeel van Nederlands Jodendom gevierd wordt. Een dag, waarop het Israëls hogepriester geoorloofd was, het allerheiligste binnen te treden, om verzoening te doen. Een dag, waarop nog ieder edel denkende met eerbied neerziet. Die dag wordt met onverschilligheid, zo niet met tegenzin tegemoet gezien! O, hoe vurig verlangt men reeds dagen te voren, dat die dag voorbij was.

En toch verkeren immers allen in de waan, dat zij vergiffenis hebben ontvangen. Zo was het toch ook met mij gesteld, gelijk ik u al heb medegedeeld. Waarom zouden zij die ook niet kunnen verwachten? Logisch geredeneerd moeten zij vergiffenis hebben,

evenals hun voorvaderen, die twee kronen verkregen bij de wetgeving van Sinaï (uit de Talmud). Niettegenstaande zij de wet van Mozes met tegenzin ontvingen. De Talmud is in zulke dingen gewoonlijk logisch, (hij noemt dit een conditio sine qua non).

Had men nu niet op deze dag, die zij de eerbiedwaardigste dag noemen, een algemene verslagenheid moeten ontwaren en opmerken? Maar nee, het is in genen dele het geval. Zij vieren die feesten niet uit behoefte, maar alleen, omdat zij jaarlijks terugkeren.

Zij vasten, omdat zulks bepaaldelijk voorgeschreven is (er zijn er o zo weinig, waar het werkelijk om gaat om verzoening en vergeving te ontvangen). Als ze ’s avonds uit de synagoge thuis komen, weten ze niets anders te zeggen of te vertellen, dat hun gebeden bestonden uit een ochtend-, middag-, avond- en slotgebed. Dat is alles! Daar staat men vroeg voor op en hult men zich in lijkklederen. Daarvoor bidden zij een ganse dag, en pijnigt men zich soms op een vreselijke wijze, terwijl er bijna niet één is, die met volle overtuiging zeggen kan: “Ik weet, dat mijn zonden vergeven zijn!”

Bijna niet één in wiens gemoed de gedachten zouden oprijzen tot zijn naasten te spreken: “Het was mij goed op deze plaats geweest te zijn.”

Zo leeft Israël daar heen zonder heiligdom, zonder priester, zonder offer en zonder troost! Voorwaar, hun toestand is hachelijk! Verstrooid aan alle einden van de aarde, vieren zij Paasfeest, doch . . . zonder Paaslam! Verbannen uit het land van hun wettig erfdeel, vieren zij de grote verzoendag, doch . . . zonder hogepriesterl Verdreven van de graven van hun vaderen, staren zij met jammerlijke onverschilligheid op de puinhopen van hun voormalige glorie! Voorwaar, zeg ik u, hun toestand is hachelijk!

Israël! Mijn broeders naar het vlees! Wij gevoelen met u dat de grond, waarop u staat zwak, zeer zwak is; dat het gebouw van uw eredienst met loze kalk bepleisterd is! We kunnen ook begrijpen, dat de lange duur van Uw ballingschap u ten dele moedeloos heeft gemaakt, en daarom nemen wij deel in uw ongelukkige staat! Wij hebben medelijden met u, diep medelijden. Welk een onderscheid! Vroeger was u het heilige, het uitverkoren volk van God, dat zich beijverde om de dienst van Jehova met de meeste nauwgezetheid, maar ook met de meeste liefde en eerbied ten uitvoer te brengen. Thans bent u als het meest verachte en gesmade volk, dat met lusteloosheid de dienst van Jehova gadeslaat. O! wanneer ik dat alles naga, dan wordt mijn gemoed bewogen! Wanneer ik daarbij denk, dat ik ook nog dierbare nabestaanden onder u heb.

Wanneer mijn oog tuurt naar de hoofdstad van Nederland, Amsterdam. Wanneer ik vanuit de verte de grafheuvel zie, welke het dierbaar gebeente van mijn vroeg afgestorven vader, mijn lieve dierbare moeder bewaart. O! Broeders uit Israël, dan ben u mij nog dierbaar! Dan rijst er menige zucht omhoog tot Hem, die het zuchten van een weerlooze niet versmaadt! Dan bid ik voor u, dat de Almachtige het overblijfsel van Jacob genadig zij! Genadig zijn, o, dat zal Hij, de Algoede, de. Barmhartige! Er zal weer een tijd komen, waarop Uw druk zal veranderd worden in blijdschap, uw droefheid in vrolijkheid, wanneer Hij komen zal, Hij die zo jammerlijk over u weende, Die u zo vurig liefhad en stervende ook voor u heeft gebeden, dan zal Hij u vergaderen van alle einden van de aarde. “Juicht hemelen en weest blijde, o, aarde!

Hij, die Israël verlaten heeft, Hij zal hen wederom aannemen; zo waarlijk als Zijn naam Ontfermer is!” Hij heeft het beloofd, en Hij zal Zijn woord eeuwig gestand doen Rom. 11: 26. Hij heeft het uitgesproken ook door de mond van de grote profeet: “In een klein ogenblik heb ik u verlaten en in grote barmhartigheid zal ik u wederom vergaderen.”

HOOFDSTUK X

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 54-58)