De Vlaamse arbeidszorgmedewerker in 2018

Hele tekst

(1)

De Vlaamse arbeidszorgmedewerker in 2018

Mei 2020

Data & Analyse, Provincie Oost-Vlaanderen

(2)

INHOUDSTAFEL

INLEIDING ... 4

1. AANTAL ARBEIDSZORGINITIATIEVEN IN HET REGISTRATIESYSTEEM ... 5

2. AANTAL EN PROFIEL VAN DE VLAAMSE ARBEIDSZORGMEDEWERKERS ... 6

2.1. Aantal actieve medewerkers ... 6

2.2. Provincie van vestiging van het arbeidszorginitiatief ... 6

2.3. Provincie van tewerkstelling ... 6

2.4. Sector ... 7

2.5. Geslacht ... 8

2.6. Leeftijd ... 9

2.7. Leefsituatie ... 10

2.8. Hoofdinkomen ... 11

2.9. Hoofdproblematiek ... 13

2.10. Hoogst beëindigde onderwijsniveau ... 15

2.11. Werkverleden ... 16

2.12. Doorverwijzer ... 17

2.13. Gepresteerde uren ... 19

2.14. Vergoeding ... 20

2.15. Subsidies ... 21

3. STOPZETTINGEN ARBEIDSZORG ... 23

3.1. Aantal stopzettingen ... 23

3.2. Duur begeleidingsperiode ... 24

3.3. Reden van stopzetting ... 26

3.4. Perspectief na stopzetting ... 27

3.5. Vergelijking profiel van de medewerkers naargelang hun situatie en perspectief ... 29

3.5.1. Sector ... 30

3.5.2. Geslacht ... 30

3.5.3. Leeftijd ... 31

3.5.4. Leefsituatie ... 32

3.5.5. Hoofdinkomen ... 32

3.5.6. Hoofdproblematiek ... 33

3.5.7. Hoogst beëindigde opleidingsniveau ... 34

(3)

3.5.10. Gepresteerde uren ... 36

3.5.11. Vergoeding ... 37

3.5.12. Subsidies ... 38

4. VERCHILLEN TEN OPZICHTE VAN 2017 ... 39

4.1. Sector ... 39

4.2. Geslacht ... 40

4.3. Gemiddelde leeftijd ... 40

4.4. Leefsituatie ... 40

4.5. (Hoofd)inkomen ... 40

4.6. Hoofdproblematiek ... 41

4.7. Hoogst beëindigde onderwijsniveau ... 42

4.8. Werkverleden ... 42

4.9. Doorverwijzer ... 43

4.10. Gepresteerde uren ... 43

4.11. Vergoeding ... 43

4.12. Subsidies ... 44

4.13. Stopzettingen ... 45

4.14. Reden van stopzetting ... 45

4.15. Perspectief na stopzetting ... 45

5. BELANGRIJKE CONCLUSIES ... 47

(4)

INLEIDING

Sinds 2010 werd er door de Vlaamse provincies in het kader van de Ronde Tafel Arbeidszorg een meetinstrument ontwikkeld dat op een eenvormige manier cijfermateriaal verzamelt over

arbeidszorg in Vlaanderen. Dit Registratiesysteem Arbeidszorg omvatte alle arbeidszorginitiatieven die aangesloten waren bij een provinciaal steunpunt/platform/overleg en registreerde alle

arbeidszorgmedewerkers actief in deze initiatieven.

Sinds 2018 is een nieuw registratiesysteem, aangepast aan de nieuwe wetgeving, ontwikkeld. Dit systeem bevat de momenteel geregistreerde Vlaamse arbeidszorgmedewerkers op trede 3 en 4 van de participatieladder en actief op (of begonnen na) 1 jan 2018.

In dit rapport presenteren we de eerste cijfers uit dit nieuwe registratiesysteem, namelijk deze van de actieve medewerkers in 2018 die in februari 2020 geregistreerd stonden in het

registratiesysteem.

We bekijken eerst het aantal arbeidszorginitiatieven dat opgenomen is in het registratiesysteem.

Vervolgens belichten we het aantal, en het profiel van de arbeidszorgmedewerkers tewerkgesteld in deze Vlaamse arbeidszorginitiatieven. Een derde hoofdstuk bevat de analyse van het aantal

stopzettingen, de duur van de begeleidingsperiode, de reden van stopzetting van arbeidszorg en de perspectieven van de personen die arbeidszorg hebben beëindigd. Dit hoofdstuk bevat ook een vergelijking van het profiel van de nog actieve medewerkers eind 2018 met dat van de stopgezette medewerkers met perspectief op doorstroom naar een hogere trede van de participatieladder (trede 5 en 6) of perspectief naar een lagere (trede 1 of 2) of eenzelfde trede (trede 3 of 4) van de

participatieladder. In een vierde hoofdstuk bekijken we in welke mate de cijfers van 2018 afwijken van de cijfers van 2017. Een strikte vergelijking is hier niet mogelijk, aangezien we met een nieuw registratiesysteem en een gewijzigde manier van registreren zitten. Niet alle arbeidszorginitiatieven hebben zich bovendien geregistreerd in dit nieuwe systeem. We beperken ons daarom tot de vergelijking van de belangrijkste relatieve aandelen. Tot slot geven we in het vijfde hoofdstuk nog enkele belangrijke conclusies uit de analyse weer.

(5)

1. AANTAL ARBEIDSZORGINITIATIEVEN IN HET REGISTRATIESYSTEEM

In het nieuwe registratiesysteem werden voor het jaar 2018 de arbeidszorgmedewerkers van 128 Vlaamse arbeidszorginitiatieven geregistreerd.

Tabel 1 toont het aantal initiatieven per sector. De sector maatwerk en lokale diensteneconomie telt het grootste aantal initiatieven (62 of 48,4% van de initiatieven). De sector geestelijke

gezondheidszorg telt 30 initiatieven (23,4%) en de sector zorg voor personen met een handicap 23 (18%). 7 initiatieven behoren tot de sector OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s en 1 initiatief tot de sector van de integrale jeugdhulpverlening. 5 initiatieven kunnen niet ondergebracht worden in één van bovenstaande sectoren.

Tabel 1

Aantal arbeidszorginitiatieven in het registratiesysteem in Vlaanderen in 2018, per sector

Sector Aantal initiatieven

Geestelijke gezondheidszorg 30

Maatwerk en lokale diensteneconomie 62

Zorg voor personen met een handicap 23

Integrale jeugdhulpverlening 1

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW's 7

Geen erkenning in bovenstaande sectoren 5

Totaal 128

Bron (bij alle tabellen en figuren): Registratiebestand Arbeidszorg, toestand februari 20201 Tabel 2 toont het aantal initiatieven per provincie. Oost-Vlaanderen telt het meeste aantal

initiatieven (30) maar wordt op de voet gevolgd door West-Vlaanderen (29) en Vlaams-Brabant (27) en Limburg (27). Binnen de provincie Antwerpen werden de medewerkers van slechts 15

arbeidszorginitiatieven geregistreerd.

Tabel 2

Aantal arbeidszorginitiatieven in het registratiesysteem in Vlaanderen in 2018, per provincie

Provincie Aantal initiatieven

West-Vlaanderen 29

Oost-Vlaanderen 30

Antwerpen 15

Vlaams-Brabant 27

Limburg 27

Totaal 128

Ter vergelijking: in het ‘oude’ registratiesysteem werden in het jaar 2017 de

arbeidszorgmedewerkers van 171 initiatieven geregistreerd, waaronder 50 van Oost-Vlaanderen en 32 van de provincie Antwerpen (zie rapport: De Vlaamse arbeidszorgmedewerker in beeld: 2010- 2017). De resultaten in dit rapport zijn dus niet meer te vergelijken met de resultaten uit het vorige rapport, aangezien er veel minder organisaties registreren in het nieuwe systeem.

