21 en regelt de voorziening in de zorg

In document INLANDSCHE BEVOLKING (pagina 29-47)

DE RESIDENTIE MENADO

21 en regelt de voorziening in de zorg

voor minderjarigen voor het geval de voogdij i n d e p e r s o o n v a n d e n v o o g d openvalt, maar in het in d i t artikel bedoeld geval wordt daardoor nog niet voldoende voorzien, zoodat daarvoor een speci-aal voorschrift noodig is.

„ O n v e r z o r g d a c h t e r -b l i j f t". Deze algemeene term maakt het artikel voor uitgebreide toepassing vatbaar. Daaronder kan gebracht worden zoowel het geval dat er grond bestaat een voogd te benoemen, als ook het geval dat een kind door dengene, die wettelijk met zijne verzorging is belast, verlaten is.

Eene sanctie op het in het eerste lid uitgesproken gebod ontbreekt.

Dwangmiddelen kunnen niet be-paald worden, straf op het niet na-komen dezer verplichting kan, voorshands althans, niet worden op-gelegd. Daarmede wachte men tot de noodzakelijkheid daarvoor geble-ken is, wat in den eersten tijd wel niet het geval zal zijn. Er heerscht in de Inlandsche maatschappij over-al in Indië, ook in de Minahassa, een groote gemeenschapszin, een streven tot onderling hulpbetoon en de wetgever mag met die eigen-schappen gerust rekening houden.

Invoering eener poenale sanctie zou bovendien, wat men thans als mo-reele verplichting gaarne op zich neemt, maken tot een drukkende wettelijke last.

Bij gebreke van familieleden zal het negorijhoofd den minderjarige kunnen toevertrouwen aan dengene die bereid is hem tijdelijk tot zich te nemen en desnoods zelf zich tijde-lijk het lot van den minderjarige moeten aantrekken.

Dat eventueel gemaakte kosten aan den optredenden voogd kunnen worden in rekening gebracht, spreekt wel van zelf.

ARTIKEL 2.

(1) In het geval in het eerste lid van het vorig artikel vermeld, neemt het negorijhoofd tevens de noodige maatregelen om te voorkomen dat de roerende goederen van den minder-jarige zouden kunnen weggemaakt of in waarde verminderd worden.

(2) Hij is bevoegd van die goede-ren eene beschrijving op te maken of te doen maken.

(3) Indien een voorloopige verzor-ger is aangesteld, worden deze goede-ren aan hem ter bewaring toever-trouwd onder verplichting om ze aan dengene, die over den minderjarige tot voogd zal worden aangesteld, af te geven.

De bepaling van dit artikel zal al-licht eerder voor toepassing in aan-merking komen dan die van het vo-rige. Mag, gelijk boven gezegd werd, door den wetgever rekening worden gehouden met de goede karakter-trekken der Inlandsche bevolking, onjuist zou hij handelen door ook tegen slechte niet te waken.

25 En hoezeer misschien zeldzaam, het komt toch voor — gelijk mij herhaaldelijk is medegedeeld — dat na den dood van ouders, die minder-jarige kinderen achterlaten, familie-leden of goede kennissen der fami-lie, niet zelden de geadopteerden,

zich meester maken van de in het sterfhuis aanwezige goederen.

Daartegen kan door inventarisa-tie en in bewaringgeving worden ge-waakt. Het negorijhoofd is echter hiertoe niet beperkt, zoodat niets hem zou verhinderen, dit noodig achtende, door enkele aanstelling van wakers den inhoud van het sterfhuis te beschermen dan wel het huis te verzegelen.

Een belooning is niet bepaald voor dengene, die de in dit of het vorig artikel bedoelde zorg op zich neemt. Dit is ook niet noodig. Dat de kosten vergoed moeten worden spreekt wel vanzelf. Men zal die aan den optredenden voogd in reke-ning moeten brengen.

ARTIKEL 3.

Van hetgeen het negorijhoofd uit kracht der bepalingen van de twee voorgaande artikelen heeft verricht, geeft hij onmiddellijk schriftelijk kennis aan het districtshoofd, onder w i en hij ressorteert, onder opgave van de omstandigheden, welke tot het nemen der voorloopige maatregelen aanleiding gaven.

