Braga: dichterlijke mengelingen · dbnl

526  Download (8)

Hele tekst

(1)

BRAGA.

DICHTEI(LIJKE MENGELINGEN.

CITGEGEVEN

DOOR

EEN DICHTLIEVEND GEZELSCHAP

OMAR DE NOOIT GEBRUIKTE ZINSPREIAC:

ATILE DIME"

HERDHUK.

UTRECHT,

POST UITERWEER & COMP.

1863.

(2)
(3)

BRAGA.

DICHTERLIJKE MENGELINGEN.

(4)
(5)

BRAGA.

DICHTERLIJKE MENGELINGEN.

UITGEGEVEN

DOOR

EEN DICHTLIEVEND GEZELSCHAP

ONDER DE NOOIT GEBRUIKTE ZINSPREUK:

••1JTILE DtJLCJI."

HERDRUK.

UTRECHT,

POST UITERWEER & CaMP.

186S.

(6)

POLYGLOTTISCHE STAALKAART VAN MOTTOOS,

WAARUIT DE LEZER :MAAR TE XIEZEN HEEFT.

:,ip J;t?r' t6 1:~i~? ~i~:' '~:"~ r'siJ '~~o/i}~

EZECHIEL XXVI: 18.

Bahuwwa 'angganlah 'Aku derri padda monjombah berhlla, jnng deperbowwar mAnusyja.

EEN MA.LEISCH WUSGEER.

HOR: Snnt, quibuB in Satira videar nimis aeer, et ultra Legem tendere Op

1

1S: sine nervis altera qnidquid Composui pan esse putat, simile:;que meorllm Mille die versus deduci posse. Trebati) Quid {adam, praescribe

TRI:BA. T: Quieseasl

HORAT. Sat. lilJ. II. I. 1•

.. . .. , Est (BRA.GA) BllSUS Primus in haue operis ~omponere carmina morem, Detrahere et pellem,. nitidus pua quisqlle per orB Cetloret, introrsum turpis.

ID. ibid.

(7)

EV!pt}l"fi xal '1f6J1ro~ 11f' A1f6AAQ)JlO~ dOI~fi.

K ALJ~IH ACHUS

PIND!B. Gd. VI.

aAylClJ 'raJ' xEtpaAaJ', 'rlp a' ou ",./Af~, OVXf'r' aElJClJ.

THEOKR. Id. III.

Ein reines Reim wird wahl begehrt, Doch den Gedanken rein zu haben, Die edelste von allen Gaben

J

"0

.!,9.~ i~~ !:l~r n.lle Reime werth.

GaTBE, - Que Caites-vous?

Un oeuvre sans nom.

- Monsieur, vous ~tes un poHsson.

BOSSUET

J

Orai30nl funeortl

J

Mon vers rude et grassier est honnete homme au foud.

A UGUSTE BARBIER.

11 est fort possible que la poesie s' en aBle; je suis m~me essez

oe cet avis; mais a coup slir, les poetes arrivent.

SYLVJUS~ Le poet,.

I m Vnterlande

Schreibe was dir gefallt:

Da sind die Liebesbande, Da ist dein Welt 1

Gleich ist 811e8 versohnt, Wier r~dlich ficht

J

wird gekront~

GOTHE~

Konnten Lieder touten, 80 ware das Ungeheuer gewiss nicht am

Leben geblieben.

(8)

Such is the force of wit I but not belong To me the arrows of satiric song;

The royal vices of our age demand A keener weaFon and a mightier hand.

BYRON, English Bards.

Om dat leecken vnn allen sa'ken Rime ende dicht willen maken Gelijc klerken, dat wonder es, . Soe heb ic mi onderwonden des,

Dat ic nu wille bringen vort Wat enen dichtere toebehort.

Die te rechte zal dichten weI:

'Vant dich ten en is gheen sFel.

J. DEKENs, der Leecken 8pi~g n~l.

Deh, si ne hebben gheen fun dement •

Daar men rechte dichterS in bekent.

(9)

VOORWOORD

VAN DE UITGEVERS.

De Ondergeteekenden, bij aankoop eigenaars geworden. van den

H

Braga

fl,

voldoett door de uitgave van dezen kompleeten herdruk van die Tijdschrilt (waarvan in der ti}d ket eel'ste olad op den

1. Decemoer 1842 te Utrecht in 't lieht is verachenen) aan een bi;

herhaling uitgedrukt verlangen.

Heelt de !oestand onzer Yaderlandscke Leteerkunde

j

na een ti}d, ..

fJerloop van een·en-ewintig }aren, aanmerkelijke wiizigingen ondergaan, toch heelt daarom de " Braga

/I

mi8schien nog niee in alle opzigten

11

Ie merite de Pu-propos

It

verloren. In elk geval bliilt het Boek,

(10)

dat eenmaal tintelde van actualiteit, een onvergankel?j'k gedenkteeken uit de Gescltiedenis van de Poetiscke Kritiek onzer Eeuw. Het keejt~

meer nog dan eeni[j ander gelegenheidsgcsclltrijt ~ zi;'ne eigen gesckie- denis, waaromtrent - want zij is in spi}kersckrijt gesckreven - nog altiJ'd meer gegilt dan geraden is geworden. Ook om die laatste ,-eden kadden wi} geene vrijmoediglteid tot ket beproeven van een Kommentaa1', - Nu blijft en bli[jve de Braga, ook zonder noten, een smakeliJk lloot,/e om te krakcn, u'aarop onze aankomende vet'- nuften het gebit kunnen beproeven,

DE U ITGEVE RS.

(11)

BRAGA.

DICHTEBLIJKE MENGELINGEN.

EERSTE JAARGANG.

(12)
(13)

1 December

Tout homme fcra, con-- struirll, tout homme eten- dra son intelligencc, tout homme sera artiste, tont homme sera poetc.

J. KNEPPEJ.lIOUT.

1842.

Rarl' temporum felici- tate. ubi sentil'e quae velis, et quae scntias, dicere licet.

TACITl:s J Hi.rtol'. I.

DICH'I'ERLIJKE MENGELINGEN.

VOORZANG.

DOOR DE GEZUIENLIJKE IIEDACTEUREN V&N RET DICR- TERLIJK TIJD5CHltH'T OENAAHD BRAGA.

lIiJlPo~reen

rlode oyer.1.

BILD:r.:RDTJK,

I.

Een Tijdschrift heel in l'ijm I Wie zegt nu nog Met schuddend hoofd, dat Holland op de flesch is?

De schatkist is misschien wnt lens, - maar och, Wat zegt dit waar de Muze schutsgodes is?

Zijn macht en l'ijkdom niet cen uroombedrog?

Wij leerden 't! - Maar, hoe bitter ook die les is, Ze wiel'd verzoet door bondels poezy:

Wat ons "erlant', die blijven ccuwig bij!

(14)

II.

"Maar nu, ad 'rem!" ---- Ja, IIccrcn Utilisten

t

BeltoeJte en Nut, niet "'aar? .. Uw hobbelpaard Draaft vinnig. Juist zoo! hoe wij 't ook vernisten

J

Ai ,vat geen nut geeft is geen oortjen waard.

Wie zou er met U w Hoog-Geleerdheen t wisten P Gij vormt de helft der kindren dezer aard.

We zweeren 't U, we zullen uiterst lief zijn, We zuBen nuttig, vreeslijk positiej zijn,

III.

/lMaar dan uw doel?'1 - Ons doel, geachten? Ziet.

Het is een heerlijk, reuzig doeI! Wjj gooien Een keemken uit, dat, alg het WOl'tlen schiet, Heel N ecrland tot een Iauwerbosch zal tooien:

Eeu Delos, dat Europa hulde bicdt

J

Waar duizend Febussen hun stralen strooien, Een Pindus, weI wat Iaag en waatrig - maar

Dat dl'ooge klimmen viel al lang tc z,vaar.

IV.

Ong 1IlOtto Iuidt: "dc Dichtkunst Iccv', quand 'nfnte I h Komt, would-ue' 8, komt I toont ,vat een would-he kant U\v goudeeu w daagt. Wie rijmel1 wil, hij rijnlc:

Licht groeit er een onsterflijkheidjen van!

De Zang'nymf wrijve en nagclknaau we en lijme, En sta ten dienst' van elken burgerman,

Die 't Leuterlievend heeft en GEYSBEEK'S lijstjen! *) (Ecn krnidenier geeft beide voor een prijsjen.)

*) llier Bchijncn weI het Aluemeen Lettetliet'end J[(laH~scArift en het Rijmn'oOl'den~oek van WITSEN GEYSBEEK bedoeld te zlJn.

Etn hescltermlleer, die d i proeven na7eest.

(15)

"'*) Haye,

v.

'\Veg is die tijd, toen ge, in uw ongeduld,

Tien maanden lang naar 't oogenblik moest smachten

J

Dat de almanakken, eindelijk verguld

I

U w hersenfoetus in de waereld brachten [ ..••

Wat zeg ik? al uw droomen zijn vervuld, Gij hoeft zelfs niet op d'eerste meer te wachten,

Ais (vader IJNTEMA aan 't hoofd der rei) *) De Maandschriftleggers opstaan van hun ei.

VI.

J uchhe! wi} drukken alZe veertiett dagen 1

Dat heet vooruitgang! (HILDEBRAND kijkt zuuI'.) Zoo elken slagboom uit den weg gedragen!

Geen monopolie langer na dit uur!

Gij hebt den spijker op zijn kop geslagen,

JAN KNEPPELHOUT 1 I~ ·ELK WOONT DICHTRENVUUR! **")

En waar het werkloos onder de asch gezegen leit, Daar faalden educatie en gelegenheid.

VII.

Die geven wij! Tsa, mannen, tijgt aan 't werk!

Begint bedaal'd! liefst met het descriptive:

*) ~Iis, BRAGA-Heeren! Gij zijt zeer ten achter;

l\'Iisschien door 't met'l·um. - Gij hebt ongelijk:

De Hoogepriester werd cen dorpelwachter

:I

En hing zijn stool om JAN YAN HARDER WUK.

Gij kent dien. De eedle prulpoeetenslachter Staat in den Muzenalmanak te prijk:ll Die Noachsark, die op de tijdrivier drijft •..••

P. S. 'Yaar of 't portret van MARONIER blijft?

De bescltermkeer van ~oo e'ven.

11

Tout nomme est poele.

II

L'EDUCATIOX PAR L' AMITIE. La

'V. P. van Stockum, 1835.

(16)

6

he Ruo(j, 't f/iooltje, of zoo iets. Vier u,v vlerk Dan voor Sereen, VOOl' Haar, of voor ].[elieve;

En zoo naal' U' Odenhemel boven 't zwerk,

\T an ,,~aar een Elf uw reistocht overbrieve! .) Endus al voort! .•. N ooit inkt genoeg gespild!

~endt ! ... nlaar frankeert uw pakjens, als jc 'Yilt.

·~Fltl've(;len Toekomst! als, op 't puin gezeten Van vroeger grootheid, 't lieve Vauerland Ern Tempel ,vordt van zieners en poceten,

\\1 aar overal een lier haugt aan den ,vand, De zuigling zijn behoefte in rijm doet ,veten, Dc kindsehe grijzaart nog de snaren spant, En llaeb t en dag, in oorveruoovenu kraken, Dc z,vangre persen folinntell braken!

IX.

1\Iij dunkt, ik zte 't!: de snijuer op zijn disch

·Vcrstelt een jrac en naait een elegietj en ; De bakker, die aun 't bollellkneeden is, Bakt luiudler,vijl cen kokend minnelieuj en;

Dc smiu smeedt heluendiehten, rits aan rits;

Pegaasjens tl'applell, hoefbrollvliet op vlietjen Ontspringt hun hiel - en ziju er ezels bij) Dat zijn et1:Ceptie8, strootjens in de brij.

*) Gccft BRAGA ous cen bcctjen tijJ van Icvcn"

t'Vat wenschlijk is voor wic naar waarheid zoek) 'Vij zuBen nog weI mee!" modellen geven:

Gcdnld! wij hebbcn riemen in een hoek,

~Ict gulden aplwrismelz vol gcschrcven, En menig p1'aclisck dichtreccptenbock.

BOlLE A L en FLACCUS met hun ars poetica

J

Zijll te oud en te oyerladcn met aestketica.

Dc ,r;e::amenlijke Redacteuren t'oorlloemd.

(17)

7

x.

Ziet! uit het kaf der uitgeblaakte tondels Van 't N u, rijst dan een eeuwge mastikvlalll!

De GID8 scheidt uit, omdat hij al de bondels Niet bij kan houden: 't hek is van den dam.

't Stroomt BILDERDIJKEN, 't sneeuwt en hagelt VONDELS • 1.Iaar naar de mode en van veel cedler starn, En spartlende in de tooverzee der klanken,

'Vaal' niemand dcnkt, en Waar-noch \Vijsheid janken! •.•

XI.

Maar zacht, mijn Zangster! . • .• Spaar u \v teer gevocl Tot half December! .• . .• N uttigheidsbejagel'en,

We ontsloten u ons hart: nu kent ge ons doel!

't Moge (op zijn HOFDIJKSCH-)) ons aan zorg verzwageren.

Uithuwlijken aan arbeid en gewoel,

't Is zoet VOOl' 't Schoone en Goede te vermageren! ••••

Schenkt ons cen traan van dankbl'e broedermin, En teekent voor zes exemplaren in!

LIE D.

De stroomen vervlieten

J

De sterren vel'schieten;

~iaar nooit zijn de golven de bedding ontsneld, En nimmer de lampen des hemels geteld.

*) In den BRrIDSDA!\S) Lied van den IIIillstreel van Ke;znemer ..

lrl"d_

(18)

s

Dc bloemen verkwijncn, De blaadren verd,vijnen ;

l\Iaul' 't voorjaar geeft telkens een prachtigeu dosch Aan 't bloemtjc del' weide en den boom van het boseh.

En zouden ,vij staren Op donkere baren,

'Vier ,ventling ons menig genoegcll ontrooft, Waar 't licht onzer vreugde zijn glansen in dooft?

N ecn, 'weg met de zorgen!

Wie wcet, of ons morgen,

Of aoit ,vel een vonkjen van blijdsehap \veer wacht:

Genieten ,vij 't lcven zoo lang het nog lacht !

DE VEROVEI{DE S'r.A.D.

Ynur; VUUl'

>

Llucd

>

uloed en YCl'uicling.

CORTE REAL.

lIoe \voedt de vlam, () Vorst, die ze op U\V stem ontstaken ! Ze smoort den kreet U\VS volks in 't kncttrend vuurgebruiseh ! En, als een sombre dag wecrspieglende op de daken,

Schijnt zc in heu!' blijde vlueht te dausen op hun gruis ! De Moord l'ijst 0p, gelijk cen reus met duizend armen ;

Paleizen starten neer tot een verzengend graf;

't Zwaard kent VOOl' brnid noeh ga noch vaderhart el'barmen;

En 't kncrsend raafgebroed vliegt op den lijkwalm af.

De moeders sidderden... hoe jammerden de maagden Om 't dorren van haar jeugd, haar groenen lentetijd!

De ,vilde ruiteren, die door de tenten jaagden

J

Vertrappelden haar borst, door wonde en kus ontwiju.

(19)

9

Zie! heel de stad ligt in een doodskleed neergezegen ! Zie J alles buigt zich waar uw oorlogsbliksem trilt t De priesters in 't gebed vergingen door den degen,

't Boek Gods weg werpcnde gelijk een ijdel schild!

De kleene kinderkens, als lammel'en der dalen

Verworgd. bestierven 't, ja, nog drinkt het staal hun bIoed .., Uw volk s .) Calif! kust het stofvan uw sandalen,

Met gouden band gehecht aan u\v almachten voet !

(VICTOR }-Il~no, Orientales, XXIII.)

DE STROOj\INYM:E~.

Zie, hoe de maan met haar siddrende stralen 't Wemelend golfjen belonkt op den vloed, - Hoor, reeds weergalmt in de zilveren zalen

't Lied van de stroomnymf zoo zuiver en zoet:

"Aardsche vreugd en aardsche pracht Sluimren in den donkren nacht;

l\Iaar geen duister

Bluscht hier ooit mijn fakkels uit, Ell het ruischend stroomgefluister

Lispelt steeds met lief geluid;

Liefde en leven, licht en luister Siert de mal der waterbruid.

Sterfling! uit de diepe dellen Zien wij enkel licht omhoog

J

En het wentlen van de wellen

Vormt ern eeuwgen regenboog"

(20)

10 Zclfs de bleekste stralcn

Dalen Zevcnkleurig in den vloed ; In uen zwal'ten nacht bewarell

l\Iijne baren

't Licht, uat gij bij dag begl'oet.

Stel'veling! door smart bcdolven, Zwerft gij door het aardschc dal:

'Verp u in den arm del' gol ven !

"r oon bij mij in 't stroomkristal! 1/

Vleicnde lokstClll, betoovrende noten,

't Luistrcn is zoet naal' tHV lieflijk ge~ang! ...

'W ordt niet de vreugde lllct tranen genoten?

l\iaakt hct vCl'langcn OllS levell niet lang?

EEN l\lIJl\IERING.

Staeit, a golfjens, langs de boorden ~ r~ispclt door het buigcnd gras, Als de nagalm van die w'ool'dcn,

Bij ,vier klank ik zalig ,vas!

Ach, geen beden, Die 't verleden

\Veer ontrukken aan den Stl'OOIU)

Die, door stormen voortgedreven, 'Tredc ons rooft en vreugde en levell,u ..

Ach, 't verledcn is een droonl!

J a, de bloemen zijn vertl'Cdell

En de blaarlrcn vallen af;

(21)

11 Krakend onder onze schreden,

Ruischt het loaf om 't zwijgencl graf.