1 We herhalen de bronvermelding niet systematisch bij het vervolg van de tabellen en figuren..

(6)

2. AANTAL EN PROFIEL VAN DE VLAAMSE ARBEIDSZORGMEDEWERKERS 2.1. Aantal actieve medewerkers

Het Registratiesysteem telt 5.804 actieve arbeidszorgmedewerkers in 2018 in Vlaanderen.

Het aantal actieve medewerkers in 2018 is de som van alle medewerkers die in 2018 minstens één dag actief waren. Het gaat dus om alle aanwezige, alle gestarte en alle gestopte medewerkers die binnen 2018 zijn bereikt.

2.2. Provincie van vestiging van het arbeidszorginitiatief

De Oost-Vlaamse arbeidszorginitiatieven tellen het grootste aantal arbeidszorgmedewerkers, namelijk 1.781 medewerkers of 30,7% van het totaal aantal medewerkers in Vlaanderen (zie tabel 3).

De West-Vlaamse initiatieven hebben 1.329 medewerkers, deze in Vlaams-Brabant 1.106, in Limburg 1.077 en in Antwerpen 511.

Tabel 3

Actieve medewerkers in 2018, naar provincie van vestiging van het arbeidszorginitiatief

Provincie Aantal In %

West-Vlaanderen 1.329 22,9

Oost-Vlaanderen 1.781 30,7

Antwerpen 511 8,8

Vlaams-Brabant 1.106 19,1

Limburg 1.077 18,6

Totaal 5.804 100,0

2.3. Provincie van tewerkstelling

31,3% van de arbeidszorgmedewerkers werkt in de provincie Oost-Vlaanderen, 22,8% in West- Vlaanderen, 18,2% in Vlaams-Brabant, 17,6% in Limburg en 9,5% in de provincie Antwerpen. 0,7% in tewerkgesteld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Slechts een klein aandeel arbeidszorgmedewerkers werkt niet in de provincie waar het arbeidszorginitiatief is gevestigd. Zo blijkt dat 99,8% van de medewerkers van de

arbeidszorginitiatieven van Oost-Vlaanderen ook in Oost-Vlaanderen aan het werk is. Idem voor Antwerpen: 99,8% van de medewerkers heeft zijn/haar effectieve tewerkstellingsplaats in de provincie Antwerpen. Van de West-Vlaamse arbeidszorginitiatieven werkt 99% van de medewerkers in West-Vlaanderen en 1% in Oost-Vlaanderen. Van de initiatieven uit Vlaams-Brabant en Limburg werkt een iets groter percentage in een andere provincie. 3,5% van de medewerkers van de Vlaams-

(7)

Tabel 4

Effectieve plaats van tewerkstelling van de actieve arbeidszorgmedewerkers, naar provincie van vestiging van het arbeidszorginitiatief (in %)

Provincie van effectieve tewerkstelling

Provincie van vestiging van het arbeidszorginitiatief Totaal West-

Vlaanderen Oost-

Vlaanderen Antwerpen Vlaams-

Brabant Limburg

Provincie West-Vlaanderen 99,0 0,2 0,0 0,0 0,0 22,8

Provincie Oost-Vlaanderen 1,0 99,8 0,0 1,9 0,0 31,3

Provincie Antwerpen 0,0 0,1 99,8 2,7 1,0 9,5

Provincie Vlaams-Brabant 0,0 0,0 0,0 91,2 4,8 18,2

Provincie Limburg 0,0 0,0 0,2 0,7 94,2 17,6

Brussels Hoofdstedelijk Gewest 0,0 0,0 0,0 3,5 0,0 0,7

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal

arbeidszorgmedewerkers 1.329 1.781 511 1.097 1.074 5.792

Figuur 1 vergelijkt de vestigingsplaats van het arbeidszorginitiatief met de effectieve werkplaats van de medewerkers.

2.4. Sector

De sector geestelijke gezondheidszorg is met 2.025 arbeidszorgmedewerkers, of 34,9% van het totaal, de grootste sector binnen arbeidszorg. De sector maatwerk en lokale diensteneconomie is de tweede grootste sector, met 1.567 medewerkers in 2018 (of 27% van het totaal). Deze sector heeft het grootste aantal initiatieven, zo bleek uit tabel 1. De sector zorg voor personen met een handicap telt 1.178 arbeidszorgmedewerkers (20,3%) en de sector OCMW, CAW of bovenlokaal

samenwerkingsverband OCMW’s begeleidt 950 arbeidszorgmedewerkers (16,4%). Er is ook één initiatief uit de integrale jeugdhulpverlening met 12 arbeidszorgmedewerkers dat zich heeft geregistreerd. Tot slot is er een restsector met 72 medewerkers (zie tabel 5 en figuur 2).

22,9

30,7

8,8

19,1 18,6

22,8

31,3

9,5

18,2 17,6

0,0 0,7 10,0 20,0 30,0 40,0

West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Vlaams-Brabant Limburg Brussels Hoofdstedelijk

Gewest

Figuur 1

Vestigingsplaats van het arbeidszorginitiatief en effectieve plaats van tewerkstelling van de actieve arbeidszorgmedewerkers in 2018 (in %)

Vestiging arbeidszorginitiatief Effectieve plaats van tewerkstelling

(8)

Tabel 5

Sector van tewerkstelling van de arbeidszorgmedewerkers in 2018

Sector Aantal In %

Geestelijke gezondheidszorg 2.025 34,9

Maatwerk en lokale diensteneconomie 1.567 27,0

Zorg voor personen met een handicap 1.178 20,3

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s 950 16,4

Integrale jeugdhulpverlening 12 0,2

Geen erkenning in bovenstaande sectoren 72 1,2

Totaal 5.804 100,0

2.5. Geslacht

In 2018 werkten 3.559 mannen en 2.245 vrouwen in arbeidszorg in Vlaanderen. De mannen zijn dus duidelijk in de meerderheid met een aandeel van 61,3% (figuur 3).

34,9

27,0

20,3

16,4

0,2

1,2

0,0 5,0 10,0 15,0 20,0 25,0 30,0 35,0 40,0 Geestelijke gezondheidszorg

Maatwerk en lokale diensteneconomie

Zorg voor personen met een handicap OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband

OCMWs

Integrale jeugdhulpverlening

Geen erkenning in bovenstaande sectoren

Figuur 2

Sector van tewerkstelling van de arbeidszorgmedewerkers in 2018 (in %)

(9)

Het grootste aandeel vrouwen, namelijk 42,4% vinden we terug in de sector OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s (zie tabel 6).

Tabel 6

Geslacht van de arbeidszorgmedewerkers in 2018, naar sector (in %) Geslacht Geestelijke

gezondheids- zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW’s

Geen erkenning in boven-

staande sectoren

Totaal

Man 60,8 64,5 60,4 91,7 57,6 68,1 61,3

Vrouw 39,2 35,6 39,6 8,3 42,4 31,9 38,7

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal

medewerkers 2.025 1.567 1.178 12 950 72 5.804

2.6. Leeftijd

Tabel 7 toont het aantal arbeidszorgmedewerkers naar leeftijdsklasse van 5 jaar, in absolute cijfers en in aandeel ten opzichte van het totaal. De leeftijdsklasse 50-54 jaar telt het grootste aantal arbeidszorgmedewerkers in 2018, namelijk 808 (of 14,1%). De leeftijdsklasse 45-49 jaar telt 760 medewerkers (of 13,3% van het totaal).

De gemiddelde leeftijd van de arbeidszorgmedewerker bedraagt 41,8 jaar in 2018 maar verschilt per sector. De gemiddelde leeftijd ligt het hoogst in de sector van de geestelijke gezondheidszorg. De medewerkers zijn er gemiddeld 45,2 jaar. In de sector van de integrale jeugdhulpverlening (31,5%) en in de sector zorg voor personen met een handicap (38,6%) ligt de gemiddelde leeftijd het laagst (zie figuur 4).

61,3 38,7

FIguur 3

Geslacht van de arbeidszorgmedewerkers in 2018 (in %)

Man Vrouw

(10)

Tabel 7

Leeftijd van de arbeidszorgmedewerkers in 2018

Leeftijd Aantal In %

18-24 jaar 526 9,2

25-29 jaar 628 11,0

30-34 jaar 629 11,0

35-39 jaar 727 12,7

40-44 jaar 664 11,6

45-49 jaar 760 13,3

50-54 jaar 808 14,1

55-59 jaar 631 11,0

60-64 jaar 272 4,8

65 jaar en ouder 78 1,4

Totaal 5.723 100,0

* Van 81 medewerkers is de leeftijd niet gekend of was de geboortedatum foutief geregistreerd.

2.7. Leefsituatie

In 2018 woont 82,3% van de arbeidszorgmedewerkers in een thuismilieu. 11,5% leeft in een semi- residentiële opvang en 5,9% in een residentiële opvang2 (zie figuur 5 en tabel 8).

45,2 40,9 38,6 31,5

40,1 44,5 41,8

20,0 25,0 30,0 35,0 40,0 45,0 50,0

Geestelijke gezondheidszorg Maatwerk en lokale diensteneconomie Zorg voor personen met een handicap Integrale jeugdhulpverlening OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband

OCMWs

Geen erkenning in bovenstaande sectoren Totaal

Figuur 4

Gemiddelde leeftijd van de arbeidszorgmedewerkers in 2018, naar sector

(11)

Er zijn echter aanzienlijke verschillen tussen de sectoren. Het aandeel arbeidszorgmedewerkers dat in een thuismilieu woont, is in 2018 het grootst in de sectoren OCMW, CAW of bovenlokaal

samenwerkingsverband OCMW’s (95,1%) en maatwerk en lokale diensteneconomie (92,9%), en het laagst in de sector integrale jeugdhulpverlening (41,7%) en geestelijke gezondheidszorg (71,9%). Het aandeel arbeidszorgmedewerkers in een semi-residentiële opvang ligt het hoogst in de integrale jeugdhulpverlening (41,7%) en de sector geestelijke gezondheidszorg (20,1%). Het aandeel medewerkers in een residentiële opvang is het hoogst in de sector integrale jeugdhulpverlening (16,7%) en de zorg voor personen met een handicap (13,2%).

Tabel 8

Leefsituatie van de arbeidszorgmedewerkers in 2018 (in %)

Leefsituatie Geestelijke

gezondheids- zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW’s

Geen erkenning in boven- staande sectoren

Totaal

Thuismilieu 71,9 92,9 75,4 41,7 95,1 94,4 82,3

Semi-residentiële opvang 20,1 5,4 11,3 41,7 4,0 4,2 11,5

Residentiële opvang 7,9 1,2 13,2 16,7 0,8 1,4 5,9

Andere 0,2 0,6 0,1 0,0 0,1 0,0 0,2

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal medewerkers 2.025 1.567 1.178 12 950 72 5.804

2.8. Hoofdinkomen

Een werkloosheidsuitkering (RVA) en een ziekte-uitkering zijn de twee meest voorkomende vormen van hoofdinkomen voor de arbeidszorgmedewerkers. 29,8% van de actieve arbeidszorgmedewerkers in 2018 ontving een werkloosheidsuitkering en 27,5% een ziekte-uitkering. 19,8% van de

medewerkers kreeg een inkomensvervangende tegemoetkoming en 18,1% een leefloon. 2,9% van de arbeidszorgmedewerkers ontvangt geen inkomen (figuur 6).

82,3

11,5

5,9

0,2

0,0 10,0 20,0 30,0 40,0 50,0 60,0 70,0 80,0 90,0

Thuismilieu

Semi-residentiële opvang

Residentiële opvang

Andere

Figuur 5

Leefsituatie van de arbeidszorgmedewerkers in 2018 (in %)

(12)

Er zijn duidelijke verschillen tussen de sectoren vast te stellen. In de sector van de geestelijke gezondheidszorg kreeg 53,1% van de arbeidszorgmedewerkers in 2018 een ziekte-uitkering tegenover slechts 6,7% van de medewerkers in de sectorOCMW, CAW of bovenlokaal

samenwerkingsverband OCMW’s en 13,8% van de medewerkers in de sector zorg voor personen met een handicap.

In de sector maatwerk en lokale diensteneconomie ontving 62,2% van de medewerkers in 2018 een werkloosheidsuitkering tegenover slechts 10% van de medewerkers in de sector OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s en 20,7% van de medewerkers in de sector van de geestelijke gezondheidszorg.

In de sector zorg voor personen met een handicap is de inkomensvervangende tegemoetkoming de meest voorkomende vorm van hoofdinkomen, namelijk voor 60,4% van de medewerkers.

In de sectorOCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s ontving 80,4% van de arbeidszorgmedewerkers in 2018 een leefloon (tabel 9).

29,8 27,5 19,8

18,1 2,9

1,7 0,1 0,1

0,0 5,0 10,0 15,0 20,0 25,0 30,0 35,0

Werkloosheidsuitkering (RVA) Ziekte-uitkering Inkomensvervangende tegemoetkoming Leefloon Geen Pensioen Stelsel van Werkloosheid met bedrijfsToeslag SWT (het…

Uitkering na arbeidsongeval

Figuur 6

Hoofdinkomen van de arbeidszorgmedewerkers in 2018 (in %)

(13)

Tabel 9

Hoofdinkomen van de arbeidszorgmedewerkers in 2018, naar sector (in %)

Hoofdinkomen Geestelijke

gezondheids- zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW’s

Geen erkenning in boven- staande sectoren

Totaal

Werkloosheidsuitkering (RVA) 20,7 62,2 18,3 25,0 10,0 33,3 29,8

Ziekte-uitkering 53,1 17,3 13,8 25,0 6,7 27,8 27,5

Inkomensvervangende

tegemoetkoming 15,0 6,6 60,4 33,3 2,1 5,6 19,8

Leefloon 5,3 9,4 1,4 8,3 80,4 22,2 18,1

Geen 2,1 4,0 4,7 8,3 0,5 4,2 2,9

Pensioen 3,5 0,3 1,2 0,0 0,2 5,6 1,7

Stelsel van Werkloosheid met bedrijfsToeslag SWT (het vroegere brugpensioen)

0,3 0,1 0,2 0,0 0,0 0,0 0,1

Uitkering na arbeidsongeval 0,1 0,1 0,1 0,0 0,0 1,4 0,1

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal

arbeidszorgmedewerkers 2.025 1.567 1.178 12 950 72 5.804

2.9. Hoofdproblematiek

De meeste van de cliënten binnen arbeidszorg hebben een multiproblematiek. Binnen de registratie wordt echter enkel de hoofdproblematiek aangeduid, dit is de problematiek die de cliënt het meest kenmerkt.

43,5% van de cliënten in arbeidszorg wordt er begeleid omwille van een problematiek van

psychische/psychiatrische aard. De tweede grootste groep (19,4% van de medewerkers) heeft een verstandelijke problematiek.

Andere problematieken zijn van medische (8,2%), van fysiek/sensorische (6,8%) of sociale aard (5,4%

van de medewerkers). 5,1% van de arbeidszorgmedewerkers heeft een ontwikkelingsstoornis (autismespectrumstoornis, ADHD, …) (figuur 7).

In de sector geestelijke gezondheidszorg kampt 77,4% van de arbeidszorgmedewerkers met een psychische/psychiatrische problematiek. Binnen de sector maatwerk en lokale diensteneconomie is dat 33,8% en binnen de sector OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s 25,9%.

In de sector zorg voor personen met een handicap is de hoofdproblematiek voor 56,6% van de medewerkers van verstandelijke aard (tabel 10).

(14)

Tabel 10

Hoofdproblematiek van de arbeidszorgmedewerkers in 2018, naar sector (in %)

Hoofdproblematiek Geestelijke gezondheids-

zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW’s

Geen erkenning in boven- staande sectoren

Totaal

Psychisch/psychiatrisch 77,4 33,8 13,3 41,7 25,9 25,0 43,5

Verstandelijk 5,8 19,2 56,6 50,0 3,5 5,6 19,4

Medisch 3,0 12,6 2,0 0,0 20,0 1,4 8,2

Fysiek/sensorisch 3,6 12,9 5,7 0,0 4,7 11,1 6,8

Sociaal 1,4 5,4 2,6 0,0 17,6 4,2 5,4

Ontwikkelingsstoornis (autismespectrum stoornis, ADHD, e.a.)

1,9 5,7 13,8 0,0 0,3 4,2 5,1

Langdurige inactiviteit 2,8 6,1 1,9 0,0 3,9 4,2 3,7

Niet aangeboren

hersenletsel (NAH) 1,5 0,8 2,9 8,3 0,1 4,2 1,4

Justitieel 0,8 0,9 0,4 0,0 2,0 1,4 1,0

Andere 1,8 2,6 0,8 0,0 10,1 38,9 3,6

Problematiek niet

geregistreerd 0,0 0,0 0,0 0,0 11,9 0,0 2,0

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal medewerkers 2.025 1.567 1.178 12 950 72 5.804

43,5 19,4

8,2 6,8 5,4 5,1 3,7 1,4 1,0

3,6 2,0

0,0 5,0 10,0 15,0 20,0 25,0 30,0 35,0 40,0 45,0 50,0 Psychisch/psychiatrisch

Verstandelijk Medisch Fysiek/sensorisch Sociaal Ontwikkelingsstoornis (autismespectrum stoornis,…

Langdurige inactiviteit Niet aangeboren hersenletsel (NAH) Justitieel Andere Problematiek niet geregistreerd

Figuur 7

Hoofdproblematiek van de arbeidszorgmedewerkers in 2018 (in %)

(15)

2.10. Hoogst beëindigde onderwijsniveau

Voor 13,7% van de arbeidszorgmedewerkers is basisonderwijs het hoogst behaalde onderwijsniveau.

20,3% heeft lager secundair onderwijs voltooid en 30,2% heeft BuSO beëindigd. 29% heeft hoger secundair onderwijs beëindigd en 4,3% van de medewerkers heeft een diploma hoger onderwijs (figuur 8).

Ter info geven we hier ook het opleidingsniveau van de volledige Vlaamse bevolking tussen 20 en 64 jaar mee: 18,1% is kortgeschoold (max. tweede graad secundair), 41,8% middengeschoold (diploma hoger secundair onderwijs) en 40% heeft een diploma hoger onderwijs3. Het opleidingsniveau van de gemiddelde arbeidszorgmedewerker ligt dus veel lager dan van de gemiddelde Vlaamse bevolking.

Vergelijken we het onderwijsniveau van de arbeidszorgmedewerkers tussen de verschillende

sectoren, dan stellen we vast dat het opleidingsniveau globaal beschouwd het hoogst ligt in de sector van de geestelijke gezondheidszorg: 38% van de medewerkers heeft een diploma hoger secundair onderwijs en 6,8% heeft een diploma hoger onderwijs behaald (zie tabel 11).

3 Bron: Statbel, Enquête naar de arbeidskrachten 2018.

13,7

20,3

30,2

29,0

0,5

4,3

2,0

0,0 5,0 10,0 15,0 20,0 25,0 30,0 35,0

Basisonderwijs

Lager secundair onderwijs (algemeen, technisch, beroeps of kunst)

BUSO (buitengewoon secundair onderwijs)

Hoger secundair onderwijs (algemeen, technisch, beroeps of kunst)

Volwassenenonderwijs

Hoger onderwijs (hogeschool of universiteit)

Diploma behaald in het buitenland

Figuur 8

Hoogst beëindigde onderwijsniveau van de arbeidszorgmedewerkers in 2018 (in %)

(16)

Tabel 11

Hoogst beëindigde onderwijsniveau van de arbeidszorgmedewerkers in 2018, naar sector (in %)

Onderwijsniveau Geestelijke gezondheids-

zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW’s *

Geen erkenning in boven- staande sectoren

Totaal

Basisonderwijs 12,9 20,1 6,4 33,3 14,7 8,3 13,7

Lager secundair onderwijs (algemeen, technisch, beroeps of kunst)

24,4 20,9 8,2 16,7 39,0 18,1 20,3

Hoger secundair onderwijs (algemeen, technisch, beroeps of kunst)

38,0 26,0 17,0 25,0 31,6 30,6 29,0

BUSO (buitengewoon

secundair onderwijs) 15,4 26,9 64,8 25,0 10,7 26,4 30,2

Volwassenenonderwijs 0,5 0,7 0,3 0,0 0,7 0,0 0,5

Hoger onderwijs (hogeschool of universiteit)

6,8 2,5 3,1 0,0 2,6 0,0 4,3

Diploma behaald in het

buitenland 1,9 2,9 0,3 0,0 0,7 16,7 2,0

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal medewerkers 2.025 1.567 1.178 12 272 72 5.126

*Omdat één OCMW geen gegevens over het onderwijsniveau heeft geregistreerd, hebben we slechts informatie van 272 van de 950 arbeidszorgmedewerkers in deze sector.

2.11. Werkverleden

Iets meer dan de helft van de medewerkers heeft ooit in het regulier economisch circuit gewerkt:

45,5% heeft enkel in het reguliere circuit gewerkt en 6,4% zowel in het reguliere als in het beschermd circuit (maatwerkbedrijf, Tijdelijke WerkErvaring, wijkwerken, Lokale DienstenEconomie). 12,7%

heeft enkel in het beschermd circuit gewerkt.

35,5% van de actieve arbeidszorgmedewerkers in 2018 heeft nog niet in het bezoldigd circuit gewerkt (figuur 9).

Vooral in de sector zorg voor personen met een handicap zijn er veel arbeidszorgmedewerkers die nog geen bezoldigde arbeid hebben verricht (67,5%). Daarentegen is in de sector geestelijke

gezondheidszorg het aandeel medewerkers met een werkverleden in het regulier economisch circuit groot (66,2%). Het aandeel medewerkers met een werkverleden in het beschermd circuit is het grootst binnen de integrale jeugdhulpverlening (58,4%, maar heel kleine sector) en binnen de sector maatwerk en lokale diensteneconomie (25,6%) (zie tabel 12).

