LANDELIJKE OENOEOENS

In document Me ovo (pagina 68-90)

m de zon drogen - evenals zich zelf - en gingen hun vaar-tuig toen heel netjes bij vrouw Lam terug brengen.

xx.

LANDELIJKE OENOEOENS.

De vacantie was in het land... de zomervacantie, waar-naar alle jongens, die bij mijnheer en mevrouw Van Buren woonden, erg verlangden. Niet dat ze het daar niet buiten-gewoon goed hadden, of dit niet waardeerden ... Neen hoor, ze vonden het bij mijnheer en mevrouw wat fijn. Maar toch ...

vacantie! Wat een heerlijke klank heeft dit woord voor het jongens- en meisjesgemoed !

"Waar ga jij naar toe", vroegen de jongens elkaar.

"Naar m'n oom in Groningen", zei de een.

"Naar m'n neef in Zeeland", vertelde een ander.

De meesten hadden wel een vacantie-adres!

Alleen onze vrienden Willem, Wongso en Way, zouden de vacantie in Baarn blijven doorbrengen.

"Weet je wat wel aardig zou zijn", stelde mevrouw voor

"als de jongens eens een weekje op een boerderij doorbrachten:

dan konden ze eens zien hoe het daar in den zomer toegaat".

132

"Als de jongens er idee in hebben", antwoordde mijnheer, de jongens vragend aanziende.

"Of we", zei Willem, "nietwaar?"

"Graag", stemde Way toe.

"Wil wel", antwoordde Wongso ten overvloede.

"Goed, dan zal ik eens praten met boer Rubbels in Grumlo".

"Neen, daar niet", zei Way vol schrik.

"Een mooie boerderij heeft de man anders, met een boom-gaard, de mooiste in de buurt hier".

"Dat ~ten we mijnheer, zei Willem.

"Nou dan?"

"We hebben er al eens kersen gegeten!"

"Dan kennen jelui boer Rubbels toch?"

"Te goed", zuchtte Willem.

Verwonderd keek mijnheer de jongens aan. "Nu, wat is er gebeurd ?"

"Way had wat weinig1kersen gegeten ... en wilde meenemen".

"Ha ... ha ... ", lachte mijnheer, "en daar had boer Rubbels bezwaar tegen?" En wat ernstiger voegde hij er aan toe: "Maar dat mocht je ook niet doen ... en heb jelui toen ongenoegen met den boer gehad?"

~,Ja", vertelde Way nu, "hij schold mij voor gelen nikker en wilde ons te lijf. Maar we zijn hard weggeloopen".

"En hebben hem uitgezongen", vulde Wongso aan.

"Uitgezongen ?"

"Ja, het liedje van:

"Boer Rubbel, boer Rubbel,

"Die rekent alles dubbel".

Mijnheer Van Buren deed zijn best zich goed te houden en een ernstig gezicht te zetten ... maar dat hij dit liedje nu niet zoo erg kwalijk nam, bleek wel toen hij zeide, vriende-lijker dan hij had willen doen: "Nou, ik begrijp wel dat jelui nu niet zooveel voelen voor een bezoek aan de boerderij van boer Rubbels. Ik zal mijn best doen, dat ik jelui ergens anders

"onder" krijg.

Mijnheer Van Buren deed zijn best en hij wist een geschikt 133

adres op te sporen. In Bunschoten zouden de jongens een week-je bij boer Roks gaan logeeren.

• • •

Het

was

op de boerderij van boer Roks dat onze Inrusche vrienden met het Hollandsche landbouwbedrijf kennis maak-ten. Ze waren 's morgens vroeg bij de hand om mee te gaan naar het land als de koeien werden gemolken, ze hielpen bij het hooien en vooral bij de lichtere karweitjes als het keeren van het hooi, kwam hun hulp flink te pas.

Het was lekker warm weer, goed droog, juist weer dus voor het hooien. En boer Roks deed met z'n knechts al z'n best het hooi vóór er regen viel, binnen te krijgen.

Alles wat helpen kon op de boerderij werkte dus mede, en de hulp van Willem, Way en Wongso werd niet versmaad.

"Als we het hooi droog binnen krijgen, vóór jelui weggaat, zal je eens zien wat jelui van mij krijgt!", beloofde de boer.

