Eenige Indische munfquaesiies

In document TIJDSCHRIFT VAN DE VEREENIGING VOOR STUDIE VAN KOLONIAAL- (pagina 191-200)

door

Mr. J. WESTERMAN HOLSTIJN.

I.

Sinds geruimen tijd heerscht er in Ned.-Indië een bedenkelijke schaarschte aan zilveren standpenningen. Rijksdaalders, guldens en halve guldens zijn reeds lang niet meer altijd en overal in die hoeveelheden verkrijgbaar als voor een vlot betalingsverkeer wel wenschelijk zou zijn en allerwege klaagt men over dezen toestand. Nu is zulk een tekort aan specie een verschijnsel, dat zich bijna overal elders in de wereld sedert het uitbreken van den oorlog heeft voorgedaan en waarmede men ook nu nog nage-noeg allerwege in het geldverkeer te kampen heeft. In de meeste landen houdt dit tekort verband met overmatige papieruitgifte, ongunstige wisselkoersen en onzekere rechtstoestanden, maar in Indië is het gebrek aan zilvergeld niet aan dergelijke oorzaken, voortkomende uit een ontredderden financieelen toestand, te wijten.

Tot recht begrip, hoe hier te lande dan deze schaarschte aan zilvergeld is ontstaan, en tevens om te doen uitkomen op welke

•wijze in de toekomst een dergelijke toestand alleen is te voor-komen, komt het mij het beste voor chronologisch over een tijd-vak der laatste 12 jaar na te gaan, hoe de behoefte in Indië aan zilvergeld is geweest en op welke wijze daarin voorzien is ge-worden.

Vóór het jaar 1912 was Nederland in het bezit van een grooten

•voorraad zilveren standpenningen, welk zilver nog afkomstig was uit den tijd vóór 1877, in welk jaar de munt definitief voor de

1

184 E E N I G E I N D I S C H E M U N T - Q U A E S T I E S

vrije a a n m u n t i n g v a n z i l v e r g e l d w e r d g e s l o t e n en N e d e r l a n d t o f d e n g o u d e n s t a n d a a r d o v e r g i n g . G r o o t e h o e v e e l h e d e n g u l d e n s en r i j k s d a a l d e r s l a g e n j a a r in, j a a r uit in de k e l d e r s v a n de Neder--l a n d s c h e B a n k , aNeder--ls o v e r t o Neder--l Neder--l i g e v o o r r a a d r u i Neder--l m i d d e Neder--l , dat v o o r d e circulatie n i e t b e n o o d i g d w a s .

Bij den o v e r g a n g t o t den g o u d e n s t a n d a a r d w a s dit w e l v o o r -zien, doch m e n h a d h e t n i e t wenschelijk g e a c h t de o v e r t o l l i g e zilveren m u n t e n dadelijk o m te z e t t e n in g o u d e n , h e t g e e n op d a t o o g e n b l i k bij den l a g e n prijs v a n zilver t e g e n o v e r g o u d den S t a a t : een zeer aanzienlijk verlies zou h e b b e n b e r o k k e n d . D e zilveren g u l d e n s , h a l v e g u l d e n s en r i j k s d a a l d e r s b l e v e n d e r h a l v e g e h a n d haafd als w e t t i g b e t a a l m i d d e l t o t elk b e d r a g , z o o w e l in N e d e r -l a n d a-ls in N e d . I n d i ë , terwij-l zij in w e e r w i -l v a n h u n n e -l a g e r e i n t r i n s i e k e w a a r d e b l e v e n g e l d e n als Ij 10, 1|20 en 1[4 v a n h e t g o u -den t i e n g u l d e n s t u k .

