HOOFDSTUK XVIII Een list van mijn familie

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 101-124)

HOOFDSTUK XVI Mijn vlucht

HOOFDSTUK XVIII Een list van mijn familie

Er waren zowat 3 weken verkopen, nadat ik gevlucht was uit huis, en ’s Zondags gedoopt was, dat ik dinsdags daarop met één van de vrienden van de vereniging over de weekmarkt liep, en mijn vrouw zag staan aan één van de kramen.

“lk zal even hier blijven staan,” zei ik tegen mijn vriend. “Ga u dan naar haar toe, en zeg haar, dat ik haar even wilde spreken.”

Want ik stelde alle pogingen in het werk, om haar weer tot mij te krijgen; ook met het oog op mijn kinderen. Mijn vriend ging dus naar haar toe en vroeg of zij even wilde meegaan. Zij zei tegen mijn vriend: “Als mijn man er is, loop ik direct weg.” En toen ze mij zag, liep ze ook hard weg, maar keerde even later toch terug en gaf mij zonder één woord te spreken een brief over, ik stak hem in mijn zak en toen ik en mijn vriend in de leeszaal kwamen, las ik hem. En tot mijn verbazing las ik deze woorden:

Datum Postmerk

“Zeer Waarde Broer, Zuster en Kinderen!

Aangezien wij niets van jullie horen, noch van de kinderen, en of Leendert (dat was mijn naam, afgeleid van Eliäzer) weer bij v/d. Bergh’s boterfabriek werkt. Ik voor mij ben zo nieuwsgierig niet naar Leendert, maar het is op aandringen van moeder, die alreeds drie weken gevaarlijk ziek ligt. En wij moeten nacht op nacht bij haar waken.

En ze doet niets anders, dan naar Leendert vragen. Ze wil hem zien; zij is geheel veranderd, zij vraagt ook voortdurend naar mijn zuster Lena, die in Londen woont, en daar het moeilijk is om haar naar Holland te laten komen, wegens de grote kosten daaraan verbonden, hebben wij nochtans haar alles geschreven. Het is mogelijk, dat zij komt. Maar ze wil u voor haar heengaan, nog eens zien en spreken, doe ons dat genoegen, opdat u moeder nog eens kunt spreken, eer ze heengaat en het dan te laat is.

Het is dringend. In afwachting uw broers en zuster,

A. Van Praag I. Van Praag, en Grietje

P.S. Groeten van ons, aan u en de kinderen en alle bekenden.

U kunt begrijpen, waarde vrienden, wat er nu in mij omging. Wat moest ik nu doen?

Zou het waar zijn, is het geen list? vroeg ik mij af. Want mijn vrouw zal alles wel naar moeder geschreven hebben; maar het kon waar zijn, want moeder was reeds 73 jaar oud.

Het kon toch zijn, dat moeder ernstig ziek lag, en men spot toch zo maar niet met zijn leven? En dan zou het voor mij verschrikkelijk zijn, als moeder kwam te sterven, zonder haar nog gesproken te hebben. Ik gevoelde ook nog een roeping tegenover haar. Is het mijn moeder niet? zo vroeg ik mij af, En nu dacht ik als het nu zo erg was, waarom heeft mijn vrouw de brief dan niet direct naar mij toegebracht? Moeder had toch in die tijd, volgens die datum overleden kunnen zijn? Dat doorkruiste mijn gedachten. Wij raadpleegden met elkaar hierover, hoe in deze nu te handelen. De vrienden achtten het te gevaarlijk, om mij alleen naar Amsterdam te laten gaan;

“want” zeiden zij, “het kan een list wezen, en daarom mogen wij ook wel voorzorgsmaatregelen nemen en het kon geen kwaad, als er 2 vrienden meegingen.”

Door de werkzaamheden van de vrienden, konden wij niet eerder gaan, dan de 25e juli; en zo was het afgesproken.

’s Morgens daarna, werd er bij ons gebeld, en mijn vriend F. ontving een telegram dat luidde:

24 juli 1907 — 8 u. 39 voormiddag Moeder stervend, kom spoedig over!

Bram en Isr.