Nu, de jongens deden hun best.

Willem en Wongso hadden het meest schik in het werk. Nu kwam dat óók wel, omdat die twee het best met de meiden en knechts konden opschieten. Willem had er véél slag van, maar Way en Wongso werden nogal eens geplaagd. En nu liet Wongso de plagerijtjes goedmoedig over zich heen gaan, terwijl Wayer steeds nogal boos om werd. En niets is dommer, dan boos te worden als je geplaagd wordt; dan hebben de men-schen er het meest pleizier van.

Op een morgen stonden de jongens met z'n drieën te helpen bij het keeren van het hooi. .

Katrien, een vroolijke boerendeern, plaagde Way en Wongso een beetje met hun huidskleur: "Ben jelui niet bang, dat je nog donkerder wordt in de zon", vroeg ze lachend.

Wongso liet z'n witte tanden eens zien, terwijl hij goed-moe 19 d twoordde: "Kan d'r wel tegen hoor!" Maar Way had ;eruggenijdigd: "Pas maar op, dat jouw melkboerenhon-denllar niet verkleurt'.'

Katrien werd boos, dat een aanmerking gemaakt werd op 134

haar mooie blonde haren, en Kees de eerste knecht, die een goed oogje op Katrien had, zei dreigend: "B ... k houden, leelijke Chinees". Dat was wel ruw, maar Way had verstan-diger moeten zijn, en een goedmoedig plagerijtje niet zoo ern-stig opnemen. Het gevolg was, dat hij zich wat afzijdig hield, en ook niet zooveel idee in den arbeid had.

Doch Willem en Wongso werkten zoo hard zij konden. Wil-lem werkte vlugger. Wongso veel geregelder. Boer Roks sprak goedkeurend: "Nou, jelui hoeven heusch voor knechts niet onder te doen". En onze beide vrienden waren gelukkig met 't compliment.

Het pleizierigste vonden de jongens echter het rustuurtje na het middageten.

Dan legden ze zich als echte boeren-knechts in het hooi te slapen. Een hooi-schelf werd reeds opgetast en de jon-gens zochten na het eenvoudige middag-maal dáár een zacht plaatsje.

Op een middag lagen ze weer uit te rusten van den ar-beid in de felle zon.

Willem en Way la-gen in het midden.

Wongso aan den kant. Reeds enkele malen had Wongso een waarschuwing gehad, niet te dicht aan den kant te

ko-135

men, maar onze Javaansche vriend trok zich daar niet veel van aan.

Wongso scheen te droomen en hij, de goedmoedigste aller Javaansche jongens, scheen in z'n droom te willen vechten,

a~thans hij zwaaide met z'n armen. Door zijn heftige bewe-gmgen schoof het hooi weg en vriend Wongso tuimelde van den hooiberg, gelukkig zonder zich pijn te doen, omdat hij weer op het hooi terecht kwam.

"Daar ben je gelukkig afgekomen mannetje", zei Wil-Iem.

"Wat gebeurde er, dat je zoo te keer ging", vroeg Way.

"Was aan 't vechten met een tijger".

"Hier?"

"Nee, op Java".

"Vertel er eens wat van", drong Willem aan.

"Ja, ik weet niet meer zoo precies wat er gebeurde".

"Nou, je weet er toch wel wàt van?"

"Ja, ik wandelde in de sawah, had lekker rijst gegeten en ging langs een galangan (sawah-dijkje) naar de desa, waar de gamelan gespeeld werd. En ik hoorde de muziek al... maar het meest de zware gong ... boeng ... boeng ... boeng ... . Maar eindelijk ik denk ... wat raar geboeng en komt van de andere kant. Ik kijk om en mijn hart ... keteplók ... . keteplók slaat het ... staat een tijger-madjan achter mij ... "

"Wongso, wat praat je weer krom", viel Willem hem in de rede.

"Da's van de schrik", spotte Way, "maar die tijger, wat deed die?"

"Kijken, met vurige oogen" .

"Was je bang?"

"Natuurlijk - maar ik ging hem bang maken, door met mijn armen en beenen te slaan ... en toen viel ik".

"Je dacht zeker dat het een karbouw was".

"Neen, dáár niet mee plagen", zei Willem. "Als hij er niet geweest was, en den karbouw niet had tegenhouden, had ik er misschien het leven bij gelaten".

136

"Nou ja", zei Way, "een Indische karbouw ... maar voor een Hollandsche koe zou je banger zijn, Wongso".

"Niet hoor", pochte Wongso, "ik durf wel tegen een koe".

"Wees maar voorzichtig", maande Willem.

In den middag van dienzelfden dag, bleek dat Willem gelijk had, met tot voorzichtigheid te vermanen.

Na het werk liepen Willem en Way in 't land, terwijl Wongso, wat achteraan kwam drentelen. Ze waren zich van geen ge-vaar bewust, toen plotseling een kreet van Wongso weerklonk:

"Voorzichtig, een stier".

Zij zagen om en schrokken toen ze bemerkten, dat een krach-tige jonge stier op hen kwam aanrennen, den kop naar beneden gebogen, in aanvalshouding.

De jongens weken ter zijde en de stier stoof hen voorbij.

Maar het dier zag heel gauw, dat het z'n doel miste. Het plantte de hoeven in den grond, en

"remde" zijn vaart. Wongso zag het gevaar waarin de jongens verkeerden. Hij zette het op een loopen om de jongens ter hulp te snellen, en trachtte op Inlandsche wijze het dier te kalmeeren, door zacht en met gedempte stem vriendelijk te praten. Een oogenblik scheen het of de stier luisterde, en rustig werd.

Toen ging Wongso op het wat kalmeerende dier af om het bij de hoorns te vatten. Maar daar barstte de woede van het dier weer los. De stier snoof, zette zich weer in aanvals-houding en wilde op zijn doel losschieten.

"D'r van door", riep Willem, "hij begint weer".

{En de jongens zetten de pas er in. Kijk maar eens op de foto hoe ze holden!

En ze moesten wel hollen, want de stier scheen het er nu op gezet te hebben de jongens te "grazen" te krijgen. En het 137

is nog de vraag wie de wedstrijd gewonnen zou hebben als de jongens niet een hek hadden weten te bereiken, waar ze overheen konden

klimmen, naar een ander weiland. Toen was er geen gevaar meer; de stier stond aan de eene zijde van het hek ... . en de jongens aan den anderen kant.

"Hé, hé, was dat hollen", zei Willem.

"Nou", antwoordde Way, nog hijgend van vermoeienis, "laat Wongso nou niet zeggen dat hij niet bang voor stieren is".

"Neen, was niet bang", zei Wongso.

"Je hebt anders geloopen! Je was nog eerder over het hek dan wij".

"Natuurlijk, 'k zou wie dan ook wel eens-willen-hebben-zien-blijven-staan-te kijken als er zoo'n groote stier op hem af-kwam".

"Mooi Hollandsch", spotte Way.

"Da's van de schrik", lachte Willem. "Maar bang was Wongso niet, want hij heeft eerst rustig met hem gepraat".

"Weet je waarom de stier kwaad werd?" vroeg Way.

"Omdat ik naar hem toekwam", meende Wongso.

"Mis, omdat hij jouw brabbel-Hollandsch hoorde".

Nu werd het Wongso te bar, met gebalde vuisten trad hij op Way toe. Doch Willem wist weer de vrede te herstellen, en zoo trokken de jongens rustig op de broederij aan, waar ze boer Roks een uitgebreid verhaal van hun ondervindingen deden.

Maar boer Roks kwam niet zoo heel erg onder den indruk van wat de jongens hem vertelden. Hij deed een extra-trekje aan zijn pijpje en stemde zeer kalmpjes toe: "Ja, zeker, ja zeker, die jonge roodbruine stier is een beetje speelsch".

,,'t Is maar wat je speelsch noemt", mopperde Willem.

De oudste knecht luisterde met een ernstig gezicht, en meng-de zich eindelijk ook in het gesprek. "Ik denk dat ik wel weet waarom de roodbruine zoo lastig was", zei hij.

"Nou waarom dan?" . "

"Ik denk, dat-ie het land heeft aan Chineeze~ . . Way was door ervaring wijzer geworden, en zei maar .~lets.

De jongens bleven rustig een poosje op de boerderiJ, e~

hadden het genoegen dat het hooi droog binnen

kwa~.

ZIJ

beleefden nog allerlei kleinere avonturen zooals b.V. dat Willem een trap van een koe kreeg toen hij wilde probeeren deze te melken maar over het geheel ging alles naar wensch.

En ~er Roks hield zijn woord ... De jongens kregen alle drie een mooi cadeau.

XXI.

WONaSO's ZIEKTE.

Het bleef maar mooi weer.

Een mooie tijd spoedde ten einde, een mooie tijd, waar-in Willem, Way en Wongso zich best vermaakt

~ad~en,

veel

van het Hollandsche leven mochten zien en het felt~~Jk alle~~

maar jammer vonden, dat ze zoover van hun famlbe verwiJ-derd waren. Hun vierde reisgenoot, Kees, had van dat laatste al heel weinig last, terwijl hij het overigens eveneens

h~~l

goed in Holland vinden kon. Er waren in het huis der familie Van Buren vruchten genoeg, om ook aan een kleinen ~~p,

als Kees was, nog een lekkernij te geven ... en riJst.

Kees' hoofdvoedsel, was er natuurlijk in overvloed. . 't Was een mooie zomer, dat jaar, warm en droog en dat IS

altijd iets waar Indische menschen en kinderen erg op gesteld zijn. Want al komen ze vaak naar Holland om de kou, als het erg koud is, verlangen ze weer hard naa: de warm~:

Nu, dáárom hadden Willem, Way en Wongso met naar Indie

behoeven te verlangen, want na de eerste koude dagen van hun aankomst was het weer prachtig geworden en gebleven.

Ze hadden geregeld naar Indië geschreven en iedere week ook een brief terug gekregen van WiIle,m's vader. Een enkele maal was er ook een brief gekomen van den vader van Way, ja, een heel enkelen keer kwam er zelfs een in het Javaansch ge-stelde brief van W ongso's ouders. Zoo hadden de jongens, door geen slecht nieuws gehinderd, een héél pleizierigen tijd doorgebracht en ook in Indië maakte men zich niet bijzonder ongerust over onze drie vrienden, maar men verblijdde zich, ieder op zijn manier, dat het den jongens zoo goed ging.

Willem's ouders waren verheugd, dat hun jongen nu een echt-Hollandsche opvoeding kreeg in zuiver Hollandsche om-geving. Way's vader voelde zich gestreeld, dat zijn ZOOL Way nu precies als een Europeesche jongen werd behandeld en het zeker wel ver zou brengen door alles wat hij nu op zijn mede-C:hineezen vóór had, en de ouders van W ongso verheugden zlch al op het denkbeeld, dat hun jongen thans zéker een goed baantje bij het Gouvernement .) zou krijgen, daar hij nu zoo goed Hollandsch leerde.

Zoo waren alle bij dit verhaal betrokken personen tevreden ... óók de familie Van Buren, totdat er ie.ts gebeurde, wat de ouders in Indië en de jongens in Holland plotse~ng plaatste voor de nadeelen van een opvoeding ver van het ouderlijke huis ... . de ontzettende afstand, die. er is tusschen Indië en Holland, een afstand, waarvan men de beteekenis pas begrijpt, als er ernstige dingen gebeuren, die het noodig maken dat men vlak bij elkaar is.

Wongso werd ziek.

0, zijn ziekte liet zich eerst niet ernstig aanzien. Een beetje moeheid, een beetje hoofdpijn en een beetje koorts. De eerste dagen lette men er niet erg op. Eigenlijk Wongso zelf ook niet. Toen hij er over sprak, dacht mevrouw Van Buren aan malaria (moeraskoortsen), die in Indië héél veel voorkomt en ook in ons land wel slachtoffers maakt.

*) Een Rijksbetrekking.

140

We zullen Wongso maar eens onder de kinine zetten", had m;j'nheer Van Buren gezegd en niemand vond die beslissing vreemd. Wongso wist wel, dat dit het middel was, dat de desa-dokter óók gaf als de menschen in het dorp koorts hadden.

Dus slikte Wongso trouw kinine.

Maar het middel hielp niet... en Wongso werd er slechter op. Hij was heel erg vermoeid en lusteloos. Doch de tempera-tuur was niet hoog.

,,'k Geloof toch maar, dat we Dr. Donath maar eens moeten laten komen", vond mevrouw.

"Best hoor", zei mijnheer schertsend, "laat de oude pil maar eens komen".

Dr Donath kwam en zette na een voorloopig onderzoek een ernstig gezicht. "Heeft u temperatuur opgenomen?" vroeg hij eindelijk.

Ja vandaag, maar die is niet bijzonder hoog".

" , '1"

Goed, maar weet u ook hoe die. gisteren was.

" "

. Lager dan vandaag, dat weet ik wel zeker.

::Hm", kuchte de dokter. "Ik kan nog niets met zekerheid zeggen ... doch laat de jongen direct naar bed gaan e.n voorloopig in bed blijven. Ik kom straks terug om een beetJe bloed mee te nemen ... houdt u hem voorloopig van de andere jongens gescheiden. En niets te eten of te drinken geven dan melk".

,,,Dokter?" vroeg mevrouw Van Buren gejaagd, "U den~

toch niet dat het ... ". Typhus is?" vervolgde de dokter rustig de vraag, welke mevrouw begonnen was, maar niet.?urfde vol-einden. Toen wachtte hij weer, keek mevrouwen mlJnheer Van Buren met zijn vriendelijke maar ernstige oogen aan en sprak:

Ik weet niet of het typhus is ... maar het lijkt er op".

" Wongso werd naar bed gebracht, en een uurtje later kwa~

dokter terug, gaf een prikje in Wongso's arm en kreeg ~~ ~le manier de beschikking over een klein beetje bloed, dat hlJ wil-de doen onwil-derzoeken. Den volgenwil-den morgen kwam reeds vroeg een telefonisch bericht van Dr. Donath, dat hij zich niet

ver-141

gist had, en dat Wongso werkelijk aan typhus leed. Opname in het ziekenhuis te Baarn was noodzakelijk.

"Wat heeft de jongen toch gebruikt", vroeg de dokter toen hij een paar uur later bij den patiënt verscheen.

"Niets bijzonders voorzoover wij weten", verklaarde mijnheer

Van Buren.

"Misschien ongekookte melk gedronken bij een boer",

infor-meerde de dokter. .

"Ik denk het niet, want de jongens weten, dat dit ver-boden is".

"Enfin, dat onderzoek ik nog wel, voorloopig is onze eerste plicht te maken dat hij in het ziekenhuis komt, dat is beter voor den patiënt, voor U beiden en, het is ook in het belang der andere jongens".

"Moet er nog bericht aan zijn familie gezonden worden", vroeg mijnheer Van Buren.

Een oogenblikje dacht de dokter na. Toen besliste hij: "voor-loopig niet... misschien verloopt de ziekte gunstig en dan veroorzaken wij groote ontsteltenis bij de familie ... Neen, wij kunnen beter wat wachten".

Wongso schrok niet bijzonder hevig, toen hij hoorde, dat de dokter opname gelast had.

Hij was zoo moe en lusteloos, dat hij het eigenlijk maar langs zich heen liet gaan.

De andere jongens, vooral Willem en Way, trokken zich natuurlijk de ziekte van hun vriend erg aan en Willem vroeg direct of er niet over getelegrafeerd moest worden naar Indië.

Maar mijnheer zei, dat hiermede nog even zou worden gewacht.

Wongso was precies op tijd naar he.t ziekenhuis gebracht.

Zijn ziekte werd al erger... de koorts liep geregeld op, hij had onduldbare hoofdpijn, welke pijn de dokter en de zus-ters door het opleggen van koude kompressen en een ijszak trachtten te verminderen. Soms ijlde hij... en beleefde in Indië en Holland de verschrikkelijkste dingen.

Hoofdschuddend stonden de dokter en zusters aan zijn bed.

Zijn konden er weinig aan doen! Ach, dikwijls staat de mensch, hoe flink hij zich ook waant en hoe veel hij meent te weten en te kunnen, machteloos aan het ziekbed van een armen lijder. En zoo die mensch een Christen is, dan klimt ui~ het hart van den machteloozen mensch - hij zij dokter of leek - een gebed tot God, Die helpen kan, die alléén helpen kan, ook als menschelijke hulp faalt.

lederen morgen telefoneerde mijnheer Van Buren naar de

lederen morgen telefoneerde mijnheer Van Buren naar de

In document Me ovo (pagina 68-90)