REGELING VAN HET INLANDSCH NOTARIAAT VOOR DE MINAHASSA- MINAHASSA-DISTRICTEN DER RESIDENTIE MENADO

In document INLANDSCHE BEVOLKING (pagina 90-118)

I N L E I D I N G ,

I n de vergadering van de Nederlandsch-Indische J u r i s t e n v e r e n i g i n g in J u n i 1886 te Batavia gehouden, werd aan 't einde der ter zake gehouden discussie niet zeer groote meerderheid van stemmen (15 tegen 3) toestem-mend geantwoord op de vraag of meerdere wettelijke regeling noodig was o m t r e n t de constateering van rechtshandelingen bij geschrifte onder den Inlander, terwijl tevens werd verklaard dat die regeling zon moeten bestaan, behalve in eene herziening van het bestaande notariaat, nog „i n h e t m h e t 1 e v e n r o e p e n e e n e r i n s t e l l i n g , d i e n s t i g o m d e n I n l a n d e r l a n g s e e n m e e r g e m a k k e 1 ij k e n e u m i n k o s t -b a r e n w e g t e h u l p t e k o m e n i n d e v e r v u l l i n g v a n d i e r e c h t s b e h o e f t e n, i n w e 1 k e h ij t h a n s s l e c h t s d o o r d e h u l p v a n e e n n o t a r i s k a n v o o r z i e n " .

Blijkt u i t deze formuleering reeds dat, hetgeen de Juristenvereeniging wenschte, iets anders was dan een nieuw n o t a r i a a t voor I n l a n d e r s , dit werd dan ook nog uitdrukkelijk beslist: met bijna algcmeene stemmen werd o n t k e n n e n d de vraag beantwoord of bet aanbeveling zou ver-dienen e e n a f z o n d e r 1 ij k, d o o r I n l a n d e r s u i t g e o e f e n d , n o t a r i a a t i n h e t l e v e n t e r o e p e n .

Toch is door mij een ontwerp-reglemcnt t o t regeling van een Inlandsch notariaat samengesteld, omdat, ondanks bet gemelde votum van

1886, invoering van zoodanig n o t a r i a a t n a a r mijn oordeel, het eenig werke-lijk afdoende middel is, om in de behoefte te voorzien, die alom in Endië gevoeld wordt, aan een gelegenheid voor den I n l a n d e r om schriftelijk bewijs te krijgen voor zijne .transacties.

85 I .

D a t die behoefte, evenals alom in Indië, ook in de Minahassa bestaat, is zeker.

Toonde reeds Mr. M.. C. P I E P E R S met tal van voorbeelden ter gemelde vergadering van de Juristenvereeniging dat aan voor J a v a en Madoera, nagenoeg al wat deze rechtsgeleerde betoogde kan t h a n s ook van de Mina-hassa gezegd worden.

Geen verpanding van gronden, geen koop en verkoop van onroerend goed of ook van roerende goederen van eenige waarde komt meer, gelijk vroeger, alleen voor getuigen t o t stand, omdat .men heeft leeren inzien dat dit bewijsmiddel onbetrouwbaar is en geen voldoende zekerheid b i e d t ; ook elke scheiding en deeling van gemeenschappelijk bezeten goederen, elke geldleening wordt t h a n s neergelegd in geschrifte gelijk elke andere transactie van cenigszins belangrijken aard.

Vroeger achtte men voor dat alles getuigen voldoende of deed men de rechtshandeling plaats hebben voor een hoofd, maar zelfs waar dat laatste gerekend kon worden een essentieel vereischte te zijn voor de geldigheid van een handeling, m a a k t men t h a n s toch ook een geschrift op, dat dan ook door het hoofd wordt o n d e r t e e k e n d ; men gevoelt dat het bezit van een geschrift alleen mogelijk m a a k t t e n a l l e n t ij d e voldoende be-wijs voor zijne rechtshandelingen te leveren.

Maar in dat gebruik van schrifturen, zóó als het thans gevonden wordt, schuilt een groot gevaar, dit nl. dat vaak zij die meenen daardoor voor altijd zeker bewijs verkregen te hebben, ten slotte toch blijken niets t e k u n n e n bewijzen: de waarde toch van tal van schrifturen, zooals die actu-eel worden opgemaakt, is hoogst problematiek en telkens moet in rechten een bewijsstuk als waardeloos worden ter zijde gelegd en buiten beschou-wing gelaten wegens een gebrek, hetzij wat den vorm, hetzij wat den inhoud betreft.

