Gemeentelijk gebiedsgericht ruimtelijk uitvoeringsplan GGR-W2 Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4

Hele tekst

(1)
(2)

STAD LEUVEN

Gemeentelijk gebiedsgericht ruimtelijk uitvoeringsplan GGR-W2 ‘Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4’

Deel 3: stedenbouwkundige voorschriften

Gezien en voorlopig vastgesteld door de gemeenteraad in zitting van 26 juni 2017 Gezien en definitief vastgesteld door de gemeenteraad in zitting van 26 februari 2018 Ontwerper: Daan Van Tassel

(3)

Inhoud

1 Voorafgaande bepalingen ... 5

2 Algemene bepalingen ... 7

2.1 Geldigheid ... 7

2.2 Definities ... 7

2.3 Hoofd- en nevenbestemmingen ... 11

2.4 Onbebouwde ruimte ... 11

2.5 Algemene inrichtingsprincipes ... 12

2.6 Algemene bebouwingsprincipes ... 13

2.7 Uitkragingen ... 15

2.8 Parkeren ... 15

2.9 Fasering en ontwikkelingsvoorwaarden ... 16

2.10 Veiligheidsvoorschriften ... 16

2.11 Vergunningen en afwijkingen van de planvoorschriften ... 16

3 Bijzondere bepalingen ... 17

3.1 Zone voor gemengde functies (GF1) ... 17

3.1.1 Bestemming ... 17

3.1.2 Onbebouwde ruimte ... 18

3.1.3 Inrichting ... 18

3.1.4 Bebouwing ... 18

3.1.5 Vergunningen ... 20

3.1.6 Toegangen en doorgangen ... 20

3.1.7 Parkeervoorzieningen ... 21

3.1.8 Veiligheidsvoorschriften ... 21

3.1.9 Fasering en ontwikkelingsvoorwaarden ... 21

3.2 Zone voor gemengde functies (GF2) ... 22

3.2.1 Bestemming ... 22

3.2.2 Onbebouwde ruimte ... 23

3.2.3 Inrichting ... 23

3.2.4 Bebouwing ... 23

3.2.5 Vergunningen ... 23

(4)

3.2.6 Toegangen en doorgangen ... 23

3.2.7 Parkeervoorzieningen ... 24

3.2.8 Veiligheidsvoorschriften ... 24

3.2.9 Fasering en ontwikkelingsvoorwaarden ... 24

3.3 Zone voor brouwerij en aanverwante functies (BAF) ... 25

3.3.1 Bestemming ... 25

3.3.2 Onbebouwde ruimte ... 25

3.3.3 Inrichting ... 26

3.3.4 Bebouwing ... 26

3.3.5 Vergunningen ... 26

3.3.6 Toegangen en doorgangen ... 26

3.3.7 Parkeervoorzieningen ... 27

3.3.8 Veiligheidsvoorschriften ... 27

3.3.9 Fasering en ontwikkelingsvoorwaarden ... 27

3.4 Zone voor dwarse groene linten (overdruk) ... 28

3.4.1 Bestemming ... 28

3.4.2 Onbebouwde ruimte ... 28

3.4.3 Inrichting ... 28

3.4.4 Bebouwing ... 29

3.4.5 Vergunningen ... 30

3.4.6 Toegangen en doorgangen ... 30

3.4.7 Parkeervoorzieningen ... 30

3.4.8 Veiligheidsvoorschriften ... 30

3.4.9 Fasering en ontwikkelingsvoorwaarden ... 30

3.5 Bufferzone (BU) ... 31

3.5.1 Bestemming ... 31

3.5.2 Inrichting ... 31

3.5.3 Bebouwing ... 32

3.5.4 Toegankelijkheid ... 32

3.5.5 Fasering en ontwikkelingsvoorwaarden ... 32

3.6 Water (WTR) ... 33

3.6.1 Bestemming ... 33

3.6.2 Inrichting ... 33

(5)

3.7 Openbare wegenis (OW) ... 34 3.7.1 Bestemming ... 34 3.7.2 Inrichting ... 34

(6)

1 V OORAFGAANDE BEPALINGEN

1.1

Zoals aangegeven in de toelichtingsnota voert dit gemeentelijk gebiedsgericht ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4’ het Ruimtelijk Structuurplan Leuven (RSL) uit. Het RSL werd herzien en is definitief vastgesteld op 18 december 2017. Het RUP is in overeenstemming met het actuele RSL. In het actuele RSL wordt het plangebied niet meer beschouwd als zone voor grootschalige kleinhandel, ten voordele van andere vormen van economische bedrijvigheid waar de stad nood aan heeft. De BPA’s ‘Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4’ dewelke dit RUP vervangt, hebben vandaag immers een voldoende aandeel grootschalige kleinhandelszaken bewerkstelligd. De stad Leuven is geen voorstander van bijkomende vestigingen in de Vaartzone.

In het thematische beleidskader voor ‘De Leuvense Voorzieningenstructuur’ bepaalt het actuele RSL dat “de stad ervoor kiest om bovenlokale handelsclusters en clusters van grootschalige handel (‘baanwinkels’) te beperken tot het kernwinkelgebied in de binnenstad en twee grootschalige detailhandelszones. De grootschalige detailhandelszones hebben heel wat impact: op het gebied van landschap, op het vlak van mobiliteit, concurrentie met het kernwinkelgebied,…” (p.360), alsook dat “de stad geen voorstander is van een groei van het aanbod baanwinkellocaties. Bovendien wenst de stad de ruimte op de bedrijventerrein zo veel mogelijk te reserveren voor bedrijven. De omschrijving van de recente evoluties en het thematische beleidskader

‘werken’, beschrijven de nood aan ruimte voor bedrijven en schetsen de toename van de handel op de bedrijventerreinen waar handel vergunbaar is, bijvoorbeeld in de Vaartzone. Daarom zal de stad initiatieven nemen om dubbele selecties van zones, tegelijk als bedrijventerrein en als grootschalige detailhandelszone, te beperken tot de meest logische plaatsen” (deel 3, hoofdstuk 4, §4.2.1).

In het actuele RSL worden drie plaatsen geselecteerd voor grootschalige detailhandel, zijnde: (1) een zone aan de Tiensesteenweg ten oosten van de Meerdaalboslaan, (2) een zone aan de noordzijde van de Vaartkom, waar een ontwikkeling van grotere winkeloppervlakten deel uitmaakt van de ontwikkelingsvisie op de Vaartkom en (3) een aansluitend deel van de K. Bégaultlaan, met name een stuk ten zuiden van de P. Legrandstraat waar al veel handel gevestigd is en waar een multifunctionele ontwikkeling gewenst is (deel 3, hoofdstuk 4, §4.4.2).

1.2

Dit ruimtelijk uitvoeringsplan heft binnen het afgebakende plangebied alle bepalingen op van de BPA’s Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4, goedgekeurd bij MB van 23-06-2004:

- BPA Aarschotsesteenweg deel 2 (vanaf het HST tracé tot de perceelsgrens tussen AVEVE en Agro Kumps);

- BPA Aarschotsesteenweg deel 3 (vanaf de perceelsgrens tussen AVEVE en Agro Kumps tot de perceelsgrens tussen Machiels en BK) - BPA Aarschotsesteenweg deel 4 (vanaf de perceelsgrens tussen Machiels en BK tot de toren van AB Inbev).

Dit ruimtelijk uitvoeringsplan heft binnen het afgebakende plangebied alle bepalingen op van het gewestplan, goedgekeurd bij K.B. van 07/04/1977 en herzien door de Vlaamse Regering op 23/06/1998.

1.3

Binnen het afgebakende plangebied van dit ruimtelijk uitvoeringsplan bevinden zich geen goedgekeurde verkavelingen.

(7)

1.4

Het ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4’ bestaat uit: een plan bestaande toestand; een grafisch plan met verordenend karakter; de voorschriften met verordenend karakter en bestaande uit deze voorafgaandelijke bepalingen, algemene bepalingen en bijzondere bepalingen per zone;

een toelichtingsnota bestaande uit een tekstgedeelte en figurenbundel. De schaal en de daaruit afgeleide maten van het plan zijn indicatief. Het grafisch plan is opgemaakt op basis van de kadastrale ondergrond. De werkelijke afmetingen zullen, daar waar noodzakelijk, door een opmeting ter plaatse worden vastgesteld.

1.5

Het gebiedsgericht ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) ‘Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4’ wordt, zoals aangeduid op het grafisch plan, begrensd door het HST- tracé in het noorden, de aslijn van de Dijle in het oosten, de zuidelijke perceelsgrens nr. 06D161X7 van de Dijledreef en gedeelte van het terrein van AB Inbev (cf. afbakening BPA Aarschotsesteenweg, deel 4) en de aslijn van het kanaal Leuven-Dijle in het westen.