N e d . I n d i ë k o n e c h t e r v a n dit v o o r N e d e r l a n d o v e r t o l l i g e zil-v e r g e l d g e r e g e l d h o e zil-v e e l h e d e n zil-v o o r h a r e circulatie g e b r u i k e n , , v o o r a l s e d e r t 1900 en door g e r e g e l d z e n d i n g e n uit N e d e r l a n d t e b e t r e k k e n , k o n I n d i ë op zeer e e n v o u d i g e wijze in zijne behoefte-a behoefte-a n m e e r r u i l m i d d e l e n v o o r z i e n . W behoefte-a n n e e r I n d i ë zilveren m u n t e n n o o d i g h a d , behoefde h e t N e d e r l a n d s l e c h t s d a a r o m te v r a g e n , o m h e t t e r s t o n d te o n t v a n g e n u i t den a l d a a r a a n w e z i g e n overtollige!!

voorraad, w a a r v a n g a a r n e a f s t a n d g e d a a n w e r d . V a n 1 A p r i l 1907 t o t 31 M a a r t 1911 o n t t r o k I n d i ë per s a l d o ( J a a r v e r s l a g J a v a s c h e Rank 1911112 blz. 28) ƒ 42.000.000 aan zilver aan N e d e r l a n d , w a a r -v a n toen ƒ 11.000.000 in de k a s s e n der- J a -v a s c h e B a n k in r e s e r -v e bleef, terwijl ƒ 31.000.000 in de circulatie afvloeide.

I n 1911 e c h t e r w e r d de t o e s t a n d a n d e r s .

I n d a t j a a r toch w e r d n o g eens ƒ 11 millioen a a n de N e d e r l a n d s c h e B a n k t e n b e h o e v e v a n I n d i ë o n t t r o k k e n , m a a r d a a r m e d e -w a s d a n ook aan den o v e r t o l l i g e n v o o r r a a d v a n N e d e r l a n d een eind g e m a a k t . D e h o e v e e l h e i d zilveren m u n t , in r e s e r v e in de k e l d e r s v a n de N e d e r l a n d s c h e B a n k , w a s op d a t tijdstip hoofd-zakelijk t e n g e v o l g e v a n de v o o r t d u r e n d e v e r z e n d i n g e n h e r w a a r t s d e r m a t e g e s l o n k e n , d a t uit dien v o o r r a a d v o o r I n d i ë n i e t vrijelijk m e e r g e p u t k o n w o r d e n . E n t o e n dan ook de J a v a s c h e B a n k , die h a a r z i l v e r v o o r r a a d d o o r afvloeiing in de circulatie geleidelijk z a g v e r m i n d e r e n , h a r e n m e t a a l v o o r r a a d als d e k k i n g v o o r h a r e

obligo';-E obligo';-E N I G obligo';-E I N D I S C H obligo';-E M U N T - Q U A obligo';-E S T I obligo';-E S 185

weer moest versterken, moest zij een bedrag van ƒ 7 millioen in goud in plaats van in zilver naar Indië verschepen. (Jaarverslag

191 Ij 12 blz. 31). Nieuwe voorraden zilver waren op dat oogenblik derhalve voor Indië niet te verkrijgen: een overtollige voorraad in Nederland, waaruit voor dit doel geput kon worden, bestond niet meer, terwijl de toenmalige Muntwet verbood nieuwe zilveren teekenmunt anders aan te maken dan uit de reeds bestaande Ne-deilandsche zilveren munten.

Deze toestand kon niet lang zonder gevaar voor de geregelde voorziening van de circulatie in Ned. Indië met zilveren ruilmid-delen bestendigd blijven en te rechter tijd werd dan ook in. 1912 een wijziging van de Muntwet in het leven geroepen tengevolge waarvan de Regeering in staat gesteld werd bij voorkomende be-hoefte aan meer ruilmiddelen, zilver in de zilvermarkt aan te koopen teneinde daarvan nieuwe teekenmunten te laten slaan;

(wetten van 31 October 1912, stbl. 324 en 325, Indisch stbl. 610 en 611). Sinds deze wijziging, in 1912 in de Muntwet aangebracht, v/as het derhalve weer mogelijk de totale hoeveelheid zilveren munten in Nederland en Ned. Indië te vergrooten door middel

\ an aanmuntingen uit nieuw gekocht zilver en elke vrees, dat men hier te lande wel eens voor een tekort aan specie zou komen te staan, was daarmede van de baan.

De afvloeiing van zilver uit de kassen der Javasche Bank in het betalingsverkeer bleef intusschen voortgaan. Het boekjaar 1912(13 toonde per slot van rekening eene vermindering in den voorraad van ƒ 13 millioen, zoodat het noodig geacht werd thans van Regeeringswege over te gaan tot nieuwe aanmunting van zilveren teekenmunt, waartoe de wijziging van de Muntwet de gelegenheid reeds opengesteld had.

