De grote strijd om het kind

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 124-154)

Het was dus zeer laat geworden, als ik in mijn kosthuis aankwam bij vriend F. Toen ik aankwam lag alles al in rust. Ik belde aan, mijn kostvrouw kwam daarop naar beneden en zei: “Wel wat laat!” “Ja,” zei ik, “ik heb een vogeltje gevangen, mijn zoontje”.

“Wel,” riep ze verwonderd uit, “kom maar gauw naar boven!”

Na het één en ander genuttigd te hebben, gingen wij ter ruste. “En ik hoop u morgen alles mee te delen”, zei ik tegen de vrouw.

De volgende dag ging ik ’s middags weer naar de leeszaal en nam mijn zoontje mee om hem voor te stellen aan mijn vrienden. Na een poosje, bracht ik hem weer naar mijn kosthuis, want, dacht ik, men kan nooit weten, of de familie van mijn vrouw er op uit was mij op te zoeken. En deze angst was ook niet ongegrond, want nadat ik mijn zoontje naar huis gebracht had, ging ik nog even naar de leeszaal en terwijl wij zo daar zaten te spreken, kwam er vriend S. binnen. “Nu” zei hij tegen mij, “we hebben daar een aardig standje aan de deur gehad van je vrouw, (deze vriend wist nog van niets en mijn vrouw dacht, dat ik bij hem in huis was). Toen zij aan de deur kwam riep ze met scheldende woorden: waar is die kinderdief ....? Je moet en je zál het kind afgeven. Hij is hier en zo niet, dan komen wij met vele Joden en dan zullen wij hem er uit halen. Dus zorg maar gauw dat je weg komt”, zei hij, “want ze is woedend op je, kom maar niet vooreerst hier; zij knerste op haar tanden”, verzekerde onze vriend.

Ik werd waarlijk angstig en ging maar gauw naar huis. Aan het kind vertelde ik er natuurlijk niets van. De avond ging voorbij, en vriend F, die van de leeszaal thuis kwam, zei: “Nu, ze waren aardig aan het razen, o, als ze je vinden....! Zorg maar, dat je niet op straat komt. Ze wilden al de ruiten van de leeszaal inslaan, maar door de politie is het voorkomen”. Na een kort gesprek nog over de gebeurtenissen gingen wij naar bed. Toen wij reeds enige uren op bed lagen, werd er gebeld. Onze vriend F. keek uit het raam en zag mijn vrouw en nog een familielid, om één uur ’s nachts. Ik hoorde ook bellen en sprong mijn bed uit en vroeg mijn vriend wie daar belde.

“Ik geloof je vrouw en nog meer!” zei hij, Ik gaf de raad ze te laten bellen, ze zouden immers dan wel weer weg gaan, We gingen dus weer naar bed. Toen werd er weer gebeld; we stonden nu niet op. En eindelijk werd er zonder ophouden hevig gebeld. Ik ging naar de voorkamer. Toen zei vriend E: “zouden we niet de politie waarschuwen, wegens nachtrust-verstoring?”

Ik maakte het raam open en tot mijn verbazing zagen wij een agent van Politie. En die vroeg: “Woont hier een mijnheer van Praag?”

“Jawel”, antwoordde ik”, Heeft die ook dat kind bij zich?” vroeg hij. “Jawel”

antwoordde ik. “Zou u dat kind niet willen afgeven?” (hij wist niet, dat ik van Praag was), “want die moeder is expres uit Amsterdam hier gekomen, zij is haast krankzinnig van wanhoop”.

Ik zei hierop: “Ik ben van Praag, het is mijn kind, zij heeft niet nodig krankzinnig te worden, laat ze met de andere drie kinderen ook hier naar mij toekomen, dan heeft zij ze allemaal weer!” Ik vervolgde: “Mijnheer, deze mensen, die hier wonen, hebben met het geval niets uit te staan en ik hoop, dat de nachtrust niet langer gestoord wordt”.

Door deze woorden getroffen zei hij: “Het is goed mijnheer, ik zal er voor zorgen!”

De agent vertrok en wij begaven ons weer andermaal naar bed. De verdere nacht verliep rustig.

Het was zaterdagmorgen 7 uur, op de 11e april. de verjaardag van het kind, dat er onophoudelijk gebeld werd. Vriend F. ging naar beneden en mijn vrouw stond weer aan de deur, hetwelk hij zag door het deurraampje. Om alle opschudding te voorkomen maakte vriend F. de deur niet open en wij lieten maar bellen, om 8 uur werd er weer gebeld en ik dacht, daar moet toch een einde aan komen. En ik wilde naar de politie gaan. Toen ik de deur open deed, stond een andere vriend van de leeszaal, de beer Suurland aan de deur, en overhandigde mij een briefje dat luidde:

Br. van Praag,

Wees op uw hoede. Zij hebben de gehele nacht hier gepost. Br. F. zullen ze niets doen, de wacht is afgelost en is gaan slapen. Uw zwager staat met een revolver u op te wachten. Nogmaals wees op uw hoede!

w.g. Suurland

Wat nu te doen? Op straat gaan, dat durfde ik niet. Ik wilde gauw naar de Noordsingel lopen, waar het rechtsgebouw is, die lag dicht bij, waar ik in huis was, de Pijn-ackerstraat in het Noorden. Maar desondanks waagde ik het toch. Toen ik weer buiten het gerechtsgebouw kwam, stond mijn vrouw daar. Zij vroeg direct: “Waar is het kind?”

“Dat is goed verzorgd!” antwoordde ik. Ze liep met mij mee en onderwijl deelde ik haar mee, dat ik de kantonrechter geraadpleegd had. Daar ze zag, dat ze er niets aan doen kon, gaf zij mij enige trappen tegen mijn benen aan, die ik beslist voelde. In deze buurt stonden er gewoonlijk heel wat leeglopers, die niets anders te doen hebben, dan processen te volgen, Die hadden schik er in en zij riepen luid: “Sla hem dood!” Ik schaamde mij en liep door. Mijn vrouw liep mij scheldende na. En toen zei ik tegen haar: “Zou je nu niet liever met de andere kinderen naar mij toe willen komen, inplaats van zo te doen?” Laten wij samen in de godsdienstige gevoelens vrij blijven!”

Hetgeen ik haar zo vaak gezegd had. Zij antwoordde: “Goed, ik kan niet buiten mijn kind, maar mij kan je toch zeker niet dwingen in de godsdienst”. “Natuurlijk niet”, antwoordde ik. Zo pratende, kwamen we weer hij vriend F. in de Pijnackerstraat. Daar vernam ik van mijn vriendin S. dat zij het kind zolang bij de familie Tieleman in de Bloklandstraat hadden gedaan.

Hij was smid. Doordat mevrouw S. mij even afzijdig van mijn vrouw sprak, wist zij natuurlijk niet waar mijn kind was. Inmiddels hadden wij aangebeld bij de familie Faasen. Mevr. F. deed open en zij nodigde ook mijn vrouw uit om even boven te komen, en zo kregen wij gelegenheid om met elkaar te spreken. Na wat genuttigd te hebben, bracht ik haar nog een eind weg.

Terwijl ik in één van die straten liep, zag ik mijn zwager, die op mij afkwam, en voordat hij wat kon zeggen tegen mij, riep ik hem toe: “We zijn met elkaar ver- zoend!” “Dat is je geluk!” riep hij woedend. “Ja, dat wist ik. Want ze hebben me verteld, dat je een revolver bij je draagt voor mij, niet waar?” En terwijl ik dat zei, haalde hij de revolver te voorschijn, en zei: “Ja, hier!” Ik beefde wel een beetje, maar hield mij toch moedig en zei kalm tegen hem, terwijl ik mijn hand op zijn schouder legde: “Je zal toch niets doen, want de Joden zijn veel te bang voor bloed.”

“Blijf met je handen van mij af”, zei hij dreigend. “Ik waag me een paar jaar aan je!”

Ik zei tegen mijn vrouw: “We zullen verder lopen”. En na een eind met mijn vrouw opgelopen te hebben, gingen wij zonder enige afspraak verder. Ik vertrouwde mijn vrouw in het geheel niet en de rede daarvan was, dat je onder de zogenaamde christenen, mensen hebt, die nog fanatieker zijn, dan de Joden zelf, want zij waar-schuwden mijn familie en vertelden hun waar mijn kind was. Ik waarschuwde mijn

vrienden, dat zij het kind aan niemand mochten afgeven, wat er ook zou mogen gebeuren. Ik had mij voorgenomen, al zouden ze me doden, mijn kind niet meer uit mijn handen te geven. Men zal zeggen, uw vrouw had toch ook een moederhart. Dit is zeker waar, maar ik vraag, mocht ik mijn kind langer in de handen laten van hen, die de leer van de zaligheid verachtten en haatten? Ook mijn andere kinderen, ondanks de strijd die er aan verbonden was, zou ik trachten bij mij te krijgen. Het zou wellicht het middel kunnen zijn, dat mijn vrouw weer naar mij toekwam.

Om alles te voorkomen besloot ik, deze dag bij mijn kind te blijven. Het was ’s middags 3 uur, toen wij beneden in de smidse, bij de trap die naar het bovenhuis leidde, een groot tumult hoorden. Toen ik de deur van de huiskamer open maakte, hoorde ik de stem van mijn vrouw en zwager, dat de smid het kind moest afgeven. Zij wilden met het kind wat kopen gaan, daar hij jarig was geweest. Ik hoorde mijn zwager zeggen: “Wat hebben we met jou te maken? wij moeten het kind hebben!”

Mijn vrouw riep: “Wat een brutaliteit, ik kan mijn eigen kind niet eens krijgen!” (zij wisten niet, dat ik hier was). Maar ik riep naar beneden tot mijn vrouw: “Wel vrouw, ben je weer veranderd? We zouden het toch samen schikken?” Toen begon ze zo hard te schreeuwen: “Ik moet mijn kind hebben,” en mijn zwager riep: “Als je het niet geeft, dan ben je vandaag een kind des doods. “Ik ging naar beneden, om hen tot kalmte te brengen, en terwijl ik zo met hen bezig was, kwam er op het geschreeuw van mijn vrouw een hele menigte mensen in en buiten de smederij, Een andere zwager kwam ineens op mij af en wilde mij met een stuk ijzer, dat daar in de smidse lag op mijn hoofd slaan, En o, wonder van God, terwijl dat niemand kon verhoeden, dan de Heere alleen, kwam er een man tussenbeide, die op een gebiedende wijze al de mensen, die in de smidse stonden, de deur uit joeg, ook mijn vrouw. Daarover verbaasd staande, vroeg ik, “mijnheer beduid mijn onbescheidenheid niet ten kwade;

wie bent u? Die mij zo uit mijn benauwde toestand uithielp?” Hij antwoordde: “Ik ben politie”. (Hij was in burger gekleed). Die ook, toen hij het tumult hoorde de smederij binnen ging.

U kunt begrijpen lezer, hoe verblijd en wat een dankbaar gemoed ik had.

Mijn gezondheid was door ’s Heeren goedheid, zeer wel, maar mijn zenuwgestel was toch wat overstelpt. Ik kon wel lachen en wenen beide, Zou het nu eens een einde nemen, mijn moeilijke strijd, vroeg ik me af? Heb, ik nog niet genoeg uitgestaan?

Nee, dat niet! Maar God zij dank, Hij alleen is ons Schild, Hij, onze Redder in de nood, wil niet en zal niet toelaten, dat wij in de handen van onze vijanden vallen. Het werd ’s avonds 7 uur en wij hoorden de hele dag niets meer. Maar opeens werd er gebeld; mijn vrouw met een andere broer van haar en mijn oudste zoontje kwamen aan de deur. Toen ik hun stem hoorde, deden wij Jacob in een andere kamer met de dochter des huizes. Ik ging naar beneden en ik vroeg mijn vrouw, wat er nu weer was.

“Ik wilde je over iets spreken,”zei ze. “Dan moet je alleen komen”, zei ik. “Wij kunnen het samen alleen wel bespreken; daar hoeft je broer toch niet bij tegenwoordig te zijn? Het zal toch wel weer op niets uitlopen!” Mijn vrouw antwoordde: “Mijn broer moet je spreken in je eigen voordeel”. “Als dat zo is, dan moet je even wachten, dan zal ik vragen of jullie beide even boven mogen komen,” antwoordde ik. Het antwoord was zeer prettig, want ze mochten boven komen. Ik moet het hier neerschrijven, dat mijn vrienden voor mij veel moeilijkheden hebben doorstaan, Zij allen waren voor mij, naast de Heere, een hulp in mijn strijd en moeite. De Heere zegene ze allen, voor al de liefde, die ik doorgaans van hen mocht ondervinden.

Ik vroeg mijn vrouw, wat haar doel was. “Dat zal ik je zeggen!” antwoordde haar broer. Hij deed mij een vraag en dat was: “Je wilt weer graag met je vrouw en

kinderen samen zijn, dat vinden wij allen goed, maar onder één voorwaarde, dat je ons wilt beloven, dat je je vrouw en kinderen niet zult laten dopen”. Hij vroeg mij of ik daarvoor wilde tekenen en dan zouden ze het in orde laten maken. Ik dacht er wel over na, wat ik hierop moest antwoorden, maar zoals de Christelijke lezer zal begrijpen kon ik niet op het ondertekenen ingaan, maar op het andere, gaf ik bevestigend antwoord.

Want als God het zou believen en behagen haar het geloof te schenken, dan zou zij het vanzelf doen en dan zouden de kinderen vanzelf ook volgen. Terwijl wij even zaten, vroeg ik mijn vrienden, of het geoorloofd was mijn vrouw even alleen te spreken;

hetwelk mij toegestaan werd. Toen wij alleen waren vroeg ik haar of ze het nu oprecht meende, en of ik er nu op aan kon, “want”, zei ik, “het zou voor ons en de kinderen een zegen kunnen zijn.” Zij verzekerde mij dat, zij omhelsde mij en gaf mij een kus;

zodat de schijn, dat ze het niet meende weg viel. We spraken af, dat ze de volgende dag weer naar Amsterdam zouden vertrekken. Ze had twee kinderen bij mijn familie te Amsterdam achtergelaten en daarom was zij aan haar tijd gebonden. En zij verzekerde mij, dat zij zodra zij in Amsterdam kwam, mij direct zouden schrijven.

Ook verzekerde zij mij, dat ze de volgende week met haar huisboedel naar mij toe zou komen en dat wij dan samen een woning in het noorden zouden huren en zo scheidden wij, na een hartelijk afscheid van elkaar genomen te hebben.

Ik bleef enkele nachten bij mijn kind slapen. Zou mijn strijd nu ten einde wezen, zou ik nu ik het kind bij mij had, en zij geen gelegenheid kreeg om het weer in haar bezit te krijgen, het gewonnen hebben? En zou ze nu werkelijk met de andere kinderen naar mij toekomen? Ik leefde tussen hoop en vrees. Dan dacht ik, zou dat geluk mij beschoren zijn? Dan weer vertrouwde ik de hele zaak niet. Daarom was ik zeer voorzichtig en hield het kind zoveel mogelijk in huis, zodat zij toch niet wisten waar het kind thuis was. Als nu eenmaal alles wel geregeld was en dat ik het volkomen kon vertrouwen, dan, ja dan als vanzelfsprekend zou het kind weer bij ons komen. Dat ik aldoor een gewaarwording en gevoel had, dat mij terneer drukte en dat ik mij ook dáár niet in vergiste, zullen de lezers in het vervolg vernemen. Wij spraken met de heer F.

af waar ik thuis was, dat, indien het nodig mocht blijken, zij het kind zolang bij andere vrienden doen moesten, als ik op reis was. Ik verwachtte de brief van mijn vrouw, maar hij kwam niet. Toen ik dat aan één van de vrienden meedeelde, toen zei hij:

“Denk maar niet, dat zij ooit naar je toe komt, want ze was nog maar pas de trap af, of ze zei tegen iemand, bah, ik kan de vent zijn asem niet luchten.” (Dat is een uitspraak van de Joden, wanneer zij iemand haten). Nochtans keek ik de gehele week uit naar een brief, maar er kwam geen brief.

Mijn vrienden raadden mij, zeer voorzichtig te zijn: “want” zeiden zij, “het is om het kind te doen en om niets anders”. En uit de aard van de liefde wilde ik het niet geloven. Want ze had mij zo stellig beloofd en verzekerd, dat ze naar mij toe zou komen met de kinderen; dat ze me niet schreef verantwoordde ik, om te zeggen, dat ze het te druk had met de omslachtigheid van verhuizen enz. Ik was zo gelukkig, dat ik weer met mijn gezin samen kon zijn, en dus niet anders dan blij zijn, en daarom zag ik er geen kwaad in. Uw hart, waarde lezers, zult huilen, als u het tegendeel zult vernemen, ja het tegendeel! Want ik moest enkele plaatsen afreizen, ook Scheveningen. Als ik daar kwam, ging ik altijd eerst naar de predikant om een aanbeveling, om dan daarmee de gemeenteleden te bezoeken voor het aanwerven van leden. De predikant was juist niet thuis, want er was op deze dag Classisvergadering.

Dus ging ik zomaar aan het werk en had enkele mensen opgezocht, die ons niet onbekend waren. Maar toen ik bij andere gemeenteleden kwam, vroegen deze mij of ik ook een aanbeveling had van de kerkenraad en of ik bij dominee geweest was. Ik

moest vanzelf zeggen, dat hij niet thuis was. Dus nam ik mij voor, te wachten met werken, tot na de middag, als hij weer thuis kwam. Terwijl ik zo liep kreeg ik een onrustig gevoel over mij, het was net gelijk de wolken aan de hemel, die zich samen pakten en in een vreselijke onweersbui zouden losbarsten. Ik gevoelde zoiets boven mijn hoofd, er kwam zo’n zware druk op mij en een onrustig gevoel, dat ik niet wist waar ik het zoeken moest. Het was een ongewoon iets. Zou er iets met mijn kind gaande zijn? Ik wist het niet. Maar hier blijven ronddolen en wachten op de predikant, dat was mij onmogelijk!

Mij voornemende, op een andere dag te gaan, moest en zou ik naar mijn kind toe, om mij te overtuigen van dit zo onaangenaam gevoel. Zou mijn vrouw met de kinderen soms naar mij toegekomen zijn? Waarom schreef ze mij dan niet? Of zouden ze mijn kind weghalen? Maar dit laatste lag steeds bij mij. Toen ik eenmaal in den trein zat, kwam ik meer tot rust. Maar toch bleef in mijn hart: er is iets gaande. In Rotterdam aangekomen stapte ik direct op de tram op weg naar de Fam. F. We reden door de Burgemeester De Roosstraat, daar zag ik een van de kennissen, die daar woonden.

Toen hij mij zag, gaf hij mij een teken om even naar hem toe te komen. Geen geduld hebbende te wachten tot de tram stopte, sprong ik uit de rijdende tram. Hij kwam mij met deze woorden tegemoet, wat ik ook verwachtte: „Van Praag, je vrouw is hier in

Toen hij mij zag, gaf hij mij een teken om even naar hem toe te komen. Geen geduld hebbende te wachten tot de tram stopte, sprong ik uit de rijdende tram. Hij kwam mij met deze woorden tegemoet, wat ik ook verwachtte: „Van Praag, je vrouw is hier in

In document Levenservaringen van een ISRAËLIET van voor en tijdens de OORLOG (pagina 124-154)