1.6

Bij tegenstrijdigheden hebben de voorschriften voorrang op de bepalingen af te leiden uit het grafisch plan, tenzij in de voorschriften uitdrukkelijk naar de aanduiding op het grafisch plan wordt verwezen.

1.7

In navolging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening blijven binnen de grenzen van het RUP de bepalingen van de stedenbouwkundige verordeningen van toepassing voor zover deze niet in strijd zijn met de voorschriften van dit RUP. Bij tegenstrijdigheden primeert het RUP.

(8)

2 A LGEMENE BEPALINGEN

2.1 G

ELDIGHEID

De algemene bepalingen zijn van toepassing in elke bestemmingszone voor zover ze niet worden tegengesproken door de bijzondere bepalingen voor de betreffende zone.

2.2 D

EFINITIES

In dit RUP worden de definities uit de algemene bouwverordening gehanteerd en aangevuld met volgende definities:

Begrip Definitie

Bebouwingscoëfficiënt (B/T) de verhouding tussen het grondvlak van alle bovengrondse bebouwing (B) en de totale oppervlakte van dat terrein (T), uitkragingen inbegrepen; uitpandige terrassen tot 50 cm uitkraging worden niet meegerekend ; overdekte

fietsenstallingen worden wel meegerekend. Bijgebouwen worden eveneens meegerekend, met uitzondering van overdekte buitenruimten en open constructies.

Bedrijfsgebonden woongelegenheden

constructies met een woonfunctie ten behoeve van het besturend en/of bewakend personeel en van het personeel waarvan de aanwezigheid ter plaatse strikt noodzakelijk is. In elk geval dienen dergelijke constructies beperkt te worden tot één per bedrijf;

Bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering op gelijke hoogte liggende vloeren is begrensd, met uitsluiting van onderbouw en zolder (ook al is deze bruikbaar).

Bruto vloeroppervlakte (BVO)

de bruto vloeroppervlakte omvat de som van de oppervlakte van elke verdieping, bovengronds en ondergronds en in uitkraging, met een vrije hoogte van 2,20 m of meer, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de

buitengevels, of langs de as van de interne scheidingsmuren die de entiteit omhullen; hierbij opgeteld de overdekte private buitenruimten die niet in uitkraging t.o.v. het gevelvlak wordt gerealiseerd. Ondergrondse verdiepingen worden niet meegerekend indien in gebruik voor fietsenstallingen, parkeren, technische ruimtes en/of bergingen;

Circulaire economie

het economische systeem dat uitgaat van een duurzaam beheer van materialen, grondstoffen, energie, water, ruimte,..

via hergebruik en het sluiten van kringlopen. De herbruikbaarheid van grondstoffen en producten wordt daarbij gemaximaliseerd, terwijl waardevernietiging wordt geminimaliseerd. Lokale productie op maat, ruimtelijke

verwevenheid, nieuwe business-modellen, innovatieve technologieën en duurzame logistiek staan daarin centraal. In een lineaire economie daarentegen worden grondstoffen omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd.

(9)

Groenterreinindex G/T de groenterreinindex G/T geeft de verhouding van de oppervlakte aan groen (G) ten opzichte van de oppervlakte van het volledige terrein (T).

Groothandel een niet publiek toegankelijke handelszaak met een grote private opslagruimte en een in verhouding beperkte verkoopsoppervlakte.

Grootschalige kleinhandel

handel met grootschalige verkoopsoppervlakte en/of grote handelswaren, die direct aan de verbruikers levert. Als referentiemaat voor de verkoopsoppervlakte wordt een minimum van 600 m² gehanteerd. Grootschalige kleinhandel hangt vandaag echter niet meer noodzakelijk samen met grote vloeroppervlaktes. Er is immers een tendens naar online- shopping die de noodzaak van grote winkelruimten inperkt, en de vraag naar opslag in combinatie met toonzalen opvoert.

Kantoor een functioneel geheel van ruimtes die worden gebruikt voor activiteiten met een groot aantal arbeidsplaatsen per oppervlakte-eenheid en dus met een dicht ruimtegebruik: administratieve, dienstverlenende en creatieve taken, vrije beroepen, … en bijbehorende ondersteunende taken.

Handel activiteiten waarbij goederen worden verkocht; concreet bestaat de handelruimte uit een verkoopsruimte, eventueel gekoppeld aan de voor de exploitatie noodzakelijke private gedeelten met beperkte oppervlakte zoals kantoren, personeelsruimtes, bergruimtes,atelierruimte, …

Horeca

activiteiten waarbij al dan niet ter plaatse vervaardigde dranken en/of maaltijden worden verkocht en genuttigd;

concreet bestaat de horecagelegenheid uit een kleinschalige of grootschalige ruimte met semi-publiek karakter (waar het nuttigen van dranken en/of maaltijden plaatsgrijpt), eventueel gekoppeld aan private gedeelten met beperkte oppervlakte (keuken, kantoor,...); voorbeelden zijn cafés, tavernes, restaurants, snackbars,...

Hoogstam

een hoogstammige boom, zijnde een ‘boom van eerste orde’, groter dan 12m. Deze klasse omvat zowel bomen die 15m hoog worden als bomen die 35m halen. Een hoogstam heeft een rechte, takvrije stam en een kroon met een

doorgaande harttak (cf. technisch vademecum bomen, Agentschap Natuur en Bos). Ook hoogstammige fruitbomen zijn hoogstammen. Knotwilgen vormen een uitzondering op deze maten en zijn altijd hoogstam.

Bomenrij

drie of meer bomen op een rij vormen een bomenrij indien er samenhang bestaat tussen de elementen ervan. De afstand tussen de individuele bomen moet zodanig zijn, dat deze als één terreineenheid worden gezien (cf. technisch vademecum bomen, Agentschap Natuur en Bos). Een dreef of laan bestaat uit een of meerdere bomenrijen langs een weg. Ook straatbomen kunnen een bomenrij vormen.

Openbare nuts- en

gemeenschapsvoorzieningen

infrastructuur voor dienstverlening, die wordt opgericht en/of uitgebaat door, of in opdracht van, de overheid of een door de overheid erkende instelling: infrastructuur voor politie, brandweer, begraafplaatsen, onderwijs, sociaal- medische dienstverlening, religie, kinderopvang, culturele voorzieningen,...

(10)

Opslag het opslagen van grondstoffen en/of goederen.

Plaatsgebonden bedrijvigheid

activiteiten van een bedrijf dat op één van volgende wijzen met Leuven verbonden is:

- het bedrijf haalt een groot deel van haar grondstoffen en/of tewerkstelling uit de onmiddellijke omgeving (Leuven en buurgemeenten);

- het bedrijft genereert het grootste deel van haar omzet in Leuven door producten of diensten te leveren aan de stad, haar bevolking of hier gevestigde bedrijven;

- het bedrijf heeft in Leuven een patrimonium opgebouwd waarop de bedrijfsvoering gebaseerd is;

- de geschiedenis van het bedrijf is met Leuven verbonden.

In het plangebied gaat het actueel over de bedrijven AB InBev, MetaLeuven, Machiels, BK/ Versele-Laga, Iverlek/ Eandis, Aveve en Agro Kumps (niet-limitatieve oplijsting).

Productieruimte een functioneel geheel van ruimtes die worden benut voor allerhande be- en verwerkende bedrijfsactiviteiten en waar een minimum aantal personen wordt tewerkgesteld, waaraan gekoppeld ruimtes voor bijbehorende activiteiten zoals kantoren, opslag, verkoop en personeelsaccommodatie.

Publiek toegankelijk publiek toegankelijk gebied duidt op de integrale toegankelijkheid voor een breed publiek, al dan niet binnen specifieke tijdsvensters (bv. ’s nachts afgesloten).

Publiek (of openbaar) domein gebied dat in principe onbeperkt in de tijd en voor allen vrij toegankelijk is.

Recreatie een functioneel geheel van ruimtes of terreinen bestemd voor een vorm van vrijetijdsbesteding (uitgezonderd horeca).

Daaronder kan worden verstaan: sport- of speelterreinen, sportaccommodaties en hun ondersteunende functies, terreinen en lokalen van sport- of jeugdverenigingen, ontmoetingscentra, repetitieruimten, kunstenaarsateliers, e.d.

Semi-publiek domein gebied in private eigendom dat per etmaal tijdens vastgelegde perioden voor iedereen vrij toegankelijk is.

Schone productie een infrastructuurgeheel voor bedrijfsactiviteiten die door de aard van hun productieprocessen geen noemenswaardig effect hebben op de omgeving. De hinder en de verontreiniging blijven beperkt tot de eigen ruimtes en de parkeerdruk blijft beperkt tot het eigen perceel.

Geschikte beplanting geschikte beplanting kan ofwel ‘streekeigen’ of inheems zijn in de zin dat ze van nature in de ruime regio (kan) groeien, ofwel kan het gaan om niet-invasieve beplanting die in de context van het plangebied met gemengde bedrijvigheid gezond kan groeien.