Nu werd ik nog onrustiger, want nu dacht ik, dat ik zeker te laat zou komen. Ik werd zó ongerust, dat ik wenste, dat ik bij mijn moeder thuis was. En ik riep tot de Heere:

“Indien het de waarheid is, ach, dat ik haar dan nog eenmaal mocht spreken en belijdenis doen, dat ik gedoopt was,” want dat moest ik bekend maken, Ik kon het niet onder een korenmaat zetten, en kort het niet stil houden, noch verloochenen.

Mijn onrust werd heviger, en mijn gemoed was zo gesteld, dat ik ondersteuning nodig had, maar de Heere is getrouw en een Waafmaker van Zijn Woord, want Hij geeft Kracht naar Kruis, anders zou men bezwijken. Dat mocht ik ook verder ondervinden.

Op die avond werd door iemand uit de leeszaal, die toen weer geopend was, een briefkaart van mijn vrouw binnengebracht, die zij weer uit Amsterdam had ontvangen, en die dus bij mijn vriend aan huis gebracht was, waar ik in de kost was. Deze brief luidde:

Waarde dochter en schoonzuster!

Het verwondert ons zeer, dat wij een brief geschreven hebben, en daarop nog geen antwoord hebben gekregen. Wij begrijpen er niets van, hoe is het mogelijk! Misschien hebt u de brief niet aan hem laten lezen, of is hij door u niet aan hem overhandigd.

Gaat u zelf met deze briefkaart naar hem toe, en zegt u hem, dat hij naar Amsterdam zal gaan, want het is op het uiterste, en mocht hij niet komen, schrijf u dan zijn adres, waar hij is. Dus nogmaals verwacht ik van u spoedig antwoord. Verder meld ik u, dat ze allen (uit Londen) in Amsterdam zijn. Lena, Markus en Hartog. Groeten van ons aan u allen. Dus nogmaals spoedig antwoord.

Het adres luidde op deze kaart:

De Heer E. Van Praag, Zandstraat No. 2, Rotterdam.

Nu, geachte lezers, ging mij een licht op. In de brief las ik eerst de vraag hoe of het kwam, dat zij van ons niets hoorden, en daar bleek het, alsof zij het niet wisten, dat wij van elkaar waren, en alsof zij onbekend waren, van al het voorgevallene.

En ook op deze kaart stond niet het adres van mijn vroegere woning, waaruit ik vluchtte, maar op het nieuwe adres, waar mijn zwager op zijn naam, een woning gehuurd had voor haar, Hoe wisten zij in Amsterdam nu, het nieuwe adres van mijn vrouw? Dat leek mij een raadsel. Daarom begon ik de hele zaak te wantrouwen.

Nochtans bleef ik bij mijn voornemen, om maar naar Amsterdam te gaan, want moeder kon toch wel ziek zijn.

Ik dacht, als het waar is, dan moet ik er wezen en als het niet waar is, dan heb ik een gerust geweten, en dan ben ik vrij van hun bloed, als ik hun mag mededelen, wat de Heere aan mijn ziel gedaan heeft.

Wij overwogen nog het een en ander en toen kwamen wij tot besluit om de 26e juli ’s morgens met de eerste trein naar Amsterdam te gaan.

Mijn moeders woning genaderd

Toen wij in de straat aankwamen, waar mijn broer woonde, keek ik direct naar boven (hij woonde op de eerste etage) en daar zag ik tot mijn verbazing, mijn moeder juist uit het raam naar buiten komen kijken. Maar ik was ook zeer verblijd, dat moeder niet ernstig ziek was. Ik merkte, dat ze schrok, toen ze mij zag. Had ze geweten, dat ik zo vroeg kwam, dan had ze zeker op bed gaan liggen, en had zich ziek gehouden, om zo de rol verder te vervullen en mijn hart week te maken. En ik zou vanzelf “mijn ideeën,” zoals zij dat meende, laten varen. Ik kreeg grote vrijmoedigheid om naar boven te gaan, met het voornemen hun te zeggen, dat ik gedoopt was. In zo’n eerste tijd vooral, is men vurig van geest om een ander als het kon ook zo gelukkig te maken, als men dan zelf is. Ik ging dan naar boven en nam mijn 2 vrienden mee, omdat ik niet wist, wat zij in het schild voerden.

Toen ik in de kamer kwam, zag ik moeder en nog enkele andere familieleden en mijn broer was op zijn werk. Ik kuste moeder en ik zeide: “Wel, moeder, hoe is het met u en bent u van uw gevaarlijk ziekbed al op en weer genezen? Waar ik zeer verblijd over ben.”

“Nee!....” antwoordde zij mij in eens.

“Ik zal je zeggen, wat of het was. Je schoonouders uit Rotterdam hebben mij de Kerkbode gestuurd, en daarin heb ik gelezen, dat je je wilt laten dopen. Maar dat zal nooit gebeuren, want weet, dan gaat je moeder zich verdrinken!”

Ik begreep nu, dat mijn moeder met alles op de hoogte gebracht was, maar ook merkte ik daaruit, dat ze nog niet wisten, dat ik al gedoopt was.

Met tranen bewogen, vroeg moeder mij of ik mij niet schaamde, “je hebt zo’n brave vader in het graf, o! als die dat wist, en ach!” riep ze “wat een schande!” En ze hield haar handen voor haar gezicht. En ik geloof zeker, geachte lezer, dat zij zich schaamde, maar in haar onwetendheid. “Een kind,” zei ze verder, “dat zo’n vrome opvoeding heeft gehad, zal zo een stap willen doen? Ach, mijn zoon, mijn kind, doe dat toch niet!” “Nee, hij zal zijn moeder dit verdriet sparen, hij is altijd zo goed voor mij geweest, nee, dan kan ik niet geloven, dat hij dat doen zal,” zei ze wenende in zichzelf, en barstte in tranen los.

Mijn hart was overstelpt met medelijden en liefde met mijn arme, lieve moeder; want ik had haar innig lief. Maar nu, waar het gaat, over het innigste, wat een Christen het dierbaarste is, zo kon ik niet zwijgen en moest mijn moeder antwoorden en zei:

“Lieve moeder! Eén zaak hoop ik, dat de God van Abraham, Izaäk en Jacob, u dat licht mocht schenken, hetgeen Hij mij geschonken heeft, wetende, dat tot onze vrede in leven en sterven beide dienende is. U zei zo-even: Als vader het zou weten, wat zou dat zijn. Nu, als vader horen kon, wat wij op dit ogenblik bespraken, en als vader, dan nog blij zou kunnen zijn, dan zou hij zich verblijden, dat zijn jongste zoon een belijder van de Waarheid is geworden. En dat hij de Heere van de Hemel en van de aarde gehoorzaam is geworden en gelovende in Zijn Waarheid.”

Moeder zei: “Ach, dat kan je toch doen, als vrome “Jehoede”?” (als vrome Jood).

“Nee moeder,” zei ik, “als Jood kan ik niet meer leven, want er is maar één Naam onder de Hemel gegeven, door welken wij moeten zalig worden; en dat is Jezus Christus.”

“O, wat een schandaal,” riep mijn broers vrouw, ,,spreek zo hard niet voor de mensen.”

En moeder ging weer verder tegen mij: “Nu als je dan Goi (Christen) wil wezen, dat kan je toch zijn, want” riep ze, “eet spek, eet garnalen, werk op Sabbat, maar laat je niet dopen! Want dat zou ondragelijk voor mij wezen! En je vrome broer, ach, wat doe je hem een verdriet aan” terwijl ik in gesprek was, liep mijn schoonzuster naar

be-neden, waarheen wist ik niet, ik ging voort met moeder en sprak: “Ik gevoel mij verplicht, u nog op iets te wijzen,” ik wees haar nog op enige beloften van de Messias, en deed haar een vraag: “Moeder, als u gezondigd hebt, waarmee hebt u dan verzoening te doen?” En ik wees haar op het enige volkomen Offerlam, het bloed van de Heere Jezus Christus, de Zaligmaker. Toen ik uitgesproken had, zei ik: “Nu moeder, u bent 73 jaar oud; jonge mensen kunnen sterven, maar oude mensen moeten sterven, zegt men wel eens. Als u nu straks zal moeten sterven, kunt u dan voor de Rechter van Hemel en aarde verschijnen? En kunt u dan zeggen, dat u het niet geweten hebt? Dan zal het geen zaligheid voor u worden, o, nee, maar een eeuwige rampzaligheid. Daarom vraag niet, wat de mensen zeggen, maar vraag u af, wat God wil en wat Hij van u eist. En als u zo door gaat in ongeloof, o, wat een vreselijk vooruitzicht voor u.” Ik gaf moeder een voorbeeld, dat men God meer gehoorzaam moet zijn, dan de mensen.

“Als u nu eens tegen Bram zegt op Sabbat, vrijdagsavonds, dat hij de Sabbatlamp moet uitmaken (want, lezer, daar komt altijd een Christenman of -vrouw voor) en Bram zou dat weigeren, omdat het een gebod van God is, volgens de Joodse Ritus. Nu vraag ik u, heeft hij dan niet goed gedaan om Gods gebod niet te overtreden, en wel het gebod: eert uw vader en uw moeder?”

“Zeker,” antwoordde moeder, “heeft hij dan goed gedaan, anders had hij het gebod van de Sabbat overtreden.” “Zo,” zei ik, “zo is het nu ook met ons in deze zaken gelegen, met het oog op de Messias. U zegt: dat ik niet moet geloven in de Heere Jezus. Maar de 5 boeken van Mozes, waarin de Messias voorzegd wordt, zeggen dat wij wel in Hem moeten geloven, als de Beloofde aan de vaderen, daarom, moeder, moet ik luisteren naar Hem, meer, dan naar alle mensen tezamen.”

Toen ik zo aan het spreken was met mijn moeder, kwam mijn broer boven, die inmiddels geroepen was door mijn schoonzuster. “Zo,” zei hij, mij de hand gevende,

“hoe gaat het?” 1k antwoordde, dat het goed ging. Ik vroeg hem, wat hier gaande was geweest, dat ik hier heen moest komen, en wel spoedig. (Want hij was de schrijver van de brief, telegram en kaart).

“Ja,” zei hij, “ik heb vernomen, dat je gedoopt wilt worden,” maar hij riep met verheffing van stem: “Dat zal niet gebeuren, want wij zijn ook nog hier en zullen het tegen gaan!” Ik antwoordde hem: “Als je uit de Schriften kunt bewijzen, dat ik dwaal, zou ik alles vaarwel zeggen. Zolang dat niet gebeurd, zoals Dr. Ritter in Rotterdam, mij zou bewijzen en het niet kon, zomin zal en kan ik loslaten, wat God de Heere mij geschonken heeft.”

“Nu,” zei hij, “ik en moeder zullen je het bewijzen, dat wij ook nog wat te zeggen hebben. Je schoonouders hebben mij een kerkbode toegezonden daar staat in te lezen:

Tot de gemeenschap van de kerk wenst toegelaten te worden: Eliäzer van Praag. Zij, die omtrent deze bezwaren hebben, kunnen het indienen bij de kerkeraad.

En nu zullen wij onze bezwaren indienen en eens vragen, als er een familie schande wordt aangedaan, of ze dan nog zo iemand willen aannemen. En met een uitdrukking van woede en met een vast voornemen zei hij nogmaals: “Wij zullen het tegenhouden!” En hij stond op en vroeg mij: “Wat moet je met die handlangers hier doen?” (op mijn vrienden wijzende). “Je hadt toch alleen ook wel kunnen komen?”

De vrienden stonden op, want de deur werd ze daardoor ontzegd. Ook ik stond op en met kracht, die ik van de Heere ontving, moest ik belijden, deze enkele woorden:

“Kom maar niet naar Rotterdam, want ik ben gedoopt.”

“Dat lieg je,” riepen ze allen tegelijk. Ik zei: “Het betaamt mij als Christen niet te liegen, Ik ben gedoopt.” Hij riep: “Ben je dan gedoopt?” Daarop begon hij het

doodsgebed uit te spreken en zei in het Hebreeuws:

“God is een Rechtvaardige Rechter” (want nu was ik voor allen dood), hij verscheurde zijn klederen, (ten teken van rouw) zijn vrouw riep: “Man! Pas op je goede jas!”

En toen liep hij naar moeder toe en nam een mes en sneed een kledingstuk van haar open. Hij was woedend als een leeuw en hij schreeuwde tegen mij: “En nu er af!!”

Mijn moeder kreeg een zenuw-aandoening, zij gilde zo, dat men het ver in de straat kon horen. Toen ik weg wilde gaan, zette mijn broer zijn been dwars voor mij, zodat de uitgang voor mij versperd werd, Mijn vrienden, die op de trap wachtten, kwamen naar de deur en hoorden het spektakel en gehuil, zo dat de voorbijgangers staan bleven. Andermaal wilde ik heengaan met diep medelijden in mijn ziel, met mijn lieve moeder; had ik haar kunnen helpen, ik zou het gaarne gedaan hebben, maar het was beter, dat ik wegging. Ik zat in gedrang, hij riep met luider stem: “Als mijn moeder komt te sterven, dan heb jij haar grijze haar in het graf doen nederdalen!”

Ik zei tegen hem: “Het is jouw schuld, want jij hebt mij uit Mozes en de Profeten laten leren, en daarom moest ik zo handelen; en nu mag en kan ik niet anders doen!” Hij hield nog steeds zijn been voor de snelle uitgang van de trap. En ik zei: “Omdat God het wil!” “Hier ben ik, doe met mij wat je wilt.” En ik stond fier overeind en zei:

“Mijn vlees kan je doden, maar wat God mij geschonken heeft, dat kan je niet doden!”

“We zullen je voor krankzinnig laten verklaren,” riep hij verder. Het tumult werd verschrikkelijk, toen mijn broer mij wilde aanvallen; maar de familieleden voorkwamen dit; want ze hielden hem vast. Van dat ogenblik gebruik makende om naar beneden te gaan, kwamen wij beiden terecht buiten de kamerdeur, die naar de trap leidde. En toen hij weer zijn been vooruit stak, om mij tegen te houden, boog ik onder zijn been door, terwijl gaf hij mij een trap en had ik mij niet vastgehouden, dan had ik er zeker afgetuimeld. Mijn vrienden bleven toch in mijn nabijheid en zo kwam ik dan behouden op straat. Beneden komende, zag ik vele mensen staan, die nieuwsgierig waren, wat er gebeurd was. Ja, geachte lezers, ik weende en had moeite om mijn benen vooruit te zetten, ik kon haast niet lopen van inspanning, Ik was zeer vermoeid en ik had behoefte aan rust en om in de eenzaamheid met de Heere te wezen, om wat rust te genieten.

In zulke omstandigheden hebben wij genade nodig, om niet te bezwijken, en staande te blijven. Weliswaar, sterk in mijn God stond ik daar, en niets kon mij deren. Het vlees doet in deze strijd ook mee: medelijden met moeder, met allen en straks ook nog met je eigen vlees. Alles verlaten, eerst door vrouw en kinderen, nu verlaten; door mijn geliefde moeder verstoten, door broers en zusters, vrienden en kennissen veracht, en alleen in de wereld.

Mijn brood kon ik nog niet verdienen en ik dacht zo aan de woorden van mijn broer, toen hij eens tegen mij zei: “Als je alles weer laat varen, dan gaan wij weer samenwerken.” Ja in één woord, ik gevoelde mij “Als een eenzame mus op het dak.”

Al deze gedachten kwamen in mij op, en ik was niet in staat, om mijn vrienden iets te zeggen.

We gingen daarna enige oude vrienden van mij opzoeken, waarvan ik eens 10 gulden had overgestuurd gekregen. Daar gingen we een poosje rusten. En na verloop van een uur gingen we, na de Heere gedankt te hebben, naar de trein. Onderweg kwamen wij

We gingen daarna enige oude vrienden van mij opzoeken, waarvan ik eens 10 gulden had overgestuurd gekregen. Daar gingen we een poosje rusten. En na verloop van een uur gingen we, na de Heere gedankt te hebben, naar de trein. Onderweg kwamen wij

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 101-124)