Het bleek echter het volgende jaar, dat deze aanmunting voors-hands niet noodig was.

Wij lezen toch hieromtrent in het verslag van de Javasche Bank over het boekjaar 1913(14 op blz. 26 en vlg.

„Verwacht was dat in 1913 een ongeveer gelijke afvloeiing van zilveren standpenningen in de circulatie zou plaats hebben als in voorgaande jaren en dat daarvoor dan zouden dienen de door het Gouvernement aan te voeren zilveren munt. Deze verwachting heeft

186 E E N I G E I N D I S C H E M U N T - Q U A E S T I E S

zich e c h t e r niet v e r w e z e n l i j k t ; v o o r h e t e e r s t na elf j a a r afvloeiing heeft een t e r u g v l o c i i n g van zilveren m u n t uit de circulatie p l a a t s g e h a d en wel van ƒ 1.747.531.23. S e d e r t 1903 n a m de circulatie een b e d r a g van ƒ 59.223.000 a a n grof zilver op, terwijl d o o r h e t G o u v e r -n e m e -n t b o v e -n d i e -n v o o r ƒ 24.978.000 aa-n p a s m u -n t i-n circulatie w e r d g e b r a c h t , z o o d a t in t o t a a l dus h e t e n o r m e b e d r a g van 84 millioen a a n grof zilver en p a s m u n t in 11 j a a r d o o r de circulatie in N e d . - I n d i ë is o p g e n o m e n " .

„ I n v e r b a n d m e t deze m i n d e r e v r a a g n a a r zilver a c h t t e de J a v a s c h e B a n k h e t tijdstip a a n g e b r o k e n o m d e r R e g e e r i n g te a d v i s e e r e n in 1914 v o o r l o o p i g g e e n zilveren s t a n d p e n n i n g e n n a a r I n d i ë te l a t e n k o m e n e n in o v e r e e n s t e m m i n g m e t deze a d v i e z e n w e r d de a a n m u n t i n g v o o r N e d . - I n d i ë van ƒ 9.5 millioen zilveren s t a n d p e n n i n g e n v o o r l o o p i g v a n d e b e g r o o t i n g v o o r 1914 d o o r de E e r s t e K a m e r a f g e v o e r d " .

In Juli—Augustus 1914, bij het uitbreken van den oorlog, was de toestand in Indië derhalve zoodanig, dat voldoende hoeveel-heden zilvergeld voor de circulatie aanwezig waren, terwijl, wan-neer zich wederom afvloeiing mocht voordoen, uit Nederland tijdig nieuwe munten betrokken konden worden middels aanmun-ting.

Het is bekend, welk een uiterst dringende vraag naar zilvergeld zich in Nederland voorgedaan heeft in de eerste weken na het uitbreken van den oorlog. De Nederlandsche Bank werd als het ware dag en nacht belegerd door menschen, die hun bankpapier in zilver wenschten om te zetten. Van de hoofddeur van het ge-bouw langs de geheele oude Turfmarkt tot in de Doelenstraat toe bevond zich tot zelfs in den nacht een op rijen opgestelde menigte, die zich uren wachtens getroostte om toch maar wat zilvergeld machtig te worden. Bij de postkantoren en banken, overal in den lande, was de aandrang even hevig en allen moesten terugvallen Op de Nederlandsche Bank. Geen wonder, dat de voorraad zilveren munt bij het centrale kantoor op deze wijze spoedig uitgeput raakte, ja zelfs nog vóórdat de in allerijl aangemaakte muntbil-jetten in voldoende hoeveelheden in gereedheid waren gebracht.

Burgemeesters en werkgevers moesten tijdelijk met eigengemaakte biljetten of bonnetjes te hulp schieten, doch voor enkele dagen slechts, want daarna waren de muntbiljetten, de zoogenaamde zilverbons in voldoende hoeveelheid verkrijgbaar. Ook na de eerste dagen van opwinding echter, na den eigenlijken run, bleef er in

E E N I G E I N D I S C H E M U N T - Q U A E S T I E S 187

Nederland behoefte aan meer kleinere ruilmiddelen bestaan. In weerwil van herhaalde aanmuntingen, — alle muntwerkzaamhe-den voor Indië waren terstond stopgezet (zie Muntverslag over 1914 blz. 3) — moesten de zilverbons in omloop blijven, nog sterker, de uitgifte van zilverbons moest telkens weer uitgebreid worden, zoodat in November van het jaar 1918, dus na ruim 4 jaar, het maximum, zijnde f 7H/£ milliocn, bereikt werd. Daarna is de circulatie van zilverbons geleidelijk teruggeloopen, hoewel zij 29 November 1919 toch nog f 40 millioen bedroeg.

