VAN SUCHTELEN

In document Me ovo (pagina 27-36)

Administrateur Soerawinangoen

bij Cheribon.

"Weledelhooggebore.n heer,

"Willem zegt, nu is mijn beurt van schrijven en daarom

"vat ik den pen op en schrijf U van boord. Wij allen best,

"en het reizen pelzierig, op drie na die vervelend. Een juffrouw

"een onderwijzer en een gevangenbewaarder, dewelke boos.

Maar wi; trekken

" 11

"ons niets van aan

"en veel pret met

"Kees die bovenop

,.een mast en vlug --!iijii-~{~

"naar beneden. O m _

"de biskwie trommel.

"Maar Kees nu weer

"in zijn hok.

Hol-"landsch praten gaat

"wel maar schrijven

"zoo moeilijk voor

"mij. Eten is goed,

"en smaak wel, maar

"als ik denk aan nasi

"mijn tand met water. Erg dankbaar voor de mooie reis. had

"nooit gedacht zee en groote Holland te zien, en zie nu alles.

"Nu midden op zee, en Willem zegt, kunnen storm krijgen

"vandaag of morgen. Dit mijn eerste brief en weet wel nog

"fouten, zal wel beter doen later. Hollandsch zoo moeilijk om

"te schrijven".

"Groeten aan U en mevrouw ook van Willem en Way.

Vol-"gende maal schrijf ik weer.

Uw dankbare

WONGSO.

Wongso gaf den brief aan Willem en vroeg hem, dien te

corrigeeren, omdat hij bang was veel fouten gemaakt te heb-ben. Maar Willem wilde daar niets van weten. "Neen", zei hij,

"dat doe ik niet. Zóó den brief posten".

"En. zooveel fouten?"

"Geef niet... als je later minder fouten maakt, ziet vader hoeveel je in 't Hollandsch vooruit gaat".

De brief werd dan gepost met de vele fouten, welke er in voorkwamen.

De "Prinses Juliana" bevond zich nu in de Perzische golf en naderde reeds aardig Kaap Gardefui. Kaap Gardefui is een gevaarlijk punt: de zee is daar meestal zeer onrustig en vaak stormt het er geweldig. Begin :.April kan het in die buurt al heel erg spoken. Op een morgen werden Wongso, Willem en Way wakker met een heel onaangenaam gevoel in hoofd en maag. Ze lagen ook lang zoo rustig niet in hun couchette als gewoonlijk, en rolden van den eenen naar den anderen kant van hun smal bed.

"Fijn lui, hooge zee", zei Willem, hoewel hij zich lang niet lekker voelde.

"Niks fijn", vond Way.

,,'k Ben ziek, constateerde Wongso.

"Vooruit, jongens, niet blijven liggen", drong Willem aan,

"naar boven, daar is het lekker frisch. De jongens kleedden zich aan, hoewel dat lang niet gemakkelijk ging, daar ze van de eene naar de andere zijde der hut gegooid werden, en strom-pelden toen naar boven. Hu, wat draaide die trap naar het dek.

Je dacht de voet op een trede neer te zetten, en dan zakte die trede met een onder je weg! En dan dat nare gevoel in maag en hoofd! Hè, ze waren blij, dat ze boven waren en rustig op het dek konden gaan zitten in lange dek-stoelen. Hun gewone kopje koffie 's morgens versmaadden ze.

Zij zaten op het dek lekker uit den wind en konden zoo van het gezicht op de onstuimige zee genieten. W\3.nt dit gezicht was heel mooi! De "Prinses Juliana" zocht haar weg door werke-lijk huizenhooge golven. Je zag gewoon tegen de watermassa's aan. En. dan ineens was je er boven op en zag je de zee beneden 52

je. Als je nu maar voor je zelf duidelijk had kunnen vaststellen dat het schip bewoog en de horizont onbeweglijk was. Maar daar leek het nu precies niet op. 't Was of de horizont maar steeds door bewoog. Geen enkel vast punt was er te zien buiten het schip.

"

Mooi is het wel", merkte Willem zachtjes op.

"Mooi?" zei Way kleintjes. ,,'k Kan 't niet vinden, hoor.

Ik vind het verschrikkelijk -!"

"Hoe kan je 't zeggen", hield Willem zich groot, ,,.en jij, Wongso, wat zeg jij er van?"

Maar W ongso zei niets, hij lag met gesloten oogen en gloeiend gelaat in zijn langen stoel. Een tijdlang werd er door de jongens niet gesproken, maar na een poosje kwam de hof-meester rond om aan de passagiers, die zeeziek waren, te vragen of ze niets noodig hadden. De meesten verlangden niets:

als ze maar van eten en drinken hoorden, werden ze al on-passelijk. Toen de hofmeester aan Willem vroeg of hij ook iets verlangde, zei hij, dat hij er niet aan dacht iets te gebruiken.

Wongso werd op het hooren van het woord "eten"

zoo raar en draaie-rig, dat hij met een

geweldige vaart naar de reeling vloog, en de inhoud van zijn maag in de golven deponeerde.

,,'k Ben zoo zi ... zoo ziek, klaagde hij.

"Weet je wat je doet?" vroeg Willem, "kruip rustig in je kooi en kom er niet uit voor de zee wat rustiger is.

"Ik ga mee", zei Way. Met moeite stonden de beide jon-gens op en trachten zoo goed als het ging hun hut te bereiken.

'Willem besloot maar rustig in z'n dekstoel te blijven liggen.

Wel voelde hij zich héél naar, doch hoe rustiger ik mij houd, hoe beter het is, dacht hij. De meeste passagiers lagen met bleeke, blauwe en groene gezichten in hun stoel. Alleen de gevangenbewaarder scheen van de onstuimige zee geen last te hebb:n. Hij liep met flinke passen het dek op en neer en keek mmachtend naar al die stumpers, die zoo'n last hadden van een beetje hooge zee.

De zee scheen er niet aan te denken rustiger te worden doch ging geweldig te keer. Willem dacht, dat hij het wel niet lang meer aan dek zou kunnen uithouden, zoo ging het waaien.

~k voelde hij zich hoe langer hoe zieker worden. Ja, zeeziekte

IS een heel naar ding; iemand die zeeziek is, voelt zich totaal onverschillig voor wat er met hem gebeurt. Al zou men iemand die erg zeeziek is, over boord zetten, dan zou hij nog niet protesteeren. Willem lag dus met gesloten oogen op zijn stoel.

Maar plotseling sloeg hij ze op ... met verschrikt gezicht stond Way voor hem. "Wongso", hijgde hij, "Wongso heeft een golf gehad".

"Wat bedoel je?"

"Kom mee, kom mee", fluisterde Way.

Willem stond op en sukkelde naar de hut. Daar trof hem een vreemd schouwspel. Wongso lag in zijn kooi, drijvend nat va~ het z~water, terwijl de patrijspoort open stond, en telkens kleme golfjes water naar binnen kwamen. Hakkelend vertelde Way wat er gebeurd was. Terwijl Wongso in z'n kooi lag en last .~ad va~ de benauwde atmosfeer in de hut, had hij het patr1Jspo~rtJ~. open gezet. En hoewel zijn hut hoog lag en van de wmdzIJde, was op een gegeven oogenblik een vrij groote golf naar binnen geslagen en W<>ngso had een onverwachte en onbegeerde douche gekregen. Maar hij was zóó ziek geweest dat hij geen macht had op te staan. Het eerste wat Wille~

deed, hoe ziek hij zichzelf ook voelde, was den hofmeester len den hutjongen te waarschuwen. Wongso werd "verschoond", de hut werd gedweild en in de couchette werd een schoon en droog bed gebracht. Toen kon Wongso weer gaan liggen. Hij

sprak niet, doch alles wees er op, dat hij het nog erg te kwaad had. Ook Way kroop in z'n couchette en Willem ging zijn plaatsje op het dek opzoeken. Hij liet de lunch stil schie-ten en vergenoegde zich met een glas water en een droge beschuit. In den namiddag werd de zee wat kalmer, ja, tegen het diner (avondeten) was het zooveel rustiger geworden, dat Willem er sterk over dacht naar de eetzaal te gaan en een hapje te eten. Eerst keek hij eens om hoe het er in de hut uitzag. De twee jongens lagen rustig te slapen en Willem meende niet beter te kunnen doen dan ze rustig "onder zeil"

te laten. Hij ging nu naar de eetzaal; de boot slingerde nog wel wat; maar 't zou wel gaan, dacht hij. Toen hij de eetzaal binnen trad, waren er nog maar een paar menschen aanwezig.

"Ha", riep de le stuurman, die Willem zag binnenkomen:

"daar hebben we tenminste één van de drie". Willem voelde zich een heele held en liep moedig naar zijn plaats. Doch toen werd de deur geopend en traden de jongens met het eten bin-nen en van die etenslucht werd Willem plotseling weer onwel.

Het werd in zijn maag op eens rumoerig en hij voelde dat het koude zweet hem uitbrak. Hij sprong op onder het gelach der aanwezigen en met

een vaartje holde hij de trap op, boog zich over de reeling en bracht zijn eerste

"offer aan

Neptu-"nus", zooals men dat wel eens noemt.

N u voelde hij zich wat opgefrischt en bleef hij rustig aan dek in zijn dekstoel liggen, tot het tijd

was om naar bed te gaan. Den volgenden dag was de zee kalm en waren de meeste passagiers, waaronder ook onze drie vrienden weer opgeknapt. Zeeziekte is een kwaal, die nogal spoedig geneest.

x.

IN DE ROODE ZEE.

Nadat de gevaarlijke kaap "Gardefui" gepasseerd was, be-reikte de "Juliana" spoedig het kolenstation Aden, dat daar zoo eenzaam ligt tusschen Roode Zee en Golf van Aden, als een klein vooruitgeschoven stukje Europeesch leven, te mid-den van de woeste, onherbergzame tropische natuur. De jon-gens vonden aan Aden "niet veel" en de meeste reizigers waren dat met hen eens. Nu kwam het schip in de Roode Zee, de zee, die begrensd wordt door de Arabische woestijn en de Sahara, en waar het geweldig warm kan zijn. Nu is het in April - toen waren de jongens immers op reis - nog niet zoo heel warm., maar toch was de temperatuur een hoogere dan b.v.

in den Perzischen golf.

Op een middag stonden de jongens over de verschansing geleund en tuurden naar de woeste kust van Arabië, die door

56

de zon in rooden gloed gezet werd.

Een ernstige zwijg-zame passagier stond naast hen:

het was zendeling Blummers, die van zijn zendingsveld op Sumatra met verlof naar Holland ging.

De zendeling had een verrekijker voor de oogen en tuurde naar de Arabische kust.

"Ziet u iets bijzon-ders, mijnheer?"

vroeg Willem.

"Iets bijzonders, al naar je het opvat", antwoordde de zende·

ling. "Zie je dat gebergte daar, dat door de roode tint van het gesteente zoo duidelijk tegen het landschap afsteekt 1" Willem kon het ook zonder verrekijker zien. "Weet je wat dat is 1"

ging de zendeling voort. Neen, Willem wist het niet.

"Dan zal ik het je zeggen: dat is de Sinaï, daar heb je toch wel eens van gehoord 1"

"Ja", zei Willem, "op de lagere school heeft de onderwijzer daarvan verteld. De Sinaï, dat is de berg, waarop Mozes de wet aan de Joden gegeven heeft".

"Ja, juist", gaf de zendeling ten antwoord, "maar ik zou het een beetje anders zeggen: "waar God Mozes Zijn wil heeft kenbaar gemaakt aangaande de wetten voor Israël, dat klinkt, geloof ik, juister; uit zichzelf kon Mozes niets ... , maar goed, deze berg is het dan toch, en zooals je weet, is dit de Roode Zee, waar Israël doortrok en Farao met zijn volk ver-dronk".

"Maar dat was toch nog iets verder?" vroeg Willem.

"Ja, dat was wat verder, waarschijnlijk even voor de plaats waar thans het Suez·kanaal begint ... Ben je op een Christe-lijke school geweest?" Willem zei dat hij, evenals zijn reis·

genooten, de Christelijke school bezocht had.

"En heb jelui veel onthouden van wat je daar geleerd hebt?"

vroeg de anders zoo zwijgzame man vriendelijk aan Wongso en Way.

"Een beetje, mijnheer", antwoordde Way, maar de zendeling begreep wel, dat het maar een heel klein beetje was.

Wongso had ook geantwoord: "een beetje", doch daar hij met belangstelling geluisterd had naar het gesprek over de Sinaï, geloofde de zendeling te kunnen aannemen, dat hij van de bijbelsche geschiedenissen wat meer onthouden had dan Way.

"Vindt je de bijbelsche geschiedenissen mooi 1"

"Ja, mijnheer, net pantoens (verhalen) - uit den Koran".

"Zoo en vertel mij eens welke geschiedenissen je het mooiste vindt?"

"Van Nebi Ibrahim ... en Joesoef ... "

57

"Ja, ja, dat zijn geschiedenissen die ook in de Koran staan ... "

Abraham en Jozef kennen jelui Mohammedanen eveneens!

Maar van Goesti Jesoes heb je toch ook wel gehoord?"

"Ja ... , maar Mohamed is toch grooter, heeft de pengoeloe (godsdienstonderwijzer) gezegd!"

"Zeker, ik weet wel dat Mohamedaansche priesters dat zeg-gen, maar ik zou geen zendeling zijn, als ik je niet vertelde, dat de Heere Jezus véél en véél grooter is dan Mohamed!"

"Dat zegt mijnheer op school ook".

"Natuurlijk doet hij dat... maar misschien spreken we elkaar nog wel eens op de reis ... en dan praten we wel verder!"

De boot naderde intusschen de haven van Suez.

Met belangstel-ling zagen de jon-gens uit naar het begin van het be-roemde

Suez-ka-Jl~'I!~~~~~~I~~i...

naaI, waarover ze

~ zooveel hadden

hoo---:::.>.;.---- ~I~~~§!~~;:

wel gelezen. ren spreken, en ook

~ In Suez kwamen

=

de Egyptische

auto-riteiten aan boord en ook een loods, die de "Prinses Juliana"

door het kanaal brengen zou, want die vaart is niet zoo ge-makkelijk.

Die Egyptische autoriteiten waren heele heeren. Flinke, krachtige lui waren het over het algemeen, ze zaten goed in hun uniform en ze droegen de z.g. Turksche fez, een rood hoofddeksel in den vorm van een afgeknot suikerbrood. Toch vonden de jongens, dat dit hoofddeksel wel goed stond. In Indië wordt de fez ook wel gedragen, dus vreemds was er voor hen niet in gelegen.

Het oponthoud in Suez duurde niet lang. Heel spoedig kon de tocht door het kanaal een aanvang nemen.

De tweede stuurman stond naast de jongens, over de

ver-schansing geleund, en sprak over de moeite en de kosten welke het graven had meegebracht. Ook van het groote belang voor handel en scheepvaart praatte de zeeman!

Ja" zei Willem eindelijk, 't is een geweldig werk, dat be-grijp

ik,

maar 't is toch opmerkelijk dat vroeger er no?it iemand aan gedacht heeft zoo'n kanaal te graven. Er zijn

kt?"

toch wel meer groote werken vroeger gemaa . .

"Zeg dat maar zacht,,' gaf de stuurman ten antwoord; "Je moet niet denken dat dit 't eerste Suez-kanaal is. Er is wel

S "

meer een kanaal door de landlengte van uez gegraven . Daar heb ik nooit van gehoord", gaf Willem ten antwoord.

"

"Toch is het zóó. Reeds 2300 jaar geleden werd door een

paar Egyptische vorsten Sethos en Ramses zoo'n kanaal ge-graven. Dat was niet voor den handel, maar om oorlogsschepen gemakkelijk van de Middellandsche Zee naar de R~ode ~ee en Perzische golf te krijgen. Maar door verwaarloozmg IS het Ml.arschijnlijk weer dichtgewaaid. En met dit kanaal zou het precies zoo gaan, als er niet voor uitbaggering gezorgd werd.

En sinds dien tiid heeft men niet meer aan zoo'n kanaal

" 11

gedacht?"

Zeker wel een 700 J'aar voor onze jaartelling werd er door

"

den toenmaligen Pharao een nieuw kanaal gegraven, nu van de Nijl naar de Roode Zee, doch dit werk is gestaakt, omdat een waarzegger in Egypte voorspelde dat alleen vreemden van dit kanaal voordeel zouden hebben ... Dit kanaal had toen reeds honderd en twintig duizend menschenlevens gekost.

't Was verstandig, dat men het werk maar beëindigde. Doch een paar honderd jaar later heeft een Perzische wereldbe-heerscher dit werk voleindigd. Later werd dit kanaal nog aan-merkelijk verbeterd, doch ten slotte, in de dagen van het Ro-meinsche rijk, is het weer verzand. Heel veel jaren later, nu ongeveer achttienhonderd jaar geleden heeft een Arabisch veldheer dit oude kanaal weer gerestaureerd voor het vervoer van

kor~n,

doch slechts een goede honderd jaar was het bruik-baar. Nu is er van dat oude kanaal zoo goed als niets meer te vinden. Gedurende de middeleeuwen werd er weinig gedacht

aan doorgraving van deze landlengte, pas in het jaar 1700 begon men de wenschelijkheid daarvan te voelen. Doch het duurde nog wel een kleine honderd jaar eer men met werke-lijk ernstige plannen kwam. De Engelsche regeering verzette er zich om verschillende redenen tegen. Tenslotte heeft de onderkoning van Egypte, waarschijnlijk onder Franschen in-vloed den ingenieur de Lesseps vergunning verleend. Er werd een maatschappij gevormd, de Khedive van Egypte zou voor goedkoope arbeidskrachten zorgen, in 't kort, omstreeks 1850 werd de zaak flink aangepakt. Er waren voor het werk 25.000 arbeiders noodig, en denk eens aan, die moesten midden in de woestijn van eten 'en drinken voorzien worden. De Kanaal-maatschappij beschikte over 1800 kameelen en daarvan waren er 1600 noodig alleen voor de dagelijksche wateraanvoer! Dat ging niet langer! Men zag de noodzakelijkheid in van een beter geregelde drinkwateraanvoer. Men groef dus een kanaal om

!

IngenielU' De Lesseps.

60

drinkwater uit de Nijl naar de land-lengte te brengen.

- Kijk, het kanaal is van hieruit nog te zien. --- Het drinkwater-bezwaar was dus opgelost, en het werk kon nu worden voortgezet.

In 1869 had de fees-telijke opening plaats, bij welke opening vele

vorste-lijke personen en genoodigden uit Europa

tegenwoor-dig waren. Schitte-rende feesten wer-den er gegeven,

welke den Khedive van Egypte ongeveer 20 millioen francs gekost hebben. Maar ... het kon er bij hem wel op overschie-ten. De Egyptische monarch had zich voor de kanaalvergun-ning in het bezit doen stellen van aandeelen in de Suez-maat-schappij ter waarde van 6.200.000 pond sterling of 300.000.000 francs. Dus dat kleine beetje van 20.000.000 francs voor de feesten kon er best af.

"Wat weet u van die dingen veel af", zei Willem in verwon-dering voor de kennis van den stuurman.

"Liefhebberij maatje, liefhebberij", antwoordde deze in de gemoedelijke zeemanstoon vervallend... "Kijk", wees hij naar een baggerschuit in het kanaal, "kijk, nu kan je Hol-landsch hooren praten".

"Goeie reis ... goeie reis ... hoe is het in de Oost - ? Wongso keek den stuurman verwonderd aan. "Hier toch nog geen Holland?" vroeg hij.

De stuurman lachte eens hartelijk. "Zeker is het hier nog geen Holland, maar wij Hollanders hebben een heelen goeden naam wat betreft aanleggen en onderhouden van havens, baggerwerk, enz. Het baggerwerk in het Suezkanaal geschiedt bijna uitsluitend door Hollanders. Sommigen wonen met hun familie op den baggermolen.

"Eentonig leven", vond Willem.

"Ja", maar een goedkoop leven. Die menschen kunnen heel wat sparen".

Even voor de boot Ismailla, waar het hoofdbestuur van den Kanaaldienst gevestigd is, bereikte, werden de jongens opmerk-zaam gemaakt op een typisch Oostersch tafereeltje aan den rechteroever van het kanaal. Bij een der kanaalveren wachtte 'n karavaan Arabieren met zwaar beladen kameelen. De kamee-len lagen geknield in het woestijnzand en de geleiders zaten er rustig bij. Willem, Wongso noch Way hadden ooit kamee-len gezien, en dus keken ze met belangstelling naar het

Even voor de boot Ismailla, waar het hoofdbestuur van den Kanaaldienst gevestigd is, bereikte, werden de jongens opmerk-zaam gemaakt op een typisch Oostersch tafereeltje aan den rechteroever van het kanaal. Bij een der kanaalveren wachtte 'n karavaan Arabieren met zwaar beladen kameelen. De kamee-len lagen geknield in het woestijnzand en de geleiders zaten er rustig bij. Willem, Wongso noch Way hadden ooit kamee-len gezien, en dus keken ze met belangstelling naar het

In document Me ovo (pagina 27-36)