HOOFDSTUK XXVIII Reisbeschrijving naar Drenthe

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 167-172)

Zoals mijn lezers nu weten, ben ik bij veel van mijn vrienden in huis geweest. Met de voeding ging het steeds achteruit. Daar mijn vrienden nauwelijks voeding voor henzelf en voor hun kinderen hadden, zou ik zeer verblijd zijn, als ik bij een boer kon komen, al was het slechts alleen voor de kost en inwoning, om daarvoor te werken. De familie O. te Krimpen had mij vier maanden in huis genomen en waren voor mij als eigen ouders. Ik gevoelde zeer hoe zwaar het voor mijn goede vrienden werd, om in zo’n moeilijken tijd iemand de kost te moeten geven. Ook mocht ik vele keren bij een vriend, de heer N. te Krimpen, ’s middags en ’s avonds mee eten. Door omstandigheden kwam mijn vriend Z., bij wie ik ook dikwijls was, in aanraking met een landbouwer en wel in Reeuwijk en daar vroeg hij voor mij om werk daar ik liefst met handenarbeid mijn eigen brood wilde verdienen, en kwamen hierin overeen, dat ik na Nieuwjaar bij hem zou komen arbeiden.

Met deze blijde tijding kwam vriend Z. tot mij. Nieuwjaarsdag, voordat ik met mijn vriend Z. naar Reeuwijk zou gaan, kwamen wij bij de familie O. te Krimpen, met vele vrienden bij elkaar en hebben deze middag onder gebed en dankzegging, sprekende over de eeuwige dingen, afscheid genomen. Wat gevoelden wij daar banden, die wel konden rekken, maar nooit breken. Allen waren wij aangedaan en bedroefd, want de tijd was zo, men wist niet of wij elkander ooit weer terug zouden zien. Deze nacht logeerde ik hij vriend Z., om de volgende dag de tweede januari te vertrekken, waarbij mijn vriend Z. zo vriendelijk was, om mij per fiets te brengen naar Reeuwijk. Zo kwamen wij de tweede januari bij voornoemde landbouwer te Reeuwijk aan. Wij werden echter zeer teleurgesteld, toen wij de boer spraken en vernamen, dat hij mij niet kon hebben, want hij zou juist evacues krijgen, dus was er geen plaats voor mij.

Wat moest ik nu doen? Hij raadde ons aan, om naar de Geref. predikant Ds. Dam te gaan in Bodegraven. En dan zou hij ’s woensdags met de predikant komen spreken, hoe verder te handelen. Ik moest Ds. D. vragen of hij mij een paar dagen kon herbergen, totdat ik bij iemand kon werken en in de kost komen. Wij werden bij de predikant heel hartelijk ontvangen en wij mochten ons eerst verkwikken.

De dominee zei mij, dat ik wel een paar dagen hij hem kon logeren, maar daar hij familie wachtende was, kon ik niet lang blijven. De landbouwer en de predikant wisten niemand voor mij, waar ik werk kon krijgen, noch een tehuis voor mij, ja zelfs niet voor geld. Ieder had genoeg aan zichzelf. De twee dagen waren verstreken, en wat moest ik nu weer beginnen? Gelukkig kwam de verwachte familie nog niet. Dus kon ik nog enige dagen blijven. Ik mocht ondervinden, wat de psalmdichter zong:

“Zelfs vindt de mus een huis, o Heer’.”

Dus de Heere zou ook verder voor mij zorgen. Ik mocht op de Heere hopen want is Israël in nood er zal verlossing komen, Zijn goedheid is zeer groot, enz. Hij die ons voor tijd en eeuwigheid voor Zijn rekening heeft genomen, zal het ook verder voor de tijd en vooral in deze dagen van honger en nood, ook wel voor mij maken. De Heere zegt: “Werpt al uw bekommernis op Mij, want Ik zorg voor u.” Wentel uw weg op de Heere en Hij zal het maken. En die troost gaf Hij mij.