(11)

Technische ruimte vertrekken waarin de technische uitrusting is ondergebracht, zoals uitrusting voor klimaatregeling, voor verticale circulatie van personen, watervoorziening, ...

Toonzaal een ruimte waarin een prototype van de koopwaren wordt tentoongesteld, maar niet rechtstreeks verhandeld.

Bijvoorbeeld: toonzaal van auto’s, keukens, badkamers, …

Veranderingsgericht en dynamisch bouwen

Veranderingsgericht of dynamisch bouwen kan een sleutelrol spelen in het verlagen van de milieu-impact van de bouwsector. Het anticiperen op toekomstige aanpassingen laat toe om bouwmaterialen te (her)gebruiken en om minder vervuilend en efficiënter te beantwoorden aan de steeds veranderende noden en eisen van gebruikers.

Wanneer het mogelijk is om gebouwelementen te demonteren, te recycleren of te hergebruiken kunnen materiaalkringlopen gesloten worden.

Vloer-terreinindex (V/T) de verhouding tussen de bruto vloeroppervlakte die boven het maaiveld wordt gerealiseerd en de totale oppervlakte van het bedoelde terrein of de bedoelde zone.

Werkplaats vertrek of ruimte ingericht om er te werken met gereedschappen en/of machines.

*Woongelegenheid een functioneel geheel van ruimtes met een gezamenlijke vloeroppervlakte groter dan 40m², enkel bestemd voor permanente en duurzame bewoning. Elke woongelegenheid beschikt naast een leefruimte over één aparte sanitaire cel.

Zone voor gemengde functies in een zone voor gemengde functies mogen diverse functies onderling gemengd of naast elkaar voorkomen. Hierbij zijn alle functies toegelaten zoals aangegeven in de betreffende bestemmingsvoorschriften

(12)

2.3 H

OOFD

-

EN NEVENBESTEMMINGEN

De mogelijke hoofdbestemmingen worden vastgelegd in de bijzondere bepalingen per zone. Algemeen wordt onder hoofdbestemming van een gebouw de bestemming verstaan waarvoor minstens 50 % van de netto vloeroppervlakte wordt gebruikt.

Aanvullende nevenbestemmingen zijn opgesomd in de bijzondere bepalingen voor de betreffende zone. Ze zijn toegelaten, indien ook minstens één hoofdbestemming is gerealiseerd en indien verenigbaar met deze hoofdbestemming en de bestaande omgeving. Deze nevenbestemmingen nemen maximaal 50% van de totale netto vloeroppervlakte in. De nevenbestemming is fysiek en typologisch ondergeschikt aan de hoofdbestemming. Dat wil zeggen dat het onderscheid in de hoofd- en nevenbestemming ruimtelijk steeds afleesbaar moet zijn op de site. De hoofdbestemming moet primeren op de nevenbestemming, en moet gegarandeerd blijven. Nevenfuncties dienen dus ruimtelijk te worden benaderd als nevenfuncties. Daarbij zal op het gelijkvloers het karakter van de site bepaald worden door de hoofdfunctie, en niet door nevenfuncties die op het gelijkvloers worden geplaatst omwille van zichtbaarheid, toegankelijkheid, etc. Nevenbestemmingen kunnen zich bijvoorbeeld voornamelijk op de verdieping of op het dak situeren, terwijl de hoofdbestemming zich hoofdzakelijk op het gelijkvloers bevindt. Stapeling van hoofd- en nevenfuncties laat toe om de beschikbare ruimte optimaal te benutten en om het ruimtelijk rendement op de site te verhogen.

Indien in de bijzondere bepalingen de mogelijke nevenbestemmingen niet uitdrukkelijk zijn vastgelegd, zijn alle nevenbestemmingen mogelijk indien verenigbaar met de hoofdbestemming en de bestaande omgeving en indien minstens één hoofdbestemming is gerealiseerd. De nevenbestemmingen worden dan beperkt tot 100m² netto vloeroppervlakte per entiteit en tot 50% van de totale netto vloeroppervlakte per pand.

2.4 O

NBEBOUWDE RUIMTE

De inrichting van de niet-bebouwde ruimte dient zowel functionaliteit als kwaliteit te waarborgen. De open ruimte binnen de percelen mag geen restruimte zijn en wordt ingericht als een samenhangende ruimte in relatie tot de bebouwing en de activiteiten in het terrein. De onbebouwde ruimte wordt als verblijfsruimte en maximaal met geschikt laag- en/ of hoogstammig groen ingericht. De aanleg van onverharde ruimte dient de belevingswaarde, landschappelijke waarde en ecologische waarde te versterken.

De onbebouwde ruimte mag verhard en aangelegd worden ten behoeve van de toegang, parkings en hun ontsluiting. Deze verharding wordt tot een minimum beperkt en is grotendeels waterdoorlatend. Voor de aan te leggen verhardingen dienen zoveel mogelijk kleinschalige bestratingsmaterialen zoals klinkers, betonstraatstenen en steenslag gebruikt te worden, evenals natuurlijke, zachte of halfverharde materialen. Indien de aard van het bedrijf zwaar verkeer inhoudt, zijn beton- en asfaltverhardingen toegelaten in deze zones die ook door het zwaar verkeer gebruikt worden. Parkings dienen indien mogelijk in waterdoordringbare materialen te worden aangelegd waarbij tevens maatregelen genomen worden om bodem- en grondwatervervuiling te voorkomen.

Er wordt gestreefd naar een groenterreinindex (G/T) van 0,2. Het moet daarbij gaan om concentraties van groen, eerder dan om de optelsom van groene snippers en restruimten binnen hetzelfde perceel. De groenaanleg wordt ingevuld met geschikte niet-invasieve soorten, met toestemming van de groendienst van de stad Leuven.

(13)

Groendaken kunnen mee opgenomen worden in de groenindex, op voorwaarde dat aangetoond wordt dat deze voldoende bijdragen aan de ruimtelijke beleving én aan de lokale biodiversiteit (bvb. zichten vanuit de trein of vanop de Aarschotsesteenweg, zichten vanuit kantoren of bedrijfsruimten binnen het perceel, type beplanting op de daken,..)

2.5 A

LGEMENE INRICHTINGSPRINCIPES

Algemeen gelden voor het ganse plangebied volgende inrichtingsprincipes, tenzij anders vermeld in de specifieke bepalingen:

- Optimaal ruimtegebruik: De ruimte moet zodanig worden ingericht dat ze optimaal wordt benut, door bijvoorbeeld een gestructureerde inplanting van de gebouwen en de ‘stapeling’ van functies over verschillende bouwlagen. Overbouwde toegangen en gekoppelde bebouwing worden toegelaten.

- Oriëntatie: Alle gebouwen zijn loodrecht ingeplant en georiënteerd op de as van de Vaart (het kanaal Leuven-Dijle). Bestaande gebouwen kunnen in hun huidige oriëntatie behouden blijven.

- Bouwlijnen: Het hoofdgebouw of het gebouw waarin de belangrijkste personengebonden functies worden ondergebracht, dient ingeplant te worden op de bestemmingsgrens aan de zijde van de Aarschotsesteenweg die geldt als verplichte bouwlijn en die ook de grens vormt met het openbaar domein. Naast deze verplichte bouwlijn geldt voor de resterende gevelbreedte de bestemmingsgrens aan de straatzijde voor minstens 30% als verplichte bouwlijn. Over de overige 70% van deze breedte mag worden achteruit gebouwd in functie van het realiseren van toegangen of het creëren van een groengebied in aansluiting op de groenaanleg langsheen de Aarschotsesteenweg of desgevallend langsheen een dwars groen lint (cf. §3.4). De andere bestemmingsgrenzen gelden als uiterste bouwlijn tenzij anders aangeduid op het grafisch plan in functie van het realiseren van de opgelegde toegangen en mits het respecteren van de vereiste toegangen en circulatieruimten voor de interventiediensten.

- De gelijkvloerse verdieping wordt bij voorkeur maximaal ingenomen door ruimtes met intensief personengebruik (onthaalfunctie, kantoren, toonzalen,…). Deze functies zijn ook toegelaten op de verdiepingen. Zoals vermeld in §2.3 dient evenwel het onderscheid in de hoofd- en nevenbestemming ruimtelijk steeds afleesbaar te zijn op de site.

- Gebouwen en/of constructies ter ondersteuning van de verkeersfunctie en/of verblijfsfunctie van publieke ruimtes zijn toegelaten voor zover deze de goede afwikkeling van het verkeer niet hinderen.

- Kantoorfuncties en functies met intensief persoonsgebonden karakter worden bij voorkeur ingeplant aan de straatkant en worden pas in tweede instantie toegelaten op de achterliggende gronden.

- Eventuele bedrijfsgebonden woongelegenheden dienen gevestigd te worden aan de straatkant en geïntegreerd te worden in het bedrijfsgebouw.