Hoewel zich in Indië bij het uitbreken van den oorlog eveneens een sterke vraag naar zilvergeld heeft geopenbaard, is toch het verloop hier te lande geheel anders geweest dan in Nederland.

Gedurende de eerste dagen werd door de Javasche Bank bijna j 12 millioen aan zilver uitbetaald, doch deze zucht tot inwisseling van bankpapier tegen specie duurde niet l a n g : begin September begon het zilver al weder terug te vloeien, (zie jaarverslag Jav.

Bank 1914; 15 blz. 49). De voorraad zilveren specie en pasmunt bij de Javasche Bank bedroeg 4 April 1914 ƒ 29 millioen, en daalde 29 Augustus d.a.v. tot ƒ 20 millioen als laagste punt, om daarna weder geleidelijk te stijgen, zoodat 5 April 1915, het begin van het volgende boekjaar, weer een zelfde bedrag van ƒ 29 millioen als een jaar geleden in de kassen van de Javasche Bank aanwezig was. En ook daarna had g e en afvloeiing, doch terugvloeiing uit het verkeer plaats, zoodat de voorraad op 1 April 1916 tot ƒ 33 millioen gestegen was.

In Indië is derhalve in de jaren 1913 tot 1916, in tegenstelling met eene lange reeks van daaraan voorafgaande jaren, eene terug-vloeiing van zilvergeld uit de circulatie te constateeren geweest, en het had op dat oogenblik dan ook geen bezwaar dat de Munt te Utrecht hare werkzaamheden beperkte tot de voorziening van de behoeften van Nederland zelve.

In den loop van 1916 en begin 1917 echter veranderde het getij en ƒ 10 millioen vloeide af van den voorraad van de Javasche Bank. De scheepvaartverbinding met het Moederland was toen reeds onregelmatig en het overbrengen van eene flinke hoeveel-heid zilveren munten, welke zending ter vermindering van het risico wel over verschillende verschepingen zoude verdeeld moeten

1 8 8 EENIGE INDISCHE MUNT-QUAESTIES

worden, zou noodzakelijkerwijze een aanzienlijken tijd in beslag nemen. Met het oog op dezen vermoedelijk langen duur van'ver-voer en verwachtende dat de afvloeiing zou blijven aanhouden, drong de Javasche Bank bij de Regeering aan om spoed te be-trachten met de aanmunting en uitzending van 5 millioen guldens (zie Jaarverslag Jav. Bank 1916)17 blz. 36). Inderdaad bleef de voorraad zilvergeld van de Javasche Bank ook verder in 1917 en in den aanvang in 1918 regelmatig verminderen, ditmaal voor een totaal van ƒ A]/2 millioen. Aanvulling van dien voorraad werd dringend noodig en van dit oogenblik af begint 'de lijdensgeschie-denis der specievoorziening van Indië, als gevolg van hare abso-lute afhankelijkheid in dit opzicht van Nederland. Die aanvulling toch, in 1917 reeds zoo gewenscht, was niet te verkrijgen. Wel-iswaar had de Indische Regeering in Nederland voor de jaren 1916, 1917 en 1918 aan zilveren standpenningen en pasmunt tot een bedrag van ƒ 24 ^ millioen besteld, doch tot 31 Maart 1918 was daarvan in Indië slechts ƒ l /2 millioen afgeleverd en kort na dien datum nog eens ƒ 1% millioen, (zie jaarverslag 1917)18 van Qc Javasche Bank blz. 44). De voorraad bij de Javasche Bank be-droeg 31 Maart 1918 nog niet eens ƒ 20 millioen, en verdere ver-sterking was voor de naaste toekomst vrijwel uitgesloten, omdat de onbeperkte duikbootenoorlog het verkeer ter zee voor de neu-tralen ondoenlijk maakte. „ H e t is der Javasche Bank niet mogelijk op eenige wijze haar voorraad aan te vullen", zegt het jaarverslag over 1917(18 blz. 44 ter kenschetsing van den toestand.