"'.,.aar wij staren, AIle jaren

Bouwen graven om ons heen:

Jeugdige onsehuld, kalme grijsheid, Groote gaven, maeht cn \vijsheid,

Alles dekt de kille steen.

't Beekjcll murmelt langs den oever Altoos met gelijken spoed, Dan eens blijder, dan eens droever,

Staart de sterfling in den vloed"

N a het lijden Komt verblijden,

N a den nacht het morgenrood;

En. wie nergens vreugd kan vinden

J

Sluimert in de schaauw der linden

Zacht in de armen van den dood!

KARAKTERISTIEK ONZER VADERLANDSCHE TIJDSCHRIFTEN.

De Boekzaal der geleerde wereld"

Een goede, doove Best van zeker taehtig lenten, Die preekbeurtbriefjens veilt en stooven zet in 't Nut;

Die kopjens koffij lept met brave proponenten

J

't HaIfjarig nieuws herkaauwt, sterk snuift, en meesttijds dut.

De Vaderlanrlscne Letteroefeningen.

Een dikke burgerheer, in 't bruin met kopren knoopen

J

Vol van den aOJ" vieux temps en kunstgenootschapsbrij;

(22)

12

Een vader die ziju gal gestaag voelt ovel'loopen, Omdat zijn eigen kroost veel knapper is dan hij j

Een knorrige arrogant, wiens gunst ge aIleen kunt koopen Door oppervlakkigheid en domme vleierij.

Het algfflJieen Letterlievend Maandschrift.

Een lummel van de straat, een stadsschools plakmaj OOl'tj en, Tabaksnat op zijn kin en inktvuil op zijn boordjen

t

Die 't tot de deeling bracht

J

en 't genus nominis;

Die, prijzend voor een slokje en ransiencl voor een oortjen, Belachlijk of verachtlijk is.

De Gid8.

Een pas ex-ganzegat, die's naehts de bellen plondel't, De glazen inslaat en de ploertell wakker port:l

Des daags zijn vrienden likt, de ontzette groenen donclert

t

IJatijn ais water spreekt, het meest zich zelf be,vondcrt

J

Maar metter tijd professor wordt!

EEN WOORD IN PROZA..

()ll~e

eeUlU

is eene stoomeeuu:) die, onder duiz'eJtd isrnell, ook die des Pol!/ylottisme's is. lJTij twijfele;t er rlus geen oogenblik aan

J

of onze waarde [eze}' en nog 'UJaarder kooper vei'staan onder anderem ook grondig IJslaudsch. Alzoo kewi~en zij SaMliNOs EDnA en de jongere~

beide, op eel/. prik: waardoQ1' ze dalz ook al u;eten, dat BR..dGA de Skandinavische ApOLLO is ~ hiJ al ?Ijat It,iJ mee}' hcet -in de.2-41 c Damasaga de)' GYLFE-GINNING. Onder ltet patrolzaat ran dezen Ase, lwpen 'lOiJ geregeld om, de veertien, dage~~ een bhul dichtel'Njke men..

gelingen in het licht te geve'Jl:J in VMm e1~ doel geliJIc aan het liui,.

dige,. en, 'l!)aari" alzoo niets Noordsch is datl d~ titel. Ellce biJdrage in, oneen geest zal ons aangenaam zifn. Eindeliik doe mett fJeene moeite om acll(el' de schermC7t te gluren, maar 'worde 1lJelgedaa1l, en.

r:ie !Flet om.

De Rcdactie van BRAGA.

(23)

15 December

Qui non ve ta t pecc:are, qu

tilU

pOlllit, jubet.

SENECA, Troad. v. 289.

184S.

1~1~ xull'ot;!J aEtAOV; ~OX;l1~

~1'JAovV Ta~E t1tYwv.

DION, Cat. Distirli. 1. III: 16.

B B A C A&

DICHTERLIJ KE MENGELIKGEK.

'T BOEK VAN DEN ROSKAM.

EERSTE ONDERHOUD.

lXol.lilitas sola. atque unica. yirtus.

JUV:lNALUI.

11 Wat doet ge? 1/ Ik schrijf cen Vel's. 11 Wau1"om? II Hoc kunt ge 't vragen 1 'k Wi! rielder zijn. 1/ Ei wat) is 't u in 't koofa geslagen

J

Of arinkt gij &terken a'rank? II N een vriend

I

ik dank je zeer"

J enever is de pest: de buikIoop ••• *) II Foei, mijnkeer II • • • •

'k Ben ,verkzaam in den krans del' matigheid, waarvan je WeI hoorde? 1/ 0 }a niel waa1') iJaa1' a,rinkt men niet8?"

Champanje.

Bordeaux, Madeira weI: roky not? Een glaasjen Port Versterkt; en bovenaI het koude water wordt

Tot twintig flesschen daagi uit Graefenbergschen beker Zeer matiglijk vergund. Zie MEYLINK, d' Apotheker

J

Die PXIESZNITZ. •• maar 'k dwaal af, ik sprak van poezy, Niet van 't koud water, /I Jui8t" •

'I

Ofschoon het een bij mij

*) De Cholera fl[orblt:;.

(24)

14

Zoo vloeit als 't ander . . .. "Dock, flU scltijnt te ta,tewalelt Naar ridderlinten: wilt gij die 'inet l'ijn~en halen?"

Schijnt n uat vreemd?

II

Wel ja: de klagelijke klacld, Dat nimn~er Muze '/log een enklen broodk1'uim aracltt, Bat N 01.ISZ, off voorbeelcl, zelfs OJ) sb·oo stierj, en dat V ONDEL

Geen duit 4~opYG'eld lc1+eeg, 'lcordt zij bij elken bondel Niet lzddeJ'? II Ah

J

mijn vriend, vcrstaan we ons weI: gij

praat Van brood, en ik van de eer: die is goedkoopel't

/I

Staat Be Koning dan, het oOfJ op alles wat Oranje

Maaj' op Brittan}e rijrnt, in cOi;~pa!Jnie n~et Spanje?

]Jan lteefc IIff dagwel'1J,'! - Neen, begrijp me ,vel, gij dient U zelf zoo'n beetjen tc poussercn, goeue vriend!

If

Pou8sel'ert ?

1/

J a, gij moet zoo wat connexies knoopen:

Dan schrijft ge ...

/I

Ileuzel! fJeen rekwest tocl~, wil ik hopen?

Wei foci! nn zie ik recht dat gij een domkop zijt, Gij zijt schier vijftien janr ten achtren bij uw tijd!

Maar 'k zal geduldig zijn: \veet dan, 'k heb korts vernomCl1, Daar is ecn andre ,veg am aan een lint te komen;

Dien zal ik volgen.

II

Hoe, iets nie2llOS in Nederland!

Geen iJnitatie! 8jJaar lllij'/?; ongeduld: ik braJld!"

"Velnn: 'k gaur alles saam ,vat ik in uertig jaren, En langer, tokkeldc uit mijn elpcn citersnaren;

En, vriend, dat zcgt 'vat bij een hedendaagsch poeet Die bijna lyrisch denkt en schier didaktisch z,ycet.

't l\Ioet melk en ,vater, ,veek, zoetsappig, smaaklijk wezen : Recht vloeiend, vleienu en gemaklijk om te lezen, . Heel lief, en trou\v ge\vend op zcdelijken boeg!

Is 't echter alles vaal' tien b undels nict genoeg, Dan keer ik fier terug tot d' afgekookten lijmkoek

J

't Gcduld van 't zoet verleen, mijn W ITSEN G£YSBEEKS

rijmbo.ek

J

En zes cents almanak, waar 't Koninklijk geslacht

Elk op zijn nummer staat; en dan, stroom uit, mijn kracht I Wat onuitputbrc zec van heerlijke onderwerpen! •••

Een Prins gcboren! ••• ziet, al had ik zestig harpen)

(25)

15

N og had ik stof... Al \veer cen prins voar 't echtaltaar •.•

En dan - de krooning! •.• 0 hoe ras is 't bockjen klaar!

Dan laat ik 't cll'ukken.

II

Maa1' wie zal ltet koopen?

H

IJuri, 't Komt in de krant, 'en dulce est digito monstrari!

Zijn" dus tien deeltjens bij elkander, dan gezwind

_~lom gezocht tot ik een fikschen binder vind.

Die. klopt en' ploegt hen af, en takelt hen in klecdjens Van keurig marokijn: dan zijn 't verguld..op..sneedjens) Kijk, om te steelen.

II

Ik oeklaag uw armen zak!

II

Geen nood ... na' nieuwe jaar '" 'k betuul op mijll gemak.

" Maar 'k zie uw k1'uis nog niet!