De predikant vertelde mij, dat hij veel zorg voor mij had, omtrent de voeding. Want er was veel nodig. En met een blij gezicht, kwam hij na de middag mij vertellen, dat hij een mud tarwe had gekregen. Dus nu konden wij weer voort. Al weer een aanwijzing, dat de Heere Zijn gunst weer gaf en dat ik er nu ook van mocht genieten,

Nu gebeurde er iets, dat de oorzaak werd, dat ik niet langer blijven kon, er, werd een aanslag gepleegd op een S.S.-man en daar de mensen op Bodegraven bang waren voor repressaille-maatregelen, gingen de predikant, de dokter, notaris, enz. zich verbergen, dus moest ik zien, waar ik terecht kwam, Dominee vroeg de vroedvrouw, of zij ook geen plaats voor mij wist, daar kon ik één of twee nachtjes blijven, maar langer niet, omdat de vroedvrouw druk haar werk had buitenshuis. Toen deze twee dagen om waren, wist ik niet waar ik heen moest. Verlaten van vrienden en kennissen, van mijn eigen huis, het was koud, de sneeuw lag dik op de aarde. Ook begon ik honger te krijgen. Levensmiddelenbonnen had ik niet, en in de winkels kon ik niets krijgen.

Daar gevoelde ik mij, alsof ik alleen op de wereld was, als een eenzame mus op het dak.

lk ontmoette voornoemde landbouwer en vroeg hem, daar ik deze dag weinig of niets gegeten had, of ik niet hij hem kon eten. Hij antwoordde mij, dat ik tegen de avond bij hem moest komen. En toen ik ’s avonds bij hem kwam, kreeg ik wat boterhammen mee. Ik begaf mij nogmaals naar de vroedvrouw en vroeg haar, waar ik deze nacht het beste zou kunnen zijn, Zij zei mij, dat ik deze nacht nog bij haar kon logeren en dan zou ze ’s morgens ergens heen gaan, waar ik wellicht zijn kon.

Zij bracht mij de volgende dag bij de heer Huisman in de Nieuwstraat, waar ze mee had afgesproken, dat ik bij hen een kort poosje kon blijven.

Dat ik weer uitgeholpen ben, geen tong en geen mond heb ik, om daarvoor God dank te zeggen. Daar ben ik enige dagen geweest. De mensen aten zelf van de gaarkeuken, en zij deelden wat ze hadden met mij, dus ik lijdde geen honger. Ik voelde aan dat ik ook daar niet kon blijven, maar ik wist niet wat te beginnen en er scheen geen uitweg voor mij.

Toen ik nog bij Ds. Dam was, zei ik hem, voordat hij wegging, als de weg niet te lang was en te zwaar, dan zou ik naar Drenthe gaan lopen. Mijn koffer en kleren had ik echter bij me, dus dat kon ik niet volbrengen zo een grote reis te voet; dan had ik naar die landbouwer, in Smilde waar ik in ’43 logeerde, gegaan. Dominee ging even weg en hij zei: “Ik weet misschien iemand, die voor de levensmiddelenvoorziening rijdt naar Groningen en Drenthe.” Toen hij terugkwam met de boodschap, dat er twee mensen waren, die met paard én wagen daar naar toe gingen was ik hier zeer blij mee.

De vergunning duurde zeer lang, zodat ik nu nog bij de voornoemde familie H. moest blijven. Daarna werd ik verwezen naar het Rode Kruis. De echtgenote van de voorzitter van het Rode Kruis verwees mij naar iemand, die ook voor de levensmiddelenvoorziening reed, die zou ’s maandags, ’s avonds naar Groningen en Drenthe gaan met een vrachtauto. En daar vervoegde ik mij dus en namen mij geluk-kig mee. Ik had geen nachtvergunning, maar desondanks waagde ik het toch. Er gingen nog meer passagiers mee. Een moeder met drie kinderen en nog een jongen van 16 jaar, die ook onderduiken moest.

Daar ik mijn vrienden beloofd had direct te schrijven, als ik ergens elders zou gaan, schreef ik hun een brief, die ik hier laat volgen:

Geliefde zielevrienden met de uwen.

Mijn brieven uit Bodegraven hebt u reeds ontvangen, dat ik door ’s Heeren goedheid, in welstand op mijn bestemming ben aangekomen.

(Ik gaf aan de chauffeur enkele brieven mee uit Drenthe om ze op de post te doen in Bodegraven als hij terug ging).

Het was de 14e van de eerste maand 1945, dat ik per open vrachtauto uit Bodegraven vertrok. Het begin van de reis was voorspoedig. In Bodegraven werd alleen de

chauffeur gecontroleerd, Ik had geen vergunning om ’s nachts buiten te komen, Daar het koud was, was ik zeer goed gekleed, maar toch viel het niet mee. Bovendien had ik genoeg eten voor de reis meegekregen.

Toen wij in Amersfoort kwamen, kregen we moeite met de auto namelijk hij weigerde, maar na verloop van een kwartier konden we weer verder. Het was al half elf geworden en wij reden naar Zwolle. Maar toen wij in Wezep in Gelderland, aankwamen, werden wij door een Duitser aangereden, waardoor de radiateur defect werd en het water er uitliep, Het gaf een harde klap. Na deze weer gevuld te hebben, probeerde de chauffeur tot Zwolle te rijden, dat ging hortend en stotend. Zodoende was er wegens de oververhitte motor, die weinig of geen voldoende waterafkoeling meer had, iets gesmolten.

Maar straks verder over deze reis. Nu iets over de controle.

Alles was dus tot zover goed gegaan. In Hattem was er een zeer strenge controle door 10 Duitse soldaten Ik kreeg van één van de passagiers een deken, en er was ook een groot zeil, waaronder wij wegkropen. Wij werden echter niet gecontroleerd, wel moest de chauffeur zijn reisvergunning tonen. Dal viel dus erg mee. Maar aan de IJsselbrug bij Zwolle, kropen we weer onder het zeil, ik zat half liggend aan de buitenkant van de wagen; dat ventje van 16 jaar in het midden naast mij, en daarnaast sliepen 2 kleine kinderen. Het was een goed legertje waar wij lagen. Ik sliep vanzelf niet. De auto moest stoppen en de controle begon, Toen opeens werd er aan het zeil gevoeld en getrokken en met een stem, de Duitsers eigen, riep men: “Ausweis!” Ik hield mij, alsof ik uit een diepe slaap kwam, met hoop en vrees, door het woord van de Heilige Schrift: Hij slaat gunstig gade die op Zijn genade in benauwdheid wacht. Versterkt, wachtte ik op de dingen, die komen zouden. De chauffeur zei wat tegen hem, maar hij antwoordde: “Nein, Ausweis!”

Nu, u begrijpt wat er in mij omging. Geen nachtvergunning om na elf uur op straat te komen. Een J. op mijn Persoonsbewijs. En wellicht stond ik op het boek gesignaleerd, wegens het verbergen van Joden en het weigeren van werkzaamheden in Meppel.

Terwijl ik mijn persoonsbewijs voor de dag wilde halen, vertelde ik hem in het Duits, dat ik al 65 jaar was. Toen scheen hij met zijn zaklantaarn in mijn gezicht en begon te lachen en na nog even gevoeld te hebben aan het zeil en de deken, of er misschien nog iemand onder verborgen lag, ging hij met “Ja! Ja!” zeggende weg. Hij moest alleen de van 16 tot 40-jarigen hebben. Die jongen lag zo wat helemaal onder me weggedoken.

Deze controle was gelukkig ook weer voorbij. Verder hadden we geen controle meer.

Die soldaat had het eens moeten weten, wat een kostelijke buit voor de vergassing en voor hun cynisch doel hij in handen had kunnen krijgen. Maar God alleen de eer, Die mij in hun handen niet heeft overgegeven.

Nu moesten wij verder met een defecte radiateur, onderweg moesten de vuren leeggehaald worden. Hij belde bij de dichtstbijzijnde bewoner aan voor water.

Het werd zowat 3 uur toen wij weer vertrokken en om 4 uur kwamen we eindelijk te Wolvega10 aan. We dachten, dat de reparatie spoedig gedaan zou zijn, maar helaas. De reparateur zei, dat er eerst om 8 uur werkvolk kwam, dus werden wij genoodzaakt te wachten op het werkvolk, Al de staken, van de vuurmond van de gasgenerator, moesten gelast worden, en er werd een noodwatervuller aangebracht. Inmiddels werd het ’s middags half twee, toen de reparatie gedaan was. Toen vertrokken wij, nadat wij eerst wat genuttigd hadden. en koffie gedronken. Ook had ik mij even laten scheren.

De barbier vertelde mij, dat de barbiers overeengekomen waren, dat alle klanten een houtje of een stukje kool of iets dergelijks moesten meebrengen, daar hij niet kon

10 In deze plaats in Friesland, had de chauffeur een kennis, die dat repareren kon.

scheren of knippen vanwege de koude handen. Ik vond dit praktisch.

