Romeinse Militaire Virtus

66  Download (0)

Full text

(1)

1 Alex Laout

10766286

Masterscriptie Militaire Geschiedenis Dhr. Icks

alvoyager@gmail.com 29/01/2021

Woorden: Circa 24.500

Romeinse Militaire Virtus

De virtus van Caesars legionairs tijdens de Bello Gallico

(2)

2

Statement of authenticity

Each thesis should contain the following statement after the title page and before the table of contents and should be signed by hand.

I hereby declare that this dissertation is an original piece of work, written by myself alone. Any information and ideas from other sources are

acknowledged fully in the text and notes.

(Amsterdam, 29/01/2021)

(3)

3

Abstract

Roman military virtus was an intrical part of Roman society. Roman historians used it as a moralising tool in their works. They saw it as a tool to show their fellow Romans how they were supposed to act.

The use of Roman military virtus in the Bello Gallico of Gaius Julius Caesar was however quite different.

Julius Caesar used virtus as a pragmatic and practical tool which his soldiers used during the several campaigns in Gaul. It lacked the moralising aspect and was an actual military tool which was more recognizable for the common Roman people. The Roman military virtus used in the Bello Gallico showed an use in actual Roman military matters.

(4)

4

Inhoudsopgave

Statement of authenticity ...2

Abstract ...3

Inleiding ...5

De Bello Gallico ... 11

1. Virtus in de tijd van Caesar ... 15

Het historiografisch debat: arete en virtus ... 16

Het historiografisch debat: Romeinse virtus ... 20

Herinneringen en Exempla ... 24

Scipio Africanus en Cato de Oudere ... 26

De militaire virtus ... 29

2. Het beleg van Avaricum ... 30

Staat van het debat ... 30

Het beleg in de Bello Gallico en de Gallische Oorlogen ... 35

Virtus tijdens het beleg ... 38

Virtus en Avaricum ... 42

3. Het beleg van Alesia ... 44

Staat van het debat ... 44

Het beleg in de Bello Gallico en de Gallische Oorlogen ... 49

Virtus tijdens het beleg ... 52

Virtus en Alesia ... 58

Conclusie ... 60

Literatuurlijst ... 64

Figuren ... 66

Antieke Bronnen ... 66

(5)

5

Inleiding

De grote Romeinse redenaar en staatsman Marcus Tullius Cicero hield in de jaren 44 en 43 v.Chr een aantal toespraken in de Romeinse senaat. Het doel van deze toespraken was om de senaat te verenigen in de strijd tegen Marcus Antonius. Dit conflict legde de basis voor de opkomst van Augustus en het Romeinse Principaat, maar voor dit onderzoek is echter alleen maar een korte passage uit een van de toespraken van belang en niet het geroemde conflict tussen Augustus en Marcus Antonius.

Deze passage stelde het volgende:

‘But virtus usually wards off a cruel and dishonorable death, and virtus is the badge of the Roman race and breed. Cling fast to it, I beg you men of Rome, as a heritage that your ancestors bequeathed to you. All else is false and doubtful, ephemeral and changeful: only virtus stands firmly fIxed, its roots run deep, it can never be shaken by any violence, never moved from its place. With this virtus your ancestors conquered all Italy fIrst, then razed Carthage, overthrew Numantia, brought the most powerful kings and the most warlike peoples under the sway of this empire.’1

De term die in deze passage werd aangedragen als de reden voor de grootsheid van het Romeinse volk en haar rijk was virtus. De origine van de term ligt in het Latijnse woord vir. Dit betekende man en deze origine verbond de term nauw met het Romeinse publieke leven. Deze term vormde een leidraad door het leven van elk mannelijk Romeins lid van de elite die zich begaf op het publieke toneel, of dit nou politiek of militair gericht was. Daarnaast was dit geen statisch term, maar de martiale connotatie van de term bleef altijd enigszins intact. De term werd constant beïnvloed door de gedachtegang van verschillende tijdperken uit de Romeinse geschiedenis.2 Een grote rol werd hierbij gespeeld door Romeinse historici en auteurs. Deze auteurs werden sterk beïnvloed door hun eigen tijd en vormden hun eigen ideeën over hoe virtus geïnterpreteerd moest worden.3 Deze ideeën probeerden zij over te brengen doormiddel van exempla. Exempla waren Romeinen uit het verleden die door Romeinse historici aangehaald werden als een moraliserend middel. Het doel van deze exempla was om acties, waarden en herinneringen met elkaar te verbinden. Het was een manier voor de Romeinse historicus om deze waarden door te geven aan hun contemporaine publiek. Exempla hielpen bij het vormen van de sociale norm in de Romeinse samenleving.4

1 Cic. Phil. 4.13.

2 M. McDonnel, Roman Manliness. Virtus and the Roman Republic (Cambridge 2006) 2-3, aldaar 8-9.

3 C. Balmaceda, Virtus Romana. Politics and Morality in the Roman Historians (Chapel Hill 2017) 2.

4 M.B. Roller, ‘Exemplarity in Roman Culture. The Cases of Horatius Cocles and Cloelia’, Classical Philology vol.

99 1 (2004) 4-8.

(6)

6 Het historiografisch debat rondom virtus is al een tijd gaande in de academische wereld. Het eerste werk wat het debat rondom virtus creëerde was het werk van Antony N. van Omme. Dit werk was genaamd Virtus, een semantiese studie en het werd gepubliceerd in 1946. Dit werk gaf een overzicht van het gebruik van het woord virtus, maar gaf nog geen punten die aanleiding waren voor het ontstaan van het bredere debat. Het was een catalogus van het woord virtus in de Latijnse literatuur.5 Het werk wakkerde echter wel de interesse voor de analyse van de term virtus aan en gaf een basis voor het linguïstische onderzoek van de term. Het werk wat hier sterk op voortbouwde en de basis vormde voor het verdere debat was van de filoloog Werner Eisenhut.

Werner Eisenhut publiceerde in 1973 het werk Virtus Romana. Ihre Stellung in römische Wertsystem. Eisenhut bestudeerde en documenteerde net zoals van Omme bijna alle instanties van virtus in de Romeinse literatuur. Daarnaast blijft hij net zoals van Omme het werk sterk vanuit een linguïstisch oogpunt bestuderen. Het doel van zijn werk was om te analyseren hoe virtus gevormd werd door de Romeinse literatuur en daarnaast hoe de Griekse term arete invloed had op de term. Arete betekende het tonen van uitmuntendheid bij elke menselijke onderneming.6 Hier was de Griekse culturele invloed van groot belang voor Eisenhut.7 Het is hier dat we voor het eerst sterk de Griekse cultuur naar voren zien komen in het debat. Eisenhut toont aan met zijn analyse van de Romeinse literatuur hoe de term virtus synoniem werd met de term arete. Volgens hem werd virtus uiteindelijk gebruikt om aspecten van arete te benoemen, maar het nog steeds traditioneel Romeins te houden.

Virtus werd een term met een breed aantal betekenissen. Eisenhut zag de invloed van arete als de reden dat de betekenis van virtus langzaam afdreef van een martiale en mannelijke betekenis naar een meer filosofische en ethische betekenis, vooral tijdens de late Romeinse Republiek en het Romeinse Principaat.8 Eisenhut bleef in het debat vooral de linguïstische kant van de term onderzoeken, maar hij opende wel de weg voor nieuwe interpretaties door Griekse invloeden en de term arete bij het debat te betrekken.

Dit werk van Eisenhut was het begin van het echte debat rondom de term virtus. Een debat wat sterk gericht was op de betekenis en ontwikkeling van de term. Het volgend werk wat hier uitgebreid op inging was van Myles McDonnel. In 2006 publiceerde hij: Roman Manliness. Virtus and the Roman Republic. In dit werk begon McDonnel niet vanuit een linguïstisch oogpunt, maar vanuit een historische oogpunt. McDonnel bestudeerde de ontwikkeling van de term vanaf de stichting van Rome tot de opkomst van het Principaat. In zijn ogen bevatte deze periode de grootste veranderingen voor de term virtus. Daarnaast betrekt McDonnel sterk politieke, culturerel en militaire ontwikkelingen

5 A.N. van Omme, Virtus. Een Semantiese Studie (Utrecht 1946).

6 W. Eisenhut, Virtus Romana. Ihre Stellung im römischen Wertsystem (München 1973) 23.

7 Eisenhut, Virtus Romana. Ihre Stellung im römischen Wertsystem, 12-13.

8 Eisenhut (1937)14-22, aldaar 219-222.

(7)

7 uit de Romeinse geschiedenis bij zijn analyse over de ontwikkeling van virtus. Hij bestudeert deze veranderingen aan de hand van de Romeinse historici, maar deze worden genoemd in de bredere context van de tijd waarin zij leefden. McDonnel onderzocht wat virtus nu echt betekende in de Romeinse maatschappij.9

McDonnel had twee grote problemen met het werk van Eisenhut en de brede interpretatie of betekenis die hij koppelde aan de term virtus. Het eerste probleem volgens McDonnel was dat de brede interpretatie van de term de originele martiale betekenis van virtus in het vroege Latijn onderdrukte. Het tweede probleem wat McDonnel zag in het werk van Eisenhut was de mate van Griekse invloed op de term virtus. In de ogen van McDonnel was de invloed van het Hellenisme op deze term door Eisenhut overschat. McDonnel hield vast aan het idee dat virtus primaire een martiaal concept bleef.10

McDonnel breidt het debat verder uit door eigenlijk twee vormen van virtus te identificeren.

Deze twee vormen zijn sterk gebonden aan privé en publieke kringen. McDonnel cijfert de Griekse invloeden en arete niet weg, maar stelt eerder dat de invloed hiervan beperkter was dan voorgesteld door Eisenhut. De Griekse invloeden en het de parallel met arete waren volgens McDonnel beperkt tot de privé sfeer. In de publieke kringen stelde McDonnel werd er juist sterk afgezet tegen Griekse invloeden. De nadruk werd door hoge Romeinen gelegd op Romeinse tradities en de mos maiorum.

De militaire en martiale aard van de term werd volgens McDonnel bewaard in de publieke kringen van Rome.11 McDonnel verplaatste het debat in de richting van wat de term betekende in de Romeinse maatschappij en geeft dieper inzicht in het gebruik van de term. McDonnel stuurde met zijn werk

In 2006 werd ook het werk van Juhani Sarsila gepubliceerd. Dit was genaamd: Being a Man.

Dit werk begon vanuit een filosofisch oogpunt. In dit werk werd ook een grote inventarisatie gemaakt van het gebruik van virtus in Romeinse werken. De periode die bestudeerd werd reikte vanaf de tijd van Livius Andronicus, in de derde eeuw BCE, tot aan Livius, in de eerste eeuw v.Chr. Hij bestudeerde per auteur welke verschillende betekenissen van virtus gebruikt werden. In tegenstelling tot McDonnel keek hij niet naar wat virtus betekende en hoe het gevormd werd, maar naar de plek van virtus in de Romeinse maatschappij. Hij onderzocht niet hoe deze verschillende vormen tot stand kwamen, maar waar deze pasten in de Romeinse maatschappij. Hij kwam uiteindelijk tot de conclusie dat virtus centraal stond in de Romeinse normen en waarden.12 Hij onderzoekt het tegenovergestelde van McDonnel, maar op een bepaalde manier vullen de twee auteurs elkaar aan. Samen vormen deze onderzoeken een goed beeld van virtus in de Romeinse maatschappij.

9 McDonnel, Roman Manliness. Virtus and the Roman Republic, 1-12

10 McDonnel (2006) 5.

11 Ibidem, 261-265, aldaar 382-383.

12 J. Sarsila, Being a Man. The Roman Virtues as a Contribution to Moral Philosophy (Frankfurt 2006).

(8)

8 Catalina Balmaceda combineerde in haar werk de aanpak van McDonnel en Sarsila. In 2017 publiceerde Balmaceda het werk: Virtus Romana. Politics and Morality in the Roman Historians. In haar werk probeert ze de werking van virtus in de praktijk te schetsen. In de praktijk is voor haar het gebruik van de term virtus door Romeinse historici in hun werken. Om dit beeld te geven combineert ze de plek van virtus in de Romeinse maatschappij en hoe deze term gevormd werd. Zij probeert deze virtus in actie te schetsen door vier Romeinse historici te analyseren. Deze historici zijn Sallustius, Livius, Velleius Paterculus en Tacitus. Ze zet zich af tegen de vondsten van Eisenhut. De Griekse invloeden waren in haar ogen sterker aanwezig dan we in het werk van McDonnel zien, maar nog steeds niet zo sterk aanwezig als Eisenhut naar voren brengt in zijn werk.13 Haar argumentatie rondom arete sluit daarom ook enigszins aan bij die van McDonnel, maar zij ziet wel sterker de Griekse invloeden terug in de term dan McDonnel. Haar interpretatie neigt ook meer naar het ontstaan van één vorm van virtus dan naar de twee distinctieve vormen die bij McDonnel naar voren komen.14 Virtus werd geplaatst in de Romeinse samenleving en de wisselwerking tussen de samenleving en virtus werd het belangrijkst in het onderzoek. In 2019 werd het laatste werk gepubliceerd in het debat waarin ik mij meng. Dit is het werk van Justin Ryan James genaamd: Virtus and Disciplina. An Interdisciplinary Study of the Roman Martial Values of Courage and Discipline. Hij stelt ook dat de eerste vormen van virtus los gezien moeten worden van arete en voornamelijk een martiale connotatie hebben.15 Het debat rondom virtus vormde zich van een voornamelijk linguïstisch debat tot een historisch debat.

Het debat rondom de term virtus was sterk gericht op de werken van de Romeinse historici.

Dit is zeer begrijpelijk omdat hun rol in de vorming van de term niet ontkent kan worden. De nadruk van de secundaire literatuur ligt ook sterk bij de analyse van de Romeinse literatuur. De rol van virtus in militaire conflicten is echter in mijn ogen nog niet voldoende geanalyseerd. Virtus in de Romeinse oorlogsvoering werd kort aangestipt door de historicus Jon E. Lendon in zijn werk Soldiers and Ghosts, maar in dit werk werd het geplaatst in de bredere ontwikkelingen van de Romeinse oorlogsvoering.16 De rol die virtus speelde in de Romeinse oorlogsvoering bleef hierdoor in mijn ogen onderbelicht. Het historiografisch debat rondom virtus was, zoals eerder gesteld, sterk gericht op de rol van deze term in de Romeinse literatuur en in Rome zelf. In recenter literatuur is echter wel geprobeerd om virtus in de praktijk een sterkere rol te geven in het debat. Dit werd gedaan in het 2017 gepubliceerde werk van Catalina Balmaceda Virtus Romana. Dit onderzoek probeert hierop verder te bouwen en te verbeteren.

Het werk van Catalina Balmaceda is voor dit onderzoek zeer belangrijk, want mijn thesis komt voort uit de conclusies die zij had gegeven in haar werk over virtus in actie. Dit wil niet zeggen dat er

13 Balmaceda, Virtus Romana. Politics and Morality in the Roman Historians, 1.

14 Balmaceda (2017) 41-48.

15 J.R. James, Virtus and Discplina. An Interdisciplinary Study of the Roman Martial Values of Courage and Discipline (Colombia 2019) 48.

16 J.E. Lendon, Soldiers and Ghosts. A history of Battle in Classical Antiquity (Yale 2005) 217-222.

(9)

9 geen aandacht besteed wordt aan de andere secundaire literatuur, maar zoals eerder gesteld zal het werk van Balmaceda een centralere rol innemen. Ze behandelt het concept, zoals eerder gesteld, aan de hand van de werken van enkele prominente Romeinse historici. De historici die behandeld werden zijn Sallustius, Livius, Velleius Paterculus en Tacitus. In het werk van Sallustius ziet ze een samenloop met het verval van de Romeinse Republiek en het gebrek aan virtus. In Livius ziet ze een connectie met virtus in het verleden, de Romeinse Republiek en Romeinse vrijheid. Velleius Paterculus stelt de teruggekeerde orde en stabiliteit in het keizerrijk gelijk met de terugkeer van virtus. Tacitus zoekt de balans tussen eigen virtus en de virtus van de Romeinse keizer. Deze trends waren ook terug te zien in de gebruikte taal van de Romeinse historici.17 Balmaceda stelt dat virtus uit het verleden werd gereconstrueerd door de Romeinse historici en daarmee een maatstaaf gaf aan de contemporaine Romeinse politiek. Vooral het idee van exempla speelden in hun werken een belangrijke rol, maar hier zal in het eerste hoofdstuk van deze thesis meer aandacht aan besteed worden. De historicus moest zelf ook met virtus werken. Hij moest een waarheidsgetrouw beeld geven van het verleden. Zij stelt het als volgt, ‘Historical writing in Rome was immersed in the need for virtus, which had both a purpose and a plan’.18 Haar werk ziet virtus als een vormend concept van de Romeinse geschiedenis.

Er zijn echter enkele problemen met het werk. In dit geval biedt de recensie van M. McDonnel uit 2019 een goed inzicht in de gebreken van het werk. Hij stelt dat het werk mist wat Balmaceda claimt toe te voegen aan het debat, namelijk virtus in actie. Het feit dat Balmaceda echter vooral keek naar de Romeinse historici was in de ogen van McDonnel een fout. Het is waar dat virtus enigszins gevormd werd door de besproken Romeinse historici, maar de historici werden in hun ideeën en denken gevormd door de tijd waarin ze leefden en veranderingen die plaatsvonden in deze tijd. Daarnaast mist de wisselwerking tussen virtus en de plek waar de term het sterkst naar voren kwam, namelijk het slagveld en militaire dienst. Er moet gekeken worden buiten de literaire bronnen alleen om de ontwikkeling van virtus te begrijpen.19 Dit gebrek hoop ik in mijn scriptie op te vullen doormiddel van een analyse van virtus in de praktijk, oftewel op het slagveld. Ik bedoel hiermee vooral hoe deze virtus gepresenteerd werd en of dit verschilde van de manier waarop Romeinse historici de term gebruikten.

Dit zal hopelijk een waardevolle aanvulling zijn op het debat.

Om dit te bewerkstellen zal er echter enigszins afstand genomen worden van de bestudering van de Romeinse historici. In mijn ogen is het voor virtus in de praktijk, oftewel op het slagveld, belangrijk om een werk te bestuderen van een auteur die kort na de gebeurtenissen schreef en bekend was op het slagveld. Romeinse historici zoals Sallustius en Cornelius Nepos schreven over Romeinsen

17 Balmaceda (2017) 242-245.

18 Ibidem, 247.

19 M. McDonnel, ‘Virtus Romana: Politics and Morality in the Roman Historians’, American Journal of Philology vol. 40 1 (2019) 181-182.

(10)

10 veldslagen, maar waren er vaak niet zelf bij en daarnaast niet bekend met het slagveld. Dit neemt niet weg dat zij een belangrijke rol hebben gehad bij de vorming van Romeinse virtus, maar voor dit onderzoek is dit van enigszins minder belang. In plaats daarvan heb ik ervoor gekozen om het werk centraal te stellen van een Romein die intiem bekend was met het slagveld, maar daarnaast ook als auteur zijn tochten documenteerden. In deze thesis zal het werk de Bello Gallico van Gaius Julius Caesar centraal staan. Daarnaast schreef Caesar tijdens of kort na zijn veldtochten. Dit betekent dat in tegenstelling tot Romeinse historici Caesar directe kennis van de gebeurtenis had en niet uit tweedehands bronnen 200 jaar later het verslag hoefde af te leiden.

De vraag die centraal zal staan in deze thesis luidt als volgt: ‘hoe werd virtus in de belegeringen van de Bello Gallico naar voren gebracht en wat zegt dit over Romeinse virtus? De vraag toont al enigszins op welke manier de thesis ter werk zal gaan. In de Bello Gallico zullen belegeringen centraal gesteld worden. De Gallische Oorlog kende velen veldslagen, maar de archeologische resten van deze slagen zijn niet veelvuldig. Daarom zijn we bij het bestuderen van veldslagen nog steeds overgeleverd aan de literaire beschrijvingen. Belegeringen lieten vaker archeologische resten achter. Deze archeologische resten kunnen gebruikt worden om het verslag van Caesar te testen en zo kunnen wij proberen een beter beeld te schetsen van het verslag van Caesar over de Gallische Oorlog. De hoop is dat we hiermee ook een beter beeld kunnen creëren van virtus op het slagveld. De centrale vraag wordt beantwoord doormiddel van literaire bronnen in de vorm van de Bello Gallico aan de ene kant en de archeologische resten van de belegeringen aan de andere kant. De archeologische resten zullen gebruikt worden als een extra middel om een beter beeld te geven van de belegeringen naast alleen de literaire bron. Om een nieuwe stap te zetten in het debat rondom virtus moet er buiten de literaire bronnen gekeken worden.

Dit onderzoek zal niet alle belegeringen uit de Gallische Oorlog behandelen. Er is gekozen om enkele van de meest fameuze belegeringen en voor ons nuttigste belegeringen als case studie te gebruiken. Het helpt ook dat rondom deze casestudies veel archeologisch onderzoek gedaan is. Dit zal bij de bespreking van de case studies uitvoeriger behandeld worden. Daarnaast werden de gekozen belegeringen ook uitvoerig door Caesar behandeld in zijn werk. De eerste case studie zal de belegering van Avaricum behandelen.20 De laatste belegering was en is de meest bekende belegering uit de Gallische Oorlogen, namelijk de belegering van Alesia.21 In deze casestudies zal eerst het archeologisch materiaal, historiografisch debat en wat dit betekent voor de casestudie en virtus besproken worden.

Daarna zal de literaire context van het beleg geschetst worden. Hier wordt vooral gekeken hoe het beleg in de Bello Gallico en militaire campagne van Caesar paste. Het laatste wat besproken zal worden

20 Casear. BG. 7. 17, 22, 24-28, 32.

21 Casear. BG. 7. 69-74, 78-89.

(11)

11 bij de casestudies is de analyse van de virtus. In dit gedeelte zullen de instanties van virtus in het beleg één voor één besproken worden om een beeld te geven van virtus bij het beleg. Aan het eind van deze inleiding zal ik aan de hand van het werk van Andrew M. Rigsby verder bespreken waarom voor deze twee belegeringen gekozen is. Dit maakt namelijk onderdeel uit van mijn verdere toelichting bij de Bello Gallico. Het samennemen van archeologische en literaire bronnen stelt ons in staat om een beter beeld te ontwikkelen van virtus in de militaire context en met name hoe de term virtus gevormd werd buiten de werken van Romeinse historici en auteurs.

Het tweede en derde hoofdstuk zullen de casestudies behandelen. Het eerste hoofdstuk zal echter de ontwikkeling van virtus behandelen en de aspecten die ermee geassocieerd werden. In dit hoofdstuk zal geanalyseerd worden hoe virtus veranderde vanaf 200 v.Chr tot 60 v.Chr. We zullen deze ontwikkelingen analyseren aan de hand van het historiografisch debat. Dit zal namelijk een beeld geven van welke aspecten bij de term virtus hoorde in de tijd van Julius Caesar. Daarnaast zullen we ook kort enkele exempla bespreken om een beter beeld te creëren van hoe virtus geuit werd. Deze exempla tonen ook hoe de Romeinse virtus van generatie op generatie overgedragen werd. De vraag die centraal staat in dit hoofdstuk luidt als volgt: welke aspecten vormden een onderdeel van virtus in de tijd van Gaius Julius Caesar?

Doormiddel van deze opbouw hoop ik een goed antwoord te kunnen geven op de centrale vraag. Door dit antwoord hoop ik een nuttige bijdrage te leveren aan dit debat en het verder uit te breiden. Voordat we echter beginnen met het eerste hoofdstuk moeten een paar punten over de Bello Gallico duidelijk gemaakt worden.

De Bello Gallico

Er zijn enkele punten die ik moet verklaren bij de Bello Gallico. Het zijn in totaal drie punten. Het hier toelichten van deze punten vergemakkelijkt het schrijven en begrijpen van deze thesis. Het eerste punt is hoe de Bello Gallico door Caesar uitgebracht werd en welke gevolgen dit had. Daarna moet gekeken worden waarom deze casestudies uit de Bello Gallico perfect zijn voor deze thesis. Als laatste moet gekeken worden naar de rol van de Galliërs in de Bello Gallico. We zullen deze punten op de hiervoor genoemde volgorde bespreken en in de latere hoofdstukken zal er naar verwezen worden. De uitleg hier zorgt er echter voor dat ik daar niet in te veel detail hoef te treden, maar naar deze punten kan verwijzen.

De Bello Gallico was een propagandistisch werk dat door Caesar werd ingezet om zijn illegale optreden en acties in Gallië te legitimeren voor de Romeinse senaat en de bevolking van Rome. Het feit dat Caesar in de derde persoon schreef hielp het werk een objectiever toon te geven. Het leek een onpartijdig verslag in plaats van een werk geschreven door een Romeinse politicus die zijn eigen positie

(12)

12 probeerde te verdedigen. De Bello Gallico was niet de eerste stap in deze propagandistische strijd.

Caesar onderhield briefwisselingen met leidende figuren in Rome om te zorgen dat zij zich hard maakten voor het legitimeren van zijn acties. Financiële steun en bouwprogramma’s waren nog een manier waarop Caesar het Romeinse volk op zijn hand probeerde te krijgen.22 Er was in ieder geval een continue uitwisseling van informatie tussen Rome en Caesar. Dat was de enige manier voor Caesar om zijn standpunten naar voren te schuiven, want hij mocht Rome niet betreden zonder zijn imperium neer te leggen. Caesar gaf dan ook een beeld van zichzelf en zijn troepen als dienaren van de Romeinse Republiek. Een voorbeeld hiervan vinden wij bij het beleg van Avaricum. Ik zal in meer detail hierover treden bij het bespreken van de casestudie, maar ik zal het hier kort als voorbeeld gebruiken. In het 17de caput van boek zeven wordt genoemd dat de Romeinen het beleg wilden vervolgen om hun medeburgers te wreken die bij Cenabum door de Galliërs waren vermoord.23 Caesar liet het voorkomen dat hij en zijn soldaten de republiek en haar burgers dienden en desnoods wreekten.

De manier waarop de Bello Gallico gepubliceerd werd is een punt van discussie geweest tussen verschillende historici. Twee ideeën heerste rondom de publicatie van de Bello Gallico. Het eerste idee was dat het werk als een geheel gepubliceerd werd na de Gallische Oorlogen. Christian Meier stelt dit voor als mogelijkheid. In zijn ogen was de Bello Gallico de uitgeschreven versie van eerdere militaire rapporten die Caesar naar de Romeinse senaat stuurde.24 Andere historici hadden hier echter een andere kijk op. Deze kijk kwam voor uit het grondig bestuderen van de Bello Gallico. Timothy Wiseman geeft hier als voorbeeld de Nervii stam. In het tweede boek van de Bello Gallico beschrijft Caesar namelijk hoe de Nervii stam werd uitgemoord door de Romeinen.25 Dit werk kon niet in 51 v.Chr geschreven zijn, zoals Meier voorstelde, volgens Wiseman. In 53 v.Chr. vocht Caesar namelijk nog een keer tegen de Nervii om Quintus Cicero van een beleg te verlossen.26 Wiseman stelde daarom voor dat de boeken op verschillende momenten geschreven waren, omdat het voor Caesar niet duidelijk was wat in de toekomst ging gebeuren.27 Dit punt van Wiseman wordt bijgevallen door Christina Kraus. Zij stelt ook dat de ongelijkheden tussen de verschillende boeken kon wijzen op een gespreide compositie van het werk.28 Het is echter wel duidelijk dat de Bello Gallico als een werk gezien dient te worden, desondanks de onregelmatigheden tussen de boeken.29

22 K.A. Raaflaub , ‘Caesar, Literature, and Politics at theEnd of the Republic’, 19 in: L. Grillo & C.B. Krebs, The Cambridge Companion to the Writings of Julius Caesar (Cambridge 2017) 13-28.

23 Caesar. BG. 7.17.

24 C. Meier, Caesar (Berlijn 1982) 253.

25 Caesar. BG. 2.28.

26 Caesar. BG. 5.49.

27 T.P. Wiseman, ‘The publication of the De Bello Gallico’, 1-7 in: K. Welch en A. Powell, Julius Caesar as Artful Reporter. The war Commentaries as Political Instrument (London 1998) 1-10.

28 C.S. Kraus, ‘Bellum Gallicum’, 159-160 in: M. Griffin, A Companion to Julius Caesar (Chichester 2009) 159-175.

29 Raaflaub, ‘Caesar, Literature, and Politics at theEnd of the Republic’, 19-20.

(13)

13 De jaarlijkse publicaties betekende dat Caesar dit werk kon gebruiken om zijn punten naar voren te brengen en zo de blijvende steun van het volk te behouden. De jaarlijkse publicatie kon namelijk voorgedragen worden in Rome voor het Romeinse plebs. Dit was ook mogelijk met een compleet werk op latere datum, maar dat zou minder invloed gehad hebben op de bevolking van Rome. Er is echter geen bewijs dat dit ook gebeurde, maar het past zoals eerder gesteld goed in de gebruikte tactieken van Caesar om de Romeinse bevolking te bereiken.30 De Bello Gallico gebruikt virtus in de context van contemporaine gebeurtenissen om Caesars eigen politieke doelen vooruit te schuiven.

Nu we duidelijkheid hebben over de publicatie van de Bello Gallico is het tijd om kort de keuze voor de casestudies extra te bespreken. De classicus Andrew M. Rigsby geeft een zeer sterke verklaring voor mijn keuze in zijn werk Caesar in Gaul and Rome: War in Words. Rigsby ziet militaire techniek, en belegeringen, als een belangrijk motief binnen de Bello Gallico. Rigsby stelt dat er het militaire conflict tussen de Galliërs en Romeinen sterk gebaseerd is op de superieure Romeinse militaire technieken.

Rigsby stelt dat er drie ontwikkelingen zijn die op dit militair technisch gebied gezien kunnen worden binnen de Bello Gallico. De drie fases van Rigsby waren verdeeld over de verschillende boeken.

De eerste fase beslaat de eerste twee boeken. In deze boeken waren de Romeinen militaire technisch superieur en werden de Gallische vijanden gemakkelijk en definitief verslagen. De tweede fase beslaat de boeken drie tot zes. In deze boeken blijven de Romeinse militaire technieken nog steeds superieur, maar de militaire techniek van de Galliërs werd beter. Deze verbetering was grotendeels toe te schrijven aan het feit dat de Galliërs Romeinse technieken overnamen. De laatste fase beslaat boek zeven. In dit boek zijn de meeste directe confrontaties tussen de Romeinen en Galliërs. De Romeinen bleven de superieure positie behouden, maar hun positie werd uitgedaagd door de Galliërs.31

Het belangrijkste punt dat hier door Rigsby wordt gemaakt voor dit onderzoek is het gevolg van deze gelijkheid in militaire technieken. Dit betekende namelijk dat in het zevende boek het conflict tussen de Romeinen en Galliërs beslecht werd doormiddel van gevechten en dapperheid.32 Het beleg van Avaricum en Alesia vonden allebei plaats in boek zeven van de Bello Gallico. In dit boek waren de Romeinen en Galliërs op militair technisch niveau vergelijkbaar qua kunnen. Het conflict werd daarom beslecht door het gevecht en de dapperheid van de legionairs die erbij betrokken waren. Dit betekent dat virtus door Romeinse legionairs zeker getoond of beschouwd zou zijn.

Deze belegeringen zouden daarom het best de Romeinse virtus moeten tonen. Het laatste aspect wat genoemd moet worden is de rol die de Galliërs innemen in de Bello Gallico. Er zijn twee

30 C.B. Krebs, ‘More Than Words. The Commentarii in their Propagandistic Context’, 41-42 in: L. Grillo & C.B.

Krebs, The Cambridge Companion to the Writings of Julius Caesar (Cambridge 2017) 29-42.

31 A.M. Rigsby, Caesar in Gaul and Rome. War in Words (Austin 2006) 73-78.

32 Rigsby, Caesar in Gaul and Rome. War in Words, 78-81.

(14)

14 groepen Galliërs in het conflict en deze twee soorten worden allebei anders beschreven door Caesar.

De eerste groep zijn de Gallische stammen die als bondgenoot van Caesar optreden en de andere groep bestaat uit de Gallische stammen die zich tegen hem keerden. Deze loyaliteitskwestie was van groot belang bij de beschrijving van deze stammen. De stammen die Caesar steunden werden vaak neergezet als nobel en beschaafd. De andere stammen werden neergezet als onbeschaafd en ongeorganiseerd, maar Caesar beschreef wel dat ze een geneigd waren om te strijden voor hun vrijheid en tegen wat zij zagen als Romeinse slavernij.33 Een duidelijke splitsing tussen de twee groepen. Het is echter wel interessant dat de opstandige Galliërs nog steeds een positief attribuut zoals een grote vrijheidsdrang toegekend kregen.

Daarnaast moet er ook gekeken worden naar de Galliërs op het slagveld. Deze werden anders beschreven door Caesar. De Galliërs die door Vercingetorix geleid worden in boek zeven van de Bello Gallico zijn, zoals eerder gesteld, bekend met Romeinse tactieken. Dit betekent dat ze de Romeinen ontzien van voorraden en weigeren te vechten op vlak terrein wat uitstekend is voor de Romeinse legioenen. Daarnaast stelt Caesar dat de twee zijden niet terughouden in het gebruik van militaire technologie en de Romeinse stijl van oorlogsvoering. Dapperheid is de enig doorslaggevende factor.34

Nu we deze punten op een rij hebben gezet zullen we doorgaan naar hoofdstuk een. In dat hoofdstuk zullen we de ontwikkeling van virtus analyseren.

33 J. Barlow, ‘Noble Gauls and their other in Caesar’s propaganda’, 139-143, aldaar 158 in: K. Welch en A.

Powell, Julius Caesar as Artful Reporter. The war Commentaries as Political Instrument (London 1998) 139-170.

34 L. Rawlings, ‘Caesar’s portrayal of Gauls as warriors’, 180 in:K. Welch en A. Powell, Julius Caesar as Artful Reporter. The war Commentaries as Political Instrument (London 1998) 171-192.

(15)

15

1. Virtus in de tijd van Caesar

In dit hoofdstuk zal onderzocht worden welke aspecten deel uit maakten van de term virtus in de tijd van Caesar. De betekenis van de term virtus was constant aan verandering blootgesteld. Deze term werd constant beïnvloed door de gedachtegang van de tijd. Het was dan ook niet een term met een statische betekenis. De periode die we behandelen loopt van 200 v.Chr. tot 60 v.Chr. In deze periode kwam het Hellenisme naar Rome. Het Hellenisme had een sterke invloed op de Romeinse samenleving en op de term virtus. Deze invloed zou een twee splitsing teweeg brengen.35 Ik zal mij focussen op een van de versies van de term virtus, maar om dat te verklaren zal ik ook kort de andere versie moeten verklaren. De centrale focus zal echter liggen op de Romeinse militaire virtus. De vraag die centraal staat in dit hoofdstuk luidt als volgt: welke aspecten vormden een onderdeel van virtus in de tijd van Gaius Julius Caesar?

Om deze centrale vraag te analyseren zal het hoofdstuk als volgt ingedeeld worden. Eerst zal het historiografisch debat geanalyseerd worden en ik zal hier mijn positie in duidelijk maken. In deze analyse zal alles als een stuk geanalyseerd worden, want het is lastig om het debat op te delen in kleinere delen. Aan de hand van het historiografisch debat zal de ontwikkeling van virtus geschetst worden. De Griekse invloeden, en met name de term arete, zullen aan bod komen. De termen virtus en arete tonen parallellen volgens enkele historici.36 We zullen eerst naar de Griekse invloeden en de parallel tussen arete en virtus kijken voordat we analyseren welke aspecten deel waren van de Romeinse virtus. Deze analyse zal moeten aantonen wat in de tijd van Caesar en de late Romeinse Republiek de belangrijke aspecten waren van de Romeinse militaire virtus.

Daarna zal gekeken moeten worden naar de manier waarop het idee van virtus en de normen en waarden die de term vertegenwoordigden werden overgebracht op jongere generaties. Dit werd gedaan aan de hand van exempla. Deze exempla, of exemplum in het enkelvoud, waren historische figuren die door grootse daden normen en waarden overdroegen aan de jongere Romeinse generaties.37 Dit zal gedaan worden aan de hand van de auteurs Cornelius Nepos, Sallustius en Cicero.

Deze Romeinse auteurs zijn gekozen omdat zij een sterk moraliserend aspect hebben in hun teksten en een duidelijke boodschap willen overbrengen. Daarnaast is gekozen voor auteurs uit de laatste twee eeuwen v.Chr., omdat in deze tijden de meeste veranderingen plaats vonden en deze van groot belang waren voor de situatie die wij proberen te achterhalen. Dit zal nog verder toegelicht worden later in

35 M. McDonnel, Roman Manliness. Virtus and the Roman Republic (Cambridge 2006) 5.

36 C. Balmaceda, Virtus Romana. Politics and Morality in the Roman Historians (Chapel Hill 2017) 14; W.

Eisenhut, Virtus Romana. Ihre Stellung im römischen Wertsystem (München 1973) 23; McDonnel, Roman Manliness. Virtus and the Roman Republic, 14-19.

37 M.B. Roller, ‘Exemplarity in Roman Culture. The Cases of Horatius Cocles and Cloelia’, Classical Philology vol.

99 1 (2004) 4-8.

(16)

16 het hoofdstuk. De analyse van de veranderingen van de term virtus op deze manier zal op het einde een beeld moeten geven van de staat van virtus ten tijde van Caesar.

Het historiografisch debat: arete en virtus

Cicero, de grote Romeinse redenaar, stelde het volgende in zijn werk de Tusculanae Disputationes: ‘for it is from the word for ‘man’ that the word ‘virtue’ is derived’.38 Het debat rondom virtus is geëvolueerd van een sterk linguïstisch debat naar een debat over de positie van de term in de Romeinse maatschappij. De wisselwerking die de maatschappij en virtus hadden op elkaar was hier ook onderdeel van. De quote van Cicero maakt in ieder geval duidelijk dat origine van de term in de late Romeinse Republiek geen mysterie was. De verschillende aspecten van de term zijn echter meer ambigue. Dit komt vooral door de twee versies die ontstonden van de term door toedoen van Romeinse en Hellenistische invloeden. Dit is in mijn ogen de crux van het huidige debat en zeer belangrijk. In dit gedeelte van het hoofdstuk zal dit uitgelegd worden.

De Romeinen hadden voor de tweede eeuw v.Chr. al een hoge mate van interactie in het Middellandse-Zee gebied met de verschillende culturen die dat gebied ook hun thuis noemden. De Grieken, Carthago en de Diadochen staten. De Punische Oorlogen zagen de uitbreiding van het Romeinse Rijk naar gebieden rondom en in de Middellandse-Zee waar Griekse gemeenschappen al langere tijd gevestigd waren. Deze territoriale expansie zag de Romeinse interactie met deze Griekse gemeenschappen zwaar toe. De Romeinse overwinningen en oorlogen zorgde voor een migratiestroom van slaven en vrije Grieken naar Rome. Deze Grieken namen hun eigen cultuur met zich mee en waren in sommige gevallen ook hoog opgeleid. Deze hoogopgeleide Grieken dienden als leraren voor de Romeinse elite. De Griekse cultuur werd daardoor onderdeel van de aristocratische levenswijze van de Romeinse elite. De komst van het Hellenisme werd door sommige Romeinen gezien als een aanval op Romeinse tradities en het langzaam decadenter worden van de Romeinse mannelijke bevolking. Dit zou als gevolg hebben dat de Romeinse virtus, die hun voorouders hadden bezeten en waarmee zij de Romeinse Republiek gecreëerd hadden, verloren zou gaan. De Romeinse bestuurders begonnen zich tegen dit Hellenisme af te zetten om de Romeinse virtus te bewaren.39

Om dit debat goed te schetsen moeten we echter eerst beginnen met het kort bespreken van een werk waarin virtus niet centraal staat, maar het Hellenisme in Rome wel. Dit is het werk: The Moral and Political Tradition of Rome van de historicus Donald Earl. Earl behandelt de invloed van de Griekse filosofie op Romeinse tradities. Voornamelijk hoe deze invloeden samen gingen met virtus. Earl stelt dat onder de Romeinse aristocratie een interessante verstandhouding was ontstaan met de Griekse

38 Cic. Tusc. Disp. 2.43.

39 McDonnel (2006) 261-265.

(17)

17 cultuur, voornamelijk de Griekse filosofie. De Romeinse elite zocht naar een balans tussen aan de ene kant hun liefde voor de Griekse cultuur en aan de andere kant hun respect voor de tradities van hun voorouders die door buitenlandse inmenging bedreigde werden. De invloed van deze Griekse cultuur werd wel beperkt tot de leden van de Romeinse elite, want die hadden de rijkdom om zich ermee bezig te houden.40

Volgens Earl werd deze balans gecreëerd door een scheiding tussen de privé en publieke sferen van de Romeinse elite. Hij gebruikt hier als voorbeelden de grote Romeinen Scipio Africanus en Cato de Oudere. Deze twee politici handelden in hun politieke carrières altijd naar de richtlijnen van de Romeinse mos maiorum, de ongeschreven Romeinse tradities. Griekse filosofie en Griekse gewoontes hadden geen plek in de publieke sferen van Rome volgens Scipio en Cato. In privé sferen hadden de twee geen problemen met de bestudering en bediscussiëring van Griekse cultuur. Earl stelt dat deze balans onder het grootste gedeelte van de Romeinse elite te vinden was. Aan de ene kant was er in de publieke kringen een afkeer tegenover ideeën en culturen die niet paste binnen de mos maiorum en aan de andere kant in privé kringen een omarming van Griekse cultuur. Earl stelt ook dat Griekse cultuur concessies deed tegenover de Romeinse tradities. Er was een Romeinse superioriteit in de interactie. Het gewone volk van Rome kwam vooral met de publieke kant van de Romeinse elite in aanraking. De Griekse invloeden waren bij hun een stuk beperkter dan bij de leden van de elite.41

Deze splitsing in de Romeinse maatschappij is belangrijk om te onthouden voor de rest van dit hoofdstuk. In ons geval is vooral de omgang met de Griekse ideeën in de publieke kringen van belang, want onze bestudering van militaire virtus wordt vooral toegepast in de publieke kringen. In de publieke kringen vinden we volgens Earl die afkeer tegenover buitenlandse ideeën. De Romeinse elite zetten zich af tegen deze ideeën om hun eigen cultuur te definiëren. Daarnaast stelt Earl ook dat de Griekse denkwijze het onderspit dolf tegenover de Romeinse tradities. Daarnaast is het ook belangrijk dat deze situatie vooral terugslaat op de Romeinse elite. Het normale Romeinse volk kwam in privé kringen een stuk minder in aanraking met de Griekse cultuur dan de Romeinse elite. In de publieke kringen kwamen de Romeinen die lid waren van het plebs ook vooral in aanraking met de Romeins tradities en niet met de Griekse invloeden die publiek onderdrukt werden.

Voordat we dieper in het debat rondom de Griekse invloeden op de term virtus duiken moeten we eerst de betekenis van de term arete duidelijk maken. Arete was de Griekse term die stond voor het tonen van uitmuntendheid bij elke menselijke onderneming.42 Arete had net zoals virtus een link met dapperheid en militaire vaardigheid. In de Ilias waren de Griekse krijgers op zoek naar arete

40 D. Earl, The Moral and Political Tradition of Rome (London 1967) 38-40.

41 Earl, The Moral and Political Tradition of Rome, 39-43.

42 W. Eisenhut, Virtus Romana. Ihre Stellung im römischen Wertsystem (München 1973) 23; McDonnel, Roman Manliness. Virtus and the Roman Republic, 14.

(18)

18 doormiddel van hun krijgsvaardigheid en dappere daden. Arete kon echter ook ingezet worden voor menselijke activiteiten naast oorlogsvoering. Op het gebied van filosofie of oratie was het ook mogelijk om arete te verkrijgen. De term bracht ook een element van competitie met zich mee. Dit kon gezien worden bij de Griekse krijgers in de Ilias die elkaar probeerde te overtreffen met hun militaire daden of bij de verschillende redenaren in de Griekse Polis. De term had echter geen ethische waarde die deze diensten direct linkten aan de stadstaat of de grotere Griekse natie in tegenstelling tot virtus wat we later in dit hoofdstuk zullen tonen. Arete was een term die sterk gelinkt was aan het individu en niet aan een collectief.43

Het idee, dat de Griekse cultuur meer naar de voorgrond trad in privé kringen en in publieke kringen meer de Romeinse tradities naar de voorgrond traden, van Earl is in mijn ogen geen problematisch idee. In mijn ogen is het feit dat Werner Eisenhut deze distinctie niet maakt wel problematisch. Eisenhut begint zijn onderzoek vanuit de notie dat er sterke parallellen zijn tussen virtus en arete.44 Het werk van Eisenhut begint in mijn ogen vanuit het standpunt dat deze parallel er zeker was en uiteindelijk dominant was in de verhouding tussen de twee termen. Hij ziet ook niet de splitsing tussen privé en publiek in de Romeinse maatschappij met betrekking tot de term virtus. Dit wil niet zeggen dat het werk van Eisenhut niks waard is. Het werk van Eisenhut geeft een uitgebreid overzicht van het gebruik van virtus en de ontwikkeling van de term. Hij ziet dat de betekenis van virtus sterk gelijk wordt aan die van arete.45 Het is echter voor dit onderzoek niet de juiste aanpak om de versie van virtus te analyseren waar wij naar zoeken. Daarnaast onderschat Eisenhut in mijn ogen het belang van de martiale origine en betekenis van virtus. De vorm van virtus die hij schetst in zijn werk zou ik zelf eerder koppelen aan de educatie en kunstzinnige ontwikkelingen van de leden van de Romeinse elite in hun privésfeer. Ik zal hier wat later op terug komen in dit hoofdstuk, maar eerst moeten we kijken hoe andere auteurs keken naar de splitsing tussen privé en publiek omtrent virtus.

Tegenover Eisenhut staat Myles McDonnel. McDonnel beriep zich ook meer op het werk van Donald Earl. In de inleiding had ik al kort genoemd dat McDonnel twee problemen had met de aanpak van Eisenhut. Het deed af aan de originele betekenis van de term in het oude Latijn, want ideeën van de late republiek en het Romeinse keizerrijk werden geprojecteerd op de term in het oude Latijn. De martiale betekenis van de term werd daardoor aangetast. Daarnaast overschatte het ook de invloed van het Helenisme op de term virtus.46 McDonnel houdt vast aan het idee dat virtus primair een martiaal idee was.47 Daarnaast sluit McDonnel zich wel aan bij het idee van Earl dat er een splitsing is

43 Eisenhut, Virtus Romana. Ihre Stellung im römischen Wertsystem, 19-22.

44 Eisenhut (1973) 23; McDonnel (2006) 14.

45 Eisenhut (1973) 14-22; 219-222.

46 McDonnel (2006) 5.

47 Ibidem, 5.

(19)

19 in de Romeinse maatschappij omtrent de Griekse cultuur en omtrent virtus. Ik denk dat dit een van de sterkste punten is van McDonnel’s betoog.

De twee vormen die McDonnel vaststelt bij virtus liggen in het verlengde van het idee wat Earl naar voren brengt rondom de scheiding van privé en publiek. De eerste is de Romeinse martiale vorm die zich afzet tegen de Hellenistische invloeden en vooral in publieke kringen plaats had. Daarnaast ziet hij de virtus die beïnvloed is door arete en een plek heeft in de Romeinse privé kringen. Volgens McDonnel had deze vorm van virtus een sterke ethische lading die ontbreekt bij de traditionele Romeinse virtus.48 De kijk van McDonnel staat haaks op die van Eisenhut. McDonnel ontkent niet dat er Griekse invloeden waren, maar hij beperkt de mate waarin deze invloed hadden op de term virtus.

Hij ziet ook dat de Romeinse virtus sterk gevormd werd doordat deze afgezet werd tegen de virtus die langzaam in de Romeinse privé kringen naar voren kwam en sterk Grieks beïnvloed was. Dit idee van McDonnel geeft in mijn ogen de beste oplossing voor het conflict tussen de Griekse invloeden en de Romeinse tradities. De precieze invulling van deze twee vormen zal ik in het volgende gedeelte van het hoofdstuk op terug komen. Het lijkt mij ook aannemelijker dat in de publieke kringen het afzetten tegen buitenlandse invloeden een sterker punt maakt dan het overnemen van deze invloeden.

Het werk van Catalina Balmaceda sluit aan bij McDonnel. Ze zet zich af tegen de vondsten van Eisenhut en stelt, net zoals McDonnel, dat de Griekse cultuur essentieel was in de vorming van de betekenis van de term virtus.49 Zij ziet wel sterker de Griekse invloeden terug in de term dan McDonnel.

Ze ziet wel degelijk de invloeden van arete op de term virtus. In haar ogen was de tweede eeuw B.C.E.

een mengelmoes in Rome van de Griekse en Romeinse cultuur. Arete stond het dichtst bij virtus in betekenis en was daarom vergelijkbaar. Haar interpretatie neigt ook meer naar het ontstaan van één vorm van virtus dan naar de twee distinctieve die bij McDonnel naar voren komen in de vorm van privé en publiek. Ze is echter wel van mening dat de Romeinse betekentis van virtus overheerste, dus niet zoals Eisenhut die het Griekse als superieur zag.50

Justin Ryan James blijft enigszins weg bij de origine van virtus en de mogelijke parallel met arete. Hij stelt dat de eerste vormen van virtus los gezien moeten worden van arete en voornamelijk een martiale connotatie hebben. Hij blijft ook weg bij het punt dat McDonnel maakt over de splitsing in de term virtus tussen privé en publiek, maar dat is begrijpelijk omdat zijn werk specifiek gericht is op de publieke kant van de Romeinse samenleving en vooral militaire dienst. Daarnaast stelt hij ook dat de link tussen virtus, dapperheid, martiale vaardigheden en militaire dienst een logische connectie is, want militaire dienst was in die tijd alleen weg gelegd voor mannen.51

48 Ibidem, 382-383.

49 Balmaceda, Virtus Romana. Politics and Morality in the Roman Historians, 1.

50 Balmaceda (2017) 41-48.

51 J.R. James, Virtus and Discplina. An Interdisciplinary Study of the Roman Martial Values of Courage and Discipline (Colombia 2019) 48, 173.

(20)

20 De invloed van het Hellenisme op de term virtus was verreikend. De Griekse invloeden creëerde een tweesplitsing in de Romeinse samenleving rondom het gebruik van virtus. In de privékring werd de Griekse cultuur omarmd en was samen met de term arete van grote invloed op de virtus die getoond werd door de Romeinen in hun privékringen. In de publieke kringen, waar de militaire virtus getoond werd, werd hard afgezet tegen de Griekse invloeden en virtus werd hier gevormd door Romeinse tradities. Deze tweesplitsing had ook effect op de aspecten die werden geassocieerd met de beide vormen van virtus. Deze aspecten zullen we in het volgende gedeelte behandelen.

Het historiografisch debat: Romeinse virtus

We beginnen bij de analyse van de aspecten van virtus weer met het werk van Donald Earl. Earl analyseert virtus in een bredere context van moraal politiek in het oude Rome. Hij kijkt vanaf de tweede eeuw voor Christus naar de ontwikkelingen binnen de Republiek. Earl stelt dat virtus alleen mogelijk was binnen de context van het publieke leven in de res publica. Dit kon doormiddel van de staat dienen in oorlogen of in een staatsambt. Hij stelt ook dat er een sterke distinctie was met de sterk Grieks beïnvloede virtus die in de privésfeer beoefend werd. Dit doet hij doormiddel van het noemen van Cato en Scipio Africanus. Daarnaast ziet Earl ook in de latere republiek een sterke moraliserende trend naar voren komen die gelijk loopt met de val van de republiek. Het idee van virtus wordt gebruikt voor eigen gewin door de grote staatsmannen, zoals Sulla en Marius. Zij stelden zich op als die ideale Romein die door virtus groot geworden was. Daarnaast keerden zij zich ook allebei publiekelijk tegen de invloeden van buitenlandse culturen.52 Dit punt toont in mijn ogen al enkele belangrijke punten. Ten eerste de link van virtus in dienst van de republiek is in mijn ogen zeer belangrijk. Ten tweede dat er een sterk moraliserende component aan zit. Earl miste wel de martiale connotatie van virtus in zijn werk.

Het vervolgwerk van Eisenhut staat hier anders tegenover en herkent compleet andere aspecten van Romeinse virtus. We moeten onthouden dat het werk van Eisenhut sterk geleid wordt door de parallel tussen virtus en arete. Daarnaast speelt arete een grotere rol bij Eisenhut dan bij de meeste andere auteurs. Eisenhut ontkent niet dat virtus nog steeds een martiale lading heeft. Hij stelt echter wel dat virtus gelijker wordt aan de betekenis van arete. Romeinen konden ook op het gebied van literatuur, filosofie of kunst virtus behalen. Het uitblinken werd het belangrijkst om die virtus te verkrijgen. Het idee omtrent arete als uitmunten in elk menselijke streven wordt ook op virtus toegepast in het werk van Eisenhut. Hierdoor wordt de term breder qua betekenis. Eisenhut legt echter minder nadruk op de link met de res publica. In zijn ogen was virtus te behalen op vlakken die niet

52 Earl (1967) 11-58.

(21)

21 direct gelinkt waren aan publieke dienst, net zoals bij arete. Het toont duidelijk hoe sterk Eisenhut de termen arete en virtus aan elkaar gelijk ziet. Het ethische aspect komt in de ogen van Eisenhut terug in de filosofie, maar het moraliserende aspect wordt enigszins weggelaten omdat de privé versie van virtus die Eisenhut schetst sterk gelinkt was aan het individu. De virtus van Eisenhut is een stuk breder qua betekenis dan die van Earl.53 Het is hier weer dat het idee van sterke Griekse invloeden in mijn ogen een probleem creëren in het werk van Eisenhut. Hij erkent wel het martiale aspect, maar het gebrek aan tweesplitsing in zijn idee van virtus betekent dat dienst aan de res publica en het moraliserende aspect van de term verloren gaan. Hij schetst in mijn ogen de privé vorm van virtus omdat zijn vorm sterk gelinkt worden aan kunsten die in de privé sfeer plaatsvinden. Daarnaast slaat zijn vorm van virtus sterk terug op het individu in mijn ogen omdat het niet direct gelinkt wordt aan dienst aan de res publica, maar aan het eigen kunnen op bepaalde vlakken.

Myles McDonnel geeft in mijn ogen misschien wel de beste uiteenzetting van veranderingen in virtus. Dit betekent niet dat ik het er compleet mee eens ben. Balmaceda en James maken namelijk allebei een erg goed punt over zijn argument, maar dat zal later aan bod komen. McDonnel ziet virtus vanaf het begin als een martiale, dappere of heldhaftige term, maar ook als een term zonder een ethische of moraliserende waarde. Virtus was de manier waarop de Romeinen hun rijk verdedigden tegen aanvallers. Het was een agressieve vorm van defensie. Virtus werd graag gezien in alle Romeinse soldaten. Virtus was de dapperheid en slagvaardigheid die de Romeinen toonden op het slagveld. Het was in zijn ogen in origine alleen een martiale term die op het slagveld aangesproken kon worden.

Deze virtus was echter wel al gelinkt aan de republiek omdat zij verdedigd moest worden.54 Het is om deze reden dat het ook een sterke collectieve aard had. De republiek moest samen verdedigd worden.

Deze vorm van publieke virtus mist ook de directe competitie die naar voren kwam bij de privé vorm van virtus die door arete beïnvloed werd. McDonnel ziet geen moraliserend of ethisch aspect dat gekoppeld was aan die eerst martiale versie van virtus.

Dit ziet McDonnel, net zoals Eisenhut, wel bij de privé versie van virtus. De Romeinse virtus werd door de Griekse invloeden anders gevormd volgens McDonnel, zoals al eerder gesteld. Virtus was iets typisch Romeins en de nieuwe instromingen bedreigde dit. De angst heerste dat de Romein verzwakt werden door deze nieuwe instromingen. Dit thema werd zeer populair onder Romeinse auteurs. Dit thema werd gevormd door het idee dat de ‘decadente’ oostelijke culturen de Romeinse virtus bedreigde dat door de Romeinse voorouders doorgegeven was aan hun nazaten. McDonnel haalt hier Cato en Scipio aan als voorbeelden van deze trend, net zoals Earl. Hier komt ook sterk naar voren dat virtus alleen haalbaar was in dienst van de res publica. Cato en Scipio Africanus waren de

53 Eisenhut (1973) 219-222.

54 McDonnel (2006) 70-71.

(22)

22 lichtende voorbeelden hiervan voor de Romeinen. Zij dienden de republiek door militaire dienst en in de politiek. Zij probeerden ook die originele virtus naar voren te brengen en de jongere Romeinen aan te sporen om te dienen in het leger en hun militaire vaardigheden te trainen. De Romeinse publieke, oftewel voor ons militaire, virtus werd gevormd door het af te zetten tegen de virtus die in de privé kringen van Rome naar voren kwam en sterk beïnvloed was door de Griekse cultuur.55 Ik denk dat dit een zeer sterk punt is van McDonnel. Daarnaast geeft het goed weer hoe naast het belangrijke martiale aspect de sterke link naar voren kwam met de Romeinse Republiek. In mijn ogen is dit een van de belangrijkste aspecten van de militaire virtus, want het linkt militaire dienst sterk aan het dienen van de republiek. Een republiek die gebouwd werd door militaire veroveringen.

Het Hellenisme creëerde een duidelijkere breuk tussen de Romeinse militaire virtus en de privé virtus die thuis beoefend kon worden. De Romeinse militaire virtus wordt door McDonnel stevig geplaatst in de publieke sfeer van Rome. Het was de virtus die de grote Romeinse politici toonden.

McDonnel ziet een duidelijke connectie tussen de Romeinse militaire virtus en de res publica.56 Zijn vorm van militaire virtus mist echter een ethische connotatie. In mijn ogen heeft de militaire virtus van zichzelf een ethische waarde omdat het in dienst moest staan van de res publica. De Romeinen probeerden duidelijk waarden en normen te binden aan de term naast het militaire aspect. De krijgshaftigheid van de term bleef bestaan, maar de waarde werd meegeven dat die krijgshaftigheid in dienst moest staan van de Romeinse Republiek. Dit geeft het een ethische connotatie. De term heeft daarom in mijn ogen zeker een moraliserend en ethisch aspect. Ik zal dit verder toelichten aan de hand van het werk van Balmaceda.

Het werk van Balmaceda is sterk gericht op het moraliserende aspect van virtus. Ze ziet virtus in de praktijk vooral terug in hoe Romeinse historici virtus gebruiken als een moraliserend middel. Haar analyse geeft weer dat virtus moraliserend diende en dat een staat niet alleen kan functioneren op goede idealen, maar ook afhankelijk is van de morele standaard van haar inwoners. In haar ogen dient virtus in de late Romeinse Republiek een sterk moraliserend aspect en niet zo sterk een maritaal aspect. Haar mening wordt hier sterk in gevormd door Sallustius. De werken die hij schreef over de oorlog tegen Jugurtha en de Catilina samenzwering waren sterk gericht op het verval van de republiek en de mensen die in zijn ogen hier aan bij droegen.57 Balmaceda stelt dat het martiale aspect van virtus nog steeds belangrijk was, maar dat het vooral werd aangewend om te tonen hoe de Romeinse voorgangers hun successen behaalden. In mijn ogen heeft Balmaceda hier een punt, maar ik denk dat ze dit meer naar voren brengt voor de privé versie van Romeinse virtus. Ik denk dat militaire Romeinse virtus zeker een moraliserend en ethisch aspect had, maar het martiale en krijgshaftige aspect blijft

55Ibidem, 261-265.

56 Ibidem, 388-389.

57 Balmaceda (2017)342-343.

(23)

23 het meest belangrijke in mijn ogen. Het is hier dat misschien de analyse doormiddel van alleen Romeinse historici tekort schiet.

Ik zie dit ook terug in de bespreking van Livius door Balmaceda. Livius gebruikt het slagveld als een toneel om virtus te tonen. Daarnaast ziet Livius volgens Balmaceda virtus als iets wat aan het hart lag van het Romeinse volk. Hun dapperheid en martiale kracht werd door die virtus weer gegeven. Het is ook zeer interessant dat Balmaceda ook noemt dat Livius virtus toedraagt aan hele militaire eenheden of Romeinse legers. Dit geeft het idee dat het dan ook mogelijk was voor de lagere klassen van de Romeinse samenleving om virtus te tonen. De militaire eenheden van de Romeinse Republiek bestonden niet uit alleen maar de senatoriale klasse. De virtus die getoond werd was de publieke vorm gezien het feit dat deze groepen niet de toegang tot Griekse leermeesters en de Griekse cultuur hadden als de leden van de elite. Balmaceda stelt ook dat deze virtus getoond door Livius alleen binnen een bepaalde context kon bloeien. Deze context was vaak binnen dienst aan de Romeinse Republiek en het moest een nobele oorlog zijn ter dienste van de republiek. Het plunderen en verdelen van de buit was ook een belangrijk punt dat onderdeel was van de virtus van Livius. Dit moest op een nette en gecontroleerde manier gebeuren. Balmaceda ziet dan ook dat het noemen van virtus door Livius afneemt naarmate zijn werken chronologisch dichter bij de val van de Romeinse Republiek komen.58 Het is interessant dat Balmaceda hier de virtus van militaire eenheden benoemt, omdat het in andere werken weinig of niet naar voren komen. Ze blijft echter zeer oppervlakkig en gaat niet dieper in op dit punt. Daarnaast lijkt het mij dat Livius deze eenheden gebruikte om zijn idee van Romeinse waarden naar voren te brengen. Ik denk dat hierdoor dit punt onderbelicht blijft en dat ik hoop hier meer duidelijkheid over te geven aan de hand van de Bello Gallico van Julius Caesar.

Het werk van James geeft ook een zeer goed idee van wat de aspecten waren van Romeinse publieke of militaire virtus. Virtus was militaire dapperheid in dienst van de maatschappij. Romeinen moesten hun angst overwinnen. Daarnaast was het ook volgens hem fundamenteel ethisch omdat de daad virtus maakte, desondanks het karkater van de persoon. Het was in zijn ogen ook een middel dat normale legionairs in staat stelden om promotie te maken desondanks dat ze van lagere afkomst waren. Hier wordt dus ook genoemd dat de lagere militairen virtus bezaten en daar gebruik van konden maken. In het werk van James stelt hij ook dat virtus nodig is om de volle potentie van een man te bereiken.59 In mijn ogen geeft James een beter voorbeeld van virtus bij de normale militairen. Hij geeft duidelijker aan wat er door de soldaten bereikt werd als ze over virtus beschikten en hij doet door ook door afstand te nemen van de Romeinse historici die er een sterk moraliserend doel bij hebben.

Daarnaast geeft het ook de mogelijk voor een gronderige analyse bij de Romeinse legionairs die

58 Ibidem, 145-160.

59 J.R. James, Virtus and Discplina. An Interdisciplinary Study of the Roman Martial Values of Courage and Discipline, 172-174.

(24)

24 optraden in de belegeringen van de Bello Gallico die we in de volgende hoofdstukken zullen gaan bestuderen.

De aspecten die onderdeel zijn van de Romeinse militaire, oftewel publieke, virtus hebben wij in de voorgaande paragraaf geanalyseerd. Deze virtus is sterk gevormd omdat deze werd afgezet tegen de toenemende invloed van het Hellenisme in Rome. In mijn ogen zijn de volgende aspecten een essentieel onderdeel van de Romeinse militaire virtus. Het eerste aspect is het originele aspect van de term. Het is de martiale vaardigheid en dapperheid die de term aangeeft. Dit waren essentiële eigenschappen voor soldaten om te tonen op het slagveld. Deze zijn daarom het primaire aspect van virtus in mijn ogen. Daarnaast moesten deze eigenschappen wel in dienst van de res publica getoond worden. Virtus kon alleen binnen dienst aan de staat bereikt worden en stond daarmee ten dienste van de Romeinse staat. Het feit dat het in dienst stond van de Romeinse maatschappij maakte het dat de term een sterke ethische lading meekreeg. Door de Romeinse historici werd deze term vooral moraliserend gebruikt. Dit gold ook als militaire eenheden complete virtus toegekend werd. Het was de rol van de soldaat die virtus wilde behalen om zich op te offeren voor het welzijn van de staat. Om deze aspecten beter aan te tonen zullen we als laatste in dit hoofdstuk kort de exempla van Cato de Oudere en Scipio Africanus bestuderen.

Herinneringen en Exempla

Voordat we beginnen met de analyse van de exempla Cato de Oudere en Scipio Africanus moet eerst kort wat over de Romeinse manier van het herdenken van de Romeinse geschiedenis en doden verteld worden. De Romeinen herinnerden hun doden op een zeer specifieke manier. Elke overledene had zijn leven op een bepaalde manier geleefd, goed of slecht. Het doel van het herinneren en rouwen was om de tragische gebeurtenis om te zette naar iets positiefs, vooral nieuwe manieren van handelen of normen en waarden.60 De overleden persoon droeg bij aan de ontwikkeling van de Romeinse maatschappij en de vorming van haar nieuwe generaties door een exemplum te worden. De Romeinse virtus werd op deze manier overgedragen. De aspecten die een onderdeel waren van de Romeinse virtus werden doormiddel van de exempla geleerd aan de jongere generaties.61 Exempla werden door de Romeinen gebruikt om hun normen en waarden over te dragen. Virtus was in dit geval geen uitzondering.

Dit kwam vooral sterk naar voren in de begrafenissen van de Romeinse magistraten. Dit recht was voor weinigen weggelegd. Een Romeinse staatsbegrafenis was alleen weggelegd voor Romeinen

60 A.Kubler, ‘Roman matrons, guardians of memory. The announcement of the defeat at Trasimene’, Clio.

Women, Gender, History vol 46. (2017) 252-253.

61 H.I. Flower, Ancestor Masks and Aristocratic Power in Roman Culture (Oxford 1996) 18-19.

(25)

25 die een ambt hadden bekleed in de hoogste rangen van de Romeinse overheid. Dit waren de consuls, praetors, censors en curule aediles. Deze begrafenis vond voor een gedeelte plaats op de Rostra bij het forum Romanum. Hier werden door de nabestaanden toespraken gehouden die de doden eerden, maar ook hun andere voorouders en hun glorieuze daden. Dit werd kracht bijgezet door acteurs die wassen maskers droegen in het evenbeeld van de gezichten van de overleden voorouders. Het was alsof de voorouders meeliepen in de begrafenisstoet. Hierdoor was het ook alsof deze voorouders nog steeds onder de levenden verkeerden en zo werden hun daden extra kracht bijzetten om de jongere te inspireren.62

Deze maskers waren niet alleen bij de begrafenissen te vinden, maar ze werden ook prominent getoond in de huizen van de elite die dit recht verkregen hadden. Een functie hiervan was om bezoekers te imponeren door de belangrijke voorvaderen te tonen van de huiseigenaar. Daarnaast speelden de maskers ook een rol in de opvoeding van de kinderen. De maskers toonden de gezichten van voorouders die grootse militaire of civiele daden hadden verricht. Aan deze daden waren waarden oordelen verbonden die paste in de Romeinse samenleving. Ze toonden excellent en gewild Romeins gedrag. De jongere familieleden werden hierdoor geïnspireerd om zelf deze waarden en normen na te leven. De maskers nodigden uit om hun gedrag en daden te kopiëren. Het waren oude Romeinse voorbeelden voor de jeugd.63 Virtus was een van deze eigenschappen die werd overgedragen door deze maskers en exempla.

Deze maskers dienden als voorbeelden, oftewel exempla, voor de jonge Romeinen. Een exemplum kon ook vaak in literaire context ingezet worden. Het diende hetzelfde doel als de hiervoor genoemde wassen maskers. In de literatuur werden ook vaak grootse historische Romeinen aangehaald om bepaald waarden en normen over te dragen aan de jonge Romeinse generatie. Ze dienden ook als een voorbeeldfunctie en speelden daardoor nog steeds een zeer actieve rol in de Romeinse samenleving.64 De Romeinse overledenen werden op deze manier eigenlijk nog in leven gehouden en vervulden nog steeds een belangrijke rol in de Romeinse samenleving. Deze rol werd misschien nog wel versterkt door het feit dat ze gestorven waren.

Matthew B. Roller heeft een zeer handig stappenplan om exempla te begrijpen opgesteld. Het is dit plan dat ook in dit hoofdstuk bij Scipio Africanus een belangrijke rol zal spelen als we hem als exemplum analyseren. Dit stappenplan van Roller heeft vier stappen. Ten eerste, een exemplum

62 J. Pollini, ‘Ritualizing Death in Republican Rome. Memory, Relgion, Class Struggle and the Wax Ancestral Mask Tradition’s Origin and Influence on Veristic Portraiture,’237-240 in: L. Schramer en T.G. Urban, The University of Chicago Oriental Institute Seminars Number 3 (Chicago 2007) 237-286; H.I. Flower, Ancestor Masks and Aristocratic Power in Roman Culture, 128-133.

63 Pollini, ‘Ritualizing Death in Republican Rome. Memory, Relgion, Class Struggle and the Wax Ancestral Mask Tradition’s Origin and Influence on Veristic Portraiture,’ 239.

64 Roller, ‘Exemplarity in Roman Culture. The Cases of Horatius Cocles and Cloelia’, 4-8; M.B. Roller, Models from the Past in Roman Culture. A world of Exempla (Cambridge 2018) 1-3.

Figure

Updating...

References

Related subjects :