BOEK AANKONDIG ING EN.

Download (0)

Hele tekst

(1)

B O E K A A N K O N D I G I N G E N .

Beschouwingen over het vraagstuk onzer landsdefensie in den zomer van liet jaar 1873, door L. J. M. GLASIUS, Kapitein bij het wapen der Infanterie. 's-Hertoyenbosch. VAN HEÜSDEN.

1873. Prijs ƒ 0,40.

Het votum van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, op 30 Juni van het vorige jaar, heeft op vele vrienden van een goed. ingericht defensie-systeem een pijnlijken indruk gemaakt. Daaronder behoort de in onze militaire literatuur gunstig bekende Schrijver der hiervermelde brochure. In een betoog, dat van ernstig en diep nadenken de blijken draagt, wijst de Heer GLASIUS er o p , hoe, volgens zijne innige overtuiging, de verwerping van de voorgedragen wijziging in de militiewet, in werkelijkheid de uitdrukking is van den onbegrensdcn weerzin van ons volk tegen elke militaire krachtsinspanning. Naar zijne meening heeft de Tweede Kamer, door het uitspreken van haar veto, te dien opzichte met de meest nauwkeurige juistheid den wensch en den wil van de natie teruggegeven :

»0n n'est pivot de quelque ehose qu'a condition de tourner avec Ie reste." Eerst wanneer het volk anders zal denken en handelen, kan men verwachten , dat ook de Volksvertegenwoordiging hare denk- en handelwijze zal veranderen. Men sla intusschen geen middenweg i n , want zonder absolute afschaffing van plaatsver- vanging in eiken zin, behoudt rnen de oude gebroken in nieuwe gedaanten: alzoo geene afschaffing der plaatsvervanging met behoud der nommerverwisscling, en evenmin eene beperkte plaatsvervanging. Zoo ooit, dan zou men hier, door het nomen van halve maatregelen, geraken tot een doel, bepaald tegenovergesteld aan hetgeen men zich voorstelt te bereiken. Op dien grond moet het tegenwoordig stelsel van plaatsvervanging behouden blijven , totdat ons volk tot het besef zal zijn gekomen, dat het daarmede geheel breken moet. Men streve intusschen , ieder naar zijn vermogen en binnen den kring zijner bevoegdheid , om zijne over- tuiging met opzicht tot de noodzakelijkheid ecner algeheele hervorming, bij het algemeen ingang te doen vinden, ten einde langs dien weg tot eene invoering van het beginsel van den verplichten persoonlijken dienst te geraken.

Met dit weinige vermeen ik den gedachtenloop van mijn ouden academievriend te hebben weergegeven, toen het hierbesproken geschrift hem uit de pen vloeide.

(2)

Zal ik nu geroepen om zijn arbeid aan te kondigen, in eene ontleding treden der argumenten, door hem bijgebracht; .al ik vooral hem volgen in zijne wijsgeeng, bespiegelingen op meer dan een gebied 7 Waartoe zou het d .enen , daar waar instemming met het hoofddenkbeeld bestaat, dat namelijk de mvoermg van den verplichten persoonlijken dienst voor Nederland eene levensquaest.e ,s. Over o:, beginsel dus geen woord meer. Op één punt wil ik echter wijzen: en u,t over- tuiging, én door de openbare meening gedrongen, is de Regeering er toe overge- gaan, de invoering van den verplichten persoonlijken dienst voor te -J-J - zij niettemin dat beginsel door de Volksvertegenwoord.gmg hooft 4*.«M«m, is terecht een opmerkelijk verschijnsel genoemd, waarvan menigeen te verg, . . getracht heeft zich rekenschap te geven. Laat het zich nu voldoende verkla en Lon door de bewering, dat de uitspraak der Tweede Kamer do zu.vere weer ank zou ziin geweest van het gevoelen van het Nederlandsche volk? Dan dient m I gL Ir die bewering een degelijke grond te bestaan. De ******

steunt haar op de omstandigheid, dat de hnpopularite.it der wet a s het voor- naamste argument tegen de regeeringsvoordracht heeft geklonken. Te ve.geefr, zegt de Schrijver der brochure, zal men in al do redevoenngen zoeken naar eeno degelijke en duidelijke bewijsvoering, waarom de toepassing van het begmse]