1/

Geduld maar, kameraadj en

J

Nu komt' het: 'k neem mijn pen en schrijf op 't eerste blaadjen

Ck Bedoel het sehutblad voor den titel, dien 't gebraed Del' zettel'S fl'an8Ck nocmt, schoon het voo1'nandsclt wczen

moet:

'k Versta mijn taal!)... N u, 'k schrijf een opdracht aan den Koning, Ik meld Zijn Majcsteit mijn titels, llaam en waning, Verklaar, dut ik alleen die verzen heb gemaakt,

En mompel iets van 't doel waarnaar mijn eerzueht haakt:

Van een gcdaehtenis uit zijn handen, als een teeken, Dat Hem mijn ijver en verdiensten zijn gebleken.

En zie, Zijn Majesteit, die veel van gcven houdt, Geeft mij een ridderlint (dat minder kost dan goud.) Dan ,vord ik weI benijd, dan noemt een hekelschrijver Me een

1/

,parasiet van vorst en vorstjens" en Zijll ijvcr Braakt golven zwadders uit de scherp gepunte pen, Maal- - meldt ook iedereen dat ik nu Ridder ben!

Dat daet mij goed ..• zijn spot kan ik gemaklijk dl'agen;

J a, 'k zan zelfs aan een vriend om zulk cen heckling vragen ! Eekend zijn, zaligheid! bekend als riddcr, Goon!

Driedubble zaligheid! begeerlijkst diehtrenloon!

II

Maar vtiena, de Koning zal 1lW prulwe1·1c niJnnter le zen!

/I

Mijll pruh\erk! •• schntjen! •

II

maar) hoe kunt gc tach zao

\vezen,

(26)

16

Dat hoeft, dat Inoet ook niet: claar ,v'orde aileen gelet Op 't bandjen, 't mooi ve1ijll en 't meester1ijk vignet!

Dan lverpe men mijn werk voor PAUL DE KOCK ter zijde, Geen nood, indien mij sleehts bet ridderlint verblijde!

o Heil dien dag! de roem sehiet stra1en op mij n paen, De burgers zien mij na, de waehts slaan voor mij aan, Dc dienstboon treden mij met huivrende eerbied nader

J

Mijn kindren gapen hun gedekoreerden vader

Met glinstrende oogen aan, mijn ga, van vreugd verplet.

Krijgt zenuwscbokken, en ik -- ga besist naar bed! •••

II

Vaarwel en !loea succes! Apollo doe 't oelclijven I ,lr.' Ga e~n fJerlta1zdlin'l van de 'Icare !lroofheid 8ckriJve1Z!

R

DICHTERENI-IYMNE.

Sic itar au ::\stra.

o ,vat is uat dichtell hccrlijk!

Ruk de either van den ,vand!

N ergcns is ze zoo begeerlij k

_~ls in 't dierbaar Nederland!

Honuerd dichters op een hoopjen Doed1en om een korstj en brood, Met een melk.. en waterzoopjen

II • •

Maar, a1 sehuimbekt ook de nood

J

Roem verwint de hongersdood!

WITSEN GEYSBEEK, lieve jongeu, Kijk eens even uit je graf 1 Daar is nooit zoo veel gezongeu

J

Eer j e lij st de rij men gaf!

Ro1P de waereld van uw werkjen Peperhuisjens, groot en kleen,

o 'wij jnirhen bij uw zerkjen,

(27)

11

En u \'Y glorie, Kunstlneceen

J

Vonkelt door de peper heen! •.•

U tot leuze gaun we sjou,ven ! 't Vel een gulden

j

't is vool' spot!

En de nageis die we knaauwen 1...

En onze inktbeer...• lieve God! ..•

Daags tien regels, 't is een zetj en ! Maar - een band van marokijn En een lauwer op 't vignetjen 1

Zweet en bloed en hellepijn

J

Alles zou het waardig zijn !. .•

AIle jaren twee octavoos, Kamernn,ds

J

wie doet er mee?

't J..ieuterlievend regent bravooa, 't Lasteroefnend bruit: ltoezee I Doet de blaauwe Beul .) u beven?

Bij de klubs ons ingel'old!

Zoetheen op Heilo geschreven!

En dan leijmlend voortgehoId, Tot de waereld zuizebolt!

WILLE~r ruoest ons dekoreren!

Geen die 't meer verdient dan wij!

Mochten wij maar rekwestreren ! Doch - die tijdcn zijn voorbij!

Maar - mejl.aljes?.. klad wat Iiedj ens.

En ze stroomen op uw pad !..•

Pluk maar vast Vergeet-me-nietj es !..•

Dat gaat naar de groote stad, Hort, Pegaasjel1, repje wat!

*) De Gids. Per ,(as et nefas.

(28)

18

IIERINNERIXG-.

De nacht van gistren, die Ol1S cenzaanl am zag d,valcn

J

\ras u,rel' ,vaardig, zoo veel stan"en deed zij stralen, Zoo frisch ,vas ze in haal' rust, zoo kalm, zoo zacht, zoo dons!

Zoo z,veeg ze peinzend stil, als 't dnitjen in haar vedel', Zoo drllpte zij haal' daatHv, haar liefdebalsem neder

Op 't lentgebloemte en ons 1

'k Stand Vaal' u, 'k voelde 't hart van vreugd en vuul'gloed lVant heel uw ziel scheen in U\V zoeten. blik te leven! [beven~

'k Be,\~onderde den glans die van u \V vool'hoofd scheen;

En zander nat cen woord me uw denkbeeld mededeelde, Smolt toen de teedre dl'oom <lie Vaal' uw zinnen speelde)

Zieh met den nlijne in een!

En 'k zef;ellde den Heel', wiens cindlooze genadc U, dierbare I en de llaeht met zegen overlaadde, Opdat de zielcvree rnocht \Vonen nan mijn zij;

U en de nacht zoo schoon op aal'c1e neer deed dalen, Zoo vol van harmony, van geuren en van stralen,

Zoo heerlijk, schicp VOOl' rnij I Ja, zeegnen ,vij den Heel', luet ovcl'dekte slapen!

I-lij hceft de blociende aard, Hij heeft nw ziel geschapen;

I-lij streelt mijn minnenhart, en Hij verrukt mijn oog.

'k Hel'vind hem overal in Zijn verborgenheden:

Hij is het

J

die u,v blik doet schittren hier beneden

J

Gelijk 't gestarnte omhoog!

God gaf de zoete Hefde aan deze ,vaereldkusten, Haal', ,,~aarin aIles aamt, haal', '\vaal'op aIle rusten !

Haar, de cehte dnduIID del' levens\voestenij !

G-ol1 heeft, 0 zoetc brnid! u in luijn ann gesloten,

(29)

19

God heeft op u den kelk del' Schoonheid uitgegatcn, En die der Liefde op mij!

Laat ous dan minnen - o! de Liefde, ze is het Leven!

't Is al wat men benijdt, al "vat een traan daet bevell

J

Wanneer de zon der j eugd in 't westen is verdoofd.

Niets boeit er, niets heeft glans, waar zij zich niet vertoone : De Schoonheid is het hoofd, de Liefde alleen de kroone:

o kroon u dan het haafd! - Hetgeen een ziel vervult, ach, geen bewonderaren, Geen handvol goudstof is ' t, geen krans van lauwerblacl'ell

J

Dor lover, dat den trots omdwarrelt op zijn sehrcen!

Goen heerzucht, die ODS voor een hersensehim doet bloeden

J

En die zich droevig met de bittre sehors moet voeden

Der dingen hier beneen !

N een, zietge, ,vat zij zoekt, 't is de echt van twee gedachten J

't Is 't drukken van de hand, het gloeiend boezemsrnaehtcn, De kus, die hemeldaauw, bedwelmende uitgestort;

En alles wat een blik ooit in een bIlk kall lezen, En al de zangen uit die zoete lier gerezen,

Die 't hart geheeten vlordt!

't 1Vordt al op aard door een geheime wet gedreven:

Elk is een schuilhoek, elk een lievelingsplek gegeven, Waar hem een zoet instinkt gedurig poozen doet!

De visscher heeft de bark en 't klapprend zielgewiegcl»

De nachtegaal het woud, de zwaan den waterspieg'el, De ziel den liefdegloed!

(VICTOR HrGo).

(30)

2·0

HET STER:B'BED VAN DEN MUZENALMANAK.

E ENE M 0 N 0 LOG I S C HE E LEG IE.

(De :hluzenalmanak ligt vecg op een stroomatras

j

hare zllsters

J

de Stadsalmanakken) Volksalmanakkcn, BIijgecstige almanakken , Dienst- bodenalmanakkcn, Miniatunralmanakken, enz. euz. enz" omringcn haar in grooten getale. Zij richt zieh hinkend op en spreekt:)

Kindren, schuift wat bij elkaer:

'k Moet het je met tranen zeggen) Dat je zuster 't af gaat leggen,

N og pas vier en t\vintig jaar!

Dat heeft mij de GIns gebakken .•.•

(V\T as het maar zijn laatste feit!) 't Is je voorland, almanakken:

'k Sterf aan mijn lau1zaligheid!

'Vas die dan zoo groot een schuld?

Helpt dan voortaan print noch bandjen In OTIS waatrig vaderlandjen)

Dat het Hefst een prul verguIdt?