De voorloopige maatregelen, in artikelen 1 en 2 bedoeld, dragen een

exceptioneel karakter en mogen dus niet langer duren dan strikt noodig-is. Zoo spoedig mogelijk moet daar-aan — meestal wel door daar-aanstelling van een voogd — een eind worden gemaakt. Vandaar de

voorgeschre-ven medcdeeling aan het districts-hoofd, die met de zorg voor de aan-stelling van voogden belast is en die — gesteld het kind ware door zijne ouders verlaten — maatregelen

kan nemen ter ontzetting uit de ouderlijke macht.

ARTIKEL 4.

Ten aanzien van de Inlandsehe burgers worden, de werkzaamheden, in de voorgaande artikelen aan het negorijhoofd opgedragen, uitgeoefend door den wijkmeester, die de in het vorig artikel bedoelde mededeeling indient bij hot Hoofd van plaatselijk bestuur, onder wien hij ressorteert.

De Inlandsche burgers staan niet onder het gezag van districts- en negorijhoofden. In plaats van hen moeten het Hoofd van plaatselijk bestuur en de wijkmeester optre-den.

AFHEB LING 2.

V a n d e v o o g d ij i n h e t a l g e m e e n .

ARTIKEL 5.

In elke voogdij is slechts één voogd.

In welke gevallen in de voogdij

25 moet worden voorzien, leert artikel 23 der afstammingsordonnantie, en werd in vorenstaande inleiding uit-eengezet.

Bovendien zal een voogd moeten worden benoemd, indien de voogd overleden is, uit de voogdij is ontsla-gen of daarvan ontheven (zie bene-den artikel 52 en volg).

Het beginsel dat in elke voogdij slechts één voogd is, schijnt ook voor de Minahassa het eenig aan-nemelijke.

ARTIKEL 6.

(1) Behoudens de bepaling van het volgend lid, maakt de voogdij over kinderen uit een gezin, één voogdij uit.

(2) Echter kan over een of meer der, tot één gezin behoorende, kinde-ren afzonderlijk een voogd worden aangesteld.

(3) In dit geval kan bij de benoe-ming bepaald worden of tusschen de voogden worden overeengekomen, dat een hunner met het beheer van het, aan de minderjarigen gemeenschappe-lijk toebehoorend, vermogen zal wor-den belast.

In den regel zal het voldoende zijn over alle kinderen gezamenlijk uit één gezin afkomstig, onverschillig of

ze al dan niet ook uit één huwelijk gesproten zijn, één voogd te benoe-men.

Het is echter natuurlijk denkbaar dat, als het aantal kinderen te groot is, dit vóór dien eenen voogd te

be-zwarend zou zijn. V a n d a a r dat de bevoegdheid moet worden verleend om de voogdij over die kinderen te splitsen.

H e t derde lid h o u d t rekening m e t de mogelijkheid dat twee of meer kinderen uit één gezin, die verschil-lende voogden hebhen, rechthebben-den op één onverdeelrechthebben-den boedel zijn. H e t zal clan meestal wensche-lijk zijn dat slechts een der voogden als beheerder daarvan optreedt en slechts de zorg voor de persoon der minderjarigen wordt gedeeld.

A R T I K E L 7.

H e t toezicht over en het opperge-zag in de voogdij worden — volgens de desbetreffende bepalingen van dit reglement — uitgeoefend door:

a. het districtshoofd;

b. de familie, al dan niet vertegen-woordigd door den toezienden voogd.

Over de opdracht van toezicht en het toekennen van oppergezag aan de familie en aan het distrietshoofd, werd reeds in de algemeene toelich-t i n g gesproken.

A E T I K E L 8.

(1) Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt in dit reglement onder de uitdrukking „distrietshoofd" ver-staan het hoofd van het district waar degene, onder wiens m a c h t de min-derjarige stond vóór de voogdij open-viel, woonplaats had.

(2) I n d i e n echter de familie, van

27

welke de minderjarige deel uitmaakt, van oorsprong behoort, de aan die fa-milie toebehoorende onroerende goe-deren voornamelijk gelegen zijn, of de meerderheid der den minderjarige het naast bestaande familieleden ge-vestigd zijn in een ander district, geeft het in het eerste lid bedoelde hoofd, alvorens eenigen maatregel te nemen, van het openvallen der voog-dij dadelijk, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van familieleden van den minderjarige, kennis aan het hoofd van laatstbedoeld district, onder me-dcdeeling van de getroffen voorloo-pige voorzieningen, alsmede van de door de ouders van den minderjarige gedane 'aanwijzing, zoo die heeft plaats gehad, een en ander onder toe-zending der daarop betrekking heb-bende bescheiden.