Afgesneden van het Moederland, moest Indië zelfstandig de voorziening van zijn binnenlandsch betalingsverkeer met ruilmid-delen geheel ter hand nemen. Zilvergeld aanmuntcn, hetgeen de eenige juiste oplossing ware geweest, kon en mocht het echter niet, want eene eigen muntinrichting was der Kolonie niet ge-schonken. En zoo was Indië wel- gedwongen de noodige voorbe-reidselen te treffen om, in geval de afvloeiing van zilvergeld aan-hield en versterking der voorraden uit Nederland uitbleef, het be-talingsverkeer te hulp te komen met muntbiljetten. Reeds het ver-slag over 1917(18 van de javasche Bank (blz. 45 en 46) gewaagt van het voornemen der Regeering om in geval van nood munt-biljetten uit te geven, maar noodzakelijk zou er geruimen tijd moe-ten verloopen, voordat deze muntbiljetmoe-ten in groote hoeveelheden

E E N I G E I N D I S C H E M U N T - Q U A E S T I E S 189

in Indië voor uitgifte gereed zouden liggen. Aangezien de verbin-ding met Nederland, van waar ook geen zilvergeld te verkrijgen

•was" verbroken was, moest de Regeering wel besluiten haar be-stelling in Amerika te plaatsen, en reeds met het voorloopig over-leg ten aanzien van de voorwaarden waarop het oorlogvoerende Amerika dit papieren geld voor Indië zou vervaardigen, was ge-ruimen tijd gemoeid. Ook het ontwerpen van de modellen daarna 1-ostte tijd, evenals de vervaardiging zelve van de eerste 7 millioen

stuks (f 5.000.000 van ƒ 1 . - en ƒ 5.000.000 van ƒ 2.50) en tenslotte het vervoer naar Indië. Maar toch kon de President van de

Java-sche Bank in zijn op 29 Juli 1919 uitgebracht verslag over het boekjaar 1918J19 vermelden, dat de muntbiljetten.in Indie waren .aangekomen (blz. 60 van het verslag).

Konden deze nieuwe ruilmiddelen toen echter, zoo als de

be-•doeling was geweest, als reserve opgelegd worden, om te dienen yoodra de nood aan den man kwam? Het had er niet veel v a n : cie muntbiljetten kwamen in Indië aan op een oogenblik, toen de behoefte aan veel meer ruilmiddelen reeds zeer dringend gewor-den w a s ; zij kwamen feitelijk geen dag te vroeg. Hoe toch had zich de toestand in het betalingsverkeer na 31 Maart 1918 ont-wikkeld?

Op ultimo Maart 1918 was de voorraad zilvergeld en pasmunt zooals wij hierboven hebben vermeld, te.ruggeloopen tot ƒ 19/2 millioen, terwijl verdere afvloeiing te verwachten was zonder veel kans op aanvulling uit Nederland, zoodat de toekomst met eemge bezorgdheid werd ingegaan, (zie jaarverslag Javasche Bank 1917|

18 blz 44) En inderdaad verminderde de voorraad snel in April, Mei en Juni 1918, zoodat begin Juli nog slechts ƒ 11.7 millioen ever was of iets meer dan de helft. Daarna had een kleine

terug-Uoeiing plaats en bleef de voorraad gcruimen tijd stationnair, tot-cat de gevolgen van den op 11 November 1918 gesloten wapen-stilstand tusschen de oorlogvoerende mogendheden zich deden gelden. Welke was de verandering die zich sedert het sluiten van den wapenstilstand heeft voorgedaan en. die zulk een grooten

m-Uoed op het betalingsverkeer hier te lande heeft gehad? In 1918 was het economische leven in deze gewesten in een uiterst beden-, keiijken staat geraakt. De gelegenheid tot afscheep der producten