Waar was ooit publiek zoo vratig) En met een zoo licht voldaan? "' N een, 'k \vas veel tc middelmatig,

am zoo vroeg naal' 't graf te gaan!

Och I \vie zal er nu den stand Onzel' Letterkunde meten?

Hoe voortaan zoet Holland wetcn, 'Vie al zoo de either spant?

En ,vat moet de vreemdling denken?

~1aal' rampzalig u vooral, ..."-rIDe Sint..Niklaas geschenken,

'Yaal' het beste nan falen zal!

(31)

21 Och t wat sIikzieke oceaan Zal voortaan den stroom ontfangen Onzer meIk- en waterzangen? ..

Hollands Pindus hecft gedaan!

't Is uw werk, Portrettcnslooper -), Blaauwe henkel~) woIfsnatuur I....

Wat wordt nu 't velijn goedkooper, En de. misdruk peperduur!

Grijze Letteroefenaar I

Gij vooral

J

hoe zult ge kwijnen, Als ik niet weer zal vel"schij nen

Met uw lauwerkroon in 't hair t•••

't Eenigst dat mij troost in 't sterven, Is dat uwe op mijn zerk

Al mijn aoonne! znlt erven, Om je keurig mengelwerk!

SONNETTEN.

I.

'k Zag in den droom mij zelf, in gala stekend, In zwarten frac en zijden vest gepent, Geknifd

J

geboord, recht voor een hal berekend;

En voor mij stond mijn Iiefjen, weI bekend.

En 'k boog me en zei: "Is uwe aangeteekend?

II Ei, ei; ik maak u weI mijn kompliment. II

Maar 't ijskoud waord, zoo doodeIijk welsprekend

t

Kneep mij de keel te samen van ellend.

$) Altijd nog de Gids.

(32)

22

En zie, op ecnmaal - bittrc tranCll vlotcn Uit licfjens oogen, als zij nooit vergoten,

En 't zalig beeld smolt in den tranenstroolU.

o zoete liefdestal'ren, toovrende oogen, Al hebt ge wakend mij zoo vaak bedrogell,

'k Geloof u toch, zelfs heden in mijn droom.

II.

'k Zag in mijn ul'oom cen ventjen, klein en netjells, Het ging op stelten, 't vloog door straat en steeg;

Het droeg een rokje en keurige manchetjens, Maar 't was van binnen magertjcns en lceg.

Het was van binnen jammerlijk en veeg, Alleen zijn beurs was gocd bewoond en vetj ellS;

't Blufte op papa, courage en bruiloftsprctj ens, En snoof en dronk en grinnikte tel' deeg.

"En weet gij wie dat is? kom hicr en zie! 1/

Zoe vroeg de DrooIngod mij; en, een, twee, drie, 'k Stond bij de Pieterskerk voor ecn der ramen.

'k Zag 't ventj en voor cen altaar staan, dnarna l\fijn liefjen naast hem, beide spraken: Ja!

En duizend duivlen riepen lagchend: .A.men!

(33)

1 Januarij

~~nt 5,~riit£s.c~U~ 11nb S.c~tl1tn.gtl(itlt

3S!St btr ,3annar tin bii2lrfj 4ljtut.

JOHANN 'VOI,FGANG vos GnTRE.

1843.

Tl:rAafft XwoftiJ/otr;

{JU(}vqJQova 7lUT~n;

~Jlln7j'II.

DION CAT. ])isticlt. 1 IV.6.

BBAQA&

DIe H T E R L IJ K E :l\I ENG ELI N G E :N.

PINDARISCHE ODE

OP DEN EERSTEN JANUARIJ 1843.

(GEDICHT GEDURENDE EENE INDIGESTIE, ELF D.A.GEN VOOR NIEU1VE·J.A.AR.)

I.

't Nieuwe jaar, het nieuwe jaar!

Lacy, wat zal 't geven?

De eigen streken, ander hair ! Nieuw verguldsel, oude waar! .•

Dat 's de loop van 't leven.

Daar bestaat geen eerst en lest;

nlenschen gaan, de Menschheid rest : Golfjens sterven, oost en west;

Schuim en wind blijft zweven!

II.

Louwmaand een.". 0 Jan Plaizier! .•

BACCHUS kent geen teugels !

(34)

24

Duizend wenschen, vol van vier

J

Vliegen rand op kaartpapier , Als op sprinkhaanvleugels!

Elk hinkt tusschen boos en dwaas ; En als altijd zit, helaas!

't Zieltjen, tusschen maag en blaas, Duttend in de beugeIs!

III..

Oef, wat braakland in 't verschiet ! Jenny

J

hoe ontgin ik 't?

Mulie modder waar je ziet, Waar de kikker kwaakt in 't riet ,

Meenend dat hij hinnikt;

Dwerrellichtjens kruisen 't moer , Waar 't kabbouterken zijn brocr Op zijn CINNA'S 't lief: " BonjOU1·! II

H uichlend tegen grinnikt.

IV..

\Yat al schats van nietigheen!

Vreugde zonder vrede!

Sluw bedrog, gewiekt van schreen, Waarheid met een blok aan 't been,

MA.MMON de eerste bede!

Beurzen vol en hoofden leeg, Buiken rond en harten veeg, God gekneed uit ieders deeg

En naar ieders rede!

v.

Gekken in satijn gehuld, Hemel, watte bende! •.•

Wanhoop met een lach verguld J

~Iacht van gaud in nacht van schuld!

Schitterende ellende! .••

(35)

25 'Treemuelingen hoven aan f

Kou! en mist! en noodorkaan! •.•

Dagen vol van wind en waan, Nachten zonder ende ! ....

VI..

IJ dIe (laau w van zweet en gal, lVaaruit doornen \vasten! ••

Rekeningen zonder tal, N a w cen van ons kostlijk mal

J

Volgers onzer gasten r ....

Altijd tollen halver wegs:

Bakers, kindren, links en rechts, Meerder meiden, nieuwe knechts,

Zwaarder schoorsteenlasten!

VII.

Bundels preeken en romans Tot een berg geschreven!

Jan en alleman ten dans I

Prullen uit Hoogduitsch en Fransch In 't Barbaarsch hergeven!

Rij mers, krielend door elkaar 1 Recensen ten, rood van hair!

En de Lasteroefenaar Altijd nog in leven! ..•

VIII.

Lacy, watte profeey, Droever wijl ze wanr is!

Heeft er niemand artscnij?

't Soest en suist mijn hoofd voorbij , Dat als lood zoo z\vaar is!

Als ik DOg een dag of tien 't Eigen schrikgczicht moet zjp.n,

2

(36)

25

Sterf ik zeker aan de spleen, Eer het nieuwe-jaar is I *)

Utrecht, V.••••

20 December 1842.

*) De Redaeteuren blijveu den geeerden inzender, wiens spelling zij op zijn verzoek naauwkeurig geeerbiedigd hebben, ten hoogsten dankbaar voor dit kernachtig stukjen. - Bedriegen zij zich niet, dan ('t zij zonder onbescheidenheid gezegd) hebben zij het der wet versnedell pen des Heeren VENMAN te danken, wiens Muze de stad Utrecht, het Sticht, ja heel het Vaderland, reeds met zoo menig keurig dicht..

product begiftigd heeft. Zij bevelen zich ten zeerste aan, voor zijne voortdurende, hooggewenschte medewerking.

'T BOEK VAN DEN ROSKAM.

T'VEEDE ONDERHOUD.

EEN PRAATJEN OYER ONS HUIDENDAAGSCH PATRIOTTISME.

ltalin. min, henche '1 parlA.r sia indarno Alle piaghc Dlortali

CIle nel bel

COl'PO

tuo si spease 'veggio;

Pi~ccmi

aIm en , che i miei 50spir sien etc.

PETRARCA.

/I

Ocn, fJoeae vriend, W1J zijn van 't eerste sckoolbankje af Tot ons ket vij/de jaar een duhhlen ee'J'prijs oaf,

Zoo op de Liefde tot ket Vaderland gewezen, En zoo er in d001'zult en zoo er om geprezen , lJat wij nu zoo precie8 niet weten wat zij i8./I

Ge ontkent baar ons alzoo? WeI foei, wat sIaat ge mis ! Wie onzer Iecst niet graag van j/vrijgevochten slaven ,II

Van

II

tachtig jaren strijds,

II

de

/I

moedige Bataven,

(37)

27

Ons voorgeslacht

,II

*) te forsch voor Rooffischen keten- prangk?

Wie heeft geen HELMERS op zijn eiken boekenplank In Engelsch linnen? wie de Vaderlandscne Mannen En Vrouwen niet van 't Nut? Wij vloeken de tYloannen

J

Vooral NAPOLEON, den bioedhond! J a, geen land Is vauerlanuscher, .als BELLONE'S fakkel brandt.

Gij twijfeIt? waag het lijf! beklim de zolderingen Der Boekverkoopers! tracht de bel'gpas in te dringen Der " Op 's !