don verplichten persoonlijken dienst niet noodzakelijk wordt gee.scht uit het oog- punt van algemeen staatsbelang; te vergeefs zal men daarin zoeken n a a r - o . n o zoodanige bewijsvoering, om aan te toonon dat, in weerw,. der "orakel, du in hot belang van het krijgswezen , de uitvoering door blondere omstandigheden bepaald onmogelijk is ; te vergeefs zal men zoeken naar overwegende bozwaren tegen den vorm dor voordracht, en evenzeer naar een behoorhjk afgebakenden weg, langs welken men, op andere wijze dan de Regeering, wil geraken tot eene her- vorming van ons krijgswezen. Aangenomen dat de opvattmg van den Heer G .s US juist is, dan komt het mij voor dat de groot, vraag, welke open bhjft, de c ,s.

of uit het bezigen van den weerzin des volks togen don verplichten persoonhjken dienst, als stormram tegen de wetsvoordracht, in verband met het germs .,„

andere degelijke argumenten, geene andere gevolgen zoude» z,jn te trekken dan juist die welke de Schrijver daaruit heeft afgeleid? Van een denker als de He ei GLASIUS die de adviezen der GODEFROI'S en der VADEE'S , met opzicht tot de beteekcnis van art. 177 dor Grondwet, zoo krachtig weerlegt, had men m.ssch.en kunnen verwachten dat ook dit veld der bespiegeling door hem ware betreden.

De volledigheid van zijn betoog zou er bij gewonnen hebben, on daardoor tevens zijn bijgedragen tot het opheffen van een twijfel, die nu nog bhjft bestaan: of werkelijk het votum van 30 Juni niet anders is dan de stem des volks.

Zoolang omtrent dit punt niet meer zekerheid bestaat dan de Heer GtASlüs ons geeft, en er zelfs gronden zouden kunnen worden bijgebracht voor de meemng dat het beginsel van verplichten persoonlijken dienst bij een groot deel der natie werkelijk wortel heeft geschoten, zou do lange wog, dien de geachte Schnjver wil aflegden om tot het doel te komen - het wijzigen eener volksovertu.gmg - wellicht voor verkorting vatbaar zijn. Ik kan de vrees niet onderdrukken, da wanneer de raad van den Heer GLASIUS op don duur ingang vond, een onbepaald uitstel het govolg zou z i j n ; uitstel niet alleen van de invoering van het begmsel

(3)

124

van den verplichten persoonlijken dienst, maar tevens van de daarmede in zulk een nauw verband staande herziening van de organisatie onzer levende strijd- krachten in het algemeen. Zou dan niet juist verkregen worden wat de Schrijver zoozeer vreest: het voortduren der sluimer-periode ? De Heer GLASIUS schijnt er aan te twijfelen of de Volksvertegenwoordiging wel iets anders moet zijn »dan het blinde, lijdzame orgaan van den volkswil"; en of z i j , »bij het doen harer uitspraken, behalve met den volkswil, ook rekening mag houden met hetgeen , soms geheel strijdig met dien wil, echter gebiedend wordt geëisclit in het belang van 's volks welvaart." Maar wat beteekent, volgens den geachten Schrijver, dan art. 82 der Grondwet: »De leden (der Tweede Kamer) stemmen, elk volgens eed en geweten, zonder last of ruggespraak met hen, die benoemen"? Waar zou het naar toe, wanneer elk Volksvertegenwoordiger zich , alvorens te stemmen , moest vergewissen van den «volkswil" ? Hoe zich te overtuigen, welke eigenlijk de volkswil is ? En wanneer dan later bleek dat men, instede van met een volks- wil, met een »volkswaan van den dag" had te doen gehad!

Het is zeer ver van mij er eenig bezwaar in te zien, dat ieder naar zijn ver- mogen medewerke tot het verbreiden en vestigen der meening dat het belang van den staat persoonlijke dienstpraestatie van ieder Nederlander eischt; het is integen- deel ook mijne overtuiging, dat dit middel krachtig zal kunnen bijdragen tot het vervroegen van het tijdstip, waarop wellicht eenmaal het zegel op een even be- langrijken als noodzaketij ken maatregel zal worden gedrukt. Maar het gaat niet aan te eischen, dat het tegenwoordig stelsel behouden blijve «totdat ons Volk tot het besef gekomen is, dat het daarmede gehael moet breken." Zij , die niet met den Heer GLASIUS instemmen dat de uitspraak van 30 Juni eene vox populi is geweest, en die uit het door den Schrijver geconstateerde gemis aan degelijke argumenten bij de tegenstanders, de gevolgtrekking afleiden dat de afstemming van het voorgedragen beginsel niet voldoende is gerechtvaardigd, moeten van nu af streven naar eene weder-indiening der verworpen voordracht, zoodra het tijd- stip daartoe gunstig schijnt.

Wanneer zal dit kunnen zijn ? Het komt mij voor dat elke gissing daarnaar gewaagd zou verdienen te heeten. Maar toch , wanneer men de beraadslagingen nauwkeurig overweegt, komt men tot de slotsom dat in menig bezwaar nog kan worden te gemoet gekomen en vooral dat menig tegenstemmer, mag men op zijne redevoeringen afgaan , nog wel voor het beginsel zal zijn te winnen. Uit de dis- cussien der Juni-maand, is voor de toekomstige voorstellers van het ontwerp zeer veel leering te putten. Berusting is voor het oogenblik noodzakelijk ; maar ook niet langer dan door de omstandigheden geboden wordt. Levert de naaste toe- komst ons het bewijs, dat door geene andere middelen de dringend noodzakelijke gehalteverbetering te verkrijgen is, dan is wellicht het oogenblik niet zoo ver meer verwijderd, dat de verplichte persoonlijke dienst op nieuw aan de orde komt.

Het verschil tusschen den Heer GLASIUS en mij betreft dus in hoofdzaak alleen de vraag nopens de opportuniteit.

Arnhem, '29 Januari 1874

C. D. II. SOHNEIDER.

(4)

Het behoud der lijfstraffen bij onze zeemacht, door J. C. JoEKES, Luitenant ter zee iste klasse, Ridder der militaire Willemsorde 4de klasse. Amsterdam, de Wed. G. HULST VAN KEULEN. 1873.

Prijs ƒ 0,20.

De Schrijver bogint te zeggen, dat hij schrijft in tegenstelling van eenebrochure van den officier van administratie J. C. DE VRIESE en van andere artikelen, die vóór de afschaffing der lijfstraffen gestemd zijn. Hij acht die verschillende arti- kelen tegen het belang der marine, omdat deze, zijns inziens, daarvoor nog niet rijp is.

Tot goed begrip zijner zienswijze rekent hij het noodig aan te toonen, hoe het gcheelo zijn aan boord in elkander grijpt als een raderwerk , dat goed werkt en onderhouden wordt door de discipline. De onderscheiding van discipline in goede en minder goede die de Schrijver maakt, klinkt nog al vreemd. Op een schip dat stil in de haven ligt, zou rnen misschien met weinig discipline de zaken gaande kunnen houden, evenals de Schrijver dit mogelijk acht bij de landmacht, natuur- lijk in vredestijd ; maar bij het actief optreden van eenige krijgsmacht is disci- pline de krijgstucht, die, wanneer zij bestaat, goed is, en wanneer zij niet goed is, ook niet bestaat. Een middenweg is wel mogelijk, doch kan geen resultaat opleveren.

Verder verklaart de Schrijver hoe bij manoeuvres alles in elkander grijpt; be- spreekt de goede uitkomsten , die bij bestaande discipline -verkregen worden , en hoe m e n , door niet alleen streng te straffen, maar ook als chef steeds flink op te treden , tot discipline kan geraken.

Zooals de Schrijver terecht opmerkt, zijn er helaas nog matrozen, bij wie vrees voor straf, werkelijk vrees voor pijn is. De oorzaak hiervan moet gezocht worden in hun slecht moreel gehalte, dat soms ,door zachte middelen kan verbeterd wor- den , maar soms ook reeds zoo diep gezonken is , dat men zijn toevlucht tot lijf- straffen moet nemen en dan werkelijk resultaten verkrijgt. Wanneer het gedeelte der bevolking, waaruit do matrozen getrokken worden, moreel beter wordt, dan zal dit ook van dadelijken invloed op de marine zijn.

Het toepassen der lijfstraffen behoort uitsluitend tot de bevoegdheid van den commandant van een oorlogschip; en van iemand aan wien zulk een gewichtig eigendom van den Staat wordt toevertrouwd , waaraan zooveel menschenlcvens verbonden zijn , mag men verwachten , dat door hem de toepassing der lijfstraffen geschiedt in den geest der Regeering, d. i. alleen wanneer het strikt noodig is in het belang van den dienst, dus tot opwekking en handhaving der discipline.

Zeer terecht merkt de Schrijver op, dat men met veel en zwak straffen, slechte resultaten verkrijgt, en daarentegen door dit billijk en streng te doen, tot weinig straffen komt.

Hoewel wij moeten erkennen, dat men door de afschaffing der lijfstraffen, een gewichtig en soms noodig wapen tot instandhouding dei1 discipline zou wegnemen, zoo kunnen we toch niet ontveinzen , dat wanneer een ander stelsel van straffen voor moreel minder ontwikkelden kon worden ingevoerd , dit ongetwijfeld gunstig zou werken op het in dienst treden bij de marine.

(5)

120

De toestand der Nederlandsche Marine in 1873, door een zee- officier. Nieuwediep , L. A. LAÜREY. 1873. Prijs ƒ 0,80.

De aanhef dor brochure is, evenals bij de vele tegenwoordige geschriften over marine-aangelegenheden, een bekendmaking dat de toestand niet schoon, niet be- moedigend is. De Schrijver stelt zich voor, een onderzoek naar de wonden te doen en tevens een voldoende geneeswijze aan te geven.

In de eerste plaats wordt het materieel tot verdediging van ons land behan- deld. Dit wordt door den Schrijver , met het oog op het in aanbouw zijnde, en tevens aannemende dat door het torpedowozen in de toekomst belangrijk tot de verdediging zal worden medegewerkt, voldoende geacht. Daarentegen oordeelt hij den voorraad in de magazijnen , noodig om het vereischte materieel spoedig be- schikbaar te hebben , onvoldoende.

Uit de staalkaart van schepen doet de Schrijver verder eerst een keuze voor de Indische militaire marine, en geeft als type-schip aan de verbeterde 4de klasse, schroefschip composite-bouw; een paar raderstoomschepen 3de klasse;

kleinere raderstoomschepen voor de rivieren, en voorts nog stoombarkassen. Tot het vertoonen der vlag enz. stelt hij voor, de schroefstoomschepen 1ste klasse, type Zilveren Kruis, doch eveneens composite-bouw, en eenige 4de klasse. Wij vinden niet opgegeven, hoeveel schepen van die types benoodigd zijn, hoeveel er reeds bestaan en dus geen raming van kosten, om al het oude af te schaffen en tot dit stelsel in korten tijd over te gaan.

Voorts ontwikkelt de Schrijver eenige denkbeelden over de verdediging van Indië tegen een Europceschen vijand.

Op meerdere practische oefening wordt ten zeerste aangedrongen ; daarvoor zou een eskader van schroefschepen 1ste klasse en de gepantserde schepen, vereenigd ageerende, de oefenschool kunnen zijn; van de schroefschepen 4de klasse zou men in Indië, door de tuigen niet te veranderen, tot oefening veel partij kunnen trekken.

De klachten over tractementen, vooral die betrekkelijk het nonactiviteit, zijn billijk, evenals dit tegenwoordig voor de tractementen van bijna alle landsdienaren het geval is. Ter bevordering van het dicnstnemen bij de marine, zou verbetering van de soldijen en vooral ook van de pensioenen der onderofficieren en mindere schepelingen , zeker gunstig werken.

Het denkbeeld om den rang van adelborst 1ste klasse voor een ieder bereik- baar te stellen , klinkt zeer billijk. Het Instituut voorziet echter voldoende in de behoefte aan officieren; maar bovendien zou men moeilijk , evenals bij do land- macht, cursussen kunnen openen, en al ware dit mogelijk, dan nog zouden de leeraars , die de opdracht hadden een uitmuntend geschikt schipper, bootsman of stuurman voor het examen van adelborst 1ste klasse klaar te maken, allicht hunne illusiën in rook zien verdwijnen, wanneer zij zich voorgesteld hadden, dat doel werkelijk te bereiken.

Afbeelding

Updating...

Referenties

Gerelateerde onderwerpen :