•was geheel ontoereikend en voor zoover zij nog geboden werd,

190 E E N I G E I N D I S C H E M U N T - Q U A E S T I E S

geschudde het vervoer tegen onereuze vrachten. De prijzen daal-d e n t o t een ongekendaal-d laag- peil, in s o m m e e gevallen tobenedaal-del 1 ostprys, en het betalingsverkeer met de Inlandsche bevolkmg- v o "

getiden

r0m

r

d

n

n

,

tijd Cerder mindei

" *» — ™ « d e S

gele.ddyke ontwikkeling der op Europeesehe leest geschoeide en X k e" ^ b ^ ° - - o v e r n e m i n g e n (rubberfthee, s u L r . abak en koffie) en ook de uitbreiding der inlandsche culture •

oX '

P

" "r

1

^

S C h e P P e n h l t U S S C h e n

— kortdurende bZ

Loef e aan meer betalingsmiddelen, zoodat ook in 1918 nog zilver b eef afv oe:en. Sinds het sluiten van den wapenstilstand echter en het W d van het wereldverkeer is in den afzet der landbouw-producten eene groote opleving ontstaan; reeds spoedig konden de prijzen zich van hun diepen val herstellen en daarna trad eene ryzing in, die tot steeds hoogere prijzen voerde. In het midden van 1919 was de bmnenlandsche productenhandel uiterst levendig Bij den opkoop der producten onder de inlandsche bevolking wer-een prijzen besteed, twee, drie en meer malen zoo hoog als wer-een jaar te voren. Tengevolge van deze stijging in de prijzen waren in eens veel meer ruilmiddelen noodig dan tot dusver," want voor elke picol coprah bijv. was nu eenige malen het bedrag van. vroeger neer te tellen Van daar een uiterst dringende vraag naar k l e i n L betalingsmiddelen, die bevrediging eischte, wilde de opkoop der producten ongestoord voortgang kunnen hebben. Omtrent den omvang dezer vraag kan men zich eemgszins een voorstelling maken, wanneer men bedenkt dat b.v. coprah van ƒ 1 0 - tot ƒ 1 2 . - per picol in 1918, in 1919 gestegen was tot ƒ 3 0 - en hoo-ger. Aannemende dat jaarlijks 4 millioen picols coprah door de inlandsche bevolking wordt verkocht, moesten voor den opkoop van coprah in 1919 alleen reeds minstens ƒ 72 millioen meer beta-lingsmiddelen gebruikt worden.

De hooge prijzen der producten waren het derhalve in de eerste-en voornaamste plaats, die eeerste-ene zeer sterke behoefte aan meer ruilmiddelen veroorzaakten. Daarnaast bestond intusschen nog eene oorzaak, waarom in 1919 meer ruilmiddelen noodig waren hoewel de invloed dezer oorzaak van veel minder belang te achten is. Ik bedoel den opkoop van padi onder de bevolking, waartoe de Pegeering in 1919 overging. Verkoopt de inlander als regel eerst

E E N I G E I N D I S C H E M U N T - Q U A E S T I E S 191

langzamerhand zijne padi, in 1919 kocht de Regeering op groote schaal de padioogsten op van de bevolking, zoodat ook uit dien hoofde over een groot bedrag aan betalingsmiddelen moest be-schikt worden.

Het is duidelijk dat de in Indië aanwezige zilvervoorraad, die reeds bij een normaal verloop onvoldoende geacht werd, geheel ontoereikend bleek om aan de eischen te voldoen die het betalings-verkeer stelde bij de zoo snel naar boven geloopen prijzen. Met den aanwezigen voorraad werd intusschen gewoekerd en de Java-sche Bank verdeelde middels talrijke kostbare zendingen haar specievoorraad over al haar kantoren zoodanig, dat overal zoo nogelijk eenige voorraad was en hulp kon geboden worden. Ook werden in 1919 weder eenige zilverzendingen uit Nederland ont-vangen die eenige verlichting brachten. Van 31 Maart 1919 tot