/I

en " Zegt, lcaarneen' 8 ?

/I ,

waarvoor geen

kooper kwam, Sints Hollanu's Leeuw op nieuw een miduagslaapjen nam.

Ge erinnert u gewis 't jaar dertig, 't jaar der Perzen En Meders, en vooral der Overwinningsverzen!

J a, de eerste burger, die 't met ons niet eellS is, heet Een aterling, plus 't een of ander epitheet,

Bij voorbeeld: vloekbaar, vuig of duivelsch, dat hem daadlijk Bekeert, of - niet bekeert. Ook zijn wij onverzandlijk Aan toasten op de Kaas (de Hollandscne l), op den hloei

Van Land en Koning, op de Yrijheid, op den groei Der Neerlandscne Indust1ie, fal;'Fieken en trafieken, En wat dies meer zij! Hoort het vroege morgenkrieken Niet vaak 't lYilkelmu8 of het Nieu1£e-Haringlied, Dat onder 't glaasjen puns ons vol gemoed ontschiet?

We kennen LA.MA.RTI~:E, en ware ons de oude spelling En de eeuwge zedenpreek geen eeuwgebron van kwelling, We kenden Vader CA.TS van buiten op een prik.

En, wat een ALBERT raze, ik durf beweeren, ik, Die aoontu! ben met mijn vrouw en kroost, ,vij hebbcn Een nationaal tooneel! en won de vioed ,vat ebben Der lokkende opera's', 'k ging stellig tweemaal '8 ,veeks Mijn oog verinstigen aan de eindelooze reeks

Verdietschte KOTZEBUE'S en lieve ALEX-VAN-RAYTJENS,

*) Volgens de vrij nlgcmeenc d\yaling.

(38)

28

Dat meesterstukjens zijn, zoo aardigjens en f'raaitjens

J

Dat wis, wat zeden en wat taal betreft, niet een

(De autheur der Nevcn zelfs!) ooit in zijn spoor zal treen!

De oorspronklijkheid is nul bij zulk een translateeren /

1/ Maar onze kleeding?

1/

Wij chausseeren en coeffeeren Adoniseeren en pinceeren ons

J

precies

N aar buitenlandsch model, 'k beken het, - Maar 't zegt niets, Wijl de ondervinding meer dan overtuigend leerde, Hoe bitter weinig ons een kleederdracht flatteerde Die nationaal ruoest zjjn. 't Is iets ahsurds, een zoon Van Neerland nationaal. . . in kleederdracht. Gewoon Aan 't keurs van vreemden, moet hij dobbren op de golven Der ~Iode en 't plaatjen der Parijsche naaisters volgen.

1tiaar 0, wat zegt dit? want rijst niet, aan d'andren kant

t

Statue en eerzuil op, tot roem van 't Vaderland ?

DE RUITER is (in steen) te Ylis&ingen herboren!

DE ZWIJGER zal het Plein *) bewoonen I En waar gloren Ter waereld zoo veel lints en kruisen? 't geen ODS leert Hoe onder ons 't getal genien steeds vermeert I

Wij bluffen op 't verleen; want hoeveel stralen taanden, Ze zijn er toch geweest I Wij steken aIle maanden 't Belastingouter aan, tot stijving van's lands kas, (Een ])analdenvat

J

schoon 't eens gebodemd was!) En zweeren in het fransch, duitsch, engelsch, aIle talen:

"Geen tong der aarde kan bij 't krachtig N eerlandsch halen!

II

Nu vraag ik, vrielld, is dat geen nationaliteit?

11

Gonceao! 'k dzeaalde! Wilt ge amende? .) ik oen hereid!"

Gerne hiilt' ick jortgesckl'ieoen • Aoer es ist liegen oliehen.

*) Te " Gravenkage.

-) Amende honorable.

(39)

29

ZWART OP WI'l'~

PXOEVE v AN OOSTERWIJK-BRUINIAANSCHE POEZYI

De knecht van onzen mulder Was op zijn meisjen trotsch

I

Vertrouwend op haar Hefde Zoo vast als op een rots i

Doch HANS, de schoorsteenveger

J

Steeds opgeruimd en blij, Bield met bet mooije GRIETJEN

Ook menig vrijpartij.

'Vant zie, bet dartel meisjen Dacht: een..alleen verveelt:

Daarom ook kus en Hefde Bij deze twee verdeeld!

En als nn soms haar vrijer Den molen draaijen doet, Doet. zich bet trouwe GRIETJEN

l\fet zwarten HANS te goed.

Dra fluisterden zijn vrienden Den molenaar in 't 001' :

"Pas op den scboorsteenveger:

I,Hij gaat met G.RIETJEN door!

II

"KOill, grapjens!" riep bij lagcbend:

"Wat zotteklap is dit!

1/

Wilt gij 't me doen gelooven,

"Zoo geeft mij zwart op wit! 1/

J uist trof het, kort na dezen, Dat bij bij GRIETJEN kwam

J

Toen in het eenzaam duister Een vreemdling afscheid nam.

De vreemdling kuste teeder

Op wang en mond zijn schat;

(40)

30

l-lij riep, van woede bcvcnd:

II

WeI d .... 1, wat is dat? "

II

't Is,

II

antwoordt zij,

1/

mijn neefjen,

"Die ons voor 't laatst nag groet

J 1/

Omdat hij morgen ochtend

" Van hier naar Londen moet!

N

" " Vfel, N ecf !

II/I

roept hij te vreden

J

" IIOmhels ook mij als vrilld!

It II

En dadelijk omarmen Ze clkander welgezind.

'7lng ging het neefjen strijkcn;

1/

Kom, liefjen! breng ons licht. .. "

Zij haalt .... maar doodsche bleekheid Beuekt haal' aangezicht :

Wie schildert haal" ontroering, Daar ze AN TONS wambuis ziet, Rondom met roet geteekend ...•

Ontkcnncn kon zij 't niet.

/I

Ira, slang!

II

roept hij vol w'oeue, Rn vliegt in vuur en vlam:

1/

Vaarwcl, ik ken het nccfjen,

" Dat van u afscheid nam;

,,'t Is HANS de schoorstecn vcger !

II

0, l100it geloofde ik dit,

1/

1tfaar zelve gaf hij heden

II

1tfij uuidlijk zwart op wit!

II

NA-HERFST.

PIILEGMATIEKE POEZY.

Dc herfst, verzeld van regen vlagen, K wam reeds de laatste blocmen vrageu

J

Ons cloor den zomer toege,,~ijd;

(41)

31

En overal, langs bosch en gaarde, Stort zich 't verdorde loof ter aarde

J

Als dekkleed voor den wintertijd.

En woud en veld en hoven derven Hun cieraad: alles schijnt te sterven,

Of legt zich neer in diepe rust; -

Steeds trager kruipt het bIoed door de aadren

J

En 't is of door de natte blaadren

Dc levensvlam wordt uitgebluscht.

Niet thands) maar als de lenterozen, Geliefde! op groene heuvels blozen

In 't levendwekkend jaargetij

J

Als nieuwe krachten 't harte blaken En al wat ademt doen ontwaken

f

Dan zingen en dan juichen ,vij!

Moog' spoedig herfst en winter wijken, En 't voorjaar heel natuur doen prijken

In 't lagchend kleed der teedre min!

Dan stemmen we onder 't groen der blaaren Bij 't kransen-vlechten, bloemen-gaaren,

Vereenigd Liefdes feestzang in !

PRIVATIEVE GEDACHTENJACHT.

De Ode aan de Ode.

Een galm vol zoeten winds) een onbewoonde woning

I

Een tulpe zonder geur, een purper zonder Koning!. ..

't Hart blijft er werkloos bij, en enkel 't 001' wordt moe.

TEN KATE, ontijdig was uw vaderminbetooning:

Uw vrucht kwam dood ter aard: de houtmijt paste er toe!

(42)

32 Al".

Als in het dichtrenrijk de strafwet ge1dig

o

,vas, Die maord en ltiefstal loon naar werken doet ontfangen,

Wat aak1ig tucht huis wierd de Hollandsche Parnas:

BEETS werd gegeese1d en VAN LENNEP werd gehangen!

Op RIMAX Rirlde1"llJOrden.

Nu de orde van den Leeuw aan RrMAx vicl ten decl, Verhuist hij binnen kort van Rotteraa'in naar Geel. *)

Grafscltrift.

VaL vrij 't ge\vormt' der aaro. dit eenzaam graf beslijme ! PrET 1igt er in, wiens ziel of niet bestand of sliep.

't Is niet de moeite \vaard, dat ik zijn grafschrift rijme En dat dc lieve God hem schiep.

Aan den Auteur van, " De Roove1·, een Drentsck T7 er ltaalJI

U \v roover is een dief van 't hoofd tot aan de zole11.

'Vee 't geld van die hem koopt, den tijd van die hem leest ! U had' hij toen hij kwam ge\vis 't verstand ontstolen,

Wanrt gij die kleinigheid nict lang reeds k"wijt ge\veest!