(3) Ingeval van verschil omtrent de beantwoording der vraag, welk hoofd het toezicht over en het gezag in de voogdij behoort uit te oefenen, beslist de Voorzitter van den Land-raad op het schriftelijk verzoek van een der gemelde hoofden, na den an-der te hebben gehoord.

(4) Het districtshoofd, dat een-maal het toezicht over en het gezag in eene voogdij heeft aanvaard, dan wel bij verschil daartoe is aangewe-zen, is gehouden ook verder zich

daar-mede te belasten.

(5) Het tweede districtshoofd ver-tegenwoordigt het districtshoofd ten aanzien van alle hem in dit reglement opgedragen werkzaamheden voor

zoo-Het is van groot belang dat het toezicht over de verzorging van den minderjarige en het beheer van diens vermogen worden opgedragen aan het hoofd van het district waar in het algemeen de belangen van den minderjarige hoofdzakelijk lig-gen. Waar de meeste bloedverwan-ten wonen, waar de familiegoederen liggen, kortom waar de familie van den minderjarige thuis behoort, daar zal waarschijnlijk de gekozen voogd wonen en daar moet dan ook het toezicht over de voogdij kunnen worden uitgeoefend.

In den regel nu zal dit zijn dat district waar de voogdij is openge-vallen. Verreweg de meeste Inlan-ders in de Minahassa blijven tot hnn dood wonen en sterven in liet district waar de familie van ouder tot ouder gevestigd was. Het

stam-ver die in zijn onderdistriet moeten worden verricht, behoudens de be-voegdheid van den laatste om zelf daartoe op te treden.

(6) Ten aanzien van Inlandsche burgers oefent het Hoofd van plaat-selijk bestuur de function uit in dit reglement aan het districtshoofd op-gedragen. De bepaling van het eerste tot en met het vierde lid van dit arti-kel zijn ten aanzien van het Hoofd van plaatselijk bestuur van toepas-sing. Het Hoofd van plaatselijk be-stuur kan zich ten aanzien van alle handelingen doen vertegenwoordigen door een aan hem ondergeschikt amb-tenaar of hoofd.

29 verband — al is het losser geworden dan het eertijds was — werkt nog altijd.

Maar het geval zal zich niettemin niet zelden voordoen dat dat anders is. Sommigen vestigen zich als han-delaren op een voorname plaats bui-ten hun eigenlijk district; anderen (ambtenaren) kunnen worden ge-plaatst in een ander district dan waar zij thuis behooren; weer ande-ren (particulieande-ren) krijgen betrek-kingen in andere deelen der Mina-hassa.

Sterven zij of worden zij uit de ouderlijke macht ontzet, dan zal dus de voogdij over hunne minderjarige kinderen openvallen in een ander district dan dat waar de familie is gevestigd, waar de familiegoederen liggen, en uit welks bevolking dus de voogd het liefst zal worden ge-kozen.

Nu is het zeker in het belang eener goede behandeling der voogdij dat niet het hoofd van het district waar de voogdij openviel met de lei-ding der zaken belast blijft en is het verre verkieselijk dat hij deze func-tie overdraagt aan zijn ambtgenoot in het distriet in hetwelk de minder-jarige, zij het niet door geboorte, dan toch door afstamming en door zijn vermogensrechtelijke belangen, thuis behoort.

Dat moet echter dadelijk geschie-den vóór nog de familie is bijeenge-roepen, wil men niet dat er verwar-ring zal ontstaan voor de toekomst.

Kan de regeling van dit artikel eenig tijdverlies veroorzaken, de ge-troffen voorloopige voorzieningen maken dat het door dat tijdverlies ontstaande nadeel niet groot zal zijn.

De bepaling van het laatste lid be-rust op dezelfde overweging als die van artikel 4.

ARTIKEL 9.

(1) De vergaderingen der familie worden door het districtshoofd bij-eengeroepen, dat bij die oproeping de plaats, den dag en het uur van samen-komst bepaalt.

(3) Die oproeping geschiedt het-zij schriftelijk, hethet-zij mondeling door middel der betrokken ncgorijhoofden.

(3) Voor zoover de op te roepen familieleden in een ander district wonen, geschiedt hunne oproeping door tusschenkomst van het hoofd van dat district.