Ik denk nu niet vooral aan het dagelijks voorkomende feit dat verreweg de meeste dergelijke geschriften blijken gesteld te zijn op niet of onvol-doende gezegeld papier (men gebruikt gaarne een plakzegeltje van 10 cent in stede van een formaatzegel van ƒ 1.50) gevolg van het feit dat het gewone zegelrecht veel te hoog is voor geschriften van I n l a n d e r s en in nagenoeg alle gevallen h u n n e draagkracht verre overschrijdt, maar voor-namelijk aan :

a. het gebrek van behoorlijke onderteekening der meeste s c h r i f t u r e n ; l. de vaagheid en de onbepaaldheid der woorden, waarin de gelibelleerde

rechtshandeling is ingekleed, de onjuistheid niet zelden der gebezigde u i t d r u k k i n g e n , waardoor het komt dat niet zelden eene akte geheel iets anders blijkt in te houden dan men bedoeld heeft er in te leggen.

Geschriften, m e t kruisjes onderteekend, worden dagelijks aan den rech-ter overgelegd en de waarde der handteekening wordt in de Inlandsche maatschappij vaak zoo weinig begrepen dat degeen, die de schrijfkunst niet verstaat, er geen bezwaar in ziet zijn n a a m door een ander onder een stuk te doen plaatsen, terwijl die ander dit even gewettigd oordeelt.

Stukken waarin alle onderteekeningen m e t een en dezelfde hand zijn gesteld, zijn dan ook geen zeldzaamheid en vaak verbazen partijen zich dan nog u i t t e r m a t e indien de rechter, ook zonder dat er aan valschheid in ge-schrifte gedacht wordt, aan zulk een, onware handteekeningen dragend, geschrift alle waarde ontzegt.

Dit wat den vorm van vele onderhandsche geschriften b e t r e f t ; m e t den inhoud ervan is het niet beter gestold.

Hoogst zelden is een contract volledig omschreven. Belangrijke elemen-ten eener verbinelemen-tenis worden vaak niet in de akte genoemd, vaak is iets geheel anders u i t g e d r u k t dan inderdaad bedoeld is; de rechter staat bij de uitlegging voor do grootste moeilijkheden.

Zoo vindt men soms een bewerkingscontract omschreven als jware het een huur- en verhuur, is een verkoop van plantsoen zoo onduidelijk om-schreven alsof ook de grond in do overeenkomst begrepen ware (1).

I s een der partijen slimmer dan de andere, zoo ziet men herhaaldelijk dat een akte bedingen of bepalingen bevat, die de laatste, had hij ze begre-pen, niet zou hebben doen opnemen omdat ze voor hem uitermate bezwa-rend zijn.

K o r t o m ; niet zelden geschiedt het dat de conscicTitieusc rechter met

(') Ik noem slechts een paar voorbeelden, maar ieder die met de inlandsche maatschappij, en niet enkel in de Minahassa, bekend is, weet dat de Inlander niet dan zelden juist kan uitdrukken wat hij wil en meent. Deze overweging-gaf mij destijds aanleiding op te komen tegen de in de wet ook den inlandschen rechter voorgeschreven lijdelijkheid. Het verbod ook de Landraden opgelegd om niets anders of meerders toe te wijzen dan wat gevorderd is, is in hooge mate af te keuren en verdiende uit de reglementen op de procedure voor de inlandsche rechtbanken te verdwijnen, zoolang althans daarin het indienen van introductieve requesten als regel wordt behouden. Zie Tijdschrift het Recht in N e d . - I n d i ë LXXIV p. 222 e. v. De juistheid mijner daar neergeschreven beschouwing omtrent de introductieve requesten wordt gedeeld door de Staatscommissie, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 30 Juli 1892 N°. 36, welke Commissie echter in artikel 90 van haar „ontwerp reglement op de rechtspleging in burgerlijke zaken voor de inlandsche rechtbanken en gerechten" het „ne ultra petita"

handhaaft. Cf. de toelichting op artikel 33 van haar ontwerp.