De oorsprong der Al')i~anakken.

De Moddergad w'as bang dut in ons \T aderland Zijn rijk gevaar liep, en a1 't water \veg zou zakkcn.

"Wat droogte !

It

riep hij uit :

/I

Pocetcn, op, ter hand!

II • • •

Hij \venktc en - 't regende Almanakken.

110) ~n plaatsjen in Noord~Braband waar een beroemd gekken..

instituut is.

(43)

15 Januarij

•••• Latijn als water spreekt

J

En 't meest zich zelf bewondert.

BRAGA, bl. 4.

1843.

Fools are my theme, let satire be m)r Bong.

LORD BYRON.

Engl. Bards 4

1

Se. Rev.

'lJ.

6.

BBA'GAe

DIe H l' E R L 1J K E MEN GEL I N G EN.

Eene huishoudelijke Vergadering der Redacteuren van den GIDS;

gevolgd door de plechtige installatie van een nieuw IJid.

(Afgeloerd door een Profaan.)

I.

DE HUISHOUDELIJKE VERGADERlNG.

BA.KHUIZENIUS a BRINCKIO, de Praeses) neeft net woord:

Viri pedantissimi!

Kokki, messam non habentes!

Gidsi, viam nescientes I Frat-res conjunctissimi!

Vos salvel'e jubeo! .••..

Est aperta sessio. (Een kamerslag.) Praelegantur notulae! ...

Recte! - N une Recensiones Dividantur per tirones •..

Cuique suum.... optime!

Ttl, ALBERTE, scribas tres,

Quae supersunt mihi des!

(44)

34

IIEYE per sonnetticum,

POTGIE'fERIUS per prosam IIumoristico -morosam

Vullant mengel\verkium! ...

Sic secundus N ummel"US Fiat mcestcrstukkius!

Igitur, Fraternitas!

Fiscc, Membra et A.b-actis l His feliciter peractis,

Clausa est societas! " •. "

Nam jam dudum z\veetimus Pulcris his laboribus.

Nunc pleantur pocula I

~Ianeat yaIJylp,Urrelu!

Vivat xaQAurapPlQelU!

Floreat qJlAuvrtu!

Et per orone saeculum

Nostrum sodalitium! (Ben tweede na?ner..

slaflo De ve1y/adering is gp,eindigd.)

II.

DE INSTALLATIE VAN HET NIEU\VE LID.

Novitius:

Coram vobis inclinatus

J

IIIustrissime senatus, 'Tiri nobilissimi!

Praecor, quaeso audiatis

J

1\Iembrum me accipiatis

'~estri sodalitii!

(45)

35

Praeses:

'fu si optas hoc sincere, Primum hacce vespera Eruditionis verae

Nobis des specimina.

QUI, exempli gratia, Decet rite reCenSe1"e?

Novitiu8:

Magne Praeses

t

Auditores!

Si poetae seu scriptores

Non sunt membra vestri bendi, Tunc sunt ita recensendi:

II

Nobis scribendi

Facultas et j us I

11 Tu habes nullum

~al nullum belulIum,

1/ Nullum belullum de artibus!

II Opus tuum magnum prullum,

" Nam te non cognoscimus.

11 Objective,

II Subjective,

"Es et manes asinus ! II

Ohorus:

Recte tu, rectissime

J

Optime, Gidsuncule!

Praeses:

Respondisti sapienter;

Pergo tecum nunc lubenter

J

J uniorum ipsa flos!

Vidimus de arie prosae;

Nunc tu dicas ingeniose

J

Quid sit aI'S poeseos!

(46)

Novitiu.s:

l\Iagne Praeses, .Auditores, Deeus nostrae patriae! ...

Est Poesis ars sudoris, Ars TO'V Abracadabrac f

Est eantare, Conflanzare Quod non intcllig-inlus, Volumus nee eredimus;

Est rymare Et lymare Voces sine ~ensibns!

Chorus:

Rcetc tu, rectissimc, Optime, Gidsuncule!

Praeses:

~\tccatis! et perganlus! •..

Tandem, Ornatissime, Si te membrum dcclaramus,

Quid promittis faccrc?

Novitiu8 .-

~1e metipsum adorabo, Vos vestraque gatlikkabo,

Om den wille van het smecl'!

Et pro symbolo kiezabo:

"Lik...je mij) ik lik..je weer!

/I

Chorus:

Recte tu, Iectissime,

Optime

t

Gidsuneule!

(47)

37

Ptaeses:

Silcntium! silentium! . " . Peracto hoe examine

J

Cunetorum horum entium, Praesentium, absentium

Et futurorum nomine

Te membrum nuntio nostrorum clubsiae!

Atque confero in Te Jus bluffandi)

_~rrogandi , Adorandi

Te et Nos;

Proereandi Prullilos;

Flagellandi Optimos!

(De Praeses en de overige Leden dansen hand aan band rondom den Novitins onder 't volgendc koorgezang.)

Ckm"U8 :

'VUZE: IJaar gink eell Pater enz.

Habebit nemo spiritum, Hei, 't was in de Mey!

Habebit nemo spiritum Quam nostrum sodalitium!

Hei, 't was in de Mey, In de Mey zoo blij, In de Mey

J

in de Mey,

In de Mey

J

ei, ei, Ei

J

ei, ei, ei

J

ei.

(Rier werd het rumoer

Z,)O

vreeslijk

J

dat de volgcnde corrpletten

niet te verstaan waren.)

(48)

38

A F S C H E I D.

GESMOORDE...WANllOOPS ..POEZY.

N og een woord, dat bij het breken Van mijn afgefolterd hart, Toen ik 't afscheid uit zou spreken,

Op mijn mond bevroren werd!

N og een groet van uit de verte, Die voor duizende volsta, Groet van liefde, groet van smarte

Tot een zaligend hierna ! Hadden wij bij 't eerst ontmoeten

(Paradijsdroom!) ooit verwacht

J

Dat ik eens u zoo zou groeten Met een: eeuwig goeuen nacht!

Weer een strengel neergeslagen, Door de nachtvorst afgemaaid J Weer een hoop naar 't graf gedragen,

Weer een toekomst weggewaaid!

Weer een plettrend onweerblaken In mijn halmen neer gestort •.••

Weer twee harten in 't ontwaken Hunner zoete jeugd verdord!

Zoo dan leven wij gescheiden,

(Ach, geen sterven valt zoo zwaar I) Maar geen stroomen tusschen beiden

Scheuren zielen van elkaar ! Maar God schi~p ons voor elkandren,

Schoon ons de aarde scheiden mocht;

En geen .Aarde kan verandren

Wat de Hemel heeft gewrocht !

(49)

3'J

Dien heb ik voal" u gebeden, En die bede zwijgt niet stil, Zoo lang Hij me in 't dor beneden

Kracht tot bidden schenken wil!

Vaar dan weI I - In zoete stral en Rijze u soms mijn beeld omhoog

J

Als gestoloven idealen

Zweven voor uw mijmrend oog!

Moogt ge u troostend op zien doemen Wat u zoetst en zaligst heugt:

Mij de dorens, u de bloemen!

Mij de droefheid, u de vreugd!

Iedre morgen brenge U zegen Mct den weerkeer van het licht, Iedre voetstap op uw wegen

Eenig Englenaangezicht!

En omwoeden mij de winden , In de barning van den druk, Dan moge ik mijn baken vinden In den glans van uw geluk !

IEDER WAAROM HEEFT ZIJN DAAROM.

... ~ls na den kalmen zomernacht Mij n voet bij 't lieflijk ochtenblozen Door veld en weiden om gaat dolen En soms, vermoeid van 't rustloos dwa!en

J

Den onbestemden tred veriacht,

Dan boeien frisch ontloken rozen:

(50)

40

En hemclsblaauwe veldviolcn , En witte lclien der dalen,

Ret meest mijn boezem door heur pracht.

En daalt de zon in 't w·esten neer, Verspreidt zich 't lieflijk schemcrduister

J

En heerscht er stilte langs de dreven, Terwijl de maan, zoo statig blinkend

J

Zich spiegelt in het zilvren meir,

Dan hoor ik gaarn 't zephirgefluister En hoe de teedre snaren beven

Der 'windharp, door hot "roud wecrklinkend Ais tonen uit een reiner sfcer.

En vraagtge, \vaarom weI dit schoon, Ret allermcest mijn hart kan boeien?

Ik vind 's viooltjens blaauwe glansen In de oogen van mijn meisjen weder;

Ik zie, dat op haar zachte koon - Ook frissche lenterozen blocien

J

Daar Ielies 't voorhoofd haar omkransen

J

Terwijl haar stem, zoo zielvol teder, Zoo zacht klinkt als del' ,¥indharp toon.

ROEJ\I EN GENIE.

De Groote Man kan in een polsslag van den tijd Zijn Ioem verliezen en den lof hem toegewijd,

Zijn rijk en al zijn Iauwerblaaren

J

J a, zelfs die stralenkroon

J

waarin zijn grootheid blank, En die zijn hoofd den glans eens starrenhemels schonk ••••

Toch blijft hij zijn Genie bewaren!

(51)

41

Zoo) als de god des krijgs een vendeldoek ontplooit

J

Wordt al de gouden franje en zijde die het tooit,

De roode, witte en blaauwe kleuren

J

Door 't plettrend schrootvuur in een oogmerk weg gemaaid

I

Verschroeid

J

versehrompeld en op 't walmend kruid verwaaid, Ais moeht een roofdier ze verscheuren!

Wat zegt het? Dwars door 't staal, 't gebrul en 't hoefgestamp Het worst len van den strijd, den bliksem en den damp

Van 't hemelschokkend pulverbranden ,

Hoog op des standaards spits

J

wiens aanblik 't heir bezielt

J

Waar eens dat purper hing, tot tonder thands vernield

t

Staat steeds de Leeu w te blikkertanden!

(VICTOR HUGO).

R A A D.

QPTIllISTISCHE PoEzr.

N eem den voorspoed zonder morl'ell!

Pluk de bloemen op U w baan!

Dikwijls eer haar blaadj ens dorren Is reeds uw geluk vergaan.

Zoetste rust is nimmer zeker:

Goud beveiligt voor geen pij n ; In den groenbekransten beker

Sluimert vaak het felst venijn.

Maar ook als u de onspoeds vIagen Stuiten in U\V blijde vaart

J

'Vees geduldig in 't verdragen,

Blijf manmoedig en bedaard!

(52)

42

Laat geen toekomst U ontroeren;

Vrees voor geen gevaar in nood:

't Onweer kan ter reede u voeren, Of in d' afgrond van den dood.

Wees gedurig op uw hoede, Steeds te vreden in uw lot ;

Waak voor 't kwaad, geniet het goede, En in aUes, 't oog op God!

HENDRIK AAN HENDRIKA.

(De motto' 8 bij eelZ volgende gelegenlzeid.)

De waereld is dom en de \vaereld is blind;

Ret geurigste bloemetjen knakt er:

Zoo spreekt ze bij voorbeeld van U , mijn zoet kind!

Als hadt ge geen nobel karakter.

De ,,"aereld is dom en de waereld is blind;

Ge moet u met haar niet bemoeien:

Ze \veet niet hoe teeder uw hartjen bemint, En hoeder uw kusjens ,vel gloeien !

SOPHOCLES EN VAN SOMEREN.

Een SOPHOCLES greep 't dichtpenseel

J

En sints heeft niemand meer hem voor een gek versleten.

VAN SOM'REN greep het ook; 0 noodlot der Poeeten!

Den stumper is 't gevolg precies lIet tegendeel!

(53)

1 Februarij

10k snyd weI in cen puyst

J

Daar 't Ieven lucht vereyscht, en onder dreigt te smooreu.

H UIGENS aan BA.RLA.Eus,

Korenbl. bl. 652.

1843.

e'en est fait au jorrrd'hui de la beaute de rart.

BARBIER, Ia.mbes. X.

B.A~A.

DIe H T E R L 1J K E I\{ ENG ELI N G EN.

-_.---.-- .... _. ---

GENIALE GEDACHTENVONKEN OVER

RIJM EN MAA.T.

DOOR EEN GEL!.UWERD poeET.

Dat is van het verzenmaken Zulk een prettig convenient, Datje, roef! in eens aan 't blaken,

Zonder 't pijpjen te verzaken, Maar geduldig neder pent, En je vers aan 't eind ziet raken,

Eer je recht begonnen bent.

Eigenlijk is al dat denken Over doel en onderwerp Maar een nutloos harsscnkrenken:

't Rijmwoord moct gedachtcn schenken, Of wat heeft men aan zijn harp? .••

Dan kon 't even goed in prosa;

En wat had de Poetrij

Dan toch Your bij u en mij? •.

(54)

Dichtren (maar het blijft 8UO "'osa) Is 't verstand belastingvrij 1 ...

Rijmen (om een beeld te wagen

J

Dat nog maagd is van de pers) Zijn de vleugels van het vers, Zij n de paarden yoor den wagen:

Zij n de hielen goed beslagen,

Vliegt dan maar in wilden run, Zonder naar den weg te vragen,

Toujours voort door dik en dun!

Somtijds leeft de ,vagen nog, - Doet hij 't niet, je komt er toch!

'k Zing bij yoorbeeld van den nenzel, 'k Zoek maar ,vat de weerklank is, 'k Vind terstond het stojqezoe1nel:

'Vat cen stoute antithesis 1 Of - ik ,vorstel met de liefde,

In het een of ander fuzrt:

Kan 't dan anders of zij grit/de

J

Zeel' natuurlijk vol van smart, Die ge met iets lta,,·tverpletB.A.ARS, Zieldoorvlij?nBAARs of on.zetB.A.ARS,

Bitters, jels of wreeds lardeel't, N aar de maat het permitteert!

J a

J

die maat! •.• dut'8 cerst een rakkert!

't Is (het beeld bevalt me weI) Vool' den wagen 't raderstel ...

Och, hoe menig goeden stakkert Trok hij de ooren onder 't vel!

't Is een bondenwerk. te waken Dat de velgen niet en kraken,

Dat bet paard, wanneer bet stijgt.

~Iet het ,viel geen ruzie krijgt! ....

l\Iaar - Oom B~RTJENS leerde tellen I

(55)

Rikkidouw, een, twee, drie, vier!

Hiel" wat dijgen, daar wat knellen ••••

Hoe geduldig is 't papier:

En de taal

J

die goeje slons, Kunje wringen als een spons J

J ongens! als de menschen 't wisten ! Zonder slagboom stond de tol!

AIle koffers, aUe kisten

Stopten zich met verzen vol!

Ieder maakte op 't onvoorzienste

KNEPPELHOUTS voorspelling waar:

Iedre nagel wierd een snaar! ...

lIaar mijn hemel! wat verdienste Had dan nog de zwanendrift Van ons dierbaar Lasterschrift? .•.

N een! wij minnen onze lauwercn:

Daarom is het politiek

J

Dat geen enkle der aanschouweren Achter de coulises riek' !

'T BOEK VAN DEN ROSKAM.

DERDE ONDERHOUD.

lJERIJKDE EPISTEL AAN ALBINVS OVER. RET HAAGSCHE SCHOUW..TOONEEL.

(Ingezonden.) Wat eischt ge, ALItINUS, uat mijn pen u een verslag Van 'tHaagscke schouwtooneel zal geven! - Ach en ach!

Dus zucht ik op dien eisch, van vreeze in 't hart verslagen.

Was 't nog het Arnsterdam.Ycn, mijn 'waarde, 'k zon het

wagen

(56)

46

Te schetsen, hoe men daar soms nog een enklen maal Een sprankjen ziet van Kunst, in de anne houten zaal, Hoe PETERS nog bij wijl ons oor en hart kan streelen, Verrukken, boeien en ontgloeien door het spelen

Van deze en gene rol, mits hij niet, dol en dwaas, _J\.ls ADIIEL marktschreeuwe of ala DON HENRICO raas' ; Hoe ENGELMA.N en diens verdienstelijke gade,

En de edele OLL'FEN (aeh, wat oog dat nimmer baadde In tranen, als die rijkbegaafde Kunstnares

Ons neer deed knielen voor de telg van SOPHOCLES, En tot den uitroep dwong: Goddank J nog zijn ze in leven, Die ons een denkbeeld van 't ,vaarachtig Schoone geven!) Hoe, zeg ik, deze trits, die de echte knnst bernint, Met NARET KONING 't hart van elkeu kenner wint ..•

Maar 't Haagache, ALBINUS! ach, gij wilt mijn smart ver..

nieuwen, Gij doet mij anderrnaal (als ARENT AEMSTEL)

/I

gruwen

" Op dien zoo zwaren eisch·' - maar 't Haagacke, dat zoo lijdt Aan schriklijk kunstverval, aan tering, zelfs in spijt Van menig, die 't zoo graag nog medicijn WOll geven, Opdat het voor het minst een enkle vonk van leven, Zooals w-ij dat vcrstaan, zou toonen .... 'k bid u, spaar J\rlijn zenu\ven, en klop gij aan bij andren, ,vaar

Een andwoard , minder hard dan 't mijne, u \v ziel zal schokken!

" ...ant 0, de Kunst is uit dien tempel lang vertrokken;

En lang voorbij de tijd, dat daar door 't hooge koor Ons oog in tranen zwom, en 't overrompeld oor Geketend bleef aan taal, den grooten vaadren ,vaardig;

De tijd is lang voorbij dat BILDERDIJK, (wie vaardig In 't prijzen was, niet hij 1) de lofspraak gaf: "en hij,

N

Hij voert die rol gelijk een BINGLEY uit." *) .. ~oorbij

*) Zedelijke Gispingen, 131adz. 33.

Afbeelding

Updating...

Referenties

Gerelateerde onderwerpen :