eind Januari 1920 werd ontvangen ƒ 4 millioen guldens, ƒ 4 mil-lioen halve guldens en ƒ 1 milmil-lioen rijksdaalders, die terstond over de kantoren van 's Landskas en de Javasche Bank verdeeld wer-den ; de voorraad van de Javasche Bank liep in hetzelfde tijdvak terug van ƒ 10 millioen tot ƒ 2.7 millioen. In totaal is van April 1914 tot December 1919 aangevoerd f 17 millioen, terwijl de voor-raad bij de Javasche Bank verminderde van ƒ 29 millioen tot ƒ 2.7 millioen, zoodat ongeveer ƒ 43 millioen in het verkeer moet zijn afgevloeid. Daarnaast echter is voor een groot deel aan de behoefte tegemoet gekomen door bankpapier in kleinere coupures. D e bankbiljetten van ƒ 5, ƒ 10 en ƒ 25 werden, vooral toen eenmaal vaststond dat aan alle aanvragen om zilver toch n'iet voldaan kon worden, grif gebruikt voor den opkoop van producten en weldra kon de Javasche Bank met deze biljetten alleen de vraag naar klein papier niet meer bijhouden. Zij besloot daarom hare reserve-biljetten tot uitgifte te brengen, reserve-biljetten namelijk van een ander model dan de tot dusver in omloop zijnde en in coupures van f 20, ƒ 30 en ƒ 40 (zie Javasche Courant dd. 8 en 12 Aug. voor de B.B. van ƒ 20, dd. 5 en 9 Sept. van ƒ 30, dd. 19 en 22 Aug. van 7 40). Van eenige moeilijkheid bij het in omloop brengen dezer nieuwe soort biljetten was geen spoor te bekennen en de vraag bij alle kantoren was zoo dringend, dat voortdurend nieuwe zen-dingen noodig waren, die alle weder binnen zeer korten tijd in het verkeer opgenomen werden. In Augustus 1919 werd met de

uit-192 E E N I G E I N D I S C H E M U N T - Q U A E S T I E S

gifte dezer nieuwe biljetten begonnen en tot ultimo December 1919 werd zeker een bedrag van ongeveer f 50 millioen daarvan in omloop gebracht. De totale circulatie van bankbiljetten steeg van eind Maart 1919 van ƒ 210 millioen tot ƒ 256 millioen op 2 Augustus 1919 en tot ƒ 310 millioen op 31 Januari 1920, en aan-gezien deze uitbreiding voornamelijk verband hield met de be-staande dringende vraag naar meer kleinere ruilmiddelen wegens de hooge p.roductenprijzen, is de vermeerdering in hoofdzaak te-rug te brengen tot de biljetten der kleinere coupures (f 5, ƒ 10, ƒ 20, ƒ 25, ƒ 30, ƒ 40) zoodat daarvan in 4 maanden ongeveer ƒ 46 millioen en in 9 maanden ongeveer ƒ 100 millioen in omloop moet zijn gebracht.

In weerwil echter van alle pogingen om met den nog aanwezi-gen gerinaanwezi-gen zilvcrvoor.raad zooveel mogelijk overal aan de be-hoefte tegemoet te komen en niettegenstaande de uitgifte van ƒ 46 millioen nieuw bankpapier van April tot Augustus 1919 was echter aan de dringende vraag naar kleinere betalingsmiddelen slechts gedeeltelijk vojdaan. Eene groote onbevredigde behoefte bleef bestaan en toen dan ook de in Amerika bestelde muntbiljet-ten m Indië aangekomen waren, moesmuntbiljet-ten zij terstond voor uit-gifte in gereedheid gebracht worden. Begin Augustus werd met de uitgifte een begin gemaakt en ook dit nieuwe papier werd door cie bevolking terstond zonder eenige terughouding ontvangen. De uitgifte was d an ook, tegen veler verwachting, een groot succes en eind November 1919 waren reeds nagenoeg alle muntbiljetten, waarover de Regeering krachtens de ordonnantie van 18 Tuli 1919 (stbl. 408) de beschikking had, namelijk ƒ 10 millioen, in omloop gebracht.

Eene enkele opmerking zij thans, nu wij in het licht gesteld hebben hoe de behoefte aan kleinere ruilmiddelen in de laatste 10 a 12 jaar is geweest en op welke wijze daaraan is tegemoetgeko-men, nog gewijd aan'het feit dat in de laatste jaren vooral zulke groote hoeveelheden zilver en papier onder de bevolking is ge-bracht zonder dat een aanzienlijk gedeelte weer spoedig terug-stroomde. In het algemeen is de Inlander nog gewoon zijn geld in natura zelf te bewaren, eene handelwijze waarin slechts zeer langzaam verandering zal zijn te'brengen. Wel is waar bestaan

In document TIJDSCHRIFT VAN DE VEREENIGING VOOR STUDIE VAN KOLONIAAL- (pagina 191-200)