(4) De door het districtshoofd op-geroepen vergadering is bevoegd be-sluiten te nemen omtrent alle onder-werpen waarvan volgens dit regle-ment de beslissing staat aan de familie.

(5) Vergaderingen der familie worden behalve in het geval, bedoeld in artikel 24, bijeengeroepen wanneer daartoe door den voogd of den toe-zienden voogd het verzoek wordt ge-daan, of het districtshoofd zelf daar-toe termen aanwezig oordeelt.

Golden de oude adat-instellingen nog onverzwakt, ambtelijke

tus-Ol

schenkomst voor de bijeenroeping van de familie zou onnoodig zijn.

Volgens die instellingen had iedere familie een hoofd dat allo familie-belangen regelde. Nog is dat niet geheel verdwenen. Voor zoover er nog onverdeelde familiegronden zijn, wordt nog wel de macht van een pengatoer als voortzetter der traditie van den toea'n taranak van vroeger erkend, maar zijn gezag is niet meer zoo groot als vroe-ger. Vaak zijn de familiegronden reeds ten voortdurenden gebruike tusschen staken, soms tusschen ge-zinnen verdeeld en, waar in het alge-meen het individu meer op den voor-grond trad, verdween het familie-hoofd naar den achtergrond.

De bijeenroeping van de familie kan dus niet meer aan het familie-hoofd worden opgedragen.

Volgens de C. C. treedt de juge de paix op tot bijeenroeping van den conseil de Familie. Hier is het dis-trictshoofd als van zelf de aangewe-zene. Hij, die in zijn ambt nog de traditie van het stamhoofd uit vroe-gere tijden bewaart, is daardoor als van zelf de aangewezen man om de bijeenroeping van de familie te doen.

Slechts éénmaal is bijeenroeping der familie bepaald noodig n.1. bij het openvallen der voogdij, wanneer dus oen voogd en een toeziende voogd moeten worden benoemd en bepaalde andere maatregelen moeten worden genomen.

Latere bijeenkomsten kunnen al-leen door bijzondere omstandighe-den noodig zijn, daar in omstandighe-den regel de familie ten aanzien van alle hande-lingen wordt vertegenwoordigd door den toezienden voogd.

Zijn voogd en toeziende voogd in functie en heeft noch het districts-hoofd, noch eenig familielid aanmer-king op hunne gestie, dan is het dus niet noodig het oordeel der familie in te roepen wat alleen dan noodig zal zijn als de beide eersten van zienswijze verschillen of belangrijke aanmerkingen op bun beheer ge-maakt worden.

De voogd zoowel als de toeziende voogd kunnen het verzoek tot bij-eenroeping doen en het hoofd zal aan dat verzoek moeten gehoor ge-ven. Ook kan hij ambtshalve de bijeenroeping bevelen, bijv. wan-neer hij zelf bezwaren tegen den voogd heeft of wel wanneer familie-leden hem daarop de aandacht ves-tigen. Den laatsten zelf het recht te geven de familie te doen bijeen-komen is naar het mij voorkomt niet noodig.

ARTIKEL 10.

(1) Tot deelneming aan die ver-gadering roept het districtshoofd be-halve den voogd en den toezienden voogd, zoo die er zijn, op:

a. de bloedverwanten in de rechte opgaande linie der ouders van den minderjarige ;

35

b. diens meerderjarige broeders en zusters ;

c. den beheerder van de onverdeelde familiegoederen tot welke de min-derjarige mede-gerechtigd is.

(2) Bij gebreke van bloedverwan-ten, als in het vorig lid bedoeld, wor-den meerderjarige bloedverwanten en bij gebreke van bloedverwanten, meerderjarige aangehuwden in ver-dere graden 'opgeroepen om aan de familievergadering deel te nemen, met dien verstande, dat steeds voor oproeping zij het eerst in aanmerking komen, die den minderjarige het naast bestaan.

(3) Wanneer de vader van den minderjarige den Mohammedaansche godsdienst belijdt of, tijdens zijn le-ven, beleed is de oproeping van bloedverwanten der moeder niet ver-plicht.

(4) Zoo mogelijk worden steeds tenminste vier bloedverwanten of aangehuwden opgeroepen.

(5) Personen, buiten de Mina-hassa gevestigd of verblijfhoudende, worden niet opgeroepen.

(6) Bloedverwanten of aangehuw-den, gevestigd of verblijfhoudende buiten het district binnen hetwelk de familieraad bijeenkomt, worden enkel opgeroepen, wanneer in dat district minder dan vier bloedverwanten of aangehuwden wonen of verblijf hou-den.

(7) Bloed- en aan-verwanten van den vader, die noch is de echtgenoot der moeder (in den zin bedoeld in

ar-3

Is het schijnbaar con moeilijke taak het districtshoofd op de schou-ders gelegd om de familie behoorlijk samen te roepen, die moeilijkheid is niet zoo groot als het schijnt. Som-mige districtshoofden zijn persoon-lijk uitnemend op de hoogte van de samenstelling van alle families hun-ner onderhoorigen, zoo bijv. de te-genwoordige majoor van Kakas-Bembokken, die daarmede beter be-kend is dan de betrokkenen zelf.

Zij die dit niet zijn, zullen zich zon-der moeite op de hoogte daarvan kunnen stellen door navraag te doen bij de negorijhoofden en bij de hun bekende familieleden van den min-derjarige.

Adoptief-ouders en -kinderen heb ik gemeend van de familievergade-ring te moeten uitsluiten, daar niet

tikel 3 van het Afstammingsregle-ment voor de Minahassa) noch het kind erkend heeft, kunnen niet deel-nemen aan de vergadering.

(8) Yan deelneming aan de verga-dering zijn uitgesloten, zij die uit de ouderlijke macht over eigen kinderen of uit een e voogdij zijn ontzet, als-mede zij van wie bekend is dat zij met de ouders van den minderjarige in vijandschap leefden of tegenstrijdige belangen met die van den minderja-rige hebben.

(9) Aan het districtshoofd is de beslissing omtrent de juistheid der samenstelling van de vergadering overgelaten. Tegen die beslissing is geene voorziening toegelaten.

55 vertrouwd kan worden dat zij

onpar-tijdig genoeg zullen zijn om de langen van den minderjarige te be-hartigen.

Het familiehoofd — zoo dit er is

— zal wel meestal onder de andere opgesomde verwanten begrepen zijn, maar moest wel afzonderlijk worden genoemd omdat de belangen van den minderjarige bij die van het beheer van het familiegoed ten nauwste be-trokken zijn.

Quaesties over de al of niet juist-heid der samenstelling van de verga-dering moeten niet voorkomen. Liet men daaromtrent de mogelijkheid van voorziening open dan zon er licht lange tijd kunnen verloopen alvorens de noodige beschikkingen genomen zouden zijn. Aan het dis-trictshoofd zelf, die natuurlijk de fa-milie daaromtrent hoort, kan dan ook veilig de beslissing omtrent de samenstelling van de vergadering in hoogste ressort worden overgelaten.

Het spreekt overigens van zelf dat minderjarigen en zij die zelf niet vertrouwd worden als verzorgers van minderjarigen of van wie verwacht kan worden dat zij den minder-jarige vijandig gezind zijn, geen deel mogen nemen aan de bijeen-komst.

Ook vrouwen uit te sluiten, gelijk in den Code civil geschiedde, schijnt mij niet gewettigd.

Voor de Mohammedanen moest wel de bijzondere bepaling van het derde lid gemaakt worden ten einde

aan een bezwaar dat onder hen wel -licht zou geopperd worden, tegemoet

te komen.

ARTIKEL 11.

(1) De vergadering van de familie wordt door het districtshoofd geleid.

(2) Hij kan zich ten deze doen vertegenwoordigen door het hoofd der negorij in welke de meeste leden van de familie gevestigd zijn.

(3) Hij die de vergadering leidt, maakt van het daarin behandelde een schriftelijk verslag op, hetwelk door hem met de ter vergadering aanwezi-gen wordt onderteekend. Indien de laatsten of een of meer van hen niet kunnen teekenen, wordt daarvan met vermelding van de reden der verhin-dering melding gemaakt aan den voet van het verslag.

(4) Indien het districtshoofd niet zelf de vergadering leidt wordt het verslag door den leider bem toege-zonden.

De opdracht van de leiding der vergadering aan het districtshoofd berust op de omstandigheid dat meestal geen aangewezen algemeen familiehoofd bestaat. Bovendien is dat gewenscht om de zekerheid te

De opdracht van de leiding der vergadering aan het districtshoofd berust op de omstandigheid dat meestal geen aangewezen algemeen familiehoofd bestaat. Bovendien is dat gewenscht om de zekerheid te

In document INLANDSCHE BEVOLKING (pagina 29-47)