(17)

Tabel 12

De mate waarin de medewerkers actief in 2018 ooit gewerkt hebben in het bezoldigde circuit, naar sector (in %)

Ooit gewerkt in het

bezoldigd circuit? Geestelijke gezondheids-

zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW's

Geen erkenning in boven-

staande sectoren

Totaal

Ja, in het reguliere circuit 59,6 45,7 18,5 16,7 52,2 65,3 45,5

Ja, in het beschermd

circuit 11,3 16,0 11,7 41,7 7,7 9,7 12,7

Ja, in het reguliere circuit én in het beschermd circuit

6,6 9,6 2,3 16,7 4,0 8,3 6,4

Nee 22,6 28,8 67,5 25,0 36,0 16,7 35,5

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal medewerkers 2.025 1.567 1.178 12 272 72 5.126

*Omdat één OCMW geen gegevens over het werkverleden heeft geregistreerd, hebben we slechts informatie van 272 van de 950 arbeidszorgmedewerkers in deze sector.

2.12. Doorverwijzer

Arbeidszorgmedewerkers kunnen via verschillende kanalen in contact komen met arbeidszorg. In het registratiesysteem wordt dan ook gevraagd naar de instantie of persoon die het belangrijkst was

45,5

12,7

6,4

35,5

0,0 5,0 10,0 15,0 20,0 25,0 30,0 35,0 40,0 45,0 50,0

Ja, in het reguliere circuit

Ja, in het beschermd circuit (maatwerkbedrijf, Tijdelijke WerkErvaring, wijkwerken, Lokale DienstenEconomie)

Ja, in het reguliere circuit én in het beschermd circuit (maatwerkbedrijf, Tijdelijke WerkErvaring, wijkwerken,

Lokale

Nee

Figuur 9

De mate waarin de medewerkers actief in 2018 ooit gewerkt hebben in het bezoldigde circuit (in %)

(18)

voor de doorverwijzing naar arbeidszorg.

Een arbeidsgerichte organisatie (GTB, VDAB, vakbond, …) blijkt de belangrijkste doorverwijzer te zijn voor de arbeidszorgmedewerkers. Van de actieve arbeidszorgmedewerkers in 2018 werd ongeveer een derde doorverwezen door een arbeidsgerichte organisatie.

De geestelijke gezondheidszorg is de tweede meest voorkomende doorverwijzer, namelijk voor 23,5% van de medewerkers. Op plaats drie staat het maatschappelijk werk (CAW, OCMW, …) (18,8%) en op plaats vier de zorg voor personen met een handicap (9,8%) (figuur 10).

Er zijn opnieuw heel wat verschillen vast te stellen binnen de sectoren. Binnen de sector maatwerk en lokale diensteneconomie is een arbeidsgerichte organisatie de doorverwijzer voor 76,1% van de arbeidszorgmedewerkers. De geestelijke gezondheidszorg is binnen de sector van de geestelijke gezondheidszorg de doorverwijzer voor 58,1% van de medewerkers. In de sector zorg voor personen met een handicap is de zorg voor personen met een handicap de belangrijkste doorverwijzer, namelijk voor 40,5% van de medewerkers. In de sector OCMW, CAW en bovenlokaal

samenwerkingsverband OCMW’s wordt 82,2% van de medewerkers doorverwezen door het maatschappelijk werk (zie tabel 13).

33,6 23,5

18,8 9,8

5,8 4,1 1,6 1,3 1,0 0,5 0,1

0,0 5,0 10,0 15,0 20,0 25,0 30,0 35,0 40,0 Arbeidsgerichte organisatie (GTB, VDAB, vakbond, …)

Geestelijke gezondheidszorg Maatschappelijk werk (CAW, OCMW, …) Zorg voor personen met een handicap Betrokkene zelf Sociale omgeving Ander arbeidszorginitiatief Opleidingscentrum Thuiszorg Maatwerkbedrijf Geïntegreerd breed onthaal

Figuur 10

De belangrijkste doorverwijzer voor de actieve arbeidszorgmedewerkers in 2018 (in %)

(19)

Tabel 13

De belangrijkste doorverwijzer voor de actieve arbeidszorgmedewerkers in 2018, naar sector (in %)

Doorverwijzer Geestelijke

gezondheids- zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW’s

Geen erkenning in boven-

staande sectoren

Totaal

Arbeidsgerichte organisatie

(GTB, VDAB, vakbond, …) 21,1 76,1 16,9 8,3 10,0 47,2 33,6

Geestelijke gezondheidszorg 58,1 3,5 6,3 41,7 5,1 8,3 23,5

Maatschappelijk werk (CAW,

OCMW, …) 4,2 7,7 6,9 0,0 82,2 31,9 18,8

Zorg voor personen met een

handicap 2,4 1,9 40,5 16,7 1,0 2,8 9,8

Betrokkene zelf 7,3 6,2 6,8 25,0 1,2 1,4 5,8

Sociale omgeving 2,4 1,4 13,7 0,0 0,2 4,2 4,1

Ander arbeidszorginitiatief 1,5 1,3 3,2 8,3 0,1 0,0 1,6

Opleidingscentrum 0,4 0,6 4,2 0,0 0,3 2,8 1,3

Thuiszorg 1,7 0,3 1,4 0,0 0,0 1,4 1,0

Maatwerkbedrijf 0,6 0,9 0,3 0,0 0,0 0,0 0,5

Geïntegreerd breed onthaal 0,3 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,1

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal

arbeidszorgmedewerkers 2.025 1.567 1.178 12 950 72 5.804

2.13. Gepresteerde uren

In 2018 presteerden de arbeidszorgmedewerkers gemiddeld 13,4 uren per week in arbeidszorg.

In de sector maatwerk en lokale diensteneconomie worden gemiddeld het meeste aantal uren gepresteerd. In 2018 presteerden de arbeidszorgmedewerkers in deze sector gemiddeld 17,9 uren per week. In de sector van de integrale jeugdhulpverlening ligt het gemiddelde op 17,1 uren per week. In de sectoren zorg voor personen met een handicap (9,9 uren per week) en geestelijke gezondheidszorg (11 uren per week) worden gemiddeld het minste uren per week gepresteerd (tabel 14).

Tabel 14

Gemiddeld aantal gepresteerde uren per week van een arbeidszorgmedewerker in 2018, naar sector

Sector Gemiddeld aantal

uren per week

Geestelijke gezondheidszorg 11,0

Maatwerk en lokale diensteneconomie 17,9

Zorg voor personen met een handicap 9,9

Integrale jeugdhulpverlening 17,1

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s

15,4

Geen erkenning in bovenstaande sectoren 13,9

Totaal 13,4

(20)

2.14. Vergoeding

48% van de arbeidszorgmedewerkers krijgt geen vergoeding voor de prestaties in arbeidszorg. 26,8%

krijgt een motivatiepremie, 18,3% een onkostenvergoeding en 6,9% krijgt een vergoeding in natura (figuur 11).

Er zijn duidelijke verschillen tussen de sectoren. Terwijl in de sector OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s bijna drie op de vier arbeidszorgmedewerkers een motivatiepremie geniet, is er voor 80% van de medewerkers binnen de sector geestelijke gezondheidszorg geen vergoeding. Ook 65% van de cliënten in de sector zorg voor personen met een handicap krijgt geen vergoeding. In de sector maatwerk en lokale diensteneconomie ontvang bijna de helft een

onkostenvergoeding en 26,7% een motivatiepremie (tabel 15).

Tabel 15

De mate waarin de actieve arbeidszorgmedewerkers in 2018 een vergoeding krijgen van het arbeidszorginitiatief, naar sector (in %)

Vergoeding? Geestelijke

gezondheids- zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp- verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW’s

Geen erkenning in boven- staande sectoren

Totaal

Nee 80,2 17,1 65,0 50,0 11,0 25,0 48,0

Ja, motivatiepremie 8,7 26,7 18,3 0,0 73,6 65,3 26,8

Ja, onkostenvergoeding 4,2 48,5 8,9 0,0 11,0 6,9 18,3

Ja, in natura 7,0 7,7 7,7 50,0 4,5 2,8 6,9

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal medewerkers 2.025 1.567 1.178 12 950 72 5.804

48,0

26,8

18,3

6,9

0,0 10,0 20,0 30,0 40,0 50,0 60,0

Nee

Ja, motivatiepremie

Ja, onkostenvergoeding

Ja, in natura

Figuur 11

De mate waarin de actieve arbeidszorgmedewerkers in 2018 een vergoeding krijgen van het arbeidszorginitiatief

(in %)

(21)

2.15. Subsidies

21,6% van de arbeidszorgmedewerkers wordt begeleid zonder dat daar een vorm van subsidie tegenover staat. Voor 78,4% van de arbeidszorgmedewerkers ontvangt het arbeidszorginitiatief dus wel een subsidie.

Het decreet werk en zorgtrajecten ArbeidsMatige Activiteiten (AMA)is in 2018 de belangrijkste vorm van financiering (bekeken op vlak van aandeel medewerkers, niet op vlak van hoogte van de subsidies). De arbeidszorginitiatieven ontvangen deze subsidie voor 24% van de

arbeidszorgmedewerkers. Daarnaast is er ook nog een combinatie van AMA en lokale of regionale besturen voor 3,9% van de medewerkers en een combinatie van AMA en rechtstreeks toegankelijke hulp voor 0,3% van de medewerkers. Andere vormen van subsidie zijn het meerbanenplan

arbeidszorg (15,9%), de Cliënt Rechtstreeks Toegankelijke Hulp of PersoonsVolgend Budget (15,4%) en het decreet sociale werkplaatsen (10%) (figuur 12).

De sectoren zorg voor personen met een handicap en maatwerk en lokale diensteneconomie tellen procentueel gezien het meeste aantal arbeidszorgmedewerkers waarvoor men een subsidie ontvangt (respectievelijk 95,8% en 94,1%). In de sector zorg voor personen met een handicap krijgt men voor 71,2% van de medewerkers een subsidie via de Cliënt Rechtstreeks Toegankelijke Hulp of

Persoonsvolgend Budget, voor 12,6% via het decreet Werk- en Zorgtrajecten Arbeidsmatige Activiteiten en voor 7,5% via het meerbanenplan arbeidszorg.

24,0 15,9

15,4 10,0

7,9 3,9 1,0 0,3 0,1

21,6

0,0 5,0 10,0 15,0 20,0 25,0 30,0

Ja, decreet werk en zorgtrajecten ArbeidsMatige Activiteiten (AMA)

Ja, het meerbanenplan arbeidszorg Cliënt Rechtstreeks Toegankelijke Hulp of

PersoonsVolgend Budget Ja, het decreet sociale werkplaatsen

Ja, de lokale of regionale besturen Ja, de lokale of regionale besturen EN ArbeidsMatige

Activiteiten (AMA)

Ja, activerende arbeidszorg Ja, Rechtstreeks Toegankelijke Hulp (RTH) EN

ArbeidsMatige Activiteiten (AMA) Ja, de lokale of regionale besturen EN activerende

arbeidszorg

Nee

Figuur 12

De subsidies die de Vlaamse arbeidszorginitiatieven ontvangen voor de begeleiding van hun arbeidszorgmedewerkers in 2018

(in %)

(22)

In de sector maatwerk en lokale diensteneconomie ontvangen de organisaties voor 35,4% van de medewerkers een subsidie via het decreet sociale werkplaatsen en voor 35,3% van de cliënten via het meerbanenplan arbeidszorg.

In de geestelijke gezondheidszorg ontvangen de initiatieven voor 29,7% van de

arbeidszorgmedewerkers geen enkele vorm van subsidie. Voor 41,9% van de medewerkers ontvangt de sector een subsidie via het decreet Werk- en Zorgtrajecten ArbeidsMatige Activiteiten en voor 9,2% via zowel de lokale of regionale besturen én ArbeidsMatige Activiteiten (AMA).

Binnen de sector OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband ontvangen de initiatieven slechts voor de helft van hun arbeidszorgmedewerkers een subsidie. De meest voorkomende subsidie is het decreet Werk- en Zorgtrajecten Arbeidsmatige Activiteiten (AMA).

Tabel 16

De subsidies die de Vlaamse arbeidszorginitiatieven ontvangen voor de begeleiding van hun arbeidszorgmedewerkers in 2018, naar sector (in %)

Ontvangt de organisatie een subsidie voor de begeleiding van de medewerker?

Geestelijke gezondheids-

zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW’s

Geen erkenning in boven- staande sectoren

Totaal

Ja, decreet Werk- en Zorgtrajecten ArbeidsMatige Activiteiten (AMA)

41,9 8,3 12,6 0,0 25,0 40,3 24,0

Ja, het meerbanenplan

arbeidszorg 9,3 35,3 7,5 0,0 9,2 5,6 15,9

Cliënt Rechtstreeks Toegankelijke Hulp of PersoonsVolgend Budget

2,4 0,4 71,2 0,0 0,0 0,0 15,4

Ja, het decreet sociale

werkplaatsen 1,0 35,4 0,4 0,0 0,0 0,0 10,0

Ja, de lokale of regionale

besturen 6,2 10,3 1,6 0,0 15,3 15,3 7,9

Ja, de lokale of regionale besturen EN ArbeidsMatige Activiteiten (AMA)

9,2 1,1 0,9 0,0 0,0 16,7 3,9

Ja, activerende arbeidszorg 0,1 3,3 0,4 0,0 0,0 1,4 1,0

Ja, Rechtstreeks Toegankelijke Hulp (RTH) EN ArbeidsMatige Activiteiten (AMA)

0,2 0,0 1,1 0,0 0,0 0,0 0,3

Ja, de lokale of regionale besturen EN activerende arbeidszorg

0,1 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,1

Nee 29,7 5,9 4,2 100,0 50,6 20,8 21,6

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal

arbeidszorgmedewerkers 2.025 1.567 1.178 12 950 72 5.804

(23)

3. STOPZETTINGEN ARBEIDSZORG

Sommige arbeidszorgmedewerkers hebben hun tewerkstelling in arbeidszorg in de loop van 2018 stopgezet. Dit kan verschillende redenen hebben. Zo kan de arbeidszorgmedewerker een perspectief hebben op doorstroom naar een hogere trede op de participatieladder. Andere, minder positieve redenen waarom de arbeidszorg kan stopgezet worden, zijn herval ziekte of problematiek, onvoldoende motivatie, de vaststelling dat arbeidszorg niet haalbaar is … In dit deel bekijken we eerst de evolutie van het aantal stopzettingen, om daarna stil te staan bij de duur van de begeleidingsperiode, de redenen van stopzetting en het perspectief.

3.1. Aantal stopzettingen

Van de 5.804 arbeidszorgmedewerkers die in 2018 actief waren, hebben er 1.475 hun tewerkstelling stopgezet in de loop van het jaar. Dit is een aandeel van 25,4%.

Het grootste percentage stopzettingen treffen we aan in de sector OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s, waar 47,4% van de arbeidszorgmedewerkers hun tewerkstelling heeft stopgezet in 2018. In de sector maatwerk en lokale diensteneconomie zijn er 32,1%

stopzettingen. Het laagste percentage stopzettingen treffen we aan in de sector zorg voor personen met een handicap (4,2%) (tabel 17 en figuur 13).

Tabel 17

Aantal arbeidszorgmedewerkers, naar mate waarin ze al dan niet nog actief zijn op het einde van 2018, naar sector

Sector Aantal actieve

arbeidszorgmedewerkers in 2018

Aantal stopgezet in de loop van 2018

Aantal nog actief op het einde van 2018

Aandeel stopgezet (in %)

Geestelijke gezondheidszorg 2.025 453 1.572 22,4

Maatwerk en lokale diensteneconomie

1.567 503 1.064 32,1

Zorg voor personen met een handicap 1.178 50 1.128 4,2

Integrale jeugdhulpverlening 12 2 10 16,7

OCMW, CAW of bovenlokaal

samenwerkingsverband OCMW's 950 450 500 47,4

Geen erkenning in bovenstaande

sectoren 72 17 55 23,6

Totaal 5.804 1.475 4.329 25,4

(24)

3.2. Duur begeleidingsperiode

Arbeidszorgmedewerkers van wie de begeleiding in de loop van 2018 is stopgezet, waren gemiddeld 559 dagen, of circa anderhalf jaar in begeleiding. De gemiddelde begeleidingsperiode varieert echter sterk naargelang de sector en is het kortst in de sector OCMW, CAW of bovenlokaal

samenwerkingsverband OCMW's (circa 10 maanden) en het langst in de sector zorg voor personen met een handicap (circa 42 maanden). In de geestelijke gezondheidszorg bedroeg de gemiddelde begeleidingsduur van de medewerkers ongeveer 24 maanden, in de sector maatwerk en lokale diensteneconomie 18 maanden en in de integrale jeugdhulpverlening 14 maanden (zie tabel 18).

Tabel 19 toont de verschillen in begeleidingsduur binnen de sectoren. Zo ligt de gemiddelde

begeleidingsduur in de sector geestelijke gezondheidszorg op 24 maanden, maar stellen we ook vast dat 6,4% van de arbeidszorgmedewerkers wiens begeleiding is stopgezet minder dan 6 maand in begeleiding was en 9,5% langer dan 5 jaar. Gemiddelden zeggen dus niet alles.

Tabel 18 en tabel 20 geven ons ook een idee van de duur van de begeleidingsperiode van de

medewerkers die eind 2018 nog actief waren. De duur werd berekend op toestand 31/12/2018. We zien dat deze medewerkers eind 2018 gemiddeld reeds 1.453 dagen of circa 48 maanden (4 jaar) in begeleiding waren. Ook hier merken we grote verschillen tussen de sectoren. Gemiddeld zijn de medewerkers in de sector zorg voor personen met een handicap al 70 maanden in begeleiding en in de sector geestelijke gezondheidszorg al circa 44 maanden. In de sector maatwerk en lokale

diensteneconomie is men gemiddeld reeds 37 maanden actief en in de sectoren integrale

jeugdhulpverlening en OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s gemiddeld 32 maanden.

Tabel 20 laat ons ook zien in welke sectoren er relatief de grootste instroom van nieuwe medewerkers is.

22,4

32,1 4,2

16,7

47,4 23,6

25,4

0,0 5,0 10,0 15,0 20,0 25,0 30,0 35,0 40,0 45,0 50,0 Geestelijke gezondheidszorg

Maatwerk en lokale diensteneconomie Zorg voor personen met een handicap Integrale jeugdhulpverlening OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband

OCMW's

Geen erkenning in bovenstaande sectoren Totaal

Figuur 13

Percentage stopzettingen in 2018, naar sector

(25)

Tabel 18

Gemiddelde duur van de begeleidingsperiode van arbeidszorgmedewerkers waarbij begeleiding is stopgezet in 2018 en van medewerkers die nog actief waren eind 2018, naar sector

Sector Gemiddelde duur

begeleidingsperiode van arbeidszorgmedewerkers waarbij begeleiding is stopgezet

in 2018

Gemiddelde duur begeleidingsperiode op

31/12/2018 van arbeidszorgmedewerkers die

nog actief waren eind 2018

In dagen In maanden In dagen In maanden

Geestelijke gezondheidszorg 726 24 1.340 44

Maatwerk en lokale diensteneconomie 559 18 1.139 37

Zorg voor personen met een handicap 1.280 42 2.138 70

Integrale jeugdhulpverlening 422 14 970 32

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW's

311 10 981 32

Geen erkenning in bovenstaande sectoren 518 17 1.049 34

Totaal 559 18 1.453 48

Tabel 19

De duur van de begeleidingsperiode van arbeidszorgmedewerkers wiens begeleiding is stopgezet in 2018, naar sector (in %)

Duur begeleiding Geestelijke gezondheids-

zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW's

Geen erkenning in boven-

staande sectoren

Totaal

Minder dan 1 maand 6,4 9,2 2,0 0,0 11,8 11,8 8,9

1 à 6 maanden 24,9 32,0 16,0 0,0 49,8 29,4 34,6

6 maanden tot een jaar 21,2 20,1 16,0 0,0 17,3 23,5 19,5

1 tot 2 jaar 20,3 17,5 16,0 100,0 8,9 23,5 15,9

2 tot 5 jaar 17,7 13,7 28,0 0,0 9,6 5,9 14,0

Langer dan 5 jaar 9,5 7,6 22,0 0,0 2,7 5,9 7,1

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal medewerkers 453 503 50 2 450 17 1.475

Tabel 20

De periode waarin de nog actieve arbeidszorgmedewerkers reeds in begeleiding zijn op 31 december 2018, naar sector (in %)

Duur begeleiding Geestelijke gezondheids-

zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW's

Geen erkenning in boven-

staande sectoren

Totaal

Minder dan 1 maand 2,3 2,8 1,4 0,0 3,8 0,0 2,3

1 à 6 maanden 13,4 20,2 7,6 30,0 20,0 16,4 14,4

6 maanden tot een jaar 19,9 16,5 7,7 10,0 25,6 14,6 16,4

1 tot 2 jaar 17,6 16,1 13,2 10,0 13,8 18,2 15,6

2 tot 5 jaar 22,3 22,8 24,5 40,0 21,2 36,4 23,1

Langer dan 5 jaar 24,7 21,6 45,6 10,0 15,6 14,6 28,1

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal medewerkers 1.566 1.062 1.125 10 500 55 4.318

(26)

3.3. Reden van stopzetting

De meest voorkomende reden voor de stopzetting van een arbeidszorgactiviteit is het niet haalbaar zijn van arbeidszorg. Deze reden geldt voor ongeveer een kwart van de stopzetters. De mogelijkheid tot doorstroom is de tweede belangrijkste reden van stopzetting arbeidszorg. Deze reden werd opgegeven voor 22,1% van de arbeidszorgmedewerkers die hun activiteit in 2018 hebben beëindigd.

Herval ziekte of problematiek is de derde meest voorkomende reden (16,2%). Op de vierde plaats staat onvoldoende motivatie (10,1%).

Tabel 21

Reden stopzetting begeleiding in 2018, naar sector (in %)

Reden Geestelijke

gezondheids- zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW’s

Geen erkenning in boven-

staande sectoren

Totaal

Arbeidszorg niet

haalbaar 10,5 10,9 2,9 0,0 53,6 11,8 24,5

Mogelijkheid tot

doorstroom 16,8 26,8 17,1 50,0 22,4 23,5 22,1

Herval in ziekte of

problematiek 26,3 19,8 20,0 50,0 3,1 5,9 16,2

Onvoldoende gemotiveerd

13,9 13,3 11,4 0,0 3,1 11,8 10,1

Omgevingsfactoren

/ sociale context 7,9 3,7 8,6 0,0 0,2 0,0 3,9

Attitudeproblemen 2,6 7,4 14,3 0,0 0,4 0,0 3,8

Pensioen 1,2 1,7 8,6 0,0 1,1 17,7 1,7

Arbeidszorg bij

andere organisatie 3,4 1,3 5,7 0,0 0,2 5,9 1,7

Verhuis 2,9 0,7 2,9 0,0 0,0 11,8 1,3

Overleden 3,1 0,2 0,0 0,0 0,4 0,0 1,2

Mobiliteit 1,2 0,9 5,7 0,0 0,2 5,9 0,9

Juridische

maatregelen 0,5 0,9 0,0 0,0 0,0 0,0 0,4

Andere 9,8 12,4 2,9 0,0 15,1 5,9 12,2

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Aantal medewerkers 418 459 35 2 450 17 1.381

Het ‘niet haalbaar zijn van arbeidszorg’ is de belangrijkste reden voor stopzetting arbeidszorg in de sector OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s. 53,6% van de stopzettingen in deze sector in 2018 is gebeurd omwille van deze reden. Voor 22,4% van de stopzettingen in deze sector was er echter perspectief op doorstroom.

De ‘mogelijkheid tot doorstroom’ (26,8%) is de belangrijkste reden van stopzetting in de sector maatwerk en lokale diensteneconomie. In 19,8% van de gevallen werd ‘herval in ziekte of

problematiek’ als reden van stopzetting opgegeven en bij 10,9% van de stopzettingen in deze sector bleek arbeidszorg niet haalbaar.

(27)

In de sector geestelijke gezondheidszorg zijn ‘herval in ziekte of problematiek’ (26,3%), mogelijkheid tot doorstroom (16,8%) en onvoldoende gemotiveerd (13,9%) de belangrijkste redenen voor stopzetting arbeidszorg.

In de sector zorg voor personen met een handicap is ‘herval in ziekte en problematiek’ de meest frequent aangehaalde reden voor stopzetting arbeidszorg (20%), gevolgd door mogelijkheid tot doorstroom (17,1%) en attitudeproblemen (14,3%) (zie tabel 21).

3.4. Perspectief na stopzetting

Bij het beëindigen van de tewerkstelling in arbeidszorg wordt geregistreerd wat het perspectief is voor de medewerker. Hierbij wordt aangegeven naar welke trede op de participatieladder de cliënt gaat na stopzetting.

De participatieladder bestaat uit zes treden:

§ De hoogste trede, trede 6, omvat mensen die betaald werk verrichten binnen het normaal economisch circuit en dit zonder enige vorm van ondersteuning.

§ Op trede 5 vinden we mensen die betaald werk verrichten maar met enige vorm van ondersteuning.

§ Op trede 4 vinden we personen die een activeringstraject doorlopen, waarbij ze binnen een vooropgestelde termijn begeleid worden naar een betaalde tewerkstelling.

§ Op trede 3 vinden we de mensen terug die arbeidsmatige activiteiten uitvoeren.

§ Mensen die nog sociale contacten onderhouden buitenshuis en gebruik maken van het welzijns- en zorgaanbod situeren zich op trede 2.

§ Op de laagste trede, trede 1, bevinden zich de mensen die geïsoleerd leven, en enkel contacten onderhouden binnen de huiselijke kring.

De actieve arbeidszorgmedewerkers die we tellen in dit rapport bevinden zich op trede 3 en 4 van de participatieladder. Mensen die na stopzetting van hun arbeidszorg perspectief hebben op een hogere trede (trede 5 en 6) hebben perspectief op doorstroom. Mensen die perspectief hebben op een lagere trede (1 of 2) of eenzelfde trede (3 of 4) hebben perspectief op uitstroom.

Doorstroom richt zich dus naar een perspectief op een hogere vorm van arbeid, namelijk naar betaalde arbeid in het regulier arbeidscircuit, naar betaalde arbeid in het beschermde arbeidscircuit (maatwerkbedrijven, …) of een andere vorm van arbeid (artikel 60).

Naar uitstroom toe, vertaalt dit perspectief zich enerzijds naar de zorgsector: geestelijke

gezondheidszorg, residentiële opvang, een andere vorm van dagactiviteit of welzijnswerk. Anderzijds kan het ook gaan om vorming, opleiding, vrijwilligerswerk of arbeidszorg binnen een andere

organisatie.

Het perspectief betekent niet automatisch dat er een effectieve stap wordt gezet en zegt dus ook niets over de slaagkansen van deze uitstroom of doorstroom.

Van de 1.475 arbeidszorgmedewerkers die in 2018 hun tewerkstelling hebben stopgezet, werd voor 288 personen, of 19,5%, een perspectief op doorstroom, en voor 1.007 personen, of 68,3%, een perspectief op uitstroom geregistreerd. Voor 180 personen (12,2%) is het perspectief niet gekend.

De doorstroom richt zich vooral op trede 5 (215 personen of 14,6% van de stopzettingen), maar er zijn ook 73 medewerkers (5% van de stopzettingen) met perspectief op trede 6 (tabellen 22 en 23).

(28)

Bekijken we alle arbeidszorgmedewerkers in 2018, dan heeft hiervan 5% perspectief op doorstroom (figuur 14).

Opnieuw zijn er grote verschillen in perspectief naar sector. Het grootste perspectief op doorstroom (in % van alle arbeidszorgmedewerkers) is terug te vinden in de sectoren OCMW, CAW of

bovenlokaal samenwerkingsverband OCMW’s (10,4%) en maatwerk en lokale diensteneconomie (8,4% van alle arbeidszorgmedewerkers). In de sectoren zorg voor personen met een handicap (0,3%) en geestelijke gezondheidszorg (2,5%) is de kans op doorstroom zeer gering.

Tabel 22

Perspectief na stopzetting begeleiding in 2018, naar sector (absolute aantallen) Perspectief Geestelijke

gezondheids- zorg

Maatwerk en lokale diensten- economie

Zorg voor personen met een handicap

Integrale jeugdhulp-

verlening

OCMW, CAW of bovenlokaal samenwerkings-

verband OCMW's

Geen erkenning in boven- staande sectoren

Totaal

UITSTROOM

Trede 1 135 123 12 0 10 6 286

Trede 2 120 47 10 1 250 2 430

Trede 3 51 99 7 0 50 1 208

Trede 4 16 30 0 0 35 2 83

Totaal uitstroom (zelfde

of lagere trede) 322 299 29 1 345 11 1.007

DOORSTROOM

Trede 5 33 110 3 0 67 2 215

Trede 6 17 21 1 1 32 1 73

Totaal doorstroom

(hogere trede) 50 131 4 1 99 3 288

Perspectief niet gekend 81 73 17 0 6 3 180

Totaal 453 503 50 2 450 17 1.475

Afbeelding

Updating...

Referenties

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :