• No results found

Op speurtocht naar Bredero

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2021

Share "Op speurtocht naar Bredero"

Copied!
2
0
0

Bezig met laden.... (Bekijk nu de volledige tekst)

Hele tekst

(1)

Recensies

Op speurtocht naar Bredero

René van Stipriaan, De hartenjager. Leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero. Amsterdam/Antwerpen, 2018. isbn: 9789021409528. € 26,99.

In 2018 verscheen De hartenjager, een stu-die van René van Stipriaan over het leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero. Niet toevallig kwam dit boek in 2018 op de markt, 400 jaar na het onver-wachte overlijden van de jonge, veelbelo-vende kunstenaar. Daarmee plaatst het werk zich in wat Van Stipriaan als de ‘geoliede herdenkingscultuur in Nederland’ (9) aan-duidt, die kon ontstaan dankzij de precieze gegevens over het geboortejaar (1585) en sterfjaar (1618) van deze beroemde maar te-gelijk ook onbekende auteur. Opzet en in-vulling van Van Stipriaans nieuwe boek zor-gen er echter voor dat het uitstijgt boven het klassieke herdenkingswerk dat vaak enkele jaren na uitgave samen met de gelauwerde jubilaris de vergetelheid induikt.

Van Stipriaan richt zich in de eerste plaats op het werk van Bredero, niet in het minst omdat er zo weinig andere gegevens over hem bekend zijn: ‘Zijn werk zal het móéten getuigen, we hebben niet veel anders. Om een beeld op te bouwen van Bredero’s idee-en, ontwikkeling en betekenis zullen we in de eerste plaats bij zijn werk te rade gaan, en bij zijn omgeving’ (11). De auteur wil niet in dezelfde val trappen waar zovele van zijn voorgangers-Brederokenners inliepen. In hoofdstuk vijf over de interpretatie van Bre-dero bij latere generaties laat Van Stipriaan zien hoe heel wat generaties onderzoekers zich hebben laten verleiden om vanuit Bre-dero’s werk allerlei uitspraken te kunnen

doen over zijn leven. En dat met wisselen-de klemtonen: Brewisselen-dero als eeuwig verliefwisselen-de, gekwelde ziel, als zuipschuit die zijn chroni-sche liefdesverdriet in de kroegen ging ver-drinken, als platvloerse grappenmaker. Van Stipriaan heeft andere ambities, hoewel een titel als De hartenjager in combinatie met het feestende gezelschap op de omslagillu-stratie (een detail uit een schilderij van Frans Hals) Bredero’s reputatie als losbol en drin-kebroer ogenschijnlijk lijken te bevestigen.

Ook Van Stipriaan probeert zicht te krij-gen op de mens Bredero maar hij is een be-hoedzame lezer die zich niet laat meeslepen door speculaties. Door een nauwkeurige lectuur van Bredero’s werk te combineren met wat we wel weten over diens omge-ving en kennissenkring slaagt Van Stipriaan er wel degelijk in om een en ander af te lei-den over de persoonlijke besognes van de zeventiende-eeuwse schrijver. Vooral in het gedeelte over Bredero’s levenseinde levert deze werkwijze verrassende resultaten op. Hoewel het niet echt kan worden bewezen, maakt Van Stipriaans speurwerk het toch bijzonder aannemelijk dat Bredero zelf zijn leven zou beëindigd hebben. Bredero’s wei-nig bestudeerde laatste en onafgewerkte to-neelstuk Angeniet, dat werd voltooid door de jonge en veelbelovende dichter Jan Jansz. Starter, speelt bij Van Stipriaans deducties een sleutelrol.

De globale structuur van het boek volgt Bredero’s levensloop vanaf ‘diens leerjaren’

ISSN00407550.pinn.TNTL20202.indb 152

(2)

recensies 153

tot ‘het laatste jaar’, maar het is allesbehal-ve een rechttoe-rechtaan allesbehal-verhaal geworden. Van Stipriaan combineert een chronologi-sche aanpak met een meer thematichronologi-sche be-nadering die hem in de gelegenheid stelt om dieper in te gaan op de diverse literaire genres die Bredero beoefende, op de maat-schappelijke en literair-culturele ontwikke-lingen in de zeventiende eeuw en op de snel-le ontwikkeling van de stad Amsterdam die tijdens Bredero’s leven uitgroeide tot een metropool. Het levert een veelzijdig portret op van een kunstenaar in de snel verande-rende wereld waar hij deel van uitmaakte en die hij ook mee vorm gaf.

De lezer krijgt zicht op de nieuwe literai-re ontwikkelingen die ontstonden vanuit de rederijkerskamers en tegelijk ook kritiek le-verden op de gangbare (en vaak vastgeroes-te) rederijkerspraktijken. Het publicatie-klimaat veranderde, er werden initiatieven genomen ter waardering van de moedertaal, in het theater moesten de allegorische perso-nages wijken voor echte individuen met een complexe identiteit.

Van Stipriaan plaatst Bredero’s werk ook in een breder, internationaal perspectief en dit levert interessante inzichten op. De auteur trekt vooral parallellen met Shake-speare en dat zeker niet alleen omdat over beide kunstenaars zo weinig is geweten. In het hoofdstuk ‘Theater van de hartstochten’ gaat Van Stipriaan dieper in op gelijkenis-sen in hun beider werk en laat hij zien hoe Bredero en Shakespeare in hun toneelwerk eenzelfde kijk bieden op de veranderlijke en menselijke geest, overgeleverd aan zijn hartstochten en een onbetrouwbare wereld. Om het in Van Stipriaans eigen woorden te zeggen: ‘Bredero en Shakespeare putten […] uit dezelfde verkleedkist’ (22 – over Moortje en Othello) of ook nog ‘net als Shakespeare strooit Bredero de psychologie waaraan zijn personages onderworpen zijn met klei-ne handjes door het stuk’ (227 – over Rod-derick en Alphonsus en Romeo and Juliet). Beide auteurs waren meesters in de observa-tie van de werkelijkheid in al haar aspecten en legden deze vast in een bijzonder soepele taal. Ondanks de vele gelijkenissen kan het

niveau van Bredero’s werk niet tippen aan dat van zijn Engelse tijdgenoot, maar Van Stipriaan merkt ook op dat Shakespeare op zijn drieëndertigste – de leeftijd die Bredero bereikte – weliswaar al een aantal belang-rijke werken had geschreven maar dat zijn grote meesterwerken pas nadien tot stand kwamen. Allemaal interessante observa-ties die heel wat onderzoekspistes kunnen openen.

Net als Bredero hanteert Van Stripriaan een vlotte pen die garant staat voor een aan-gename leeservaring. Omdat hij daarbij ook aandacht heeft voor het anekdotische komt de wereld van Bredero nog meer tot leven. Ik denk bijvoorbeeld aan de passage over de herkomst van de naam ‘Bredero’ of aan de sfeerschets over de loterij voor de bouw van een nieuw ‘dolhuis’ (een tehuis voor krank-zinnigen).

De hartenjager werd een verzorgde uit-gave in een prettig formaat. De luchtige bladspiegel met ruimte in de marge voor woordverklaringen bij de fragmenten uit Bredero’s teksten maken het lezen comfor-tabel. Een minpuntje aangaande het gebruik is misschien wel het notenapparaat dat zich helemaal aan het eind van het boek bevindt en per hoofdstuk een nieuwe nummering krijgt. Vanuit esthetisch oogpunt is dit een logische keuze maar de nieuwsgierige lezer moet wel voortdurend heen en weer navige-ren. Met het oog op gebruiksvriendelijkheid had ook het register uitgebreider gekund. Alle eigennamen uit de lopende tekst en de grote werken van Bredero werden daar in ondergebracht maar een uitgebreider be-grippenapparaat ontbreekt. Nochtans geeft Van Stipriaan heel wat interessante informa-tie over de ontwikkelingen in het zeveninforma-tien- zeventien-de-eeuwse literaire veld die een betere ont-sluiting verdienen. Dit is echter detailkritiek bij een prachtige studie over een boeiende kunstenaar uit een bruisende eeuw, een stu-die stu-die geheel waarmaakt wat de ondertitel aankondigt: Leven, werk en roem van Ger-bandt Adreaensz. Bredero.

Veerle Uyttersprot

ISSN00407550.pinn.TNTL20202.indb 153

Referenties

GERELATEERDE DOCUMENTEN

7 O Heer, ik ben verwonnen, ik ken 't in mijn gemoed, maak van mijn ogen bronnen van water en van bloed, die tot de Hemel springen tot voor uw Majesteit, opdat zij u bedwingen tot

Het meest opgevoerd werd de Stommen Ridder (35 maal), daarna volgden de Spaanschen Brabander (31 maal), het Moortje. Andere stukken van Bredero werden in deze jaren dus niet

Adriaen Cornelisz betaalt ƒ20 als achterstallige halfjaarlijkse huur voor het huis in de Nes (Archieven van Gasthuizen 1606, Maanboeck ende Restantboeck, blz. Gemeente-Archief

Reeds door in de aanspreekvorm tot zichzelf te spreken distantieert zij zich van het eigen ik en objectiveert zij zich in haar sociale functie, die nog meer nadruk krijgt door

Voor de toeschouwer en voor ons rijst nu de vraag, waarom de schrijver dan de scène waarin Roemer zijn knecht naar Margriet zond, niet aan het begin van het tweede bedrijf

Lucelle moet een kamer hebben waar ze aan het slot van I en in II, 2 met Margriet spreekt, in II, 3 en IV, 2 Ascagnes ontvangt en door haar vader betrapt wordt - als men er

Ofschoon er geen zekerheid kan worden bereikt, heeft toch de tweede mogelijkheid in dit geval een hogere graad van waarschijnlijkheid dan de eerste: het ligt namelijk meer voor de

Wie zich met de tekst bezighoudt, wordt ook voortdurend geconfronteerd met de gevolgen van dit ‘curiosum’: Schyn-heyligh wordt door Ten Brink in zijn monografie 3 alleen maar naar