Handreiking Studietoeslag

Hoofdstuk 11.1

Algemeen

Vraag 1: Uit welk budget moet de studietoeslag worden bekostigd?

Voor de financiering van de nieuwe studietoeslag kunnen dezelfde gelden worden aangewend als voor de oude individuele studietoeslag. Voor de uitvoering van de studietoeslag door gemeenten is bij invoering van de Participatiewet structureel € 35 miljoen toegevoegd aan het Gemeentefonds. Dat is een ongeoormerkt budget voor zowel de uitgaven aan de studietoeslag als de bijbehorende

uitvoeringskosten. Gemeenten kunnen die middelen blijven aanwenden voor de uitvoering van de studietoeslag, zie budget).

Vraag 2: Wat te doen bij verhuizing tijdens de studietoeslag?

De student moet dan een nieuwe aanvraag indienen in de nieuwe gemeente. Artikel 36b lid 6 Pw regelt dat de gemeente waar de aanvrager woonplaats heeft de studietoeslag moet beoordelen. Als de student in het buitenland gaat wonen en daardoor zijn woonplaats in Nederland verliest, vervalt het recht op studietoeslag.

Vraag 3: Hoe moet de uitbetaling plaatsvinden in de maand waarin iemand jarig is waardoor de studietoeslag hoger wordt?

In dat geval kan de hoogte van de studietoeslag naar rato worden berekend, zie ook het praktijkvoorbeeld in duur).

In gemeentelijk beleid kan worden afgeweken van de berekening naar rato als dat in het voordeel is van de student. Bijvoorbeeld door te bepalen dat het normbedrag van de leeftijd na de verjaardag wordt toegekend in de hele maand waarin iemand jarig is, zie hoofdstuk 3.3 (#hoogte-en-uitbetaling-studietoeslag--toekennen-maandelijks-uitkeren-en-duur)

modelbeleidsregels studietoeslag.

Vraag 4: Kan de studietoeslag met terugwerkende kracht worden toegekend?

De Participatiewet kent geen verbod op het verlenen van studietoeslag met terugwerkende kracht. Maar er zitten wel grenzen aan. Terugwerkende kracht kan niet verder gaan dan 1 april 2022 omdat de nieuwe regels voor de studietoeslag pas vanaf die datum gelden. Daarnaast geldt een verjaringstermijn van 5 jaar. Dat komt doordat financiële aanspraken bij de overheid op grond van de rechtszekerheid tot een termijn van 5 jaren in rechte afdwingbaar zijn, zie hoofdstuk 5.7 (#studietoeslag-als-aparte-inkomensvoorziening-geen-bijzondere-bijstand--toekenning-met-terugwerkende-kracht)

Vraag 5: Moet bij het toekennen van studietoeslag altijd worden beoordeeld of met terugwerkende kracht kan worden toegekend?

Nee, in principe hoeft dat alleen op verzoek van belanghebbende. Het is namelijk de aanvrager die aannemelijk moet maken te voldoen aan de voorwaarden voor toekenning van studietoeslag, waaronder de terugwerkende kracht, zie hoofdstuk 5.7 (#studietoeslag-als-aparte-inkomensvoorziening-geen-bijzondere-bijstand--toekenning-met-terugwerkende-kracht)

Omdat de wet geen bepaling bevat over de ingangsdatum van de studietoeslag is het aan te bevelen daarover iets in het beleid op te nemen. Zie voor een voorbeeld artikel 5 van de modelbeleidsregels.

Vraag 6: Hoe ver werkt de terugwerkende kracht door? Ga je dan terug tot het begin van het nieuwe studiejaar?

Daar is geen algemeen antwoord op te geven. Terugwerkende kracht moet alleen worden toegekend voor zover belanghebbende al voldeed aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag. Dat betekent niet alleen studiefinanciering of een tegemoetkoming WTOS ontvangen maar ook een structurele medische beperking hebben. De aanvrager moet in beginsel aantonen ook in het verleden te hebben voldaan aan die voorwaarden.

Terugwerkende kracht kan niet verder gaan dan 1 april 2022 omdat pas vanaf die datum de nieuwe regels voor de studietoeslag gelden. Daarnaast geldt een verjaringstermijn van 5 jaar. Dat komt omdat financiële aanspraken bij de overheid op grond van de rechtszekerheid tot een termijn van 5 jaren in rechte afdwingbaar zijn, zie

bijzondere-bijstand--toekenning-met-terugwerkende-kracht).

Vraag 7: Mag terugwerkende kracht worden beperkt in beleidsregels?

Terugwerkende kracht kan niet verder gaan dan 1 april 2022 omdat pas vanaf die datum de nieuwe regels voor de studietoeslag gelden. Daarnaast geldt een verjaringstermijn van 5 jaar. Dat komt doordat financiële aanspraken bij de overheid op grond van de rechtszekerheid tot een termijn van 5 jaren in rechte afdwingbaar zijn, zie

bijzondere-bijstand--toekenning-met-terugwerkende-kracht).

Buiten die beperkingen is het niet mogelijk om terugwerkende kracht te beperken in beleidsregels. Dit komt doordat de wet terugwerkende kracht niet verbiedt. En omdat het verstrekken van studietoeslag een gebonden bevoegdheid is. Dat betekent dat het college studietoeslag moet toekennen als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, ook als over een periode voorafgaand aan de aanvraag van

studietoeslag.

Vraag 8: Mag er worden gevraagd naar de leef- of gezinssituatie?

Nee, dat mag niet. Die gegevens zijn niet nodig om het recht op studietoeslag te beoordelen. De studietoeslag is een individuele toeslag en geen bijstand meer. Artikel 11 lid 4 Pw is daarom niet van toepassing.

Vraag 9: Mogen bankafschriften opgevraagd worden bij een nieuwe aanvraag?

Dat mag niet omdat die niet nodig zijn om het recht vast te stellen. Vermogen is niet meer van belang, en daarvoor zijn de afschriften dus niet meer nodig.

Vraag 10: Mag Suwinet worden geraadpleegd om te kijken of iemand een studie volgt of inkomsten uit arbeid heeft?

Dat mag, voor zover dat noodzakelijk is voor de vaststelling van het recht. Er is een inlichtingenplicht op grond van artikel 36b lid 4 Pw. Daarom hoeft Suwinet alleen geraadpleegd te worden als er twijfels zijn over de verklaring of bewijsstukken.

Vraag 11: Heeft de studietoeslag gevolgen voor het recht op studiefinanciering?

Nee, de studietoeslag is een aanvullende inkomsensondersteuning en heeft geen gevolgen voor het recht op studiefinanciering of WTOS. Zie pagina 8 van de AMvB.

Vraag 12: Waarom is de studietoeslag lager dan de studieregeling in de Wajong?

De regering merkt op dat de studietoeslag een bijzondere aanvullende inkomensondersteuning op grond van de Participatiewet betreft. Die toeslag is uitdrukkelijk bedoeld om een compensatie te bieden aan studenten die wel arbeidsvermogen hebben, maar vanwege hun beperking niet in staat zijn om naast een voltijds studie aanvullende inkomsten uit arbeid te verwerven. De studietoeslag is dus voor een wezenlijk andere doelgroep dan personen in de Wajong die geen arbeidsvermogen hebben. De regering is van opvatting dat een hoger minimumbedrag of een hogere vrijlating van stagevergoeding niet past in het compenserende karakter van de studietoeslag. Zie pagina 7 van de AMvB.

Bovendien is het bedrag voor de studietoeslag in de AMvB een minimumbedrag. Het college kan in gemeentelijk beleid de een hogere studietoeslag vaststellen.

Vraag 13: Kan een gemeente ook beleid maken om de stagevergoeding niet te korten?

Nee, want dat zou in strijd zijn met de wet, en buitenwettelijk begunstigend beleid. Dat volgt uit artikel 36b lid 5 Pw. Daarin staat dat de stagevergoeding boven 180 euro uit de AMvB wordt gekort. Die bepaling biedt geen ruimte om ervan af te wijken. Het is geen kan-bepaling.

Vraag 14: Als je als gemeente besluit om hogere bedragen te hanteren, gaat dat dan nog steeds uit het Gemeentefonds?

Ja, er wordt in het Gemeentefonds voor de studietoeslag geen extra budget beschikbaar gesteld . De verwachting is dat het huidige budget voldoende is gezien het grote verschil met de daadwerkelijke huidige besteding, zie hoofdstuk 1.2 (#de-totstandkoming-van-de-nieuwe-studietoeslag--herkomst-budget)

Vraag 15: Kan een belanghebbende in bezwaar gaan tegen het medisch advies?

Het advies zelf is niet vatbaar voor bezwaar en beroep want het is geen besluit. Maar op basis van dat advies beslist het college of iemand wel of geen recht heeft op studietoeslag. Dat is wel een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar bij het college open staat.

Het college moet beoordelen of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. In dat geval is er voor het college geen reden om het advies niet over te nemen. Het college is niet bevoegd om het advies inhoudelijk te beoordelen.

Een belanghebbende die van mening is dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig tot stand is gekomen moet dat aantonen. Bijvoorbeeld als de belanghebbende van mening is dat bepaalde klachten niet of onvoldoende zijn meegenomen in het advies. Dan kan aanvullende informatie worden opgevraagd bij de arts die het medische onderzoek heeft verricht.

Vraag 16: Kan studietoeslag worden teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht?

Ja, dat is mogelijk als daardoor geen recht bestaat op studietoeslag. Of als daardoor het recht op studietoeslag niet kan worden vastgesteld. Paragraaf 6.4 Pw met de terugvorderingsbepalingen is van overeenkomstige toepassing verklaard, zie artikel 36b lid 6 Pw. Artikel 58 Pw is daarom van toepassing op de studietoeslag.

De terugvordering wegens schending van de inlichtingenplicht kan niet worden gebaseerd op artikel 58 lid 1 Pw. Dat artikel is weliswaar van toepassing bij schending van de inlichtingenplicht in het kader van bijstandsverlening, maar niet in het kader van de studietoeslag. Dat komt doordat daar niet wordt verwezen naar de speciale inlichtingenplicht van de studietoeslag uit artikel 36b lid 4 Pw.

Terugvorderen van studietoeslag wegens schending van de inlichtingenplicht kan dus alleen worden gebaseerd op artikel 58 lid 2 onderdeel a Pw. Die bepaling kan worden toegepast als studietoeslag

‘anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend’. Dat is het geval omdat het eerste lid niet kan worden toegepast voor de studietoeslag, zie terugvordering-en-boete).

Vraag 17: Voldoen belanghebbenden in het doelgroepenregister per definitie aan het criterium ‘als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in

staat zijn naast de studie inkomsten te verwerven’?

Nee, registratie in het doelgroepenregister betekent niet automatisch dat iemand niet naast de studie kan werken. Dat moet op individuele basis worden vastgesteld.

Vraag 18: Staat vrijwilligerswerk het recht op studietoeslag in de weg?

Op zichzelf niet, want er is geen sprake van inkomsten uit arbeid of als zelfstandige. Soms kan een medisch adviseur oordelen dat het vrijwilligerswerk aantoont dat iemand wel kan werken naast de studie.

Dan bestaat er geen recht op studietoeslag.

Vraag 19: Is de studietoeslag belast of onbelast?

Deze studietoeslag is belast.

Handreiking Studietoeslag

Hoofdstuk 11.2

In document Inleiding. 1 De totstandkoming van de nieuwe studietoeslag. 1.1 Naar een nieuwe studietoeslag. budget. 2 Recht op studietoeslag (pagina 32-35)