- Opslag en stapelfuncties worden toegelaten op de achterliggende gronden en niet aan de straatkant. Afvalstoffen, grondstoffen, niet-afgewerkte, gerecycleerde en/of afgewerkte producten mogen in de open lucht gestort of gestapeld worden indien zij niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar domein en de aangrenzende percelen. Daarbij is opslag onder hoogstammige beplanting toegelaten.

- Het laden en lossen wordt zo georganiseerd dat het effect op de mobiliteit van de Aarschotsesteenweg minimaal is.

(14)

- Verlichting: op het inrichtingsplan dienen de geplande lichtpunten in de open ruimte of op de gebouwen te worden aangegeven. Deze dienen zowel te voldoen aan de functionele eisen als rekening te houden met de omgeving, in het bijzonder met betrekking tot mogelijke lichtpollutie, energieverbruik, sociale veiligheid, beeldwaarde, e.d.

- Elia NV beheert langsheen de Dijledreef grenzend aan het plangebied enkele ondergrondse hoogspanningskabels (70kV), waarmee rekening dient te worden gehouden. Boven en vlakbij de ondergrondse leidingen, allen gelegen in het openbaar domein, mag geen diepwortelende begroeiing komen omdat deze de leidingen kan beschadigen. Bij technische problemen moet de grond worden uitgegraven wat verstoring van de directe omgeving met zich brengt. Om de veiligheid van mensen, de continuïteit van de elektriciteitsvoorzieningen en de vrijwaring van alle betrokken installaties te garanderen, dient men in de onmiddellijke omgeving van de hoogspanningsgeleiders enkele wettelijke bepalingen te eerbiedigen (cf.

veiligheidsvoorschriften ter zake).

Aanvullende principes die gelden per bestemmingszone worden opgenomen in de specifieke bepalingen.

2.6 A

LGEMENE BEBOUWINGSPRINCIPES

Algemeen gelden voor het ganse plangebied volgende bebouwingsprincipes, tenzij anders vermeld in de specifieke bepalingen:

- De bebouwbare oppervlakte omvat de terreininname door gebouwen en opslag in open lucht. De bebouwbare oppervlakte bedraagt minimaal 50%

en maximaal 70% van het perceel of groep van aansluitende percelen van dezelfde eigenaar, tenzij daar waar een of meerdere dwarse groene linten worden gerealiseerd. Ook buiten de daartoe bestemde zones kunnen dwarse groene linten gerealiseerd worden en gelden de specifieke bepalingen vermeld in §3.4.4.

- Het ontwerp van de (ver)nieuwbouw dient van een integrale kwaliteit te getuigen. In de omgevingsvergunningsaanvraag moet voldoende onderbouwd en gemotiveerd worden hoe hieraan wordt voldaan. Deze motivering gebeurt zowel grafisch als in de toelichtingsnota, en kan een criterium zijn om de omgevingsvergunning te weigeren. Met integrale bouwkwaliteit wordt minstens bedoeld:

o een heldere functionele opbouw met logische interne en onderlinge organisatie van de gebouwen, in functie van een optimale bedrijfsvoering en goede werkomstandigheden voor wie in en rond de gebouwen werkt. Dat houdt eveneens in logisch gestructureerde circulatieroutes en –zones die leesbaar zijn voor gebruikers;

o bouwvolumes moeten zodanig geconcipieerd worden dat zij een samenhangend geheel vormen. Elk bouwvolume staat rechtstreeks in verhouding tot de functie(s) van het gebouw, tot de plaats op het terrein, tot de open ruimte, tot met naburige bebouwing en tot de ruimere context van de Vaartzone.

o De gebouwen dienen veranderingsgericht, aanpasbaar en uitbreidbaar en te zijn.

o gebouwen dienen te getuigen van architecturale kwaliteit, met specifiek een bouwvolume en gevelopbouw die in relatie staan tot de functie(s) van het gebouw en de typologie, met een onderscheid tussen persoonsgebonden en niet-persoonsgebonden functies, met zowel in vormgeving als in materialisering een sobere architectuur die geconcipieerd is vanuit de landschappelijke eigenheid van de

(15)

o de gevelopbouw van de verschillende gebouwen moet passen bij de omgeving en moet onderling coherent zijn. Het gevelconcept moet corresponderen met de functionele en constructieve opbouw van het gebouw en de gebouwen in de omgeving. In het bijzonder moet aandacht gaan naar de bebouwing aan de straatzijde, gezien deze het gezicht vormt naar de Vaart toe.

- Uiterlijke afwerking van de gebouwen: alle definitief vrijstaande gevels en geveldelen, kortom alle definitief zichtbaar blijvende delen van gebouwen, bijgebouwen, aanhorigheden of gelijk welke andere constructie moeten als voorgevel worden behandeld voor wat de keuze van materialen en de afwerking betreft.

- Energie: De gebouwen dienen zo energie-efficiënt mogelijk te zijn, rekening houdende met de eventuele beperkingen van bestaande bebouwing. De energievoorziening voor de activiteiten binnen en buiten de gebouwen op het perceel, dient zoveel mogelijk te steunen op specifieke vormen van lokale hernieuwbare elektriciteitsproductie (zonne-energie, windenergie,..), en op efficiënte en duurzame vormen van warmteproductie- of recuperatie op hoge temperatuur (WKK, restwarmte,..) of op lage temperatuur (afvalwaterwarmte, riothermie, warmte uit oppervlaktewater, ondiepe geothermie,..), waarvoor in het gebied een aangetoond potentieel bestaat. Men dient in het gebied te streven naar energieneutraliteit. Het betreffende haalbaarheidsonderzoek en de daaruit volgende keuzes voor het lokale energiesysteem dienen te worden toegelicht in de omgevingsvergunningsaanvraag.

- Materialen: alle materialen zijn toegelaten, conform de gemeentelijke bouwverordeningen, voor zover zij het algemeen karakter en uitzicht van de omgeving niet schaden. Men dient zoveel mogelijk duurzame bouwmaterialen te gebruiken, waarbij recupereerbaarheid van de materialen voorop staat. Veranderingsgericht en dynamisch bouwen kan dit faciliteren. Bij aanbouw tegen bestaande gevels moeten de materialen zowel functioneel als esthetisch met elkaar in overeenstemming zijn. De haalbaarheid van afvoer en/of levering materialen per binnenschip dient te worden onderzocht en afgewogen in het bouw- of reconversieproces.

- Bouwhoogte: Het RUP geeft het maximaal aantal bouwlagen van de bebouwbare zones aan. Als er niet expliciet in de bijzondere bepalingen is aangegeven dat een dakverdieping toegelaten is, dan is er geen dakverdieping toegelaten bovenop het maximaal aantal toegelaten bouwlagen.

Tenzij grafisch anders aangeduid wordt algemeen de bouwhoogte vastgelegd op minimaal 7 meter en maximaal 15 meter, met minimaal 2 en maximaal 4 bouwlagen. Voor specifieke constructies (silo’s e.d.) en in geval een dwars groen lint op de site wordt gerealiseerd (cf. §3.4) kan hiervan worden afgeweken indien afdoende gemotiveerd in de omgevingsvergunningsaanvraag. Specifieke randvoorwaarden kunnen eventueel bij de omgevingsvergunning gevoegd worden.

Binnen het maximaal aantal bouwlagen kan de bovenste bouwlaag uitgevoerd worden als een (normale) volwaardige bouwlaag of als een volume dat ofwel terugwijkt t.o.v. de gevels van onderliggende bouwlagen ofwel onder een hellend dak wordt uitgevoerd. De bovenste bouwlaag vormt dan een “speciale “afwerking t.o.v. de onderliggende bouwlagen.

De technische ruimtes en installaties van het gebouw (nodig voor eventuele liften, energievoorziening, airconditioning, luchtbehandeling, …) moeten georganiseerd worden binnen het volume bepaald door het maximaal aantal bouwlagen (en de eventueel toegelaten dakverdieping). Enkel de uitloopzone van liften en/of trappen, groendaken en zonnepanelen mogen wel boven de maximale bouwhoogte (en de ev. toegelaten dakverdieping) gerealiseerd worden. Zonnepanelen worden teruggetrokken gerealiseerd volgens de technische vereisten.

(16)

Bovenop de daken kunnen slechts technische installaties worden geplaatst, in zoverre deze niet waarneembaar zijn vanaf de Aarschotsesteenweg en de Kolonel Begaultlaan. Aan de hand van karakteristieke doorsneden wordt in de omgevingsvergunningsaanvraag aangetoond dat aan deze verplichting wordt voldaan.

- De dakvorm is vrij. Aan de dakvorm wordt dezelfde aandacht en ontwerpzorg als aan de gevels besteed, voor zoverre zij zichtbaar zijn vanuit de omgeving. Daar waar platte daken niet gebruikt worden voor specifieke functies of activiteiten (cf. daktuin, dakterras, sportveld, installaties voor energievoorziening, e.d.) zijn groendaken verplicht, tenzij kan aangetoond worden dat het hemelwater voor 100% wordt gerecupereerd.

- Vloerpeil: Aan de rooilijn of op de verplichte bouwlijn mag het afgewerkte vloerpeil van de gelijkvloerse ruimtes nergens meer dan 0,30 meter onder of 0,70 meter boven afwijken van het niveau van de afgewerkte, aangrenzende (private of publieke) open ruimte.

- Publiciteit: Logo’s en merknamen mogen in het gevelvlak worden aangebracht, op voorwaarde dat zij deel uitmaken van het architecturale gevelconcept. Constructies voor logo’s en merknamen zijn niet toegelaten op daken.

Alleenstaande publiciteitsconstructies (totems, zuilen en pylonen) dienen beperkt te worden, in de mate dat het publiciteitsmiddel geen dermate grote afmetingen mag hebben dat het doel om de economische verrichtingen (inherent aan de locatie) kenbaar te maken, overstegen wordt.

Bijkomend mag het zicht op de in- en uitritten niet worden verhinderd. Bovendien is het slechts onder strikte voorwaarden toegelaten om publiciteitsmiddelen op te richten die herkenbaar zijn vanaf ‘toeristische verkeerswegen’ zoals de gewestweg N19 (cf. regelgeving op de publiciteit en reclame o.a. het KB van 14/12/59 en latere wijzigingen, inzake de afmetingen van de borden en de opschriften). Voor het plaatsen van een publiciteitsinrichting of uithangbord is, naast een domeinvergunning ook een omgevingsvergunning vereist (cf. art. 135 van de nieuwe gemeentewetten en de VCRO). Reclamepanelen voor wisselende aanplakking of reclame loodrecht op de gevelvlakken zijn niet toegelaten.

Aanvullende principes die gelden per bestemmingszone worden opgenomen in de specifieke bepalingen.

Bij de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening wordt rekening gehouden met bovenstaande kwaliteits- en duurzaamheidseisen.

2.7 U

ITKRAGINGEN

Uitkragingen moeten zich bevinden binnen de zone waarin bebouwing mogelijk is, met uitzondering van uitkragingen met een maximale diepte van 50 cm.

2.8 P

ARKEREN

Parkeerplaatsen voor personenauto’s, nodig voor de functies in de verschillende bestemmingszones, worden enkel in de bestemmingszone zelf aangelegd en worden ontsloten via een circulatiepatroon vanaf de verplichte, grafisch aangeduide toegang. Indien er meer dan 10 parkeerplaatsen voorzien worden, dient minstens 1/3 van deze parkings onder of in de gebouwen te worden aangelegd.

De parkeervoorzieningen voor personenwagens en lichte bestelwagens moeten gecombineerd worden met groenvoorzieningen. De parkings dienen zoveel mogelijk gebundeld in één geheel en verplicht onder hoogstammige bomen te worden aangelegd. Voor aanleg van parkings wordt een bomenindex gehanteerd van 1 hoogstam per 8 parkeerplaatsen in een plantvak met voldoende omvang zodat de gezonde groei van de bomen gegarandeerd kan worden.

Volgende parkeernormen gelden voor alle bestemmingszones binnen het plangebied:

(17)

- 1 plaats per 200 m² werkvloer (kantines, kleedruimte, sanitair, …inbegrepen);

- 1 plaats per 100 m² toonzaalfunctie;

- 1 plaats per 75 m² kantooroppervlakte (vergaderruimtes, onthaal, … inbegrepen);

Parkeerplaatsen voor vrachtwagens, opleggers en containers mogen slechts voorzien worden in zoverre zij noodzakelijk zijn voor het functioneren van het bedrijf zoals voor laden en lossen, bufferruimte en wachtruimte. Voor magazijn en opslag is geen norm bepaald.

2.9 F

ASERING EN ONTWIKKELINGSVOORWAARDEN

De bebouwing en inrichting van een bedrijfssite die door eigendom, vruchtgebruik, pacht of functionele relatie als één geheel kan worden beschouwd, mag in fases gebeuren. Bij nieuwbouw moet per fase integraal aan de bestemmings- en bebouwingsvoorschriften beantwoord worden. Alle huidige inrichtingen en bestemmingen binnen een bedrijfssite die als één geheel kan worden beschouwd, moeten vanaf de eerste bouwfase met de voorschriften van de betreffende bestemmingszone(s) in overeenstemming worden gebracht.

2.10 V

EILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

Onverminderd de toepassing van de Belgische wetgeving en het Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming, gelden de onderhavige bepalingen.

Elke inplanting moet voorzien zijn van een verlichting van de ingang zodanig dat de lichtbundels de aanpalende percelen en het aanpalende openbaar domein niet hinderen.

Maatregelen ter brandvoorkoming en brandbestrijding: de plaatselijke brandweerautoriteiten dienen geraadpleegd en de door hen voorgeschreven maatregelen moeten geëerbiedigd worden.

De bedrijven dienen te allen tijde te voldoen aan de voorwaarden bepaald in de vigerende wetgeving inzake de bescherming van het leefmilieu. Zij dienen derhalve over alle nodige vergunningen te beschikken.

2.11 V

ERGUNNINGEN EN AFWIJKINGEN VAN DE PLANVOORSCHRIFTEN

De bestemmingsvoorschriften van het RUP doen geen afbreuk aan de zonevreemde basisrechten volgend uit de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).

Werken aan het openbaar domein die de planvoorschriften niet volledig realiseren, kunnen vergund worden voor zover ze de latere realisatie van de volledige planvoorschriften niet hypothekeren.

(18)

3 B IJZONDERE BEPALINGEN

3.1

ZONE VOOR GEMENGDE FUNCTIES (GF1)

V E R O R D E N E N D G E D E E L T E T O E L I C H T I N G

3.1.1 Bestemming

Deze zone is voorbestemd voor plaatsgebonden bedrijvigheid.

Uitsluitend volgende bestemmingen zijn toegelaten:

In hoofdbestemming:

- schone productie; diverse KMO’s en ambachten, nijverheid en industrie;

- logistiek en distributie;

- diensten;

In nevenbestemming:

- recreatie

- kantoren, opslagruimtes, werkplaatsen, sociale voorzieningen en toonzalen als essentiële aanvulling van de hoofdbestemming binnen dezelfde bedrijfsvoering en op dezelfde bedrijfssite;

- bedrijfsgebonden woongelegenheden zijn toegelaten;

- opslag in open lucht is toegelaten, doch dient deze steeds nauwgezet te worden afgewogen in het licht van de beoogde ruimtelijke kwaliteit en het ruimtelijk rendement.

Publieke (groene en verharde) ruimten worden toegelaten.

Autonome kantoren en horeca zijn niet toegelaten.

Binnen de gearceerde zone B2 worden autonome kantoren en beperkte horeca wel toegelaten, enkel in geval dit samengaat met de herbestemming van delen van het bestaande gebouwencomplex waarin deze functies een plaats krijgen, en enkel indien wordt aangetoond in de vergunningsaanvraag dat deze functies de hoofdbestemming op de gehele site niet in het gedrang brengen (zie verder §3.1.4). Indien kan aangetoond worden dat de hoofdbestemming binnen de zone B2 reeds is of in een latere fase effectief wordt gerealiseerd, kan een specifieke

Zoals vermeld in de toelichtingsnota zijn plaatsgebonden bedrijven over het algemeen onder te verdelen in drie groepen. Het betreft (1) die bedrijven die Leuven als belangrijkste afzetmarkt hebben en die noodzakelijk zijn voor de Leuvense inwoners, andere Leuvense bedrijven en de grote instellingen.

Ook logistieke bedrijven met toeleveranciers in de buurt kunnen hier een plaats krijgen, (2) die bedrijven die bijdragen aan de werkgelegenheid voor de Leuvense beroepsbevolking die minder kansen krijgt binnen de andere economische speerpunten (kenniseconomie, beslissingscentra, zorg), en (3) die regionale of internationale bedrijven die een historische aanwezigheid kennen in Leuven, een belangrijk patrimonium beheren in de stad, en vaak ook hun hoofdzetel hebben in Leuven. Sommige van hen zorgen voor heel wat werkgelegenheid bij de korter geschoolde groepen op de arbeidsmarkt.

Bestaande vergunde grootschalige kleinhandelszaken binnen de bestemmingszone krijgen een zonevreemd karakter, maar kunnen blijven functioneren in het plangebied. Enkel bij stopzetting van de activiteiten zal er sprake zijn van de bestemmingen zoals bepaald in voorliggend RUP. De bestaande vergunde of vergund geachte woningen krijgen eveneens een zonevreemd karakter.

Zoals vermeld in de definities wordt onder recreatie verstaan; een functioneel geheel van ruimtes of terreinen bestemd voor een vorm van vrijetijdsbesteding (uitgezonderd horeca). In de zone GF1 kan dit bijvoorbeeld gaan om een geïntegreerde sportactiviteit met aansluitend ruimte voor clubgebonden activiteit (kantine, kleedkamers, clubruimten,..), of ruimten voor het verenigingsleven (vergaderruimten, dans, fuifzaal, e.d.). Deze functie wordt bij voorkeur in het gebouw geïntegreerd, maar kan bijvoorbeeld ook op het dak van een opslagloods worden gerealiseerd (bv.

sportveld, looppiste, groendak met zitbanken, e.d.). Deze ruimten kunnen maar moeten niet publiek toegankelijk zijn.

(19)

vergunningsaanvraag voor een deel van het complex enkel betrekking hebben op de nevenfuncties.

Inrichtingen met opslagruimte voor gebruikte voertuigen, voertuigwrakken en/of schroot worden niet toegelaten.

De bedrijven mogen voor de omgeving geen abnormale hinder noch bodem- of luchtvervuiling, geluidshinder, stank en trillingshinder veroorzaken. De huidige bestaande en vergunde activiteiten worden niet als milieubelastend beschouwd. Substantieel bijkomende milieubelastende activiteiten zijn niet toegelaten. Hieronder wordt verstaan alle nieuwe activiteiten van die omvang, aard of met gevaarrisico dat het niet mogelijk is, door het nemen van maatregelen, alle milieuhinder of gevaar in de ruime zin van het woord, binnen de grenzen van het eigen bedrijfsterrein te houden.

Aansluitend op artikel 2.2.6 §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ressorteert deze bestemming onder de gebiedscategorie Bedrijvigheid.

In de BPA’s Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4 dewelke voorliggend RUP vervangt, waren geen milieubelastende bedrijven toegelaten. De bestaande inrichtingen vergund op basis van deze BPA’s worden niet als milieubelastend beschouwd en worden dus niet zonevreemd. De stad wil vasthouden aan deze beleidskeuze, en laat in voorliggend RUP geen nieuwe vormen van bedrijvigheid toe met milieubelastende effecten. In Leuven zijn er nog andere bedrijventerreinen die beter in aanmerking komen voor nieuwe milieubelastende activiteiten en daarvoor ook reeds jaren bestemd zijn, zoals in Heverlee en Haasrode. Als referentiekader voor de exploitatie gelden de Vlarem II normen en voorschriften.

3.1.2 Onbebouwde ruimte - Zie algemene bepalingen

3.1.3 Inrichting - Zie algemene bepalingen 3.1.4 Bebouwing

Naast de algemene bebouwingsprincipes zoals aangegeven in §2.7 van de algemene bepalingen, gelden volgende specifieke eisen voor de op het grafisch plan gearceerde zones B1, B2 en B3;

Binnen de in het grafisch plan gearceerde zone B1, geldt het volgende:

- representativiteit: Gezien de representatieve ligging van de gebouwen dient de gevel aan de Aarschotsesteenweg en de zijgevel gericht naar de HST-brug een karakteristieke waarde te hebben die aansluit bij de omgeving.

- bouwvolume: de bouwhoogte wordt binnen de gearceerde zone verplicht tussen 18 en 32 meter met een minimum van 6 en een maximum van 8 bouwlagen. Voor het volledige gearceerde gedeelte is deze bouwhoogte ook mogelijk doch niet verplicht.

De Vaartzone heeft landschappelijk en morfologisch een eigen stedelijk karakter. Dat karakter is onder meer bepaald door de gebouwen aan beide zijden van de Vaart, waarvan er verschillende beeldbepalend zijn en uiting geven aan de historische betekenis van het gebied.

Op de braakliggende terreinen van De Stordeur langs de beeldbepalende HST-brug wordt gestreefd naar een volumewerking die refereert naar de voormalige industriële gebouwen, en die de poortfunctie van deze site ondersteunt. Zulke nieuwbouw behoudt de ruimtelijke ritmering langs de Aarschotsesteenweg en de markering van het gebied in de ruimere context.

(20)

Binnen de in het grafisch plan afgebakende zone B2, geldt bijkomend aan de algemene bepalingen het volgende:

- Voorafgaandelijk de stedenbouwkundige omgevingsvergunningsaanvraag dient een grondig herbestemmingsonderzoek van de bestaande gebouwen plaats te vinden, waarin wordt bekeken in alle facetten of en welke functies deze gebouwen kunnen opnemen, in nauw overleg met het stadsbestuur. Specifieke vergunningsaanvragen die binnen de zone B2 vallen kunnen worden gesitueerd binnen een herbestemmingsstudie die onderdeel is van een door de stad goedgekeurd masterplan.

- In de beschrijvende nota van de omgevingsvergunningsaanvraag wordt grondig gemotiveerd op welke wijze de gebouwen worden aangepast, aan de hand van (1) een beschrijving van de specifieke kenmerken van het gebouwencomplex en/of het architecturaal geheel, gedocumenteerd met foto’s (2) een beschrijving van het herbestemmingsonderzoek, de eventueel hieruit volgende ruimtelijke ingrepen en de wijze waarop deze inspelen op de beeldbepalende kenmerken van het oorspronkelijke industriële gebouwencomplex.

- renovatie, verbouwing, herbouw en/of uitbreiding van de gebouwen dient te gebeuren met respect voor het industriële en beeldbepalende karakter (volumetrie, gevelopbouw, e.d.) van het oorspronkelijke gebouwencomplex en alle onderdelen ervan. De bouwvolumes (silo’s, e.d.) moet bij eventuele herbouw een coherente gevelbehandeling krijgen, die de eenheid, de verticaliteit en de massiviteit van de structuur respecteert.

- Bijzondere omstandigheden die de sloop van de gebouwonderdelen kunnen rechtvaardigen, zijn (1) in geval van overmacht; (2) in geval de werken voor het behoud te ingrijpend zijn vanuit bouwtechnisch oogpunt en niet in verhouding staan tot de erfgoedwaarde ervan en (3) in geval het gebouw of gebouwonderdeel geen specifieke functie kan opnemen en herbestemming op middellange termijn niet mogelijk blijkt. De eventuele sloop dient derhalve gemotiveerd te worden in de beschrijvende nota, aan de hand van de herbestemmingsstudie.

- Ingeval toch (deels) tot sloop werd overgegaan, dient de eventueel vervangende nieuwbouw het industriële en beeldbepalende karakter langs de Aarschotsesteenweg uit te dragen. Het oorspronkelijke bouwvolume binnen de afgebakende zone geldt als referentie voor een nieuwbouwvolume. De bouwhoogte wordt aldus binnen de gearceerde zone maximaal 32 meter in maximaal 8 bouwlagen, daar waar vandaag het hoogste gebouw is ingeplant t.a.v. de Aarschotsesteenweg.

Wat betreft de bouwlijnen, mag binnen de in het grafisch plan afgebakende zone B3, volledig achteruitgebouwd worden in aansluiting op de bestaande bebouwing. De ruimte tussen de bestemmingsgrens en de bouwlijn mag als parking onder hoogstam worden ingevuld of integraal voor groenvoorziening worden aangewend.

Voor de beeldbepalende gebouwen van BK en het overslag-gebouwtje is een zone B2 afgebakend, met het oog op onderzoek naar herbestemming van bepaalde onderdelen van het industriële gebouwencomplex. De gebouwen aan de zijde van de Aarschotsesteenweg - meer specifiek de zuidelijk gelegen silo’s, aanliggende industriële gebouwen, overslaggebouw, luchtbrug en kantoorgebouw - zijn gerealiseerd tussen 1943 en 1956, door de bekende Leuvense architect Victor Broos in opdracht van de toenmalige veevoederfabroek ‘Usines L. Vandenbergh’.

De afbakening in dit RUP legt de aandacht op de gebouwen gerealiseerd vóór 1968, om het beeldbepalende karakter ervan zo mogelijk te valoriseren. Dat betekent niet dat de gebouwen en constructies in hun huidige toestand zonder meer moeten worden bewaard. Het silogebouw wordt dus niet zonder meer gekwalificeerd als te behouden gebouw. Het betekent wel dat het gevelfront, de architectuur en de volumewerking van het bestaande geheel moeten worden gerespecteerd, hetzij via herbestemming hetzij via (gedeeltelijke) nieuwbouw. Daarbij kan de beeldbepalende voorgevel langs de Aarschotsesteenweg bijvoorbeeld gecombineerd worden met een nieuwe achterbouw, voor zover sloop van de silo’s gerechtvaardigd zou zijn.

Schematisch overzicht gebouwencomplex BK Leuven, met aanduiding van

(21)

In geval van kleine vergunningsaanvragen voor delen van de site of van bestaande beeldbepalende gebouwen binnen de zone B2, heeft het herbestemmingsonderzoek enkel betrekking op die ruimten die voorwerp zijn van de vergunningsaanvraag. Indien vooraf een masterplan werd gemaakt waarbij een herbestemmingsonderzoek voor de hele site werd gevoerd en indien de vergunningsaanvraag daarin duidelijk kadert, volstaat het om hiernaar te verwijzen.

3.1.5 Vergunningen

- Zie algemene bepalingen

3.1.6 Toegangen en doorgangen

Voor de zone GF1 worden zeven toegangen in aansluiting op de Aarschotsesteenweg voorzien zoals grafisch aangegeven. Elke toegang vanaf de openbare weg moet voldoende sprekend zijn.

De toegangen binnen de bestemmingszone GF1 worden als volgt onderscheiden:

T1. centrale toegang voor gemotoriseerd verkeer ter hoogte van de Stordeursite in de zone GF1

T2. bestaande centrale toegang voor gemotoriseerd verkeer voor de zone GF1 onmiddellijk aanpalend aan de Stordeursite.

T3. bestaande centrale toegang voor al het commercieel verkeer op de betreffende site.

Deze toegang ontsluit de parking voor het cliënteel. Uitsluitend verkeer van het cliënteel van de hier reeds gevestigde grootschalige kleinhandels met personenwagens en lichte bestelwagens kunnen van deze toegang en deze parking gebruik maken;

T4. bestaande centrale toegang voor al het bedrijfsverkeer, ander dan het hoger vermeld commercieel verkeer, op de betreffende site. Deze toegang sluit aan op de circulatieruimten en ontsluit alle bedrijfsgebouwen die op de site gevestigd zijn.

Uitsluitend bedrijfsverkeer andere dan het cliënteel van de hier gevestigde grootschalige kleinhandel kunnen van deze toegang en deze parking gebruik maken.

T5. bestaande centrale toegang voor de bedrijfsvoering

T8. bestaande centrale toegang voor gemotoriseerd verkeer die in de voormalige bedrijfsconstellatie vereist was voor de afwikkeling van het vrachtverkeer.

T9. een secundaire in- en uitgang voor de bedrijfsvoering. Bij reorganisatie van het productieproces of de inplanting van nieuwe activiteiten op het perceel dient

De hoofdontsluiting in het plangebied gebeurt via de Aarschotsesteenweg.

Dat legt voorwaarden op aan de interne circulatieruimte van de ontwikkelde en in ontwikkeling zijnde terreinen. Vanuit het algemene principe om de ontsluitingsinfrastructuur te rationaliseren, worden de toegangen tot de percelen gebundeld en beperkt tot een minimum.

(22)

onderzocht of deze ontsluiting kan worden geoptimaliseerd, bv. voor een toekomstige opsplitsing van vrachtverkeer en personenverkeer met het oog op veiligheid. Zo mogelijk kan deze toegang voor gemotoriseerd verkeer worden gebundeld met de hoofdtoegang van T8.

T10. bestaande centrale toegang voor de bedrijfsvoering

De overige bestaande toegangen mogen niet behouden blijven en dienen herschikt te worden, tenzij deze nodig zijn voor hulpdiensten.

Bijkomende ontsluitingen langs de Dijledreef zijn niet uitgesloten, voor zover rekening wordt gehouden met de veiligheid voor fietsers en voetgangers die gebruik maken van de (fiets)verbinding langs de Dijledreef.

De circulatieruimten dienen, in zoverre dit verenigbaar is met de voertuigen die van deze ruimten gebruik maken, maximaal te worden ingegroend met hoogstammige bomen waarbij minimaal 8 hoogstammen per 100 lopende meter circulatieruimte dienen te worden aangeplant. Daar waar de circulatieruimte binnen het perceel gelegen is naast of eventueel deels overlapt met een ‘dwars groen lint’ (gerealiseerd volgens bijzondere bepalingen §3.4), wordt aan deze eis reeds voldaan.

3.1.7 Parkeervoorzieningen

- Zie algemene bepalingen

3.1.8 Veiligheidsvoorschriften

- Zie algemene bepalingen

3.1.9 Fasering en ontwikkelingsvoorwaarden - Zie algemene bepalingen

(23)

3.2

ZONE VOOR GEMENGDE FUNCTIES (GF2)

V E R O R D E N E N D G E D E E L T E T O E L I C H T I N G

3.2.1 Bestemming

Deze zone wordt voorbestemd voor plaatsgebonden bedrijvigheid.

Uitsluitend volgende bestemmingen worden toegelaten:

In hoofdbestemming:

- schone productie; diverse kmo’s en ambachten, nijverheid en industrie;

- logistiek en distributie

- openbare of semi-openbare diensten waarvan de aard en/of de omvang aansluit bij de overige activiteiten in de Vaartzone;

- diensten In nevenbestemming:

- recreatie

- kantoren, opslagruimtes, werkplaatsen, sociale voorzieningen en toonzalen als essentiële aanvulling van de hoofdbestemming binnen dezelfde bedrijfsvoering en op dezelfde bedrijfssite;

- bedrijfsgebonden woongelegenheden zijn toegelaten;

- opslag in open lucht is toegelaten, doch dient deze steeds nauwgezet te worden afgewogen in het licht van de beoogde ruimtelijke kwaliteit en het ruimtelijk rendement.

Binnen de gearceerde zone K (in overdruk) zoals aangeduid op het grafisch plan worden kantoren wel in hoofdbestemming toegelaten, enkel in geval van functies van algemeen nut of universele dienstverlening. Indien in deze gearceerde zone een andere functie dan een functie van algemeen nut of universele dienstverlening wordt ingeplant, worden kantoren enkel toegelaten in nevenbestemming.

Publieke (groene en verharde) ruimten worden toegelaten.

Autonome kantoren en horeca zijn niet toegelaten.

Zoals vermeld in de toelichtingsnota zijn plaatsgebonden bedrijven over het algemeen onder te verdelen in drie groepen. Het betreft (1) die bedrijven die Leuven als belangrijkste afzetmarkt hebben en die noodzakelijk zijn voor de Leuvense inwoners, andere Leuvense bedrijven en de grote instellingen. Ook logistieke bedrijven met toeleveranciers in de buurt kunnen hier een plaats krijgen, (2) die bedrijven die bijdragen aan de werkgelegenheid voor de Leuvense beroepsbevolking die minder kansen krijgt binnen de andere economische speerpunten (kenniseconomie, beslissingscentra, zorg), en (3) die regionale of internationale bedrijven die een historische aanwezigheid kennen in Leuven, een belangrijk patrimonium beheren in de stad, en vaak ook hun hoofdzetel hebben in Leuven. Sommige van hen zorgen voor heel wat werkgelegenheid bij de korter geschoolde groepen op de arbeidsmarkt.

Bestaande vergunde grootschalige kleinhandelszaken binnen de bestemmingszone krijgen een zonevreemd karakter, maar kunnen blijven functioneren in het plangebied. Enkel bij stopzetting van de activiteiten zal er sprake zijn van de bestemmingen zoals bepaald in voorliggend RUP. De bestaande vergunde of vergund geachte woningen krijgen eveneens een zonevreemd karakter.

Zoals vermeld in de definities wordt onder recreatie verstaan; een functioneel geheel van ruimtes of terreinen bestemd voor een vorm van vrijetijdsbesteding (uitgezonderd horeca). In de zone GF2 kan dit bijvoorbeeld gaan om een geïntegreerde sportactiviteit met aansluitend ruimte voor clubgebonden activiteit (kantine, kleedkamers, clubruimten,..), of ruimten voor het verenigingsleven. Deze wordt bij voorkeur in het gebouw geïntegreerd, maar kan bijvoorbeeld ook op het dak van een opslagloods worden gerealiseerd (bv. sportveld, looppiste, groendak met zitbanken, e.d.). Deze ruimten kunnen maar moeten niet publiek toegankelijk zijn.

In de zone waar vandaag de kantoren van Eandis zijn gelegen, worden kantoren in hoofdbestemming toegelaten, gezien deze instaan voor het algemeen nut en dienstverlening.

(24)

Inrichtingen met opslagruimte voor gebruikte voertuigen, voertuigwrakken en/of schroot worden niet toegelaten.

De bedrijven mogen voor de omgeving geen abnormale hinder noch bodem- of luchtvervuiling, geluidshinder, stank en trillingshinder veroorzaken. De huidige bestaande en vergunde activiteiten worden niet als milieubelastend beschouwd. Substantieel bijkomende milieubelastende activiteiten zijn niet toegelaten. Hieronder wordt verstaan alle nieuwe activiteiten van die omvang, aard of met gevaarrisico dat het niet mogelijk is, door het nemen van maatregelen, alle milieuhinder of gevaar in de ruime zin van het woord, binnen de grenzen van het eigen bedrijfsterrein te houden.

Aansluitend op artikel 2.2.6 §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ressorteert deze bestemming onder de gebiedscategorie Bedrijvigheid.

In de BPA’s Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4 dewelke voorliggend RUP vervangt, waren geen milieubelastende bedrijven toegelaten. De bestaande inrichtingen vergund op basis van deze BPA’s worden niet als milieubelastend beschouwd en worden dus niet zonevreemd. De stad wil vasthouden aan deze beleidskeuze, en laat in voorliggend RUP geen nieuwe vormen van bedrijvigheid toe met milieubelastende effecten. In Leuven zijn er nog andere bedrijventerreinen die hier beter in aanmerking komen voor nieuwe milieubelastende activiteiten en daarvoor ook reeds jaren bestemd zijn, zoals in Heverlee en Haasrode.

Als referentiekader voor de exploitatie gelden de Vlarem II normen en voorschriften.

3.2.2 Onbebouwde ruimte - Zie algemene bepalingen

3.2.3 Inrichting

- Zie algemene bepalingen 3.2.4 Bebouwing - Zie algemene bepalingen

3.2.5 Vergunningen

- Zie algemene bepalingen

3.2.6 Toegangen en doorgangen

Vanaf de Aarschotsesteenweg worden voor de zone GF2 twee toegangen voor gemotoriseerd verkeer toegelaten, zoals aangeduid op het grafisch plan. Elke toegang vanaf de openbare weg moet voldoende sprekend zijn.

T6. centrale toegang voor gemotoriseerd verkeer ter hoogte van de bestaande gebouwen momenteel gebruikt door de Stadsreiniging.

T7. bestaande centrale toegang voor gemotoriseerd verkeer.

De hoofdontsluiting in het plangebied gebeurt via de Aarschotsesteenweg. Dat legt voorwaarden op aan de interne circulatieruimte van de ontwikkelde en in ontwikkeling zijnde terreinen.

Vanuit het algemene principe om de ontsluitingsinfrastructuur te rationaliseren, worden de toegangen tot de percelen gebundeld en beperkt tot een minimum.

(25)

De circulatieruimten dienen, in zoverre dit verenigbaar is met de voertuigen die van deze ruimten gebruik maken, maximaal te worden ingegroend met hoogstammige bomen waarbij minimaal 8 hoogstammen per 100 lopende meter circulatieruimte dienen aangeplant.

De overige bestaande toegangen mogen niet behouden blijven en dienen op termijn herschikt te worden.

3.2.7 Parkeervoorzieningen

- Zie algemene bepalingen

3.2.8 Veiligheidsvoorschriften

- Zie algemene bepalingen

3.2.9 Fasering en ontwikkelingsvoorwaarden - Zie algemene bepalingen

(26)

3.3 Z

ONE VOOR BROUWERIJ EN AANVERWANTE FUNCTIES

(BAF)

V E R O R D E N E N D G E D E E L T E T O E L I C H T I N G

3.3.1 Bestemming

Deze zone wordt voorbestemd voor brouwerij en aanverwante functies. Hierbij geldt:

In hoofdbestemming:

- brouwerij;

In nevenbestemming:

- kantoren, opslagruimtes, werkplaatsen, sociale voorzieningen en toonzalen als essentiële aanvulling van de hoofdbestemming binnen dezelfde bedrijfsvoering en op dezelfde bedrijfssite;

- opslag in open lucht is toegelaten, doch dient deze steeds nauwgezet te worden afgewogen in het licht van de beoogde ruimtelijke kwaliteit en het ruimtelijk rendement;

- bedrijfsgebonden woongelegenheden zijn toegelaten.

De bedrijven mogen voor de omgeving geen abnormale hinder noch bodem- of luchtvervuiling, geluidshinder, stank en trillinghinder veroorzaken. De huidige bestaande en vergunde activiteiten worden niet als milieubelastend beschouwd. Substantieel bijkomende milieubelastende activiteiten zijn niet toegelaten.

Hieronder wordt verstaan alle nieuwe activiteiten van die omvang, aard of met gevaarrisico dat het niet mogelijk is, door het nemen van maatregelen, alle milieuhinder of gevaar in de ruime zin van het woord, binnen de grenzen van het eigen bedrijfsterrein te houden.

Kleinhandel is niet toegelaten. Voor bestaande kleinhandel is de algemene bepaling onder §2.13.2 van toepassing in die mate dat deze onder de omschreven voorwaarden van deze bepaling kan behouden blijven.

De ontsluiting dient wel te worden georganiseerd vanuit de Dijledreef in overleg met de aangelanden en in zoverre er op het tracé geen beperking van toegangen voor de aanliggende percelen grafisch werd aangeduid.

Aansluitend op artikel 2.2.6 §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ressorteert deze bestemming onder de gebiedscategorie Bedrijvigheid.

De brouwerij als specifieke vorm van productie en bedrijvigheid kent een historische aanwezigheid in Leuven en zorgt voor heel wat werkgelegenheid. De stad wenst dit type van bedrijvigheid te verankeren in Leuven en bevestigt dit als hoofdbestemming in deze zone.

In de BPA’s Aarschotsesteenweg 2, 3 en 4 dewelke voorliggend RUP vervangt, waren geen milieubelastende bedrijven toegelaten. De bestaande inrichtingen vergund op basis van deze BPA’s worden niet als milieubelastend beschouwd en worden dus niet zonevreemd. De stad wil vasthouden aan deze beleidskeuze, en laat in voorliggend RUP geen nieuwe vormen van bedrijvigheid toe met milieubelastende effecten. Als referentiekader voor de exploitatie gelden de Vlarem II normen en voorschriften.

3.3.2 Onbebouwde ruimte - Zie algemene bepalingen

(27)

3.3.3 Inrichting

Naast de algemene inrichtingsprincipes zoals aangegeven in §2.6 van de algemene bepalingen, geldt volgende specifieke eis:

- Opslag dient bij voorkeur niet ondergebracht te worden in ruimtes grenzend aan de Aarschotsesteenweg.

Indien omwille van de specifieke aard van de bedrijvigheid toch opslag langsheen de Aarschotsesteenweg georiënteerd wordt dan dient deze integraal in de bouwvolumes geïntegreerd te worden.

3.3.4 Bebouwing

Voor de nieuwbouw zijn de bouwhoogten, in tegenstelling tot de algemene bepalingen, niet gelimiteerd tot 15m.

De bouwhoogten dienen in harmonie te zijn met de omgeving in die zin dat zij:

- of een aansluiting nemen op de hoogte van de gebouwen naast de ‘Stella Artois’-toren in functie van een symmetrische afwerking van het complex langsheen de Ring (zone van de nieuwe brouwerij aan de Lüdenscheidsingel/Diestsevest/ Vuurkruisenlaan);

-

en tevens een geleidelijke overgang waarborgen naar de bouwhoogtes die in de rest van de

bedrijvenzones langsheen de Aarschotsesteenweg zijn vastgesteld op minimaal 7 meter en maximaal 15 meter, met maximaal 4 bouwlagen, waarbij de bestaande bouwhoogte op het aanpalende perceel in de zone GF1 mee bepalend zal zijn voor de af te bouwen bouwhoogte.

Het omvangrijke bouwvolume van de productie heeft tussen de Vuurkruisenlaan en de Aarschotsesteenweg een ruimtelijk opgaand accent gekregen met een torenvolume met brouwketels. Aan de Vuurkruisenlaan markeert deze toren de overgang van het Vaartlandschap naar de binnenstad.

3.3.5 Vergunningen

- Zie algemene bepalingen

3.3.6 Toegangen en doorgangen

Voor de zone BAF wordt de toegang voorzien langsheen de Dijledreef (het nieuwe tracé van de voormalige Kesselstraat). Er worden geen toegangen in aansluiting op de Aarschotsesteenweg voorzien met uitzondering van één nieuwe inrit en uitrit met verplichte rechtsafbeweging T11, zoals aangeduid op het grafisch plan, die in samenspraak met de stad Leuven langsheen de Aarschotsesteenweg kan worden voorzien. De ligging van deze uitrit T11 op het grafisch plan is indicatief.

De bestaande toegangen mogen behouden blijven doch dienen bij aanvraag van een omgevingsvergunning desgevallend herschikt te worden in functie van de uitvoering van het RUP.

Op de site ten zuiden van MetaLeuven werd een parking aangelegd door AB InBev, en wordt in de nabije toekomst ook een nieuwe representatieve hoofdingang voor bezoekers gerealiseerd. Optiek is ook om de logistieke bewegingen te optimaliseren en daarmee de verkeerscirculatie op de Leuvense ring te verbeteren.

Daartoe wordt een bijkomende in- en uitrit (met uitgaand een verplichte rechtsafslaande beweging richting Vuntcomplex) op de Aarschotsesteenweg vooropgesteld.

Afbeelding

Updating...

Referenties

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :