Hele tekst

(1)

Deze ïIlm is beschikbaar gesteld door het KITL V, uitsluitend op voorwaarde dat noch het geheel noch delen worden gereproduceerd zonder toestemming van het KITLV. Dit behoudt zich het recht voor een vergoeding te berekenen voor reproductie.

Indien op het originele materiaal auteursrecht rust, dient men voor reproductiedoeleinden eveneens toestemming te vragen aan de houders van dit auteursrecht.

Toestemming voor reproductie dient men schriftelij k aan te vragen.

Thisfilm is supplied by the KITLVonly on condition that neither it nor part of it is further reproduced without first obtaining the permission of the KITL V which reserves the right to make a charge for such reproduction. Ij the material filmed is itself in copyright, the permission of the owners of that copyright will also be required for such reproduction.

Application Jor permission to reproduce should be made in writing, giving details of the proposed rep,·oduction.

Me ovo

SHELF NUMBER MICROFORM:

MMETA 1330

M:

(2)
(3)

I III ~l i~lfl))Jf

0071

r lll~~~r~111I1111

5530

CC - ' u6 -

EEN JAAR VAN HUIS

WAT WONGSO, WILLEM EN WAY MEDEMAAKTEN, OP REIS EN IN HOLLAND

DOOR

M. VAN DER HILST

,.

. t '

(4)

I.

WIE WONOSO. WILLEM EN WAY WAREN.

Als ik mij neerzet om de lotgevallen te vertellen van de drie jongens, wier namen hierboven staan, wil ik beginnen met te zeggen, dat er nog een vierde reisgenoot bij hoort: dat is d.

aap Kees. Doch Kees liet z'n schelmsehen snuit pas zien vlak voor Wongso, Willem en Way aan boord stapten, om de lange - en zooals blijken zal avon- tuurlijke - reis van Indië naar Holland te onderne- men. Dus over Kees schrijf ik later.

Hoort nu eerst, wat dat voor jongens waren, die zooveel met elkaar mee- maakten. Nummer één was Wongso. Kijk de teekenaar heeft hem hier voor jelui uitgetee- kendo

Wongso was een Ja- vaansche jongen. Hij

woonde midden op het eiland Java, in een dorp vlak bij Poer- wokerto, waar zijn vader districtshoofd was. Jelui moeten hem maar eens goed opnemen, dan vergeet je niet hoe hij er uitzag, als je in dit verhaal hoort van wat hem aIzoo overkwam. Je

(5)

zoudt aan zijn gezicht zeggen, dat hij niet tot de leepsten be- hoorde, maar dat viel mee.

Nummer twee: Willem. Zooals zijn naam al zegt, was Willem een Hollandsche jongen. Tenminste zijn ouders war.en Hollan- ders. Willem zelf had Holland nog nooit gezien. Hij werd ge- boren op de suikerfabriek "Soerawinangoen", een van de meest

westelijke suikerfabrieken op Java, dicht bij Cheri- bon. Ook het portret van Willem werd door den teekenaar gegeven. Zie maar hier, daar heb je hem! Zooals jelui wel mer- ken, zag Willem er echt als een Hollandsche jon- gen uit. Nu. dat was hij ook, hoor. Al had de heete tropen -zon steeds op zijn bol geschenen, zijn huid was blank. zijn oogen wa- ren blauw gebleven. En onder zijn sporthemd en netflanel klopte een echt dapper Hollandsch hart.

Maar pretmaken dat kon hij! Nou! daar zullen jelui wel zoo het een en ander van bemerken. Willem's vader was administrateltr van de sui- kerfabriek Soerawinangoen - een heel goede betrekking, dat zal straks wel blijken - en de jongen had dus een onbezorgde jeugd gehad.

Nu moet ik nog wat over nummer drie, Way, zeggen. Eigen- lijk had Way een veellangeren naam. Tan Way An, zoo heette hij. Doch daar de eerste naam, Tan. de familienaam was, en Way-An de naam, dien wij als voornaam zouden aanduiden, werd hij genoemd Way-An of bij verkorting Way. Natuurlijk

hebben jelui reeds aan den naam gehoord, dat Way een Chinee- sche jongen was. En een echte! De oogen zaten hem scheef in het hoofd, zijn huidskleur was geel en hoewel zijn ooren wat ver van zijn hoofd stonden, zag Way er - en dat hoort ook voor een Chinees, nietwaar ..., vrij listig uit. Ik denk wel dat jelui dat ook vinden als je zijn portret eens bekijkt. Nu, als Wayook listig was - en laat ik

maar direct zeggen: hij wàs het - dan had hij dat van geen vreemde! Way's vader, Tan Tak Tok, was handelaar. Als arme klon- tong-chinees (marskra- mer) was hij uit China ge- komen, maar langzamer- hand had hij er zich bo- venop gewerkt. Hij was in suiker gaan handelen -

in den ouden tijd, hoor - en had er steeds slag van gehad aan die zijde te ko- men waar de winst was:

hij kocht maar steeds sui-

ker wanneer dit artikel goedkoop was, en verkocht ze als de prijs hoog stond. Slim hé! Ja, zoo was Way's vader en de jongen zelf had veel van vaders slimheid overgenomen. Jelui zult in het verdere van dit verhaal wel zien, dat hij heel listig kon zijn, en altijd wist te blijven uit het hoekje waar de slagen vielen.

Way woonde in Bandoeng waar het heerlijk koel is. Zijn vader had daar een prachtig huis, dat uitzag op den berg Tangkoe- ban Prahoe (omgekeerde prauw).

Jelui moeten mij beloven, al de plaatsen, rivieren en bergen die ik noem in de atlas op te zoeken, dan begrijp je alles beter.

Zó6, nu heb ik verteld wie Wongso, Willem en Way waren, en nu willen jelui natuurlijk graag weten hoe die drie jongens, die nogal ver van elkaar woonden, b ij elkaar kwamen.

(6)

Nu, 'k zal even een trekje aan mijn sigaar doen, en dan begin ik mijn verhaal.

n.

HOE WONQSO, WILLEM EN WAY BIJ ELKANDER KWAMEN.

Wat betreft de kennismaking van Willem en Way, die ge- schiedde op heel gewone wijze. Zooals ik verteld heb, lag de fabriek waar Willems vader administrateur was, dicht bij Cheribon. Toen Willem dus naar school moest, lieten vader en moeder hem de Europeesche school op Cheribon bezoeken.

Doch toen hij wat ouder werd, en het bleek dat hij veel last had van de in de laagvlakte heerschende koortsen, besloten zijn ouders hem naar Bandoeng te zenden. Daar is het kli- maat zooveel beter dan bij Cheribon. Ook vonden vader en moeder het gewenscht, dat Willem eens een poosje in een ge- heel andere omgeving kwam, dan waar bij tot dusverre geweest was. Zoo kwam Willem dus bij kennissen te Bandoeng in huis, en werd daar naar de school van mijnheer Duinberg gezonden.

Op de school van mijnheer Duinberg ging ook Tan Way AD. De jongens kwamen bij elkaar te zitten, konden goed met elkaar overweg en ... hielpen elkaar. Willem kon goed talen leeren. Natuurlijk sprak hij zuiver Hollandsch en ook Fransch, Duitsch en; Engelsch leerde hij beel gemakkelijk. Maar met rekenen en: wiskunde wilde het niet erg... en bij Way was het omgekeerd. Die was een bolleboos in het cijferen doch vreemde talen lee~en, dat ging moeilijk. Ja zelfs met het Hol- landsch vlotte het niet erg. En nu bielpen de beide jongens elkaar met die vakken, waarin de eene sterk en de andere zwak was. Tan Tak Tok, Way's vader, vond het maar wat best, dat zijn zoon zoo goed bevriend was met den zoon van 8

den administrateur van Soerawlnangoen. Dan leerde Way goed de Hollandsche manieren, meende de suiker-chinees. En dat was ook de reden dat hij zijn jongen naar de goed bekende school van mijnheer Duinberg gezonden had. Willem bracht heel veel avonden in de woning van zijn vriendje door, en als hij met de vacantie naar Soerawinangoen ging, gebeurde het wel, dat Way hem een poosje vergezelde. Daar was Way's vader vooral mee vereerd.

Over alles wat Way en Willem samen in Bandoeng mee- maakten wil ik nu niet schrijven, maar ze hadden veel plezier met z'n beiden dat kan ik jelui wel vertellen. Toen ze zoo'n jaar of drie met elkaar hadden omgegaan, kwam Willem's vader tot het besluit zijn jongen naar Holland te zenden. Wil- lem zou later toch naar Holland moeten, en z'n vader geloofde dat het beter was niet te lang te wachten. 't Was wel hard den jongen zoo ver weg te sturen, maar zijn bestwil vorderde het. Hoewel Wille.m er erg naar verlangde met Holland kennis te maken, zag hij wel wat tegen het afscheid op.

Op een avond, een maand of drie voor z'n vertrek, was hij te gast in het mooie huis van Tan Tak Tok. Gewoonlijk wa- ren de jongens met z'n beiden in de fraai gemeubelde binMn- galerij. Maar toen Willem dezen avond binnenkwam, vond hij daar niemand dan Way's vader. Willem groette en vroeg naar Way.

"Way komt direct", zei de oude heer Tan. "Way komt direct, maar 'k wilde je wat vragen. Hoe zou je het vinden als Way meeging met je naar Holand?"

"Fijn", zei Willem kort en krachtig, "stuurt u hem maar mee".

"Ja", antwoordde de Chinees, "je zegt het zoo gewoon, I!Ituurt u hem maar mee, maar dat durf ik niet".

"Waarom niet durven ?".

"Zou je vader het goed vinden?"

"U kunt Way toch wegsturen met welke boot u wilt?"

"Jawel, jawel", stemde de oude heer Tan toe, "dat kan ik ook ... maar begrijp je, ik wilde dat jelui samen reisden,

(7)

samen gingen won~ in Holland; zie je", ging hij met een listig knipoogje voort: "ik wil dat Way de Hollandsche taal en gebruiken goed leert... dat is nuttig voor later. Jij wUt immers graag dat Way meegaat?" .

,,Dat heb ik toch gezegd ... heel graag".

"Nu, zou jij dan eens aan je vader willen vragen of het goed is... Zeg maar, dat je het zoo graag wilt, dan mag het zeker".

Utrecht en Amersfoort!"

"Neen, Tan Tak Tok, 't is beter dat u het zelf vraagt.

Vader zal er geen be- zwaar tegen hebben.

'k Kom toch in Hol- land in een pension waar kinderen uit In- dië wonen, die in Holland leeren moe- ten, dus daar kan Way ook wonen. Ik zou naar Baarn gaan, geloof ik".

"Baaln, Baaln?"

vroeg Tak Tok, die als echte Chinees de r niet uitspreken kon, en er een I van maak- te, "waar ligt Baaln ?"

"In 't midden van

het land, vlak bij

"Utlecht ... en Amelfoolt! ... 'k Heb nooit van die desa's gehoord!"

Willem lachte hartelijk ... "Desa's! ... 't zijn. geen dorpen maar kota's ... steden".

Tak Tok zweeg even. Zijn aardrijkskunde kennis was niet groot. Toen ging hij voort: ,,en zou je denken, dat je vader het goed vindt, dat Way met je meegaat?"

"Heusch ... hij zal er niets tegen hebben!"

"Dan ga ik naar Soerawinangoen", zei Tak Tok verheugd.

"En", voegde hij er fluisterend aan toe, "als het lukt krijg je wat moois van me, voor de reis".

Tan Tak Tok bracht kort daarop een bezoek aan Willems vader, en de zaak kwam. in orde. Way zou een jaartje mee- gaan, en moest dan naar Java terugkomen.

De reden dat Willem en Way samen naar Hlllland gingen, was dus een heel gewone.

Maar nu, hoe kwam Wongso er bij? Dat is een heel andere geschiedenis !

Zooals ik in het begin reeds gezegd heb, woonde Wongso op midden-Java, in een dorp of desa vlak bij Poerwokerto, waar zijn vader districtshoofd of wedana was. Wongso bezocht in de kota Poerwokerto eene Hollandsch-Inlandsche school, en sprak - hoewel niet gemakkelijk - een beetje Hollandseh.

Zijn ideaal was, hééI goed Hollandsch te kennen, en dan een makkelijke betrekking te krijgen bij de Hollandsche regeering of op de suikerfabriek "Kalibiroe", die daar vlak in de buurt lag!

De administrateur van "Kalibiroe" was een vriend van Wil- lem's vader, ~n hadden ze gewerkt in de t!!ilien van de

~ootste fabriek op Java en nu waren ze beiden administra- teur. Zoo eens in de drie maanden schreven ze elkaar, en dan hadden ze het meest over den groei en het suikergehalte van het riet. En eens in het jaar, aIs de fabrieken al het suiker- riet gemalen hadden, en stil moesten liggen tot het nieuwe riet rijp was, brachten äe heeren elkaar een bezoek. In het jaar dat Willem naar Holland zou gaan, bezocht zijn vader den administrateur van Kalibiroe. Willem mocht met vader mee in de auto, hij had juist Kerstvacantie. En nu moeten jelui niet denken, dat is toch geen tijd om een autotocht te gaan doen ... en dan zoover, wel vijf uur, rijden. Neen hoor,

(8)

In Indië is het in de Kerstvacantie precies even warm als anders ... warmer dan het bij ons in den zomer is. Vader en Willem. reden van Soerawinangoen naar Cheribon, van Cheribon langs de kust naar Tegal, en toen, langs een bin- nenweg, naar Poerwokerto. Even gingen ze langs, ja zelfs over

de hellingen van den Goenoeng Slamat (een van de nog werkende vulkanen op Java) en zoo kwamen ze bij het vriendelijk gelegen Poerwokerto.

Weldra waren ze aan de fabriek, en terwijl vader met den administrateur van Kalibiroe ging pra- ten, mocht Willem eens door de fabriek wandelen, en een kijk- je nemen in de omgeving. Het zoontje van den administra- teur ging met hem mee. Zoo liepen ze dus door de fabriek, namen een kijkje bij de suikermolens, waarin het riet ge- perst wordt, door cylinders als hie.rbij staan afgebeeld en wan- delden toen de afgesneden riettuinen in, waar nu niets dan stoppels stonden. Piet het zoontje van den administrateur van Kalibroe stelde voor :foor de tuinen

en later langs de sawah's (rijstvel- den) naar de dichtbijliggende de- sa te gaan, waar een gamelan-orkest speelde. Willem had er geen bezwaar tegen, en zoo gingen de jongens op weg naar de desa Bloeboer. Zij wa- nm reeds een heel eind op weg, toen ze bemerkten dat van achter een bamboeboschje een wel heel zwaar gebouwde karbouw-stier (kar- bouw is een soort inlandsche buf-

Molen.cylinders, waartusschen

fel) te voorschijn kwam, en met het riet gekneusd wordt.

12

z'n volle breedte den weg van het sa.wah-dijkje versperde.

"Wat doen we, jo?" vroeg Willem.

"Doorloopen, natuurlijk", besliste Piet, ,,'t is een karbouw van Bloeboer, hij doet geen kwaad". Doch de karbouw snoof en snoof ... misschien rooK hij wel dat Willem niet uit de buurt was ... en bleek geen vredelievende bedoelingen te hebben. Hij boog den kop, brieschte, en zette zich in postuur om de jongens te lijf te gaan. En het zou met hen niet best zijn afgeloopen als hij hun werkelijk te lijf gegaan was.

Maar juiat toen de stier op hen wilde los stormen, kwam een Javaansche jongen te voorschijn, met één sprong zat hij den karbouw op den

nek, en trachtte door den stie.r aan de hoorns te trek- ken, het beest een • andere kant te doen uitzien. Maar deze maal wilde de kar- bouw van geen in- menging weten. Hij maakte met een

flinke ruk z'n kop vrij, en wierp met één beweging van den rug, den ongewenschten ruiter van zich af. Met een lichte kreet kwam deze in het bamboe boschje te land, terwijl de stier, razend nu, op de jongens losstormde, althans op de plaats waar zij gestaan hadden. Want Piet en Willem hadden van het oogenblik van aarzeling van den karbouw gebruik gemaakt om zich achter een ander bamboeboschje, terzijde van het sawahpaadje, te verbergen. De stier liep, als was hij dol geworden, door de sawah tot hij in de koelte van een moeras, aan het eind van de dorpssawah van Bloeboer weer wat tot zich zelf kwam. Piet en Willem waren intusschen hun redder gaan opzoeken. Doch die lag buiten kennis in het bamboebosch- je. Ze riepen hem, wieschen hem het hoofd met water uit de smalle kali, doch de Javaansche jongen kwam niet bij ken-

13

(9)

nis. Willem bleef den gewonde gezelschap houden, en Piet liep zoo vlug hij kon terug naar de fabriek om te vertellen wat er gebeurd was en om den fabrieksdokter te halen. Doch, ter- wijl Piet onderweg was, kwam. de kleine Javaan weer tot bewustzijn terug.

"Heb je pijn?" vroeg Willem bezorgd. Hij stelde die vraag in het Maleisch, omdat hij de taal, die de inlanders bij Poer- wokerto I5preken (het Javaansch) niet verstond, en hij ver·

onderstelde dat deze Javaan wel geen Soendaneesch (wat in West·Java gesproken wordt!) zou begrijpen. Dus dacht hij, dat Maleisch wel de eenige taal zou zijn om zich verstaanbaar te maken.

De Javaansche jongen verstond hem dan ook, en antwoordde:

"Niet erg... 'k was alleen wat draaierig in mijn hoofd van den val".

"Gaat het nu wat beter?"

"Ja", zei de jongen met moeite opstaande. "het gaat wel weer".

"Hoe heet je 1"

"Wongso ... ik woon in Bloeboer, mijn vader is wedana hier".

"Nq, Wongso, dan moet ik je hartelijk bedanken voor je hulp.

Zonder jou zou het er leelijk genoeg voor ons uitgezien hebben, als de karbouw ons aangevallen had ...

"Ik was dom", meende Wongso, ,,'k had mij niet door den karbouw moeten laten afgooien".

"Maar gered heb je ons toch ... "

Even later kwamen de administrateur van "Kalibiroe", Willems v(lder, en de arts die bij de fabriek woonde.

,,0, gelukkig", zei de laatste, "de jongen is weer goed".

"Ja maar 'onderzoekt u hem toch maar even", vroeg de administrateur, "hij heeft een leelijke smak gemaakt", en dan den jongen wat nauwkeuriger bekijkend: "Wel) ben jij het Wongso? Piet's vader had gewoon Hollandsch gesproken en dus begreep Willem,. dat Wongso wel Hollandsch verstond

aan Wongso bemerken, dus in zooverre liep de zaak althan.

goed af.

uKen je den jongen? wendde Willems vader zich tot den administrateur van Kalibroe.

"Zeker, 't is WongsoJ een zoon van den wedana van Bloe- boer. Een héél flink ambtenaar die wedana. 'k Heb natuurlijk nog al eens wat met hem te maken in verband met de ver- huring van gronden. Hij komt goed voor de rechten der he- bevolking op, maar heeft ook een open oog voor de eischen van ons bedrijf. Hij heeft Wongso op de Hollandsch-Inlandsche school in Poerwokerto gedaan. De jongen spreekt aardig Hol- landsch ... overigens is hij niet zoo bij, maar hij wil persé goed Hollandsch spreken, omdat hij denkt dat hij op die manier gemakkelijker een baantje kan krijgen bij het gouvernement of op de fabriek.

Hé, Wongso, kom eens hier ... " Wong.

10 kwam naar voren en bracht beleefd de Javaansche groet.

"Deze heer wil je even spreken", zei·

de de administra·

teur van "Kalibiroe"

dan, op WilIem's -""""'tTI4

vader wijzend, "het is de vader van den Hollandschen jon- gen, dien je gered hebt".

"Ja, Wongso, ik wilde je even bedanken. Zonder jouw tus- schenkomst was ik mijn eenig kind kwijt geweest, je was heel dapper hoor".

"Ik vond het jam.mer", antwoordde Wongso, "dat ik mij niet houden kon, en de stier mij afwierp ... .

Maar je tusschenkomst is toch voldoende geweest. Je vader

(10)

J _C;nh I "

" a,"""\J eer.

"Kan ik hem vanmiddag even spreken?"

"Dan moet u na vijf uur komen, vader is op tournee met den assistent-resident van Poerwokerto.

Om zes uur was de administrateur van Soerawinangoen op bezoek bij den wedana van Bloeboer, en informeerde waarmee hij den wedana en Wongso het meeste genoegen kon doen.

De wedana, die zich uitsloofde in hoffelijkheid, meende, dat de jongen niets dan zijn plicht gedaan had en dat geschenken dus niet noodig waren. Vooral nu de heer administrateur zelf was kamen bedanken, behoefde er van verdere belooning geen sprake te zijn. Wille.ms vader stemde dit toe, doch zeide toch gaarne iets voor Wongso te willen doen. Nu, de wedana wist niets . van belang. Alleen, ja de jongen had één wensch hij wilde zoo graag goed Hollandsch leeren. Maar de schooi die hij bezocht was goed, dus dat zou vanzelf wel in orde komen.

"Is dat een bepaalde wensch van Wongso?" Ja, dat was het, zei de wedana.

"Dus ge zoudt het, goed vinden als ik zorgde, "dat Wongso héél goed Hollandsch leerde?"

"Zeker, mijnheer, dat zou ik!"

"Welnu luister dan wedana. Wij zijn u veel dank verschul- digd, mijn vrouw, zoon en ik voor de redding van een wissen dood van den jongen. Wat ge ook gevraagd had, zou ik Wongso g~geven hebben, als het in mijn macht stond. Nu hebt ge mets gevraagd. Alleen bleek toevallig de wensch van Wongso goed Hollandsch te leeren. Ik hoorde van dien wensch ook spreken door den administrateur van Kalibiroe.. . . Nu w~~ana ik zal maken dat Wongso perfect HolJandsch leert.

MJJ~ zoon en een vriendje gaan voor een jaar naar Holland of lieve~ mijn zoon blijft daar langer... z'n vriendje komt

n~ een Jaar terug. Sta Wongso voor een jaartje af, dan mag hJJ mee na~r Holland. 'k Ben rijk genoeg, dus op het geld komt het met aan. Stuur hem mee, en hij komt terug Hol- Iandsch sprekend als een echte orang-blanda" (orang- blanda, eigenlijk orang-wolanda = Hollander, Europeaan).

16

De wedana was de eerste oogenblikken na dit aanbod spra- keloos, en vroeg een dag bedenktijd, welke hem natuurlijk direct toegestaan werd. Den volgenden dag kwam hij met Wongso een bezoek brengen aan Willems vader, op de fabriek

"Kalibiroe" . Hij had er over gedacht, vertelde hij, en Wongso gevraagd of die wilde en hoewel 't aanbod bijna te groot was om aan te nemen, durfde hij toch niet te bedanken. Wongso wilde graag, en zoo'n gelegenheid zou zich niet meer voordoen.

De wedana verklaarde dat hij "tot het eind zijner dagen" den administrateur dankbaar zou zijn, en dan ook gaarne zijn toe- stemming gaf. Wanneer de reis zou beginnen, en of de we- dana zelf voor Hollandsche kleeding moest zorgen?

"Neen, dat hoeft niet", zei Willems vader, "laat eens zien het is nu begin Januari en 15 Maart vertrekt de boot van Batavia. Het beste is dat Wongso b.v. 10 Maart naar Batavia komt, dan hebben we daar gelegenheid den jongen in de kleeren te steken. Van 8 Maart af logeeren wij in "Hotel des Indes" te Batavia, dus, wedana, breng Wongso dan den 10en Maart in het hotel". '

De wedana beloofde er voor te zullen zorgen.

Zoo nu heb ik ó6k verteld wat de reden was dat de jongens met z'n drieën op reis naar Holland gingen. Tan Tak Tok was was er eerst maar half over te spreken, dat zijn zoon nu de vriendschap van Willem met een anderen, en nog wel een Javaanschen jongen, zou moeten deelen. Maar er viel nu een- maal niet aan te doen. Ook in zaken kreeg je niet s tee d s de volle honderd procent, dacht de Chinees, en soms was je wat blij met een accoord van vijftig procent. Dus hij zou voor zijn zoon maar met de helft van Willems vriendschap genoegen nemen!

17

2

(11)

UI.

KEES KOMT OP ••••

Wongso's vader had den jongen precies op den lOen Maart, zooals de administrateur van Soerawinangoen gewenscht had, aan "Hotel des Indes" te Batavia afgeleverd. Met veel betui- gingen van erkentelijkheid voor de eer zijn familie aangedaan, had de wedana afscheid genomen. Wongso zou die vijf dagen met de familie van Willem in het hotel blijven, en bij het in- koopen van benoodigdheden voor de reis en de uitrusting voor Holland zou Wongso op denzelfden voet behandeld worden als Willem. Ook Way vertoefde reeds in Batavia. De oude heer Tan had het echter voor indiscreet gehouden in hetzefde hotel waar de administrateursfamilie logeerde, zijn intrek te nemen, en woonde dus met zijn zoon in het Java-Hotel. Njonja Tan, Way's moeder, zou den laatsten dag eveneens in Batavia ko- men om van haar jongen afscheid te nemen. Way en zijn vader hadden reeds een bezoek aan Hotel des Indes gebracht, en zoo tusschen licht en donker in den vooravond kwam Way gewoonlijk een half uurtje bij de administrateursfamilie pra- ten. Zoo gingen de laatste dagen rustig voorbij.

Op den avond vóór het vertrek zaten de administrateurs- familie, Wayen Wongso in den tuin van het hotel onder den grooten Waringin-boom.

"Zullen jullie voorzichtig zijn aan boord?" vroeg Willems moeder.

"Ja, moe", was Willems antwoord. En de beide jongens vie- len hem plichtsgetrouw bij: "ja, mevrouw".

"En geen kattekwaad uitvoeren?"

"Neen, moeder". Weer klonk het vol overtuiging uit twee andere monden ook: "neen, mevrouw".

"Wie is de oudste van jullie?" vroeg de administrateur. Het bleek Willem te zijn. Die was bijna vijftien jaar. Way was wat jonger, bijna veertien en Wongso scheelde nogal met zijn beide reisgenooten. Hij was nog geen twaalf jaar.

"Goed, denk er om", zei de administrateur, "dan ben jij voor alles verantwoordelijk. Ik zou graag hebben dat jelui me iedere week beurt om beurt in een brief van je lotgevallen vertelde.

Van Willem krijg ik natuurlijk iedere week een brief, maar de volgende twee weken krijg ik om beurten ook een brief van Way en Wongso. Is er wat bijzonders aan de hand, dan schrijft Willem mij dat direct, afgescheiden van de wekelijk- sche brieven. Begrepen?"

"Ja vader!" Ja mijnheer", stemden ook de beide anderen toe.

"En nu jelui zakgeld! Kijk, alles wat leeren, boeken, kleeren en schoenen, bijzondere tochtjes enz. betreft wordt door het pension betaald. Dàt brengt voor Willem en Wongso mij de kosten in rekening. Voor het overige krijgen jelui beiden f 2.50 zakgeld in de week. Dat is rijkelijk veel. Hoeveel krijg jij van je vader, Way?"

"Ik kan krijgen zooveel ik noodig heb".

Zóó, dan zal ik dat nog wel met je vader regelen, dat je niet meer krijgt dan f 2.50. Als jelui met elkaar op en neer gaan, moet jelui ook hierin gelijk behandeld worden. 0 ja, de postzegels moet

je" ., . . . . "ook van dat geld betalen", wilde de admini- strateur zeggen, en hij zei het ook, maar niemand hoorde het slot van zijn zin. Want een verschrikkelijk la- waai brak los, bo- ven hen, in den wa- ringinboom, en de stem van een in- 1ander klonk over het hek: "Marl-

(12)

SUll ... binatang, monjet koerang-adjar ... " (d.w.z. "Kom hier ... beest, onbeschofte aap!").

Nu wàs het heel onbeleefd, wat de aap - i want een aap was het die in de waringin zat - gedaan had. De aap had zich losgerukt uit den arm van den inlander, had de vlucht genomen en zat nu in de waringin leelijke gezichten te trek- ken tegen zijn vroegeren bewaker.

"Van wie is die aap?" vroeg Willem.

"Van mij", antwoordde de inlander. "Maar het leelijke beest heeft zich losgerukt". Een paar andere inlanders kwamen toe- loopen.

,,'t Is zijn eigen schuld ... hij gaf den aap lliet te etenn, zeiden een paar mensclten uit de kampong, waar hij woonde

tot

elkaar.

"Wel waar", protesteerde de bezitter van den aap. "Maar hij at te veel".

De administrateursfamilie was onwillekeurig wat naar het hek van den tuin gegaan, en van deze omstandigheid maakte de aap gebruik pijlsnel zich langs de luchtwortels van den boom naar beneden te doen zakken, en een greep te doen in de openstaande biscuit-trommel op de tafel, waar aan de administrateursfamilie zooeven gezeten had.

"Kijk eens, zoo'n honger had hij", riep een van de inlanders, waarop alle anderen, de bezitter van den aap incluis in een vroolijk gelach uitbarstten.

Willem vloog op de tafel toe, maar de aap was hem te vlug af. Het dier had een luchtwortel gegre~n en zou ontkomen zijn, als niet het touw, waaraan hij vroeger bevestigd was geweest en dat nog achter hem aanbengelde was verward ge- raakt in de leuning van een der om de tafel staande rieten stoelen. Nu kon hij niet vlug genoeg uit den weg komen.

Willem greep het touw, en door zijn trekken moest de aap zich al schreeuwende laten zakken, tot Willem het dier te pak- ken had. Toen hij het beest in de armen nam en het vrien- delijk over den kop streek, keek het hem schuwen verwon- derd aan. Blijkbaar was het aan slaag gewend. Willem wandelde 20

er mee terug naar het hek en wilde de aap aan den eigenaar teruggeven. Maar het dier verzette zich uit alle macht.

"Hij schijnt niet veel van zijn baas te moeten hebben", meen- de de administrateur.

"Hij krijgt s1aag te eten", spotte een vriend van den bezitter.

Het scheen werkelijk, dat de aap er erg tegen op zag weer in het bezit te komen van zijn vroegeren meester. Althans het dier drong zich tegen Willem aan en trok tegen den in- lander een leelijk gezicht.

"Vader", fluisterde Willem, "vader, kunnen wij hem niet houden?"

"Wel nee, jongen, waf moet ik met een aap doen?"

"Hoort u eens, als we hem eens kochten... en w ij namen hem mee?"

"Wil wel.. .... een aap mee ... ", giechelde Wongso.

"Wat moeten we op reis met die aap beginnen?" vroeg Way.

Het scheen, dat de aap bemerkte, dat er var, Way's kant bezwaren geopperd werden, althans hij keek den jongen verre van vriendelijk aan. Maar dat was voor Willem een reden te meer er op aan te dringen den aap te koopen.

"Ziet u wel hoe verstandig hij is, alles begrijpt hij. Toe, koopt u hem voor ons. Zoo duur is hij niet!"

.,Neen, dat zal wel niet, maar 't is een heel gesjouw, zoo'n aap mee. Eerst moet ik die zaak dan nog regelen met de boot, en dan krijg je er moeite mee in het pension in Holland".

"Dan raken we hem wel weer kwijt ook!"

"Nu als je het zoo erg graag wilt, heb ik er geen bezwaar tegen, als de bezitter hem althans verkoopen wil. Maar 'k zal het probeeren" .

"Hé, man, wil je mij misschien die aap verkoopen ?"

,,Dat hangt er vanaf, mijnheer, wat u er voor wilt geven?"

"Zoo erg is die aap niet op je gesteld, anders".

"Neen, mijnheer, maar mijn kinderen zijn het wel op hem".

"Nou vooruit, voor den dag ermee ... wat moet die aap kosten?"

21

(13)

,,'t Is een mooie aap ... een goed afgericht beest"

"Ja, hij heeft goed achter mijn biscuit heengezeten", zeide de administrateur droog. Nou, wat is de prijs?"

"Vijftien gulden", en toen de man zag dat de administra- teur hem den rug toedraaide, zeide hij, angstig dat de koop niet zou doorgaan: "maar voor zeven-en een halven gulden kunt u hem krijgen".

"Drie gulden kan je er voor krijgen, en geen cent meer".

De inlander zag, dat de administrateur vast besloten was, niet meer te geven, en dus stemde hij maar spoedig toe.

"Goed, mijnheer, drie gulden, maar zoo mijnheer drie gulden vijftig geeft, kunt u er het hok ook bij krijgen".

"Da's makkelijk vader", fluisterde Willem.

"Nu, goed dan", besliste zijn vader. Drie-gulden-vijftig voor aap en hok", en toen hij zag, dat de inlander zijn hand op- hield om het geld te ontvangen, zeide hij: "zoo gauw je het hok brengt krijg je géld".

Een half uurtje later was de man met het hok terug; hij kreeg zijn drie-gulden-vijftig en de jongens werden eigenaars van "Kees", want dien algemeen gebruikelijken naam hadden ze maar aan den aap gegeven .

Het scheen, dat de aap begreep, dat zijn lot een verbetering had ondergaan, althans hij liet zich gewillig in zijn hokje op- sluiten en nam vriendelijk het eten; pisang en rijst, die Wil- lem hem bracht, in ontvangst. Van Way moest bij echter niet veel hebben. Als die in de buurt kwam, trok hij een leelijk gezicht en liet een onvriendelijk: "ki ... ki... ki" hooren. Maar Way bleef niet lang meer en ging tijdig naar het Java-Hotel terug. D'~n volgenden dag zouden de jongens naar Holland vertrekken.

IV.

WONCSO, WILLEM EN WAY CAAN OP REIS.

De "Prinses Juliana" lag voor vertrek gereed. Nog een klein uurtje en het schip zou van Tandjong-Priok naar het moeder- land vertrekken. Nog steeds kwamen langs den langen, stoffi- gen weg van Weltevreden naar Tandjong-Priok auto's tuffen, volgeladen met Europeanen: menschen, die van Indië naar Holland teruggingen en vrienden, familieleden of kennissen, die hen uitgeleide deden. Ook de treinen brachten veel men- Bchen naar het heete Priok.

De administrateursfamilie was héél tijdig gekomen, en ook de auto van Tan Tak Tok was vroeg genoeg geweest. Zoo stond de geheele familie van Way en Willem op het wandeldek der tweede klasse. Alleen voor Wongso was niemand aan- wezig. De jongens en hun familieleden waren allen onder den indruk. ,,'t Was toch wel wat", dacht Willem, "zoo van je ouders weg te gaan, zoo héél alleen naar het verre Holland".

Het minst van alles was Njonja Tan onder den indruk. Zij had zich uitgedost in allen rijkdom van haar juweelen en voerde - in het Maleisch - een gesprek met Willems moeder. De oude heer Tan nam zijn zoon nog eens apart en drukte hem vooral op het hart zuiver Hollandsch te leeren en de Holland- Bche zeden en gebruiken zich goed in het hoofd te prenten.

Eindelijk stootte de stoomfluit van de "Prinses Juliana"

voor de derde en laatste maal haar schrille tonen uit. Nu was het zoover! Het afscheid, dat Willem van zijn ouders nam, was kort, maar hartelijk. Willem's moeder kon zich niet meer weerhouden Wongso die haar kind het leven gered had, tegen zich aan te drukken. Way had z'n eigen ouders om af- Bcheid te nemen. Dit afscheid was niet zoo roerend... och, met een jaartje zou hun jongen weer terug z\in. Allen, die de reis niet medem.aakten, moesten van boord. Als laatste verbinding met den wal 8tond nog het telefoontoestel aan boord, doch dit werd nu ook weggehaald. De statietrappen

(14)

werden weggerold, de touwen losgegooid. Nu lag de "Juliana"

vrij van den steiger. Langzaam begon de schroef te werken en verwijderde de stoomer zich van den wal. De menschen op den wal wuifden ... en weenden. De menschen aan boord wuifden terug en huilden ook, sommigen tenminste. Onder degenen, die huilden, was onze vriend Willem. Way en Wongso wuifden alleen m,aar. Na een poosje was de wal uit het gezicht verdwenen. De jongens stonden eenige minuten zonder te spre-

ken bij elkaar, toen verbrak Wongso de stilte en sprak het gedenkwaardige woord: ,,'k heb honger!"

"Dat komt goed uit", sprak Willem, ,,'k heb zooeven de bel voor de lunch al gehoord!"

"De luns?" vroeg Wongso verwonderd, "wat is dat?"

"Makan nassi" (rijst eten), zei Way om hem te plagen. De beide andere jongens zagen hoe Wongso's oogen gingen glin- steren".

"Mis, hoor", zei Willem, "rijst krijg je niet aan boord. Maar je zult welleeren eten wat je aan boord krijgt. Nu heb ik het volgende plan: eerst gaan we kijken of in de hut a1les in orde

is, dan loopen we even langs het verblijf der bemanning, om te zien hoe Kees het maakt en ten::Jlotte gaan we lunchen.

Vooruit, direct zal de bel voor de tweede maal gaan!"

De jongens vonden in de hut - ze hadden een hut voor z'n drieën - alles in orde, ~n ook Kees maakte het goed, hoe- wel hij door de drukte bij het vertrek wat schuw was. Doch de timmerman had reeds voor eten gezorgd. Een schotel rijst stond in het hok, een pisang lag naast de schotel, en in den anderen hoek stond een flinke bak water.

,,Da's in orde, besliste Willem.

Nu zelf aan den maaltijd, want 'k heb, precies als Wongso, honger".

Toen zij de eet- zaal binnenkwa- men, waren nog lang niet alle rei- zigers aanwezig, en de jongens konden dus een rustig hoekje uitzoeken,

vanwaar ze een goed overzicht hadden over de eetzaal. De hof- meester knikte hen eens vriendelijk toe; hij had van Wille m's vader een flinke fooi gehad, met het verzoek een beetje op de jongens te letten. Dat had hij beloofd, en nu moest die vriendelijke knik beteekenen, dat hij de jongens gezien had, en goed voor ze zorgen zou.

Willem en Way waren nieuwsgierig wat Wongso van het eten zou zeggen. Zou hij het lusten en durven eten? Want ...

er stond varkensvleesch op het menu (spijskaart) en varkens- vleesch mogen de Mohammedanen niet eten, en dus was er best kans, dat Wongso dat zou weigeren. Want al ~g hij op een christelijke school, toch was hij Mohammedaan g{- bleven. Willem had wel eens gehoord, dat de Javanen op MÎik

25

(15)

den-Java het zoo nauw niet namen, en dat op de pasars in Solo en Djocja varkensVleesch als kalfsvleesch verkocht wordt.

Willem deed stil zijn tafelgebed, en Way, die reeds meer met Europeanen had omgegaan, en ook bij Wille.m thuis "bidden"

had gezien, evenals op school trouwens, waar hardop gebeden werd, paste zich aan door de oogen te sluiten en de handen te vouwen.

Wongso kende het gebed voor het eten niet, en keek dus even verwonderd, maar lang tijd voor nadenken had hij niet, want weldra verscheen een der Javaansche bedienden met een blad met borden soep. Voorzichtig zette hij voor ieder der jongens een bord soep neer. Wongso zag goed toe hoe Willem en Way deden. Toen tastte ook hij toe, en liet zich de soep best smaken. Die eerste kennismaking viel dus nogal mee, en

,. op Willem's vraag:

"Wel, hoe is de soep", kreeg hij al- leen ten antwoord:

"Lekker, maar ...

"Nu, maar?"

"Maar niet petia (heet, gepeperd)".

"Ja, jö, zooveel peper als in Indië gebruiken ze niet in Holland".

"Ik lust de Hol- landsche soep graag", zei Way,

"maar zie je, tjap-tjai (Chineesche soep) is toch lekkerder ...

of soep van vogelnestjes".

"Ieder zijn smaak", meende Willem.

Na de soep kwam er nog een voorgerecht en toen verscheen het gerecht, waar Willem en Way naar verlangden, om te zien hoe Wongso zich houden zou. Het gerecht stond als volgt op de spijskaart vermeld:

Petites pois.

Pommes sautées.

Jambon chaud.

En Willem, die reeds meer menu's gelezen had, vertaalde snel:

Doperwtjes.

Gebakken aardappelen.

Warme ham.

"Fijn", zei Way, die als een echte Chinees veel van varkens- vleesch hield. Thuis hadden ze soms een heerlijk varkensge- braad: ba b i - h 0 n g (speenvarken in suiker gebakken).

Wongso schoof eens onrustig op zijn stoel :'leen en weer, en toen de bediende hem den schotel ham voorhield, week hij even terug en zei kleintjes: ,,'k heb geen honger meer".

"Zeg het maar eerlijk", plaagde Way hem, "je wil niet eten, omdat het varkensvleesch is".

"Kom", meende Willem, "je kunt het gerust eten, 't smaakt net als kalfsvleesch en in Djocja en Solo eten de menschen het ook, daar noemen ze het kalfsvleesch... Probeer het maar eens".

Voorzichtig nam Wongso een paar stukjes op zijn bord en probeerde angstvallig een stukje magere ham.

"Smaakt' het 1" vroeg Willem. "Ja", was 't antwoord, "maar 't is toch varkensvleesch".

"Denk maar dat het kalfsvleesch is". En Wongso scheen dit ook te willen denken, althans hij wilde moedig beginnen.

Maar dat viel Way tegen, die al op een extra-portie gere-

kend had. I

"Toch eet je varkensvleeseh, vet varkensvleesch ... ! 't is taboe" (verboden) plaagde Way.

"Hou je mond toch, hij wou net zoo lekker gaan eten", zei Willem wat kwaad om Way's plagerij. Maar toen hij het

(16)

vieze gezicht zag, dat Wongso trok, moest hij lachen. Wongso rilde ten slotte bij de gedachte vet varkensvleesch te moeten eten.

"Ik lust niet", zei hij, en schoof het bord van zich af. Dat was juist wat Way wilde: gretig haalde hij het bord naar zich toe en, at het leeg.

,,'t Is vet en taboe", zei hij plagend, "maar 't smaakt fijn hoor".

"Zeg, dat laat je maar in 't vervolg. 't Is niet netjes een ander z'n bord leeg te eten", bestrafte Willem.

"Zonde als het weggegooid wordt", vond Way.

Na de ham kwam er nog wat anders, en toen w&...-en er nog vruchten ~n koffie. Willem en Way deden weer flink hun best maar na de ham scheen 't met Wongso niet meer te willen.

Bovendien schommelde de boot, die nu in open zee was, nogal, en het is mogelijk, dat dit schommelen van een niet gunstigen invloed was op den toestand van Wongso's maag. In ieder geval, Wongso vond het verstandiger niet meer te eten, en na het eten direct in zijn couchette (kooi) te kruipen. Willem en Way gingen naar boven en legden zich een poosje in een langen rieten stoel. Hoewel de zee wat onrustig was, hadden ze daarvan geen last en sliepen ze heerlijk, droomend van het vele mooie, dat hen nog wachtte op reis en in Holland.

v.

SINOAPORE.

Anderhalve dag nadat de ,,Prinses Juliana" Tandjong-Priok verlaten had, kwam 't schip te Singapore aan. Willem, Wongso en Way stonden over de verschansing geleund toen de boot Singapore naderde.

28

Reeds voor het schip aan den steiger lag, kwamen de douane- beambten aan boord evenals de "officials" voor de passen- contröle. Nu, de passen van de drie jongens waren natuurlijk in orde. Willem's vader had gezegd, dat ze wel aan wal moch- ten, als de boot een havenplaats aandeed, maar dat ze pre- cies informeeren moesten hoelang de boot bleef liggen, en moesten zorg dragen een half uur vóór het vastgestelde ver- trekuur weer aan boord te zijn. De hofmeester die van Willems vader een fooi gekregen had, deed goed zijn best zich de ontvan- gen belooning waardig te maken en legde den jongens alles uit.

Hoe ze doen moesten, wat ze betalen moesten voor de rickshaw, die hij hen aanraadde te nemen enz. Toen ze van boord kwa- men werden ze omringd door biedende en schreeuwende

rickshawlu~ die het zich blijkbaar als een eer rekende, de drie jongens door Singapore te rijden. Maar de jongens be- dankten voorloopig voor de aanbieding en wandelden op hun dooie gemak naar de stad. Ze vonden Singapore toch héél wat anders dan Batavia. 't Zag er alles zooveel "Europeescher"

uit besliste Willem wijsneuzig. Er waren wijken die zoo geheel leken op afbeeldingen van Europeesche steden, welke Willem wel eens gezien had dat hij zich soms verbeeldde reeds in Europa te zijn. Maar de warmte in Singapore, nu, die was niets minder dan in Batavia. Ze hadden misschien een uurtje gewandeld, toen Wongso begon te klagen over pijn in de voe- ten. Hij was tot nu toe gewend geweest op bloote voeten en luchtige sandalen te loopen. En nu waren zijn voeten opge- sloten eerst in warme kousen en daaroverheen moest hij schoe- nen dragen. Dat was hij niet gewend, in Batavia was er van wandelen niet veel gekomen en daarom had hij er geen last van gehad: maar nu deed die last zich dubbel gevoelen.

"Dan zullen wij aan den "rickshaw" moeten gelooven", meende Willem.

Weten jelui wat een "rickshaw" is? Niet? Dan zal ik het vertellen. Een "rickshaw" is een smal, licht voertuig op hooge wielen. Dit voertuig is gewoonlijk maar geschikt voor één per- soon. D.w.z. om er in

te

zitten. Bij elke "rickshaw" hoort een

29

(17)

tweede persoon. Maar die heeft het niet zoo rustig. Die moet het voertuig trekken. Sommige menschen vinden het een naar idée zich door een ander te laten voorttrekken en het i s ook een onaangenaam idée. Doch de Chineesche koelies, die de

"rickshaw" bedienen, schijnen het heel gewoon te vinden. Ze loopen op een sukkeldrafje voor hun voertuig en soms, als de man in het rijtuig haast heeft, hollen ze ook wel. Die koelies kunnen wat uithouden. Soms doen ze er hun jasje bij uit en dan trekken ze met ontblooten rug, waarlangs straaltjes "water"

loopen. Zoo warm hebben ze het dan! Willem wenkte even en in een oogenblik stonden de drie "rickshaw-menu, zooals de Engelschen zeggen, om hen heen, druk gesticuleerend en schreeuwend. Maar Willem liet zich niet van de wijs brengen.

"Vooruit Way", zei hij, regel jij het maar met hem ... 't Zijn landgenooten van je".

Maar 't ~as voor Way lang niet gemakkelijk zich verstaan- baar te maken. Ten eerste sprak hij maar heel weinig Chi- neesch, thuis werd Maleisch gesproken, en ten tweede schenen de koelies een héél ander dialect te spreken, dan dat waarvan hij enkele woorden kende. Way verzamelde al zijn kennis bijeen en kon eindelijk duidelijk maken, waar ze heen wilden. Ten- minste dat dacht hij.

Maar 't bleek, dat de menschen er niets van begrepen. Toen zei hij maar in het Maleisch, dat hij en zijn vrienden naar de "kapal" (het schip) wilden. De koelies lachten. hadden het nu schijnbaar begrepen en wilden er met hun vrachtje vandoor gaan.

"Wachten ... U decreteerde Willem, "eerst de prijs afmaken, anders zetten ze ons af".

Maar op het punt van prijs was met de menschen niets in het Maleisch te beginnen en Way begon nu over dit onderwerp met de weinige woorden, die hij kende van het dialect dat de koelies spraken!

"Kie-to-sian?" ("Wat moet je er voor hebben ?") vroeg hij.

Nu begrepen de koelies hem. En de oudste en brutaalste der

"rickshaw-men" kwam naar voren en noemde den prijs.

"Sa.m lupee". ("Drie rupee's e). En z'n collega's vielen hem, juichend bijna, bij: .,Hèh ... hèh ... sam lupee!" (Ja, ja, drie rupee's).

"M6h", besliste Way, "ngi rupee".

(Neen, twee ru- pee's) en dat dit bedrag meer dan hoog genoeg was, bleek uit den geest- drift, waarmede allen hun "hèh ...

hèh ... u (ja, ja!) lieten hooren, en den ijver waarme- de ze begonnen te trekken.

"Zeg, wat heb je met ze afgesproken?U vroeg Willem.

"Twee rupee's".

"Per persoon of voor ons drieën?"

"Natuurlijk voor ons drieën heb ik bedoeldu.

"Nou, maar dat hebben ze vast niet begrepen, hoor! Daar krijgen we nog last mede!"

Toen de "rickshaw-men" hoorden, dat de jongens praatten en het woord "rupeeu gebruikten, begonnen ze lont te ruiken.

Ze zetten het op een loopen en zorgden dat de "rickshaw'su zoover van elkaar verwijderd waren, dat de jongens elkander niet meer konden beroepen.

Hoewel de koelies hard liepen, duurde het wel heel lang eer de jongens de haven in het zicht kregen!

"Weet je wat ik geloof", schreeuwde Willem Wongso toe, die het dichtst bij hem reed ... Maar Wongso gaf geen ant- woord, die was na de vermoeiende en pijnlijke wandeling in slaap gevallen. Willem wist de rickshaw, waarin hij reed, en

.) Rupee = Engelsch.lndisch geld.

(18)

die voor de andere uitging, tot stilstand te krijgen en weldra stonden de drie rijtuigjes weer bij elkaar.

Wongso was nu wakker geworden. "Zoo slaapkop, ben je wakker?" spotte Willem. "Zeg lui", ging hij voort, "wij moe- ten krijgsraad houden. 'k Geloof dat die kerels een verkeerden kant zijn uitgereden. We zijn hier heelemaal niet in de buurt van het schip". En op zijn horloge kijkend voegde hij er bij~

"en we moeten voortmaken ook, over drie kwartier vertrekt het schip al".

Way trachtte weer in gesprek te komen met den rickshaw- koelie, maar, misschien kwam het door het uitputtende werk van rickshaw-trekken, deze begreep nu niets meer.

Goede raad was duur. Ze bevonden zich in een buitenwijk

v~ de stad en zoo Europeesch het er in Singapore uitzag, zoo wemig Europeesch zag het er hier uit. Ze hadden dan ook weinig kans hier €Jen Europeaan aan te treffen, die hen helpen kon. Willem sprak een beetje Engelsch en had dan althans kunnen aanduiden wat hij bedoelde. De jongens keken eens rond, overal lage inlandsche huisjes. Doch even verder stond een nette Japansche woning. Zouden ze daar eens probeeren ? Ze liepen op het huis toe, maar voor ze er waren, werd de deur geopend en trad een oude Japansche vrouw naar voren die vriendelijk haar: "Konnichi-wa" ("Goeden nûddag") deed hooren.

"Spreekt ze Chineesch 1" vroeg Willem.

"Neen", zei Way, ,,'k geloof dat het Japansch is".

"Daar schieten we ook mee op!"

Maar ... ze bleek gelukkig ook wat Maleisch te verstaan.

En toen Willem haar aan het verstand bracht, dat ze naar d? "ka~.al" (het schip) moesten, zei ze, dat de jongens daar

~cht bIJ waren. Nog een half uurtje dan waren ze er ... op die heuvel, daar lag Kapal.

. ~ongso zette groote oogen op: "niet mogelijk", mompelde hIJ, "kan niet een schip op een berg!"

Maar spoedig bleek het misverstand... de koelie's hadden begrepen, dat de jongens naar den top van een heuvel wilden, 32

van welken top men 'n mooi uitzicht over de omgeving had.

Op dezen top (Kapalla) lag een dorpje, dat men wel Kapal noemde in Singapore. De vriendelijke Japansche vrouw, die ge- lukkig ook enkele woorden Chineesch sprak, bracht de koelie's aan het verstand, wat de bedoeling was, en zuchtende aan- vaarden de rickshawmen de terugtocht. Het Japansche moe- dertje riep hen nog een vriendelijke afscheidsgroet achterna

"Sayonara !"

Nu moesten de koelie's loopen. Gelukkig behoefden ze den geheelen weg niet terug, maar konden zij lange een korteren weg den haven bereiken.

Maar 't was toch nog een heele afstand. Eindelijk... einde- lijk doken in de verte de loodsen en kranen van de kaden voor hen op. Nu, 't werd tijd. De koelie's bezweken bijna van ver- moeienis. Maar 't waren kranige kerels, niet voor een klein gerucht je vervaard.

Een schrille stoamfluit snerpte door de lucht... eenmaaL ..

tweemaal.

"Da's onze boot", verklaarde Willem. "We moeten hem halen"

De jongens probeer- .

den in alle talen de

koelie'~ nog meer spoed aan te zetten.

"Make baste", zei ='r--,,-,<o"""

Willem in 't En- ~~XII..a~

gelsch, en in 't

Soendaneesch voeg- :r

de hij er achter,

waarom wist hij zelf niet: "geu'Wat-way!"

Wongso zei het in het Maleiseh: "Ajoe lakas! Ajoe lakas!"

Doch de koelie's verstonden er niets van! Eindelijk vond Way het goede Chineesche woord: "Kiak-kiak-eh! Kiak-kiak-eh" . Dat begrepen ze. Alle krachten spanden ze in voor de laatste ren, en juist toen de boot voor de derde maal gefloten had, en de matrozen de scheepstrap wilden ophalen, kwamen de jon- gens me.t hun "rickshaws" voor het schip rijden. Vlug werden

33

3

(19)

de koelie's betaald en Willem en Way holden de trap op. De hofmeester, die de fooi gekregen had, stond aan de reeling om ze te ontvangen;. Daar klonk van de kade een vervaarlijk geschreeuw. Wongso had in een hoekje bij de loods een koop- man met djamboe's (inlandsche vrucht) gezien, en had het niet kunnen laten wat te koopen. Juist toen Willem en Way boven aan de trap waren, had men die opgehaald, en stond Wongso op de kade ... en zou het schip zonder hem ver- trekken. Maar dat gebeurde natuurlijk niet. De hofmeester gooide een touwladder over de reeling, en langs die ladder klom Wongso naar boven, zijn heerlijke djamboe's in de armen gekneld. Maar die kon hij niet vasthouden bij he.t naar boven klimmen. Stuk voor stuk vielen de heerlijke vruchten naar beneden. En op den steiger stonden de "rickshaw-men" en vingen de djamboe's grinnikend op.

"Zoo jo, dat was bijna mis geweest, hé", zei Willem.

"In 't vervolg een beetje verstandiger doen", meende de hof- meester die geloofde zijn gezag te moeten laten gelden.

Wongso zei maar niet veel en ging rustig in een hoekje zitten. Nog één djamboe vond hij in de zak van zijn jasje. Die was niet op de kade, maar in zijn zak gevallen.

Eén djamboe ... maar de vrucht smaakte er Wongso nog beter om!

VI.

VAN SINOAPORE NAAR COLOMBO.

Behalve dan een kort oponthoud voor Balawan-Deli, de haven van Medan, waar een vrij groot aantal passagiers werden op- genomen, zette de boot van Singapore koers naar Colombo.

Er valt op dit gedeelte van de reis van Indië naar Holland wei- nig interessants te zien. Maar de jongens konden zich aan

boord best vermaken. Met het eten van Wongso viel het ten slotte toch wel mee. Vrijwel alles at hij. Alleen tegen drie dingen had hij een onoverwinnelijke afkeer, dat waren varkens- vleesch, haring en... paling. Het bezwaar van zijn afketlr tegen varkensvleesch was zoo groot niet. Gewoonlijk stond er nog een andere vleeschsoort op de spijskaart. Nu, haring was er 's morgens bij het ontbijt te krijgen en behoefde hij ook al niet te eten... er waren zooveel andere dingen.

Waarom hij geen haring lustte wist hij niet. De lucht scheen hem niet aan te staan. Een paling beschouwde hij als "slang".

Hij rilde er van: gebakken slang te eten!

De jongens konden nogal goed met de passagiers overweg of liever de passagiers met hen. Een paar menschen vonden het

"onverantwoordelijk" drie zulke jongens alleen te laten reizen.

Dat was een telefoon-juffrouw uit Samarang, die chef was geweest op het telefoonkantoor. Ze kon de jongens niet goed zetten... . .. waarschijnlijk omdat ze het land had, aan alles wat jong en vroolijk was. Ze droeg een donker bruine pruik, omdat ze bij een ziekte al haar haren verloren had. Dat was natuurlijk heel treurig. Maar nog treuriger was, dat ze bij die ziekte ook haar goed humeur scheen verspeeld te hebben. Aan·

genomen dat ze dit ooit bezeten had! Er was nog iemand die niet goed met de jongens kon opschieten. Dat was een gepen- sioneerd gevangenbewaarder uit Batavia. Hij hield niet van

"onordelijkheid" zei hij, en het was met orde en tucht niets gedaan. als drie van die bengels vrij aan boord rond liepen.

De man had natuurlijk een ingekankerde haat tegen "vrij los loopen". Maar dat mag je iemand, die steeds "on-vrij-vast- gezet" heeft niet kwalijk nemen.

En de derde die de jongens niet mocht, was een onderwijzer, die wegens zenuwachtigheid met verlof naar Holland ging.

Die onderwijzer was anders heusch zoo kwaad niet! Maar hij was zenuwachtig geworden van het plagen der kinderen op school. En daarom had hij het land aan kinderen ... '" aan alle kinderen. De jongens mochten de telefoon-juffrouw, den ge- vangenbewaarder ten den onderwijzer natuurlijk evenmin, en

(20)

als ze kans zagen, maakte ze het deze drie wel eens lastig ...

maar daar kom ik nog nader op terug!

Eerst moet ik nog wat van Kees vertellen. Zooals jelui weten, hing de kooi van Kees bij het bemanningsverblijf. Nu, de man- nen waren best voor den aap ... maar 't was toch wel wat saai voor het beest, vonden de jongens. Dus trokken ze naar den administrateur van het schip, en vroegen of het mogelijk was, dat Kees wat meer vrijheid kreeg. Nu, eerst voelde de administrateur er niet veel voor, 't gaf allemaal maar last vond hij... doch de jongens hielden aan, en eindelijk kregen ze vergun- ning den aap 'n uur- tje per dag te luch- ten. Kees moest dan

onder de hoede van de jongens blijven, en mocht niet vrij aan boord losloo- pen. Zoo spoedig er klachten van de passagiers kwamen, zou Kees onherroe- pelijk voor de ge- hee1e reis in zijn hokje worden opgeborgen. De jongens moes- ten dus zorgen, dat er niets gebeurde!

Ze beloofden het, en vol triomf werd Kees uit zijn kooi bevrijd, aan een touw gebonden, en meegenomen naar het dek.

Wat was de aap blij, dat hij weer een betrekkelijke mate van vrijheid had. De meeste passagiers begroetten de verschijning van Kees als een aangename afwisseling op de reis, en ver-

maakten zich met de grappige bewegingen en plaagzucht van het dier.

Maar de drie reizigers, die het met de jongens niet vinden konden, waren met de verschijning van Kees in 't geheel niet 36

ingenomen. De telefoonjuffrouw vond het een eng dier, en de gevangenbewaarder vond het een schandaal dat 'n dergelijk ,,mormel" vrij rond liep. De onderwijzer zei niet veel, doch zijn afkeurende blikken spraken duidelijker dan woorden het konden doen.

De passagiers zaten op het dek rustig hun kopje thee te drinken. De jongens kwamen van boven en begaven zich in de eerste plaats naar de conversatiezaal, waar de Javaansche be- dienden stonden met thee en biscuit, om zich te laten bedie- nen. Willem liep met Kees op den schouder. De aap keek op- merkzaam rond, doch hij hield zich rustig.

Nauwelijks waren de jongens echter in de conversatie-zaal of de aap kreeg de biscuit-trommel in de gaten. Hij rukte zich los, vloog op de biscuit-trommel af en haalde met vlugge greep een paar biscuits uit den trommel. Waarna hij doodkalm weer bij Willem op schouder klom en de biscuits oppeuzelde. Eerst heerschte er natuurlijk eenige verrassing, maar weldra had iedereen er pret om, behalve de gepensioneerde gevangenbe- waarder. 't Was een sterk staaltje van tuchteloosheid vond hij. Er moest met den administrateur over gesproken worden.

De telefoonjuffrouw was niet in de buurt dus die had er geen last van ... tenminste nu niet. De onderwijzer kwam nooit op het thee-uurtje. Hij dronk geen thee, omdat het slecht voor de zenuwen was. Kees was moedig geworden door zijn succes.

Hij begon zich nu ooit wat vrijer te gevoelen. Een enkele maal liet Willem hem M:!l eens los, en dan klom hij vroolijk in het touwwerk en vermaakte zich best. Kees had echter een vreem- de eigenschap. Hij zette graag de dingen onderste boven. Kon hij een kopje te pakken krijgen, tien tegen één, dat hij het omkeerde. Op een morgen liep hij te wandelen op het platte dek van de rooksalon der 2e klasse. Aan den kant van dit dek stond een kleine emmer met water, die een der matrozen des morgens gebruikt had bij het schoonmaken. Kees wilde op zijn gewone manier ook dezen emmer onderste boven plaat- sen. ... maar dat ging niet zoo geDlakkelijk, de emmer was te zwaar en gleed hem uit de- pooten. De emmer viel met veel 37

(21)

geraas op 't dek, vlak naast de stoel van de telefoonjuffrouw.

Maar 't water, dat in den emmer was. kwam niet naast de stoel, doch op het hoofd van de juffrouw terecht en maakte haar bruine pruik zóó nat, dat het water er uit droop. Nu scheen het lot van Kees beslist. De juffrouw klaagde haar

~.

nood aan den ge- pensioneerden ge- vangenbewaarder, en tezamen gingen zij den administra- teur van de boot opzoeken.

De administrateur was druk aan het werk... . .. had zéér veel te doen op zoo'n groote boot.

"Mijnheer", begon de gevangenbe- waarder met zijn diepen bas.

"Ja", mijnheer?"

,,'t Is een schan- daal met die aap van die drie jon- gens; gisteren heeft hij een aanval ge- daan op de passagiers in de conversatie-zaal".

"Een aanval?", vroeg de administrateur verwonderd.

"Ja ik zeg een aanval mijnheer ... geroofd heeft hij ook!"

"Kostbaarheden ?"

"Kostbaarheden? Neen erger, levensbehoeften ... de trom- mel biscuit heeft hij leeggegeten".

En de boel breekt hij af, viel de juffrouw hem met schelle stem in de reden: "hij staat de passagiers naar het leven en gooit met emmers water".

~e kleine aap?" vroeg de administrateur verwonderd.

"Klein ... maar kwaadaardig", stelde de gevangenbewaar- der vast.

"Nu, 'k zal eens zien wat ik er aan doen kan!"

("Wat u er aan doen kunt ... wat u er aan doen kunt?

Die aap mag niet vrij rondloopen. U kunt hem gevangen zet- ten". ,,'k Zal eens zien wat ik doe".

De administrateur vroeg eens wat de andere passagiers er van dachten, maar die hadden tegen de aanwezigheid van den aap heelemaal geen bezwaar. De jongens kwamen er dus af met den raad het beest niet los te laten, en Kees slechts een uurtje per dag uit de kooi te halen. De jongens beloofden het.

Enkele dagen na deze laatste streek van Kees kwam de boot de Colombo aan.

VII.

COLOMBO.

De boot kwam te Colombo niet aan een steiger te liggen, doch bleef op de reede. Een stoomboot je van den havendienst kwam langszij en hracht de passagiers naar den wal. Natuur- lijk kregen Willem, Way en Wongso van den hofmeester den goeden raad vooral op tijd terug te komen. Nu, ze namen zich voor niet te dwalen en heel voorzichtig te zijn. Ze liepen lang- zaam de stad in en keken goed uit hoe ze liepen. Zooveel mo- gelijk liepen ze recht uit, dat was gemakkelijk om den weg terug te vinden.

Wat een druk verkeer was dat te Colombo. De stad vonden ze minder Europeesch dan Singapore. De ossenkarren reden zoo maar door de drukke hoofdstraten, en de Hindoe's die als koetsier fungeerden, trokken zich van alle drukte om zich heen niets aan. Verwonderd keken de jongens naar de politie-

(22)

agenten! Dat leken heel andere typen dan de kleine Javaansche politie-oppassers! Groote, zwaar gebaarde mannen waren het, afkomstig van het vaste land van Engelsch-Indië. Willem her- innerde zich, dat ze in Batavia er zulke mannen als nacht- waker op nahielden, in de winkels en groote zaken. En hij wees daar Wongso ~n Way op. Wongso keek vol ontzag naar die politie-agenten, maar Way moest lachen.

"Weet je wel waarom ze die Sikhs als nachtwakers nemen in Batavia ?" vroeg hij glimlachend.

"Omdat ze zoo dapper zijn", veronderstelde Wille.m.

Mis"

" .

.,Omdat ze zoo sterk zijn", meende Wongso.

W · d t b lij'k" I"

" eer DUS ... om a ze zoo ange zIJn.

"Bangelijk zijn?"

"J~ ze kunnen van bangheid niet slapen, daarom zijn het zulke goede nacht wak ers".

De jongens lachten, en liepen voort door de drukke straten van Ceylon's hoofdstad. Er viel zooveel interessants te zien.

Plotseling werd hun aandacht getrokken door een breede haag van menschen die vol aandacht naar iets keken. Uit den men- schenhoop klonken doffen slagen, als van een trom die met de vuist bewerkt wordt.

"Kijken ?!" stelde Willem voor.

"Wil wel!" zei Wongso.

De jongens wisten naar voren te dringen, tot zij vooraan stonden. Ze hadden betrekkelijk weinig moeite, want de Hin- doe's weken beleefd terzijde toen zij de Europeesche jongens zagen. Wat de belangstelling der Hindoe's had gaande ge- maakt was de voorstelling van een troep inlandsche kunste- makers. Zeer waarschijnlijk is er niets geheimzinnigs in wat die kunstenmakers of goochelaars doen en berust alles op handigheid. Maar die handigheid is op zelf reeds interessant genoeg. Een der goochelaars was bezig met een glazen kubus, die slechts aan een kant uit metaal en overigens geheel uit glas bestond. Deze kubus was werkelijk geheel gesloten, ieder- een mocht het instrument in handen nemen, en niemand kon

er iets bijzonders aan bespeuren. Nu prevelde de man eenige tooverwoorden en plotseling, vanwaar die kwam kon niemand zeggen, zat er in de glazen kubus een gununi bal. Het was zeker een wonderlijke toer. Nu kwam er een slangenbezweerder aan de beurt, die op de klank van een weemoedig klinken- de fluit twee cobra's liet dansen, en daarna een der cobra's liet vechten (spe- len is misschien beter gezegd) met een klapperrat. De cobra behoort tot de zeer vergiftige slangen; aan de beet van deze slang sterven in En- gelsch-Indië ieder jaar nog duizenden menschen. Doch de cobra's

van den Hindoeschen slangenbezweerder waren niet giftig: de gifttanden waren den dieren uitgebroken. Weet jelui hoe de cobra ook wel genoemd wordt? Brilslang, omdat als het dier opgewonden is een gedeelte van zijn rug breed uit gaat staan, en zich op dat breede gedeelte een huidteekening vertoont precies als van een bril. De jongens hadden zooiets wel meer gezien, en dat maakte dus niet meer zoo'n bijzonderen indruk op hen.

Nu kwam er echter een nieu- we "truc". Een der goochelaars hield een lange rede in gebro- ken Engelsch, uit welke rede Willem begreep,

dat iemand van het publiek hem helpen moest. "Wie wil er geld verdienen ... wie wil er geld verdienen?" riep de man.

"Wat zegt hij toch?" vroeg Wongso.

,,Hij vraagt wie er geld wil verdienen", antwoordde Willem.

De goochelaar hoorde dat Wongso wat zei, en begreep dat deze zich beschikbaar stelde. Hij keek Wongso eens aan, grijns-

Afbeelding

Updating...

Referenties

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :