83 den benoemde voor zich moeten

In document INLANDSCHE BEVOLKING (pagina 61-71)

DE RESIDENTIE MENADO

83 den benoemde voor zich moeten

doen verschijnen.

A^an de voorhouding wordt, gelijk in artikel 14 is bepaald, aanteeke-ning gehouden in het voogdijregis-ter en natuurlijk, indien zo plaats heeft in de vergadering van den fa-milieraad, daarvan melding gemaalct in het van het verhandelde opge-maakt verslag.

Van den voogd wordt enkel een belofte van plichtsvcrvulling ge-eiscbt, niet het afleggen van een eed, gelijk ten aanzien van den door den Baad van Justitie benoemden voogd in artikel 362 B. W. wordt ge-vorderd.

Bij de Europeesche bevolking is niet gebleken dat het zweren van een eed een gunstigen invloed uit-oefent op het vervullen van den voogdenplicht en er is geen reden denkbaar waarom dit bij de Inland-sche anders zou wezen.

Veel meer invloed ten goede kan venvacht worden van een ernstige voorhouding zijner verplichtingen aan den voogd door het districts-hoofd.

AFDEBLING 4.

V a n d e w e r k z a a m h e d e n v a n d e n v o o g d .

ARTIKEL 31.

De uitoefening der voogdij omvat:

a. het onderhoud en de opvoeding van den minderjarige;

Op den voogd rusten dus volko-men dezelfde verplichtingen als vol-gens artikelen 20 en 24 der ordon-nantie op de afstamming enz. op de ouders rusten.

b. liet aanstellen of kiezen van on-derwijzers voor den minderjarige;

c. het kiezen, van een beroep of een ambacht voor den minderjarige;

cl. het vertegenwoordigen van den minderjarige in alle burgerlijke handelingen ;

e. het bestuur der aan den minder-jarige persoonlijk toebehoorende goederen voor zoover niet, ten aanzien van aan den minderjarige vermaakte of geschonken goede-ren, bij akte van aankomst een bepaald persoon met het beheer is belast.

ARTIKEL 32.

(1) De voogd zorgt voor het on-derhoud en de opvoeding van den minderjarige overeenkomstig diens vermogen.

(2) De familie is bevoegd te be-palen over welk gedeelte der inkom-sten van den minderjarige door den voogd te dien einde mag worden be-schikt.

(3) Indien do eigen inkomsten van den minderjarige niet voldoende zijn om in de kosten van zijn onder-houd en opvoeding te voorzien en daarin mede niet kan worden voor-zien volgens het bepaalde in artikel 27 van het reglement op de afstam-ming en de gevolgen van afstamafstam-ming,

55

zijn degenen die, behalve de ouders, volgens het bepaalde in artikel 31 van evengemeld reglement, tot onder-houd van den minderjarige verplicht zijn, gehouden bij te dragen in de kosten van diens opvoeding en on-derhoud.

(4) Bij het vaststellen van het be-drag dier bijbe-dragen worden in acht genomen :

a. de mate van gegoedheid der ge-melde familieleden;

b. de graad waarin zij den minder-jarige bestaan;

c. het voordeel dat de voogd geniet door eventueel door den minder-jarige ten zijnen behoeve verricht wordenden arbeid.

Het kan moeilijk geëischt worden dat de voogd die de zorg voor de persoon van den minderjarige op zich neemt, ook alle daaruit voort-vloeiende kosten zal dragen gelijk ons B. W. blijkbaar onderstelt.

Integendeel past het geheel in de zeden der bevolking van de Mina-hassa dat die kosten door de bloed-verwanten worden gedragen over-eenkomstig de alimentatieplicht in de artikelen 27 en 31 van het af-stammingsreglement aan hen opge-legd.

Zijn van het wettig kind de ouders in leven maar uit de ouderlijke macht ontzet, dan rust die verplich-ting natuurlijk in de eerste plaats en wel ten volle op hen.

Bij gebreke van hen zijn de ande-re bloedverwanten, in artikel 31 der

afstammingsordonnantie genoemd, dus do niet erkend hebbende vader van het buitenechtelijk kind en ver-der de bloedverwanten in de opgaan-de linie en opgaan-de broeopgaan-ders en zusters, tot het onderhoud verplicht, met dien verstande dat die plicht ten aanzien van het buitenechtelijk kind weder ten volle in de eerste plaats rust op den gemelden vader.