/

85

genoegen een gebrek in den vorm der akte constateert dat hem vergunt het geschrift buiten het geding te houden om daarna partijen in |de gele-genheid te kunnen stellen langs anderen weg te bewijzen welke rechts-handeling inderdaad heeft plaats gehad.

Ik sprak nog niet over het gemis aan d a t e c e r t a i n e van alle ge-melde onderhandsche akten, een gemis dat bij akten, onder Inlanders opgemaakt, zich zooveel duidelijker doet gevoelen dan ten aanzien van akten onder Europeanen omdat bij de eersten met hun vaag begrip van tijd het bewijs van den datum eener rechtshandeling zoo bijzonder veel moeilijker is dan onder Europeanen.

Nu wil ik niet ontkennen dat ook zeer vaak akten aan den Landraad worden overgelegd waarop, wat den inhoud betreft, weinig valt aan te merken, maar dan mag in den regel met zekerheid worden aangenomen dat die akte is opgemaakt door een zaakwaarnemer, die zijne diensten als raadgever en schrijver zeer hoog heeft doen betalen.

Ieder die deel heeft genomen aan de uitspraak over Inlanders heeft lee-ren inzien dat het optreden van dergelijke personen voor den gewonen In-lander in elk opzicht allerverderfelijkst moet worden geacht.

Al het hier geschrevene is overbekend en trouwrens telkens en telkens weer betoogd en herhaald.

Zeker is dan ook dat, terwijl de behoefte aan schriftelijke bewijsstukken omtrent rechtshandelingen in de Inlandsche maatschappij bestaat, en overal levendig wordt gevoeld, door gemis aan regeling daaromtrent in die behoefte niet of althans zeer onvoldoende wordt voorzien.

Dat men toch het opmaken van schrifturen blijft volhouden, getuigt wel voor de voorliefde die men voor het schriftelijk bewijs koestert en voor het onvoldoende dat kennelijk, naar het algemeen oordeel, het getui-genbewijs aankleeft.

W e t t e l i j k e r e g e l i n g d a a r o m t r e n t i s d u s n o o d -z a k e 1 ij k.

Weer eischt ook thans de vraag bespreking, waarin die regeling moet bestaan.

Behalve de instelling van een I n 1 a n d s c h n o t a r i a a t werden ter bovengemelde vergadering der Juristenverecniging twee stelsels be-sproken.

I n d e e e r s t e p l a a t s dat van den Heer Mr. M. C. PIEPERS die (*)

(') Zie zijn prasadvies in de Handelingen der N.-I. juristenvereeniging 1886 p. 159 e. v.

een regeling wilde, volgens welke de Inlander schriftelijke bewijsstukken zelf zou k u n n e n opmaken of die doen opmaken door een ander, onverschil-lig wie. om zich dan met het geschrift te wenden t o t eene openbare autori-teit, die op het stuk zijn zegel zou zetten en door zijn legalisatie authentici-teit aan de akte verbinden. M1'. P I E P E H S wilde die legalisatie opdragen aan districts- of onderdistrictshoofden, een bedrag doen vaststellen binnen het-welk het rechtsgeldig gebruik van zulke geschriften en derhalve de satie daarvan zou worden toegelaten en voorts bepaald zien dat de legali-secrende autoriteit zich, alvorens het stuk te bekrachtigen, zou moeten vergewissen van de indentiteit dergenen die verklaren dat h e t geschrift n a a r h u n n e opgave was opgesteld, den inhoud van het geschrift zou moeten voorhouden en de verklaring moeten afvorderen dat het geschrevene inder-daad de bedoeling van partijen u i t d r u k t .

Dat stelsel mocht, gelijk ik boven vermelde, de goedkeuring der verga-dering verwerven; de meerderheid oordeelde dit het beste der toen aan-geprezen stelsels.

H e t komt mij echter voor dat die goedkeuring onverdiend was, daar, bij ecnige nadere beschouwing, blijkt dat dat stelsel geenszins geeft wat voor de Inlandsche maatschappij gewenscht moet worden.

Door de legalisatie in het stelsel P I E P E R S ZOU worden verkregen d a t : a. o n t k e n n i n g der h a n d t e e k e n i n g onmogelijk zou w o r d e n ;

b. alleen dan een geschrift zou onderteekend worden als vaststond dat partijen den inhoud der akte g o e d k e u r e n ;

e. aan het verlangen n a a r een d a t e c e r t a i n e werd voldaan ; m a a r dat zoudeu dan ook de eenige te verwachten absolute voordee-len zijn.

I n de eerste plaats toch is het mij niet recht duidelijk hoe een dergelijke gelegaliseerde akte authenticiteit zou k u n n e n bezitten.

D a t de legalisatie op zich zelve de aktq niet t o t eene authentieke kan maken, behoeft nauwelijks te worden betoogd. I n het systeem van Ml'. P I E P E R S zouden immers de verklaringen dor partijen niet voor den a m b t e n a a r worden afgelegd om eerst daarna in geschrift te worden ge-bracht. A u t h e n t i e k zou dus alleen zijn liet door het hoofd gedresseerd verbaal van de voor hem gedane erkenning van partijen dat, hetgeen in de akte geschreven staat, wel inderdaad is h u n n e verklaring en wel inderdaad hunne bedoeling u i t d r u k t .

Mr. P I E P E R S zegt dan ook dat hij zou wenschen dat de wet aan de lega-lisatie authentisecrende kracht zou vcrlccnen. Hoe dat zou k u n n e n ge-schieden, wordt echter niet gezegd. Zeker zal M1'. P I E P E R S niet aan de

87

mogelijkheid gedacht hebben dat de wet t o t authentiek zou k u n n e n ver-klaren wat dat niet is en uit zijn aard niet wezen kan.

Intusschen is het van weinig belang of een akte, volgens het stelsel PlBPEES gelegaliseerd, al dan niet eene authentieke zal heeten. W a t de bewijskracht betreft zal tusschen beide immers geen verschil bestaan, mits de akte geteekend zij door partijen. Dan immers wordt door de legalisatie ontkenning der onderteekening onmogelijk gemaakt en tus-schen een authentieke akte en een erkende onderhandsche akte is ten aanzien van het bewijs der in de akte gelibelleerde verklaringen geen ver-schil (artikel 1875 B. W.).

Anders echter zou het zijn met de akten die door partijen, op grond dat zij de schrijfkunst niet verstaan, niet geteekend zijn.

De legalisatie zou dat gebrek aan onderteekening wel nimmer k u n n e n wegnemen en den rechter niet bevoegd maken een ongeteekende akte aan te nemen als of ze onderteekend ware (J).

De legalisatie zou t e n aanzien van dergelijke ongeteekende geschriften niets meer kunnen geven dan een buitengerechtelijke erkentenis van de waarheid der in de akte opgenomen verklaringen, meer niet en, al valt niet te ontkennen dat dit althans t o t zekere hoogte aan de behoefte zou voldoen, volledig wordt daarin aldus niet voorzien.

Maar. belangrijker is het dat een ander voornaam bezwaar tegen de onderhandsche akten van Inlanders aldus niet zou worden weggenomen, het bezwaar nl. dat men niet den waarborg bezitten zou dat de akte inder-daad zou bevatten hetgeen partijen willen, wat ze beoogen.

Aan eene aan de opmaking der akte posterieure verklaring d a a r o m t r e n t van partijen is al b i t t e r weinig waarde te hechten.

Alleen dan zou die verklaring, voor den legaliseerenden ambtenaar afge-legd, voldoenden waarborg kunnen geven wanneer deze ambtenaar partijen consciëntieus afvragen wilde, welke de rechtshandeling is die ze beoogen t o t stand te brengen, om daarna te onderzoeken of de akte nu ook de bedoe-ling volkomen u i t d r u k t . Maar om dit te doen zouden de legaliseercnde hoofden moeten beschikken over meer zaakkennis, tijd en werkkracht dan

(') In het door de Staatscommissie van 1892 vervaardigd ontwerp-R e g 1 e-m e n t op de T n l a n d s o h e r e c h t s v o r d e r i n g wordt intusschen voorgesteld een h a n d m e r k (kruisje bijv.) met een h a n d t e e k e n i n g gelijk te stellen, mits gelegaliseerd door een dorpshoofd of ander persoon. Mij komt dit niet aanbevelenswaard voor maar het is hier niet de plaats dit punt uitvoerig te behandelen.

88

in den regel bij hen, toch al reeds overladen met ander werk, en niet voor dezen arbeid opgeleid mag worden ondersteld.

Volstaat hij, gelijk te verwachten is, enkel met het voorlezen der reeds geschreven akte aan de partijen en de afvragc daarna of zij erkennen dat die akte volgens hunne verklaringen is opgemaakt, dan beteekent de lega-lisatie al bitter weinig en wordt daardoor de evcnbedocldc waarborg niet gegeven.

Dan blijft de volle waarde van de akte gelegd in de opmaking daarvan door den schrijver, dien partijen te hulp roepen, omtrent wiens recht-schapenheid geen zekerheid bestaat, die in verreweg de meeste gevallen een zaakwaarnemer zal zijn, omtrent welke lieden ik reeds boven mijne meening zeide.

En, gesteld al dat aan de rechtschapenheid dier schrijvers niet behoefde te worden getwijfeld; waar is de waarborg dat de akte zoodanig zou worden opgemaakt dat zij in rechten effect zou kunnen sorteeren?

Dat degeen, die de akte opmaakte, de noodige wets- en rechts-kennis bezit, vereischt voor het opmaken van een legaal geldige akte, zal misschien wel eens .voorkomen maar meestal zullen zoodanige lieden verre te zoe-ken zijn.

Bij den legaliseerenden ambtenaar die kennis te onderstellen gaat even-min aan.

En, gesteld al dat de laatste wel die kennis bezat, dan nog zou dat in de meeste gevallen den partijen van geen nut zijn, daar hij toch zeker zich niet gerechtigd zou mogen achten de akte te veranderen, te verbeteren en dus ten hoogste partijen den raad zou kunnen geven weer terug te gaan naar den schrijver, van wicn ze gekomen zijn, om de gewenschte verbete-ring der akte aan te brengen.

Vervolgens is er nog een ander bezwaar tegen het stelsel PIEPBES dit nl.

dat het partijen niet redden zou uit de handen der zaakwaarnemers, inte-gendeel zij als het ware naar deze lieden gedreven zouden worden, daar meestal wel in hunne nabuurschap geen andere lieden dan dezen bestaan zullen, in staat om eenc akte op te maken, welke der legaliseerende autori-teit kan worden aangeboden.

En eindelijk het aller gewichtigste bezwaar : dat de akte voor den Inlan-der bijzonInlan-der kostbaar zou worden. Hij zal toch in de eerste plaats den schrijver (meestal dus den zaakwaarnemer) hebben te betalen, zich vervol-gens met de akte naar den legaliseerenden ambtenaar hebben te begeven,

89

een reis hebben te doen vaak van ettelijke uren, meestal wel van dagen, geduldig den tijd moeten afwachten dat een ambtenaar — wellicht op tournee — hem zal k u n n e n te woord staan.

Kortom het stelsel P I E P E R S levert, bij enkele geringe v o o r d e d e n , zulke zwaarwichtige nadeelen op dat het ondanks h e t votum der Juristenvereeni-ging van 1886 door niemand meer in bescherming zal k u n n e n worden genomen.

Veel beter komt mij voor het ter zelfde vergadering door Mr. J . I I . ABENDANON verdedigd stelsel, hierin bestaande dat personen zouden wor-den aangesteld, in alles met notarissen overeenkomende, m a a r met dit verschil dat aan h u n n e akten geen authentieke kracht werd verleend. Die authentieke kracht zou intusschen aan de aldus opgemaakte notarieele akte worden verleend door een dergelijke legalisatie als Mr. P I E P E R S wilde, welke dan zou moeten plaats hebben door den Voorzitter van den Landraad.

De notaris in dit stelsel zou dus niets anders worden dan een officieele aktenschrijver, bestemd om door zijn optreden tegemoet te komen aan het gebrek aan juridische kennis onder de gewone I n l a n d e r s en aan hun gemis aan t a l e n t om in juiste bewoordingen h u n n e bedoeling schriftelijk uit te drukken.

Dit stelsel verdient dus de voorkeur boven het stelsel P I E P E R S door dat het een optreden van zaakwaarnemers, in het gebruik van welke lieden men in het laatste bijna noodzakelijk zou vervallen, overbodig zou maken en althans de zekerheid zou geven dat de akte inderdaad partijen dat zal geven wat men er van verlangt.

Hoe overigens ook in het stelsel ABENFDANON inderdaad authentieke kracht aan de akte zou worden verleend, is mij niet recht dui-delijk. De legaliseerende landraadsvoorzitter zou. ook in dit stelsel, even goed als het distrietshoofd in het stelsel P I E P E R S , niet authentisecren wat partijen voor hem gedaan of verricht h e b b e n , , m a a r enkel cene buitenge-rechtelijke bekentenis van partijen libellecren dat hetgeen, volgens de akte, voor den notaris verricht is, inderdaad aldus heeft plaats gehad.

E n dat in het gemis aan onderteekening door partijen, die de schrijf-kunst niet verstaan, ook,op die wijze niet zou worden voorzien, is duidelijk.

H e t bezwaar van de kostbaarheid der akte zou bovendien blijven bestaan en nog ernstiger worden daar men, i n s t c d e v a n een reis naar de districts-hoofdplaats, zich in dit stelsel in de meeste gevallen een reis naar de hoofd-plaats der residentie zou moeten getroosten.

Bovendien is het praktisch bezwaar, gelegen in het opdragen aan nieuwe function aan den landraadsvoorzitter groot.

I k meen dan ook dat men nog een stap verder moet gaan en, m e t den toenmaligen praeadviseur, den notaris J . DE B B U I J N M. G., wenschen moet de i n s t e l l i n g v a n e e n a f z o n d c r 1 ij k I n 1 a n d s e h n o t a-r i a a t, in aaa-rd niet vea-rsehillend van het n o t a a-r i a a t ondea-r Eua-ropeanen en met alle rechtsgevolgen, aan het laatste verhouden, dus ook met toeken-ning van volledige authenticiteit aan de akte zooals die door den notaris is verleden en in schrift gehracht.

Daardoor alleen wordt, indien het althans mogelijk voor de bekleeding van zoodanig notariaat bekwame personen te vinden, voldaan aan alle bo-venomschreven desiderata.

Door het bestaande, door Europeesche notarissen uitgeoefend, notariaat wordt aan deze aldus geconstateerde behoefte niet voldaan, gelijk in de practijk bewezen is. Hoezeer de hulp van den Europeeschen notaris evengoed voor I n l a n d e r s als voor Europeanen en vreemde oosterlingen te verkrijgen is, wordt die door I n l a n d e r s slechts dan ingeroepen, wanneer zij voor zeer belangrijke zaken en in het verkeer niet nict-Inlanders een akte willen doen opmaken. H u n eigen, onder I n l a n d e r s alleen gebruike-lijke, akten laten zij niet door den Europeeschen notaris opmaken.

Vele redenen verhinderen hen daarin.

V o o r e e r s t wel voor een groot deel der I n l a n d e r s de afstand die

hen van de standplaats van den notaris scheidt ; ;

t e n t w e e d e de vreesachtigheid van den I n l a n d e r om zich naar h e t kantoor van den, ten zijnen opzichte voornamen, notaris, vooral nog als deze tevens bestuursambtenaar is, te begeven;

t e n d e r d e de moeilijkheid om zuiver I n 1 a n d s e h e belangen aan den E u r o p e e s c h e n notaris duidelijk te maken. Slechts zelden toch is zoodanige notaris met de Inlandsehe maatschappij in die m a t e bekend dat hij de daar speciaal bestaande rechtsverhoudingen, het k a r a k t e r van de door I n l a n d e r s speciaal gesloten wordende contracten b e g r i j p t ;

t e n v i e r d e de onbekendheid veelal voor ,den notaris m e t de spreek-taal der Inlanders. I m m e r s de notaris, van wien alleen bekendheid met de Maleische taal wordt gevorderd, is slechts zelden op de hoogte van de taal die door de I n l a n d e r s in zijn omgeving gesproken wordt. Zelfs in

t e n v i e r d e de onbekendheid veelal voor ,den notaris m e t de spreek-taal der Inlanders. I m m e r s de notaris, van wien alleen bekendheid met de Maleische taal wordt gevorderd, is slechts zelden op de hoogte van de taal die door de I n l a n d e r s in zijn omgeving gesproken wordt. Zelfs in

In document INLANDSCHE BEVOLKING (pagina 90-118)