We gaan verder. We reden over Noordwolde, en daar kregen we een rookworst om te delen, wij waren nog maar met 2 passagiers. Dat liet ik mij goed smaken. Toen wij op de Smilde aan kwamen, vroeg de chauffeur mij of ik op de Smilde of Hijkersmilde moest zijn en terwijl hij mij dat vroeg, reden we de boerderij voorbij, waar ik wezen moest. En tot mijn geluk herkende ik de omgeving, daar ik hier 2 jaar geleden ook geweest was. Ik liet direkt stoppen en na verloop van een kwartier, was ik op de boerderij, waar ik zeer hartelijk werd ontvangen. Het was de 15e januari, toen ik daar aankwam. Het eten is er buitengewoon goed en ik mocht 12 gulden per week kostgeld betalen, het was wel niet veel, maar voor mij, die een huisgezin had, was het wel een aardig sommetje. Maar nochtans was ik inwendig zeer verblijd en dankbaar, dat de Heere Zijn woord bevestigd heeft: “Zelfs vindt de mus een huis, O Heer’!” enz. Maar wat de godsdienst betreft is in één woord gezegd dodig, het geestelijk leven is er treurig, het is een wonder, als men er iemand ontmoet, die het waarachtige leven verstaat. In de geestelijke zaken is het net als in de natuur gesteld: hoe minder eten je hebt, hoe meer je verlangt naar meer. Nu, zo was het bij mij gesteld. Ik snakte naar het leven, als ik zondag ontwaakte dan was mijn ziel verlangend om Gods Woord te horen, en waar kon ik heengaan? Waar ik nog eens heenging, daar was het niet, dus kreeg ik bij tijden een droefheid naar God; omdat ik de gemeenschap met Gods volk miste en dan was mijn troost, een schrijver te lezen, en dan had ik nog wel eens kerk gehad. Eenzaam en gemeenzaam, en als een eenzame mus op het dak. Verder hoop ik, dat de tijd mag aanbreken, dat er opleving in de dorre doodsbeenderen komt.

En verder moet ik u melden, dat er hier aardappelen genoeg te koop zijn, zoveel je wilt hebben voor 7 gulden een mud, Als u ze wilt hebben is er nog gelegenheid om ze te halen, er wordt niets aangehouden en dan voor de hele familie en zouden jullie dan nog 10 mud voor mijn gezin mee kunnen nemen, als ze naar Den Haag bezorgd kunnen worden? Ik wenste wel, dat de Heere voor u allen en ook voor mij een weg daarvoor mag banen.

Verder wens ik u allen Gods onmisbare zegen toe; die rijk maakt en er geen smarten bijvoegt. En wees apart van mij gegroet. Uw toegenegen vriend en zielevriend E. v. P.

P.S. Groet de gehele familie voor mij.

Hier dus een kleine reisbeschrijving.

Nu, tot wederziens. D.V. in vrede.

Mijn uitzien is dagelijks, dat de Heere Zijn belofte mij geschonken, spoedig mag vervullen. Alle tekenen wijzen erop, dat de legerleiding in Drenthe in de war loopt.

Dagelijks zien wij honderden soldaten met paarden en wagens, zonder geleide naar Nieuwe Schans bij Groningen trekken. Het is hun dan te zien, dat de zon voor hen aan het ondergaan is. Hun grote stemmen hoort men zo niet meer, angstig lopen ze over de straten. De Duitsers hadden de bruggen over de Drentse Vaart in de lucht laten vliegen. O, wat waren ze bang voor de “Tommies.” Eén dezer dagen kwam er een Duitse soldaat aan, hij hoorde juist, dat er een brug in de lucht vloog, toen vroeg hij, of dat de Tommie’s deden en of die reeds hier waren. Zo waren ze al in de war. Hun groots spel is uitgespeeld. Hun einde nadert. De ondergang is hun nabij! Ze zijn schaakmat gezet! En ze zijn gevallen van de top van eer in eeuwige verwoesting neer.

Daar zijn de werkers van het kwaad, gevallen in een jammerstaat, waarin zij hulp- loos sterven!

Gode alleen de eer!

De vrijheid gloort!

En het woord van de dichter wordt vervuld en bewaarheid:

“De Heer’ zal opstaan tot de strijd, Hij zal Zijn haters wijd en zijd, Verjaagd, verstrooid doen zuchten.

Hoe trots Zijn vijand wezen moog’, Hij zal voor Zijn ontzaglijk oog, Al sidderende vluchten.

Gij zult hen, daar G’in glans verschijnt, Als rook en damp, die ras verdwijnt, Verdrijven en doen dolen.

’t Godd’loze volk wordt haast tot as;

’t Zal voor Uw oog vergaan, als was, Dat smelt voor gloeiende kolen.”

Psalm 68: 1.

HOOFDSTUK XXIX

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 167-172)