Het spreekt van zelf dat die ver-wanten omtrent de voldoening aan die verplichting eene overeenkomst kunnen sluiten. Bij onwil zal na-tuurlijk de voogd hen langs den ge-wonen weg van rechten daartoe kun-nen dwingen.

ARTIKEL 33.

De voogd is verplicht, alvorens voor den minderjarige een beroep of ambacht te kiezen of hem voor zoo-danig beroep of ambacht op te leiden,

de familie te raadplegen.

Aan den voogd mag in dit op-zicht de beslissing blijven. Hij kent toch in den regel karakter en aanleg van den minderjarige het best.

ARTIKEL 34.

Indien tijdens den aanvang eener voogdij een beheerder over het ver-mogen van den minderjarige was aan-gesteld, hetzij krachtens het bepaalde in artikel 20 van het reglement op de afstamming en de gevolgen van af-stamming, hetzij krachtens artikel 3 van dit reglement, neemt de voogd dat beheer van hem over en is die

:57

beheerder gehouden rekening en ver-antwoording van zijn beheer aan den voogd te doen, met uitkeering der onder zijn beheer gestelde goederen.

Dit artikel behoeft geen toelich-ting.

ARTIKEL 35.

Ingeval over goederen, aan den minderjarige bij schenking of making toegevallen, bij de akte van aankomst een bijzondere beheerder is aange-steld, is deze beheerder verplicht, aan het einde van elk kalenderjaar, aan den voogd rekening en verantwoor-ding te doen van het door hem ge-voerde beheer en de vruchten en in-komsten der goederen — na aftrek der goedgekeurde uitgaven — aan den voogd uit te keeren.

Dit artikel stemt overeen met den inhoud van artikel 24 IA d van het afstammingsreglement.

ARTIKEL 36.

De voogd is bij het beheer van het aan den minderjarige toebehoorend vermogen aansprakelijk voor alle schade door zijn slecht beheer en zelfs door zijne nalatigheid daaraan toegebracht.

Dit artikel bedoelt, in andere, voor een Inlander meer begrijpe-lijke, woorden, hetzelfde te bepalen als artikel 385 ls t e lid B. W.

ARTIKEL 37.

(1) De voogd is verplicht in tegen-woordigheid van:

a. het hoofd der negorij, wat

In-landsche burgers betreft den wijk-meester der wijk, binnen welke de

voogdij is opengevallen;

b. den toezienden voogd;

bij notariëele, dan wel bij on-derhandsche akte eene beschrij-ving op te maken van alle den minderjarige toebehoorende roe-rende en onroeroe-rende goederen, alsmede van die waartoe hij mede-gerechtigde is, met zoo nauwkeu-rig mogelijke stuksgewijze be-schrijving der eerstgemelde.

(2) De aan de familie, tot welke de minderjarige behoort, in het on-verdeelde toebehoorende goederen worden in de beschrijving alleen in zooverre vermeld als die in bezit of gebruik waren bij het gezin van het-welk de minderjarige deel uitmaakt.

(3) Voor zoover de minderjarige niet de uitsluitend rechthebbende is op de beschreven goederen, wordt te-vens vermeld in wiens bezit die goe-deren zich bevinden. Is hieromtrent geen opgave gedaan, zoo wordt de voogd vermoed die in bezit te hebben genomen.

(4) Bij het opmaken dezer be-schrijving worden de aanwezige roe-rende goederen met de volgens het voorschrift van artikel 2 opgemaakte voorloopige beschrijving vergeleken.

(5) Vóór het sluiten der beschrij-ving wordt door hen die in het bezit zijn geweest van aan den minderja-rige toebehoorende goederen, alsmede door de huisgenooten van den laat-sten verzorger van den minderjarige,

89

De bepalingen omtrent de boedel-beschrijving zijn ccnigszins uitvoeri-ger clan die voorkomende in artikel 28 B. W. Gedeeltelijk werd dat noodig door de bijzondere omstan-digheden welke in de Inlandsehe maatschappij kunnen worden aan-getroffen; gedeeltelijk komt het mij voor dat de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek ook zelfs na de verbetering die de Staatscommissie in haar ontwerp het artikel liet on-dergaan, onvolledig zijn.

de verklaring afgelegd dat zij niets hebben verzwegen of verduisterd, noch weten dat iets verzwegen of ver-duisterd is.

(6) Van de beschrijving worden twee gelijkluidende exemplaren op-gemaakt, van welke een bij den voogd blijft berusten, terwijl het andere door het negorijhoofd of den wijk-meester ten wiens overstaan de be-schrijving is opgemaakt, wordt toe-gezonden aan het districtshoofd of wat Inlandsche burgers betreft aan het Hoofd van plaatselijk bestuur.

(7) Het districtshoofd en het Hoofd van plaatselijk bestuur zijn bevoegd te vorderen dat de in het vijf-de lid bedoelvijf-de verklaring door hen, die ze hebben afgelegd onder eede, op de wijze hunner godsdienstige gezind-heid wordt bevestigd. Zij kunnen die

personen oproepen ten einde dien eed in hunne handen af te leggen dan wel het afnemen van dien eed opdragen aan het negorijhoofd of den wijk-meester.

Tegenwoordigheid van het nego-rijhoofd wordt noodig geacht om zeker te zijn dat altijd iemand aan-wezig is die in staat is een behoor-lijke beschrijving op te maken.

Wanneer, in het geval bedoeld in artikel 13, geen toeziende voogd is benoemd, zal natuurlijk het dis-tricts- of onderdistrictshoofd tegen-woordig moeten zijn.

Het afleggen van een eed ver-plicht te maken schijnt ook hier onnood ig. Dat echter, voor het ge-val van twijfel aan de juistheid van gedane opgaven, een eed kan worden gevorderd, komt wel nuttig voor.

ARTIKEL 38.

(1) De voogd is verplicht bij de beschrijving opgaaf te doen van het-geen hij van den minderjarige of van diens erflater te vorderen heeft.

(2) Bij gebreke van zoodanige verklaring mag de voogd, zoolang zijne voogdij duurt, geen betaling van die vordering eischen en draagt die vordering geene interest.

(3) Gedurende dat tijdperk wordt echter de verjaring der vordering ge-schorst.

(4) De bepalingen van het tweede en derde lid gelden ook ten aanzien van vorderingen, welke de voogd ge-durende zijne voogdij tegen den min-derjarige verkrijgen mocht.

Dit artikel bepaalt in het ls t c, 2de en 3d e lid met andere woorden het-zelfde als artikel 387 B. W. In het

61 ontwerp der Staatscommissie (arti-kel 418) wordt bepaald dat de vorde-ring bij gebreke van opgaaf wordt vermoed te zijn gekweten. Die straf komt voor te streng te zijn.

De bepaling van het vierde lid ver-vult de plaats van die van artikel 400 2de lid B. W. Naar het mij voorkomt kan het verkrijgen eener vordering tegen den minderjarige moeilijk worden verboden, wel ech-ter het vragen van voldoening daar-van.

ARTIKEL 39.

(1) Wanneer den minderjarige gedurende den loop der voogdij door erfenis, legaat of schenking goede-ren toevallen, is de voogd verplicht daarvan een beschrijving op te maken.

(2) Op die beschrijving zijn de bepalingen van artikel 37 toepasse-lijk.

Dit artikel vereischt geen toelich-ting.

ARTIKEL 40.

De voogd doet zoo spoedig moge-lijk de aan den minderjarige toeko-mende, in openbare registers inge-schreven, zakelijke rechten op onroe-rende goederen alsmede de op naam staande effecten ten name van den minderjarige overschrijven en draagt zorg dat in de Inlandsche grondre-gisters aanteekening wordt gehouden van den overgang op den minderja-rige van in die registers vermelde gronden.

Het eerste deel van dit artikel correspondeert gedeeltelijk met arti-kel 392 B. W., hetwelk hier wordt aangevuld met een gebod tot over-schrijving van onroerende goederen, welk gebod toch niet overbodig kan worden genoemd.

Inland sehe grondregisters (daftar tanah) worden thans reeds min of meer volledig in alle districten aan-gehouden. Al kan uit den aard der zaak aan die registers geen bewijs-kracht worden toegekend, toeh is hot van belang dat de aan den minder-jarige toebehoorende gronden daarin ten zijnen name worden vermeld.

ARTIKEL 41.

Aan den minderjarige toebehoo-rende aan bederf of waardeverminde-ring onderhevige roerende goederen worden, voor zoover die niet voor het onderhoud van don minderjarige noo-dig zijn, door den voogd te gelde gemaakt.

ARTIKEL 42.

(1) De aan den minderjarige toe-behoorende gelden worden door hem op de meest voordeelige wijze belegd.

(2) De wijze van belegging moet vooraf door de familie worden goed-gekeurd.

Deze beide artikelen correspon-deeren met de artikelen 389 en 391 B. W.

Eene bepaalde wijze van geldbe-legging voor te schrijven is niet wel

G3

In document INLANDSCHE BEVOLKING (pagina 61-71)