Verdwenen Verleden

108  Download (0)

Full text

(1)

Augmented Reality reconstructies van verdwenen gebouwen als herinneringsfacilitator voor de Tweede Wereldoorlog

Verdwenen

Verleden

(2)

Masterscriptie Publieksgeschiedenis 2021

Naam student:

Eline Alberts

Studentnummer:

11268123

Titel scriptie:

Verdwenen verleden: Augmented Reality reconstructies van verdwenen gebouwen als herinneringsfacilitator voor de Tweede Wereldoorlog.

Opleiding:

MA Publieksgeschiedenis | Universiteit van Amsterdam

Eerste examinator:

Mw. Drs. L.H. (Laura) van Hasselt

Tweede examinator:

Dr. P. (Paul) Knevel

Datum:

22 januari 2022

Aantal woorden:

20526

Omslag beeld & vormgeving: Eline Alberts

(3)

Voor Noor,

Kijk oma, eindelijk 20.000 woorden!

Nora Dikstaal-Schipperheijn

28 maart 1931 - 20 november 2021

(4)

Abstract

The aim of the present research, Lost History: AR reconstructions of demolished buildings as a memory facilitator for the Second World War, is to analyse how an Augmented Reality (AR) application on the site of demolished heritage can aid new generations in gaining knowledge about the Second World War, more specifically regarding buildings that were demolished as an act of war or resistance. Not only does a 3D-reconstruction of a building provide an answer to the often-posed question of the importance of material authenticity when it comes to reconstructing demolished buildings, AR also engages a new digital-born generation that is no longer acquainted with contemporaries of the Second World War.

A look at an AR application as a medium for location-based virtual historical sensation shows that the absence of material authenticity does not prevent users from experiencing historical sensation which can in turn contribute to regional history, placemaking, memory and identification. The amount of historical sensation one feels derives from a combination of different historical values that can be attributed to the app, namely value of place, value of image, contextual value and experiential value. Which aspect of historical AR is most valuable to a user is, therefore, individual.

When looking at AR for transferring historical knowledge to younger generations, it is clear that AR can help those who did not really experience the Second World War to create prosthetic memories of wartime. Actively engaging with historical information causes the brain to directly store information in the long-term memory. The possibility of implementing interaction, sensory stimulation, empathy and storytelling makes AR an ideal medium for active learning. Location-based AR experiences give the public the chance to experience history ‘as if they were there’ while also reducing cognitive overload. AR furthermore aligns well with the memorial culture of the Second World War among more emotionally distanced younger generations. Youngsters ask different questions and aim for a more diverse viewpoint of history. Interactive AR allows them to choose which story they want to hear.

After a theoretical analysis of on-site AR applications as a facilitator of historical sensation and prosthetic memories, an additional audience survey determines what a potential public expects of the user experience and content of a location-based historical AR application.

The results of this survey, together with the theoretical analysis, will give potential AR application producers a guideline for historical AR applications. If taken into account, AR on the site of demolished buildings can form a useful tool to include younger generations in the memorial culture of the Second World War.

Keywords: Augmented Reality, heritage, reconstruction, 3D-reconstructions, authenticity, historical sensation, memorial culture, active learning, placemaking, cognitive overload, prosthetic memories, Second World War.

(5)

Voorwoord

Is het je wel eens opgevallen dat veel mensen omlaag kijken wanneer ze lopen? Al lopend door een mooie stad, zijn hun ogen dus vooral gericht op stoeptegels. Zonde toch? De mensen die hun blik wel naar boven richten zijn toeristen of architectuurliefhebbers zoals ik. Als architectuurhistoricus kijk ik automatisch omhoog. Ik kijk naar de gevels, naar de mensen en naar de manier waarop zij zich voortbewegen in een stad. Gebouwen en stedelijke omgevingen zeggen veel over de cultuur van mensen in een bepaalde tijd.

Mijn fascinatie voor steden in het verleden werd tijdens mijn bachelorspecialisatie in architectuur en stedenbouw versterkt toen ik tijdens een college voor het eerst hoorde over het reconstructiedebat. De vraag of je verloren gegaan gebouwd erfgoed wel of niet mag herbouwen bleek een langlopende en felle discussie binnen de architectuurgeschiedenis.

Toch had het merendeel van de studenten tijdens het college had hun mening snel klaar: nee, want dat zou dan niet meer zijn dan een vervalsing en imitatie van het verleden.

Ik zelf wilde het idee van reconstructies niet zo snel afwijzen. Met hernieuwde blik bewandelde ik de stad. Hoeveel interessante stadshistorische verhalen zijn er wel niet bijna vergeten, alleen omdat een gebouw uit het straatbeeld verdwenen is? Voor mij was het duidelijk: er moet een manier zijn om het historische verhaal van deze gebouwen te vertellen, zonder de falsificatie waar architectuurhistorici zo bang voor zijn.

Enkele maanden later opende de master Publieksgeschiedenis mijn ogen voor de potentie van Augmented Reality voor het vertellen van historische verhalen. Zou een moderne virtuele AR-reconstructie van een gebouw een antwoord kunnen bieden op een van de oudste vragen binnen de architectuurgeschiedenis? En welke (stads)historische verhalen zijn dan van belang om te vertellen? Mijn scriptieonderwerp was geboren.

Dit onderzoek was niet mogelijk geweest zonder de fijne begeleiding van Laura van Hasselt. Via onze Zoom-gesprekken tijdens Covid-19 en gelukkig ook weer tijdens enkele ‘live’

gesprekken op locatie wist zij mij met gerichte vragen en praktische feedback te motiveren en enthousiasmeren. Het resultaat: een scriptie waar ik trots op ben. Veel leesplezier!

Eline Alberts

Amsterdam, 30 oktober 2021

(6)

Inhoudsopgave

Inleiding ... 7

Het lelijke kreng van Artis ... 7

Reconstrueren of behouden? ... 9

Verdwenen verhalen voor een nieuw publiek ... 11

Augmented Reality: een innovatieve oplossing? ... 12

Methode ... 14

H1 - AR als historische sensatie op locatie ... 15

1.1 – Historische sensatie gereconstrueerd ... 15

1.2 – Bestaande stedelijke AR-reconstructieapps ... 17

1.3 – Plaatswaarde ... 18

1.4 – Beeldwaarde ... 20

1.5 – Referentiële waarde ... 23

1.6 – Belevingswaarde ... 24

1.7 – Waardevolle combinaties ... 28

H2 – AR als herinneringsfacilitator voor de Tweede Wereldoorlog ... 30

2.1 – Herinneringscultuur van de Tweede Wereldoorlog ... 30

2.2 – De herinneringscultuur onder jongeren ... 31

2.3 – AR-apps voor geschiedenis educatie ... 33

2.4 – AR als herinneringsfacilitator ... 34

2.5 – Twee disciplines samenbrengen ... 43

H3 – AR als historische publiekservaring ... 44

3.1 – Doel en opzet publieksonderzoek ... 44

3.2 – Uitslag vragenlijst ... 46

3.3 – Analyse publieksonderzoek ... 58

Conclusie – Verdwenen verleden gevisualiseerd ... 63

(Stads)historische verhalen verbeeld ... 63

Historische sensatie uit het niets ... 64

Herinneren uit het niets ... 65

De mening van potentiële gebruikers ... 66

Enkele overwegingen ... 68

Bibliografie ... 69

Illustratieverantwoording ... 75

Bijlagen ... 77

Bijlage I – Antwoorden op de open vragen van het publieksonderzoek ... 77

Bijlage II – Aanbevelingen voor producenten van historische AR-apps ... 99

Bijlage III – Productvoorstel Verdwenen Verleden ... 101

(7)

Inleiding

Het lelijke kreng van Artis

Een ‘kreng’, dat is volgens een van de betrokkenen de beste beschrijving voor de zwarte doosvormige nieuwbouw bovenop de monumentale Artis Ledenlokalen.1 De meningen over het resultaat van de restauratie en herbestemming van de Ledenlokalen zijn verdeeld, net als tijdens het restauratieproces. Het pand van de Ledenlokalen aan de Plantage Kerklaan in Amsterdam is in 1868 ontworpen als ledengebouw van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra.2 Na ook een periode gefunctioneerd te hebben als zoölogisch museum, feest- en concertzaal en ontvangstruimte voor het koninklijk huis, werd de lage middenvleugel van het rijksmonument in 1941 in gebruik genomen als bevolkingsregister.3

Op de avond van 17 maart 1943 kwam hier een abrupt einde aan. De informatie uit het Amsterdamse bevolkingsregister was voor de bezetter tijdens de oorlog van groot belang voor het selecteren van mannen voor de Duitse arbeidsinzet en de Amsterdamse Jodenvervolging.

Daarbovenop was in 1941 het Persoonsbewijs ingevoerd. Nederlanders moesten zich te allen tijde kunnen identificeren, wat aan de hand van de gegevens in het bevolkingsregister werd gecontroleerd. Dit was levensgevaarlijk voor verzetsmensen en onderduikers en reden genoeg voor het verzet om hier zo snel mogelijk een eind aan te maken.4

Tien mannen van een verzetsgroep, verkleed als politieagent, drongen rond kwart over tien ’s avonds het bevolkingsregister binnen. Ze overmeesterden de bewakers door injecties toe te dienen en hen geboeid de tuin in te slepen. Vijf grote explosies volgden en het gebouw vloog in brand. Het resultaat: een kaartensysteem dat grotendeels verkoold was en daar bovenop ook nog eens doorweekt door het overtollige watergebruik van de brandweer.5 De daders zelf waren maandenlang nergens te bekennen. Uiteindelijk zijn twaalf verzetsmensen toch opgepakt en op 1 juli 1943 gefusilleerd. Dit valt te lezen op de plaquette naast de toegangsdeuren van het huidige pand. Hun daad inspireerde velen en meerdere bevolkingsregisters in Nederland ondervonden hetzelfde lot.

Het pand van de Artis Ledenlokalen is slechts een van de vele (monumentale) gebouwen die qua aanzicht sterk zijn veranderd of zelfs helemaal zijn verdwenen in de Tweede Wereldoorlog. Na de brand waren de bovenste verdieping en kap van het middendeel vewoest. Deze werden bij het provisorische herstel tijdens de oorlog niet teruggebracht.6 In

1 Tom Damen, ‘Nieuwbouw Plantage kreeg nominatie, maar is volgens sommige kenners mislukt’, Het Parool (13 december 2014), https://www.parool.nl/nieuws/nieuwbouw-plantage-kreeg-nominatie-maar-is-volgens-sommige- kenners-mislukt~bf16fc2f/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned (geraadpleegd 19 maart 2021).

2 Ibidem.

3 Jasper Buikx e.a., Een plein voor Artis: of hoe de natuur de leermeester van alles is (Amsterdam 2015) 28.

4 Ruud Lindeman, Straatrumoer en twee minuten stilte: een wandeling tussen Amstel en Artis 1940-1945 (Amsterdam 1998) 32.

5 Ibidem, 31.

6 Buikx e.a., Een plein voor Artis: of hoe de natuur de leermeester van alles is, 28.

(8)

Fig. 1 – De Artis Ledenlokalen voor en na de restauratie

2015 kwam de grote zwarte antracieten doos die nu nog steeds het aanzien van het pand bepaald. Het historische aanzicht van de Ledenlokalen kan tegenwoordig alleen nog bekeken worden op oude prenten, foto’s of wellicht door een virtuele reconstructie.

De keuze voor de moderne uitstraling van de bovenverdieping en kap is niet zomaar van de ene op de andere dag gemaakt. Het Ledenlokalen pand was onderhevig aan het reconstructiedebat dat nog steeds een grote rol speelt binnen de monumentenzorg. Voor de restauratie en herbestemming van de Ledenlokalen moesten meerdere partijen samenwerken.

Zowel de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) als het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam en de Commissie Welstand wilden allemaal inspraak in het eindresultaat. En hier ging het mis. Er was aanvankelijk namelijk wel een plan om de oude Ledenlokalen te reconstrueren naar de situatie van 1941, inclusief de bovenverdieping en kap.7 Dit plan werd door Bureau Monumenten en Archeologie met veel enthousiasme ontvangen, en in 2010 ging ook de Commissie Welstand en Monumenten akkoord. Maar de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed dacht hier anders over. Een herbouw van de bovenverdieping en kap in oude stijl zou leiden tot falsificatie van het authentieke materiaal van het rijksmonument en het betonskelet van 1941 was niet geschikt voor hergebruik.

Een ander argument tegen de historische reconstructie was dat door het pand naar de situatie van 1941 terug te brengen de verzetsdaad van de oorlog zou worden ‘uitgewist’.8 Als gevolg kwam een eigentijdse oplossing. De huidige zwarte antracieten doos houdt vast aan de structuur van de 19e-eeuwse gevel, maar daar houdt de vergelijking ook wel op. Architect Sprenger beargumenteert dat het nieuwe niet moet wedijveren met het oude. De zwarte doos moet een neutrale achtergrond zijn waartegen de rest van het gebouw afsteekt, als een

‘prachtige vlinder tegen een zwarte achtergrond in plaats van in een bloemenveld.’9

7 Sara Stroux, ‘‘Kein ästhetisches Heil, außer im Alterswert?’: Over het actuele Duitse reconstructiedebat’, Bulletin KNOB 114:2 (2015) 84-101, aldaar 88.

8 Buikx e.a., Een plein voor Artis: of hoe de natuur de leermeester van alles is, 30.

9 Buikx e.a., Een plein voor Artis: of hoe de natuur de leermeester van alles is, 24-25.

(9)

Reconstrueren of behouden?

Hoe kan het dat de RCE zo’n grote inbreng in het eindresultaat kan hebben? Het antwoord is simpel: zonder akkoord van de Rijksdienst komen subsidies vaak niet los en komen restauratie- en reconstructieprojecten niet van de grond.10 Het debat over de grote vraag ‘wel of niet reconstrueren’ wordt al sinds het begin van de twintigste eeuw gevoerd. Aan de ene kant van het debat staan de RCE en veel monumentenorganisaties. Zij proberen reconstructies van monumenten zo veel mogelijk te voorkomen. De basis hiervoor vinden we aan het eind van de 19e eeuw. In die tijd was het normaal om oude gebouwen zo perfect mogelijk te restaureren of reconstrueren in de stijl van de periode waarin ze waren ontstaan.

Denk bijvoorbeeld aan de Notre-Dame. Dankzij restaurateur Eugène Viollet-le-Duc (1814- 1897) zou niemand kunnen zien dat het grootste gedeelte van de middeleeuws-ogende kathedraal helemaal niet meer middeleeuws is, maar in de 19e eeuw met moderne technieken is verbouwd.

Een steeds grotere groep zag historiserende herbouw als materiële geschiedvervalsing. Als reactie op deze historiserende architectuurstijlen in de 19e eeuw ontstonden de grondbeginselen van de wetenschappelijke monumentenzorg. De monumentenzorg zag historische gebouwen in de eerste plaats als een historisch document dat zo veel mogelijk in die staat behouden moet worden, inclusief alle invloeden en veranderingen die het verstrijken van de tijd met zich mee hebben gebracht. Het terug restaureren of reconstrueren naar de staat van een gebouw bij oplevering is dus uit den boze.

Het resultaat hiervan zou namelijk een ‘dode’ en betekenisloze kopie van het voorheen

‘levende’ monument zijn.11 Het was een begin van periode waarin het woord authenticiteit een centrale rol speelde. Dit is een problematisch brede term; alleen al in de Nederlandse Encyclopedie staan zestien verschillende betekenissen van authenticiteit.

Architectuurhistorica Marie-Thèrese van Thoor ziet de definities ‘echtheid’, ‘eigenheid’,

‘geloofwaardigheid’ en ‘oorspronkelijkheid’ als het meest geschikt voor de erfgoedwereld.12 Het is niet precies vast te stellen wanneer het begrip authenticiteit de erfgoedwereld bereikte, maar een grote ontwikkeling hierin was het invloedrijke International Charter for Conservation and Restoration of Monuments and Sites uit 1964, in de volksmond ook wel het Charter van Venetië genoemd.13 De inhoud van dit charter is vooral gericht op materiële authenticiteit. De oorspronkelijke bouwsubstantie moet behouden blijven, en eventuele nieuwe

10 Tom Damen, ‘Nieuwbouw Plantage kreeg nominatie, maar is volgens sommige kenners mislukt’, Het Parool (13 december 2014), https://www.parool.nl/nieuws/nieuwbouw-plantage-kreeg-nominatie-maar-is-volgens- sommige-kenners-mislukt~bf16fc2f/?utm_source=link&utm_medium=social&utm_campaign=shared_earned (geraadpleegd 19 maart 2021).

11 Noor Mens, ‘Vorm en context: over de rol van authenticiteit bij het waarderen van modern erfgoed’, Bulletin KNOB 119:4 (2020) 44-50, aldaar 46.

12 Marie-Thérèse van Thoor, ‘Authenticiteit, een geloofwaardig begrip?’, Bulletin KNOB 119:4 (2020) 51-56, aldaar 52.

13 Mens, ‘Vorm en context: over de rol van authenticiteit bij het waarderen van modern erfgoed’, 46.

(10)

toevoegingen, veranderingen of restauraties moeten pretenderen dezelfde historische waarde hebben, maar juist als nieuw herkenbaar zijn.14Dit idee werd gevolgd in het European Charter of Architectural Heritage in 1975 en begin jaren tachtig in de criteria van de Unesco Werelderfgoedlijst.15Eén blik op de zwarte doos bovenop de Ledenlokalen is genoeg om te weten dat dit standpunt nog steeds een grote plaats inneemt binnen de huidige monumentenzorg. Naast het verbod op een reconstructie in het kader van een restauratie, en dus met vernietiging van een deel van het nog bestaande origineel, kwam Unesco zelfs met algeheel verbod op replica’s om een al verloren origineel te vervangen. Volgens Unesco kan het niet-authentieke materiaal van een replica nooit historische waarde bezitten.16

Maar de waarde van een gebouw ligt toch niet alleen in zijn stenen? Zo zijn de Ledenlokalen niet alleen een rijksmonument vanwege het decoratieve (grotendeels) 19e- eeuwse gebouw en de cultuurhistorische waarde als onderdeel van het Artis-complex, maar ook als geschiedkundige locatie en als herinnering aan het bevolkingsregister ten tijde van de verzetsactie.17 Dit realiseert ook de monumentenzorg zich en de waardeoordelen als het gaat om de waardering van historische gebouwen verschuiven steeds verder weg van puur en alleen de bouwhistorische substantie van een gebouw. In 1994 werden andere authenticiteitswaarden vastgelegd in het Nara Document of Authenticity.18 Authenticiteit sloeg niet meer alleen op materiaal en substantie, maar kon ook betrekking hebben op vorm, ontwerp, gebruik, functie, tradities, technieken, locaties, omgeving, geest en gevoel.

In de praktijk blijft materiële authenticiteit bij beslissingen over restauraties en reconstructies echter vaak de leidraad. Toch zijn er situaties waarbij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zich genoodzaakt zag dit door de vingers te zien. Neem de grootschalige verwoestingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als gevolg ontstond de eerste wettelijke monumentenbescherming in Nederland.19 Alleen was er niet bepaald veel authentiek materiaal meer over om te beschermen. In de periode na de Tweede Wereldoorlog werd het Charter van Venetië tijdelijk buiten werking gesteld en begon het herstel van verwoeste monumenten en de wederopbouw van binnensteden, met het achterliggende idee dat reconstructies van belangrijke gebouwen van oude steden wellicht troost konden bieden. Architectuurhistoricus Wim Denslagen noemt dit ‘menselijk en nodig’.20 Ook cultuurhistorica Hanneke Ronnes erkent dat ideeën voor reconstructies steeds meer steun vinden sinds de Tweede Wereldoorlog, ook

14 ICOMOS, International Charter for the Conservation and Restoration of Monuments and Sites (The Venice Charter 1964) (Venetië 1964) 1-3.

15 Koos J.E. Bosma, Het post-Belvederetijdperk: Cultuurhistorisch beleid verankerd in de ruimtelijke ordening en in de ontwerpopgave (Amsterdam 2008) 24 en World Heritage Centre, Operational Guidelines for the

Implementation of the World Heritage Convention (Parijs 2019) 79-95.

16 Wim Denslagen, ‘Authenticiteit en spiritualiteit’, Bulletin KNOB 109:4 (2010) 135-140, aldaar 138.

17 Rijksmonumenten.nl, https://rijksmonumenten.nl/monument/518278/artis-kantoorgebouw-zogenaamde- ledenlokalen-en-hoofdgebouw-van-artis-complex/amsterdam/ (geraadpleegd 2 april 2021).

18 ICOMOS, The Nara Document of Authenticity (1994) (Nara 1994) 1-3.

19 Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Monumenten en oorlogstijd: Jaarboek Monumentenzorg (Zwolle 1995) 6.

20 Denslagen, ‘Authenticiteit en spiritualiteit’, 137-138.

(11)

al gaan deze in tegen het Charter van Venetië.21 Desalniettemin zorgden de standpunten en macht van de wetenschappelijke monumentenzorg ervoor dat van veel door de oorlog verwoeste stedelijke omgevingen weinig of niets meer te zien is, en ook niets meer te zien zal zijn. Reconstructies blijven volgens de monumentenzorg geschiedvervalsing.

Verdwenen verhalen voor een nieuw publiek

In de oorlog zijn in Nederland ruim duizend monumenten beschadigd. Driehonderd daarvan zijn werkelijk verwoest, en nog eens tweehonderd zwaar beschadigd.22 Vooral steden als Rotterdam en Middelburg zijn zwaar getroffen. De moderne uitstraling van het huidige Rotterdam dient als voldoende illustratie voor het feit dat veel (delen van) historische gebouwen niet zijn gereconstrueerd na de oorlog. De overtuiging dat men niet letterlijk zou mogen reconstrueren is hier niet de enige schuldige. Ook financiële, praktische en bouwkundige factoren kunnen bijdragen aan het niet terugbouwen van oorlogsverwoesting.

Zo blijft een deel van het oorlogsverleden voor altijd aan onze ogen onttrokken. Vanuit een publiekshistorisch oogpunt is dit een gemiste kans. Verscholen achter de vele moderne gevels in Nederland liggen (stadhistorische) oorlogsverhalen voor het oprapen. Dit hoeven niet altijd monumenten te zijn, ook gebouwen zonder monumentstatus kunnen drager zijn van verhalen met substantiële historische betekenis. De uitdaging zit hem in het vinden van een manier om ze te vertellen.

Het delen van verhalen uit de Tweede Wereldoorlog is nu belangrijker dan ooit. Ook hier lopen we namelijk tegen een probleem aan: de generatie die de oorlog heeft meegemaakt is bijna verdwenen. In 1998 deden Amerikaanse historici Roy Rosenzweig en David Thelen grootschalig onderzoek naar verschillende methoden voor het opdoen van historische kennis.

Zij concludeerden dat persoonlijke eerstehands verhalen voor velen de voorkeur hebben als het om het kennis nemen van geschiedenis gaat.23 Dit is nu nog mogelijk, maar tenzij de nog overgebleven ervaringen binnen korte tijd worden vastgelegd op papier of beeld, zal dit in de toekomst geen bruikbare methode voor de oorlogseducatie van nieuwe generaties meer zijn.

Getuigen overlijden, maar plekken blijven bestaan. Je zou kunnen stellen dat historische locaties meer belang krijgen wanneer getuigen van de Tweede Wereldoorlog wegvallen. Dit geldt voor elke periode van de geschiedenis waar geen directe getuigen meer van leven. Maar voor stadsgeschiedenis is de Tweede Wereldoorlog extra relevant. Veel van het uiterlijk van Nederlandse steden nu, is direct terug te leiden naar wat zich hier tijdens de

21 Hanneke Ronnes, ‘Authenticiteit en authenticiteitsbeleving: de presentatie en receptie van museum Paleis het Loo’, Bulletin KNOB 109:5 (2010) 190-199, aldaar 197.

22 Dirk van Laanen, ‘Aangehouden zorg: Rijksdiensten voor monumenten 1939-1947’ in: Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Monumenten en oorlogstijd: Jaarboek Monumentenzorg (Zwolle 1995) 8-31, aldaar 27.

23 R. Rosenzweig en D. Thelen, The presence of the past. Popular uses of history in American life (New York 1998) 22.

(12)

Tweede Wereldoorlog heeft afgespeeld. Kijk naar Rotterdam, Nijmegen en Arnhem. Door te leren over hoe de oorlog het stadsgezicht veranderde, ontstaat een groter historisch besef.

Een ander interessant punt van het onderzoek van Rosenzweig en Thelen is dat leerlingen aangaven erg weinig connectie met het verleden te voelen wanneer ze hierover leren uit schoolboeken in de klas.24 Dit is niet verwonderlijk, aangezien deze nieuwe ‘digital born generaties’ zijn opgegroeid met een overdaad aan media.25 We leren al lang niet meer alleen over geschiedenis via boeken. Literatuurdeskundige Jerome de Groot gebruikt de term historiocopia, oftewel ‘the multi-media, multi-platform way that history is engaged with and consumed.’26 Via games, sociale media, televisieprogramma’s, theater, podcasts en Youtube video’s is alles wat je over geschiedenis zou willen weten maar een paar klikken verwijderd.

Alleen geschreven tekst voldoet niet meer voor de nieuwe generaties die moeten ‘herinneren’.

Toch is het juist aan die generatie om de oorlog te blijven herdenken. Het is de taak van de moderne publiekshistoricus historische ervaringen te bieden die passen bij een nieuwe generatie, opgegroeid met audiovisueel en multimediaal leren in plaats van alleen uit boeken.

Op die manier kunnen ook de jongeren van nu, vaak de derde of vierde generatie na de Tweede Wereldoorlog, geïnteresseerd blijven in deze periode van onze geschiedenis en het herinneren voortzetten op hun eigen manier.27

Augmented Reality: een innovatieve oplossing?

Er zijn nu twee ‘problemen’ binnen de stedelijke herinneringscultuur van de Tweede Wereldoorlog besproken. De vele gebouwen die van cultuurhistorisch belang zijn voor de oorlog, maar die onder andere vanwege het reconstructiedebat niet meer in huidige stedelijke omgevingen te zien zijn, en de vraag om nieuwe multimediale manieren van oorlogseducatie om te zorgen dat de nieuwe ‘digital born’ generatie de oorlog blijft herdenken. Deze twee problemen zijn te combineren zijn middels een innovatieve oplossing: Augmented Reality op locatie van verdwenen oorlogsverwoesting. Hier kan ons oorlogsverleden door middel van 3D- reconstructies van gevels en extra informatie verbeeld kan worden voor nieuwe generaties.

Augmented Reality (AR) is een technologie waarbij digitale content, zoals foto’s, animatie en 3D-reconstructies, als een laag over de echte wereld heen geplaatst wordt. Dit creëert de illusie dat de digitale elementen zich in de echte wereld bevinden.28 Zo kan een gebruiker de camera van een telefoon of smartphone op een specifieke locatie richten, waarna

24 Ibidem, 31.

25 Nederlandse Museumvereniging, Kinderen en Museumbezoek: Investeren in het publiek van de toekomst (Amsterdam 2001) 76.

26 J. de Groot, Consuming history. Historians and heritage in contemporary popular culture (Londen en New York 2012) XVI.

27 Frank van Vree en Rob van der Laarse, ‘Ter inleiding’ in: Idem, De dynamiek van de herinnering: Nederland en de Tweede Wereldoorlog in een internationale context (Amsterdam 2009) 7-15, aldaar 15.

28 Marc Ericson C. Santos e.a., ‘Augmented Reality Learning Experiences: Survey of Prototype Design and Evaluation’, IEEE Transactions on Learning Technologies 7:1 (2014) 38-56, aldaar 39.

(13)

de locatie ‘tot leven lijkt te komen’.29 Er ontstaat een interactie tussen de realiteit en de digitale toevoegingen. AR is bovendien veel meer dan alleen een plaatje van vroeger, neergezet in een straat van nu. Er is een heel spectrum aan mogelijkheden. Een gebruiker kan bijvoorbeeld een vliegtuig zien neerstorten, omgevingsgeluiden van vroeger horen of luisteren en kijken naar een geanimeerde verzetsheld. Dit biedt interessante opties voor het overbrengen van historische kennis op een jonger publiek. AR moet niet worden verward met VR (Virtual Reality), waarbij de gehele omgeving virtueel in beeld wordt gebracht. Hier is dus geen interactie met de huidige omgeving. Met andere woorden, AR voegt iets toe aan de realiteit, terwijl VR deze helemaal vervangt.30

Lange tijd waren dit soort technieken vooral het terrein van organisaties met een grote pot geld achter de hand. Maar sinds het begin van de ontwikkeling van AR in 1969 zijn er grote stappen gemaakt.31 De software die hiervoor nodig is, wordt steeds goedkoper en gebruiksvriendelijker. We zien dat digitale technieken worden gebruikt in tentoonstellingen en historische routes van erfgoedorganisaties.32 De eerste keer dat AR een plaats kreeg in de culturele sector was in 2001. De app ‘Archeoguide’ reconstrueerde 3D-modellen van de Griekse tempels van het antieke Olympia.33 In deze tijd was de techniek nog langzaam, weinig realistisch en vooral erg duur. Dit veranderde in 2004 toen particuliere smartphones de technologie gingen ondersteunen.34 Sindsdien zien we meer apps voor de culturele sector en toeristensector verschijnen.35 Deze apps worden zowel op stedelijke locaties (Layar 2009) als in musea (Museum Catharijneconvent 2012) toegepast.36 AR is ook een populaire spelvorm.

De immense populariteit van de AR-app Pokémon-GO in 2016 is hier van een goede illustratie.

Veel jongeren zijn onderhand bekend met de technologie, waardoor dit een voor hen toegankelijk digitaal medium is. AR biedt hierdoor interessante mogelijkheden voor educatie onder jongeren, ook over de Tweede Wereldoorlog.

29 Mandy Ding, ‘Augmented Reality in Museums’ in: Brett Ashley Crawford en Elizabeth Kane eds., The

Augmented Museum: Essays on Opportunities and Uses of Augmented Reality in Museums (Pittsburgh: 2017) 1- 16, aldaar 1-3.

30 Jason M. Harley e.a., ‘Comparing virtual and location-based augmented reality mobile learning: emotions and learning outcomes’, Educational Technology Research and Development 64:3 (2016) 359-388, aldaar 360.

31 Clemens Arth e.a., The history of mobile augmented reality. Developments in mobile AR over the last almost 50 years (Graz 2015) 2.

32 FARO, https://faro.be/nieuws/virtual-augmented-reality-volop-in-gebruik-in-de-erfgoedsector-vooraanstaande- internationale- (geraadpleegd 19 maart 2021).

33 Vassilios Vlahakis e.a., ‘Archeoguide: An augmented reality guide for archaeological sites’, IEEE Computer Graphics and Applications 22:2 (2002) 52-60, aldaar 52.

34 Cary Carson, ‘The End of History Museums: What’s Plan B?’, The Public Historian 30:4 (2008) 9-27, aldaar 26.

35 Eleanor E. Cranmer, ‘Designing Valuable Augmented Reality Tourism Application Experiences’ in: M. Claudia tom Dieck en Timothy Jung eds. Augmented Reality and Virtual Reality: The Power of AR and VR for Business (Cham 2019) 73-88, aldaar 73.

36 Oneindig Noord-Holland, https://onh.nl/verhaal/met-layar-zie-je-de-wereld-door-een-andere-bril (geraadpleegd 19 maart 2021) en Kennis voor collecties, http://www.kennisvoorcollecties.nl/showcases/govert-flinck-ar/

(geraadpleegd 2 april 2021).

(14)

Methode

In dit onderzoek staat de vraag centraal op welke manier een AR-app op locatie van (monumentale) oorlogsverwoesting kan bijdragen aan de kennis over en herinnering aan de Tweede Wereldoorlog onder jongeren. Wat voor historische ervaring kan een dergelijke app bieden en wat maakt deze app voor het publiek wel of niet de moeite waard? Hoewel onderzoek laat zien dat ouderen open staan voor het gebruiken van AR, focust dit onderzoek zich vooral op ‘jongeren’ die geen directe relatie met de oorlog meer hebben en veelal digitaal leren, te weten jongeren tot dertig jaar oud.37

Dit onderzoek is opgedeeld in drie hoofdstukken. In de eerste twee hoofdstukken ga ik in op de twee in deze inleiding geïntroduceerde problemen en behandel ik hoe AR hier een nieuw perspectief op kan bieden. In hoofdstuk één staat AR als historische sensatie centraal.

Hier zet ik uiteen welke historische waarden een virtuele 3D-(gevel)reconstructie van een verdwenen gebouw op locatie bevat en beargumenteer ik in hoeverre een AR-reconstructie een historische sensatie kan bieden. Tevens worden aan de hand van al bestaande apps de eventuele kansen en risico’s van een publiekshistorisch AR-product op locatie besproken.

In hoofdstuk twee behandel ik AR als herinneringsfacilitator voor de Tweede Wereldoorlog. Het hoofdstuk bevat een analyse van de manier waarop AR kan bijdragen aan de herinneringscultuur van de Tweede Wereldoorlog onder jongere generaties. Hiervoor zal eerst de herinneringscultuur van de Tweede Wereldoorlog worden behandeld, om vervolgens aan de hand van al bestaande voorbeelden te analyseren hoe een AR-product als stimulans van deze herinneringscultuur onder jongeren kan dienen.

Maar is er eigenlijk animo voor een historische AR-app op locatie? En wat zoekt het publiek in een AR-app? In hoofdstuk drie behandel ik de resultaten van een online publieksonderzoek onder potentiële gebruikers van een publiekshistorische AR-app op locatie.

Aan de hand van deze resultaten stel ik vast waar de app aan moet voldoen om een aangename geschiedenisbeleving te bieden voor het gehele publiek en meer specifiek voor jongeren.

Door middel van de opgedane kennis uit de theoretische analyse en de resultaten van het publieksonderzoek kan ik vervolgens concluderen op welke manier een AR-app op locatie van tijdens de oorlog verdwenen bouwsubstantie een historische ervaring kan bieden die bijdraagt aan de herinneringscultuur van de Tweede Wereldoorlog onder jongeren.38 Ook geef ik aanbevelingen voor de uitvoering van een dergelijke stadshistorische AR-app in Amsterdam.

37 Genevieve Alelis, Anina Bobrowicz en Chee Siang Ang, ‘Comparison of engagement and emotional responses of older and younger adults interacting with 3D cultural heritage artefacts on personal devices’, Behaviour &

Information Technology 34:11 (2015) 1064-1078, aldaar 1066, 1075.

38 Ik ga in deze masterscriptie uit van de in architectuurgeschiedenis gebruikelijke term ‘bouwsubstantie’. Het is namelijk niet altijd zo dat een volledig gebouw verwoest of verdwenen is. Soms gaat het, zoals bij de Artis Ledenlokalen, ook om slechts een deel van het gebouw dat niet gereconstrueerd is. Het gebruik van de term

‘gebouw’ zou in dit geval niet toereikend zijn.

(15)

H1 - AR als historische sensatie op locatie

1.1 – Historische sensatie gereconstrueerd

Waarom vinden we authenticiteit, en met name materiële authenticiteit, zo belangrijk? Het antwoord is simpel. Het geeft ons het gevoel het verleden als het ware aan te kunnen raken.

Het gevoel voor even terug te kunnen stappen in de tijd. En dat is waar veel publiekshistorici naar streven: het publiek het gevoel te geven de geschiedenis echt te kunnen ervaren. Maar hoe belangrijk is materiële authenticiteit voor deze historische sensatie?

Het fenomeen van de historische sensatie is eind jaren 40 uitvoerig beschreven door historicus Johan Huizinga. Historische sensatie, soms aangeduid als ‘historische perceptie’ of

‘historisch contact’, is volgens Huizinga een ervaring die ons een direct en onmiddellijk contact met het verleden biedt.39 Hierbij benadrukt hij dat dit alleen ervaren kan worden als het publiek gelooft naar iets ‘echts’ te kijken, iets authentieks. Mocht het publiek erachter komen dat het object niet authentiek is maar een reproductie of reconstructie, dan doet dit direct af aan de historische sensatie. Historici Jo Tollebeek en Tom Verschaffel gaan zelfs zover te stellen dat het publiek zich bedrogen voelt en noemen dit een ‘misleidende historische ervaring’.40 Volgens hen kan er geen sprake zijn van historische sensatie als het voorwerp dat de historische ervaring opwekt niet ‘werkelijk is wat het pretendeert te zijn’.41

Om een historische ervaring te bieden, is het dus van belang het publiek ervan te overtuigen naar de ‘echte’ geschiedenis te kijken. We spreken hier ook wel van staged authenticity, een concept geïntroduceerd door omgevingsdesignspecialist Dean McCannell.42 Staged authenticity verwijst naar situaties die duidelijk geënsceneerd of ‘nagemaakt’ zijn, maar wel zodanig gelijkend op de oorspronkelijke toestand dat het publiek overtuigd wordt naar iets authentieks te kijken. In contrast met Huizinga, Tollebeek en Verschaffel is de suggestie van authenticiteit hier dus belangrijker dan materiële authenticiteit zelf. Zolang het publiek maar gelooft dat het object materiële authenticiteit bezit, maakt de oorspronkelijkheid van het materiaal voor de historisch sensatie niet uit.

Wat gebeurt er als op geen enkele wijze materiële authenticiteit aan een product kan worden toegewezen? Dat is de situatie bij een AR-app met een virtuele reconstructie van een verdwenen gebouw. Kijkend naar een schermpje is het duidelijk dat de virtuele reconstructie geen enkele mate van materiële authenticiteit bezit. De gebruiker kijkt niet naar het echte bouwwerk, opgebouwd uit steen en metselwerk, maar naar een afbeelding bestaande uit vele

39 Johan Huizinga, Verzamelde werken 1948-1950 deel 7 II (Haarlem 1950) 71-72.

40 Frank R. Ankersmit, De historische ervaring (Groningen 1993) 12.

41 Jo Tollebeek en Tom Verschaffel, De vreugden van Houssaye: Apologie van de historische interesse (Amsterdam 1992) 23.

42 Dean MacCannell, ‘Staged Authenticity: Arrangements of Social Space in Tourist Settings’, American Journal of Sociology 79:3 (1973) 589-603.

(16)

duizenden pixels.43 Het gebouw is overduidelijk niet ‘echt’. Hoe kan een dergelijke presentatievorm een historische authenticiteitservaring geven aan een publiek? Betekent dat dat hier alle kans op historische sensatie verkeken is?

Zeker niet. De focus op objectieve materiële authenticiteit verschuift namelijk steeds meer richting subjectievere authenticiteitsvormen. In 2000 stelde socioloog Ning Wang dat het publiek een specifieke vorm van authenticiteit zoekt op de plaatsen die het bezoekt: existential authenticy.44 Zij doelt hiermee op het feit dat het publiek minder waarde hecht aan de objectieve authenticiteit van een object, maar des te meer aan de eigen persoonlijke betekenis heeft die een individu aan een object koppelt.45 Dit zou betekenen dat de authenticiteit een parapluterm is voor verschillende betekenissen en authenticiteitswaarden, afhankelijk van de beschouwer.

Naast Wang hanteren meerdere wetenschappers een bredere definitie van authenticiteit. Ook architectuurhistoricus Wim Denslagen bijvoorbeeld erkent dat de interpretatie van het woord authenticiteit als alleen de waardering van oorspronkelijke materie wellicht niet voldoet: ‘Door echter het begrip [authenticiteit] op te vatten als een soort waardetoekenning, wordt de eenduidigheid ervan vernietigd met als gevolg dat het niet meer mogelijk is om het begrip te gebruiken om de substantie te beschermen. Als het begrip authenticiteit meer betekenissen heeft, dan is men vrij om die betekenis te kiezen die men wil, wat neerkomt op een keuze voor de betekenis die in de gegeven omstandigheden het beste uitkomt.’46 Hij legt uit: ‘Kan een replica dan geen andere culturele waarde hebben? Kan ze niet een symbolische, spirituele betekenis hebben voor een cultuur? Kan ze niet als reproductie waarde hebben als een symbolische verwijzing naar het verleden, een reproductie die als herinneringsbeeld geladen is met nog meer betekenissen dan het origineel.’47 Volgens deze redenering is het dus aan de beschouwer welke historische waarde deze toekent aan een product of object. Waar de een zich dichter bij de Oudheid voelt als hij in een museum een overgebleven stukje materiaal van een Griekse tempel voor zich ziet, voelt de ander zich wellicht meer verbonden met het verleden als hij op de Akropolis zelf loopt of een moderne reproductie van een tempel bekijkt. Huizinga’s idee dat materiële authenticiteit noodzakelijk is voor historische sensatie, ofwel ‘een onmiddellijk contact met het verleden’, is in dat opzicht achterhaald.

Ik sluit mij in dit onderzoek aan bij Van Denslagens interpretatie van authenticiteit als een vorm van waardetoekenning. Zo heeft een virtuele reconstructie meer historische waarden

43 Stroux, ‘‘Kein ästhetisches Heil, außer im Alterswert?’: Over het actuele Duitse reconstructiedebat’, 94-95.

44 Ning Wang, Tourism and modernity: A sociologial analysis (Oxford 2000) 57.

45 Dai-In Danny Han e.a., ‘Virtual and Augmented Reality Technologies to Enhance the Visitor Experience in Cultural Tourism’ in: M. Claudia tom Dieck en Timothy Jung eds. Augmented Reality and Virtual Reality: The Power of AR and VR for Business (Cham 2019) 113-128, aldaar 121.

46 Denslagen, ‘Authenticiteit en spiritualiteit’, 139.

47 Denslagen, ‘Authenticiteit en spiritualiteit’, 138.

(17)

dan alleen die van authentiek materiaal. In dit hoofdstuk zet ik aan de hand van al bestaande voorbeelden uiteen welke historische waarden een app met een virtuele AR-reconstructie op locatie de gebruiker kan bieden. Deze waarden kunnen elk als basis dienen voor historische sensatie. Ook behandel ik enkele sterke punten en potentiële valkuilen van een dergelijke AR- app.

1.2 – Bestaande stedelijke AR-reconstructieapps

Het concept van AR-apps met virtuele reconstructies van verdwenen gebouwen is niet nieuw.

Meerdere bestaande apps proberen verdwenen bouwstructuren op locatie te laten zien aan een publiek. Apps zoals Streetmuseum Museum of London en berlinHistory doen dit door middel van het plaatsen van historische foto’s en documenten over de echte wereld (fig. 2 en 3). Het resultaat is een schematische weergave van een vroegere situatie.

Een minder schematische variant vinden we in apps die 3D-reconstructies van de historische situatie van gebouwen met gebruik van AR virtueel in de huidige situatie plaatsen.

Zo kunnen gebruikers van de app Carrickfergus Castle Immersive AR tijdens het rondlopen op en rondom Carrickfergus Castle in Noord-Ierland middels een tablet kijken naar hoe zowel het in- als exterieur er vroeger uitzag (fig. 4). In dit geval is het grootste deel van het kasteel nog intact en voegt de AR-app slechts enkele details van het gebouw en de omgeving toe.

Fig. 3 - berlinHistory

Fig. 4 – Carrickfergus Castle Immersive AR Fig. 5 – Hidden Florence 3D Fig. 2 – Streetmuseum Museum of London

Fig. 2 – Streetmuseum Museum of London (links

(18)

Andere apps dienen juist om een bijna volledig verdwenen gebouw weer zichtbaar te maken. Hidden Florence 3D: San Pier Maggiore is hier een goede illustratie van. Gebruikers lopen rond in Florence op de plek waar vroeger de kerk en het klooster San Pier Maggiore stonden. Met behulp van de app kan de gebruiker voor even teruggaan in de tijd en het interieur en exterieur van de kerk aanschouwen (fig. 5).

Dit is slechts een kleine selectie van bestaande apps met architecturale reconstructies.

Ondanks dat de meeste voorbeelden geen betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog, illustreren zij de vele mogelijkheden om door middel van AR verdwenen bouwsubstantie te visualiseren. Hierna bespreek ik aan de hand van deze en andere voorbeelden welke historische waarden historische AR-apps bevatten.

1.3 – Plaatswaarde

Een onbetwistbare historische waarde die we bij toepassing van een AR-app op locatie terugvinden is de plaatswaarde. Waar gebouwen en gebeurtenissen met de tijd verdwijnen, blijven plekken bestaan. Denk bijvoorbeeld aan het Forum Romanum als het centrum van Rome, of in de recentere geschiedenis de locatie van de Twin Towers in New York. Historische verhalen en herinneringen blijven voor altijd verbonden aan een plek, ongeacht of de historische omgeving wel of niet verdwenen is. Herinneringsdeskundige Pierre Nora’s noemt deze plekken lieux de memoire (plaatsen van herinnering). In veel gevallen is er geen echte historische omgeving meer te zien op plekken van herinnering.48 Onder (stads)historici wordt de term lieux de memoire van Nora veel gebruikt. Kunst- en architectuurhistorici richten zich echter iets meer op het nog tastbare verleden en de authentieke materiële locatie van historische gebeurtenissen. Zij gebruiken hier de term plaatsauthenticiteit voor.

Dit publiekshistorische onderzoek richt zich vooral op de waarde, materieel én immaterieel, die een publiek aan een historische plek hecht. Daarom zal ik de bredere term plaatswaarde aanhouden, met als doel verschillende disciplines samen te brengen. De definities van deze verschillende termen zijn echter grotendeels dezelfde. Ze beschrijven locaties van oorspronkelijke historische (oorlogs-)gebeurtenissen als dragers van geschiedenis.49 Locaties brengen herinneringen bij mensen naar boven, bijvoorbeeld bij veteranen die op die specifieke plek in gevecht zijn geweest, maar ook bij de gewone burger die daar woonde of een verzetsheld die daar opereerde. Dit kunnen persoonlijke associaties bij een plek zijn, maar ook herinneringen aan grotere historische gebeurtenissen en verhalen, in dit geval de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Hierdoor dragen plekken voor

48 Pierre Nora, ‘Between Memory and History: Les Lieux de Mémoire’, Representations 26 (1989) 7-24, aldaar 7.

49 Jo Tollebeek, België: een parcours van herinnering (Amsterdam 2008) 14.

(19)

iedereen een combinatie van een eigen, persoonlijke betekenis en kennis van een groter (inter)nationaal of lokaal historisch verhaal.

Ook nu nog koppelen mensen hun herinneringen en in grote mate hun identiteit aan de geschiedenis van plekken. Zo staat wonen in de Jordaan voor veel Jordaners gelijk aan het wonen in de buurt van het volk, van het Jordaanoproer, van gezelligheid en van André Hazes;

het ‘échte’ Amsterdam. Dit sluit aan bij de moderne planologische theorie van placemaking.50 Kennis hebben van de verhalen van een plek laat omwonenden en bezoekers zich meer verbonden voelen met de plek zelf, als onderdeel van deze geschiedenis. Zo wordt door het vertellen van stadshistorische verhalen een locatie verheven van een doodgewone plek naar een plek met een geschiedenis en verhaal. Verhalen ‘maken’ de plek en hebben in lokale context een identiteitsverlenende werking.51 Ook deskundige in toerisme en vrijetijdsbesteding Yu-Lien Chang onderschrijft deze werking. Volgens haar leiden deze gevoelens van toebehoren en betrokkenheid tot een sense of place.52 Deze werking kan handig ingezet worden om interesse in het lokale verleden te versterken onder toeristen, bezoekers en omwonenden. Volgens museumdirecteur Paul Spies past dit bij het doel van stadshistorie:

‘uiteindelijk wil je heel graag dat je mensen weet te binden aan de plek en aan elkaar, want ze delen met elkaar die plek. De binding aan de stad betekent betrokkenheid en ook verantwoord met elkaar omgaan: gedeeld burgerschap.’53 Een plek in de stad waar vanwege oorlogsverwoesting de authentieke bouwsubstantie verdwenen is, doet er dus nog steeds toe.

Deze heeft een mate van plaatswaarde als het enige nog overgebleven tastbare van wat zich vroeger op deze specifieke plek heeft

afgespeeld.54

Een voorbeeld van een ander publiekshistorisch product in de openbare ruimte met een hoge mate van plaatswaarde is de zogenaamde struikelsteen (fig. 6).

Struikelstenen markeren in veel steden de stoepen voor de laatste woonhuizen van Holocaust slachtoffers. Door aan te geven

50 Bharain Mac an Bhreithiúm, ‘Graphic Design, Globalization, and Placemaking in the Neighbourhoods of Amsterdam’ in: Marco de Waard ed., Imagining Global Amsterdam: History, Culture and Geography in a World City (Amsterdam 2012) 255-272, aldaar 255-259.

51 Jan Kolen, Rutger van Krieken en Maarten Wijdeveld, ‘Topografie van de herinnering. De performance van de oorlog in het landschap en de stedelijke ruimte’ in: Frank van Vree en Rob van der Laarse, De dynamiek van de herinnering: Nederland en de Tweede Wereldoorlog in een internationale context (Amsterdam 2009) 196-220, aldaar 219.

52 Yu-Lien Chang e.a., ‘Apply an Augmented Reality in a Mobile Guidance to Increase Sense of Place for Heritage Places’, Journal of Educational Technology & Society 18:2 (2015) 166-178, aldaar 166-167.

53 Ed Taverne, Paul Knevel en Sebastian Dembski, ‘Musea buiten de muren’, Stadsgeschiedenis 6:2 (2011) 201- 216, aldaar 215.

54 Elissa Rosenberg, ‘Walking the city: memory and place’, The Journal of Architecture 17:1 (2012) 131-149, aldaar 131.

Fig. 6 – Struikelstenen in Amsterdam

(20)

waar slachtoffers van de Holocaust woonden, brengen ze het historische verhaal naar de tegenwoordige tijd.55 Huidige bewoners van de straat of passanten nemen deze geschiedenis mee in hun beleving van en herinneringen aan de plek.

Op dezelfde wijze kan een AR-reconstructie van de vroegere stadshistorische situatie op de plek de geschiedenis tot leven wekken voor de toeschouwer en de waarde die men aan die specifieke plek hecht versterken, zoals bijvoorbeeld de Hidden Florence 3D app op locatie van de verdwenen San Pier Maggiore. Terwijl je als gebruiker wordt meegenomen in het historische verhaal van die plek, ruik, hoor en zie je de omgeving waarin het historische verhaal zich heeft afgespeeld, wat een persoonlijke connectie met die plek en het verleden versterkt.56 Het feit dat een AR-app op de betreffende historische locatie gebruikt kan worden voegt nog een extra zintuigelijk element toe wat als een kwaliteit van het AR-product kan worden gezien.

1.4 – Beeldwaarde

Naast plaatswaarde bevat een AR-reconstructie op locatie nog een andere vorm van historische waarde, te weten de beeldwaarde. Waar de plaatswaarde is gebaseerd op de nog bestaande locatie van het gebouw, bevat de beeldwaarde de uiterlijke kenmerken die verloren zijn gegaan.57 Een AR-reconstructie plaatst een verdwenen gebouw virtueel terug in het oorspronkelijke stadsbeeld. Ookal zal een virtuele (gevel)reconstructie nooit alle bouwsporen meedragen die bij een fysiek gebouw te zien zijn, de artistieke uniciteit van het uiterlijke ontwerp blijft zichtbaar.58 Een herinnering van het ‘beeld’ en het exterieurontwerp van het gebouw blijft bewaard, maar voorkomt in deze vorm de falsificatie van het verleden waar de monumentenzorg zich bij hedendaagse reconstructies tegen afzet. Ook worden de oorlogsgebeurtenissen die tot het moderne straatbeeld hebben geleid niet ‘uitgewist’ door de vroegere situatie te reproduceren. Duitse architectuurhistoricus Winfried Nerdinger stelde in 2010 in als reactie op het reconstructiedebat: ‘Wenn es vorrangig darum geht, die Erinnerung über Architektur zu bewahren, muss die bauliche Substanz nicht zwingend “original” sein.’

Reconstructies van gebouwen zijn volgens zijn redenering een valide uitdrukking van een herinneringscultuur.59 Nerdingers standpunt kan ook worden toegepast op AR, aangezien een virtuele reconstructie beeldwaarde bevat als herinnering aan een vroegere situatie.

Ik sluit mij hier graag bij aan, op voorwaarde dat tijdens de ontwikkelingsfase van de app historisch onderzoek gedaan wordt naar het ontwerp van het verdwenen gebouw,

55 Eliza Apperly, “Stumbling stones’: a different vision of Holocaust remembrance’, The Guardian (18 februari 2019), https://www.theguardian.com/cities/2019/feb/18/stumbling-stones-a-different-vision-of-holocaust- remembrance (geraadpleegd 19 maart 2021).

56 Jennifer Challenor en Minhua Ma, A Review of Augmented Reality Applications for History Education and Heritage Visualisation (Stoke on Trent: 2019) 17.

57 Stroux, ‘‘Kein ästhetisches Heil, außer im Alterswert?’: Over het actuele Duitse reconstructiedebat’, 99.

58 Kolen, ‘Topografie van de herinnering’, 201.

59 Winfried Nerdinger, ‘Zur Einführung. Konstruktion und Rekonstruktion historischer Kontinuität’, in: Nerdinger, Geschichte der Rekonstruktion: Konstruktion der Geschichte (München: 2010) 10-14, aldaar 11.

(21)

gelijkend aan het onderzoeksproces in het geval van een fysieke restauratie. Dit verkleint de kans op historische onnauwkeurigheden aanzienlijk en verhoogt de authenticiteit van het gereconstrueerde beeld. Mocht dit historisch onderzoek ontbreken of in het geval dat onvoldoende documentatie beschikbaar is, dan verliest de app naar mijn mening een deel van de beeldwaarde. Het uitvoeren van dit onderzoek is echter zowel tijd- als geldrovend.

Daarnaast vraagt een AR-reconstructie met een dergelijke mate hoge detaillering veel van de app en het apparaat waarop de app geopend is. Hier ligt dus een noodzaak van een hoog budget voor de appontwikkeling.

De vraag is echter of het uitgeven van zoveel geld ook werkelijk nodig is en of het verliezen van een deel van de beeldwaarde ook echt ten alle tijden voorkomen moet worden.

Hiervoor dient een afweging gemaakt te worden wat belangrijker is; een groot publiek bereiken of volledige historische nauwkeurigheid. De Groot hecht meer waarde aan het bereiken van een zo groot publiek door te stellen dat ‘that film, TV, documentary, fiction, games, hobbies, museums and the like all have a contribution to make to a historical imaginary (they let us think and learn about the past)’. Hij vindt daarom dat het de taak van de publiekshistoricus is om verder te kijken dan de ‘binary critique of ‘‘fiction’’ versus historical past’ en dat we populaire vormen van geschiedenis ook als historisch product moeten erkennen.60 Andere publiekshistorici, zoals James B. Gardner, vinden echter dat als er een mogelijkheid is tot volledige historische accuraatheid, deze kans aangegrepen moet worden ongeacht de bijkomende tijd en kosten. Ondanks dat hij het er mee eens is dat historici als ‘advocates of history’ geschiedenis op een toegankelijke manier naar het publiek moeten brengen, stelt hij:

‘I’m troubled by their dismissal of historical scholarship as fragmented, specialized, and boring.’61 ‘We cannot abandon our responsibilities as historians and curators.’62

Een onbeperkt budget voor historisch onderzoek is echter niet realistisch. Bij ieder nieuw publiekshistorisch product dient deze afweging tussen een groot publiek, budget, tijd en historische accuraatheid opnieuw gemaakt te worden. De uiteindelijke nauwkeurigheidsgraad van een 3D-reconstructie in een AR-app ligt waarschijnlijk ergens tussen deze meningen in.

Zelfs al streven makers van de reconstructie naar volledige historische nauwkeurigheid, dan hangt de uiteindelijke mate van nauwkeurigheid af van de hoeveelheid nog te vinden documentatie van het vroegere gebouw. In het geval van incompleet historisch onderzoek voor een 3D-reconstructie is het daarom bovenal van belang hierover transparant naar het publiek te communiceren, zodat gebruikers weten welke onderdelen van de reconstructie op aannames gebaseerd zijn in plaats van op feiten.63

60 De Groot, Consuming history. Historians and heritage in contemporary popular culture, 5.

61 James B. Garder, ‘Contested Terrain: History, Museums and the Public’, The Public Historian 26:04 (2004) 11- 21, aldaar 13.

62 Garder, ‘Contested Terrain: History, Museums and the Public’, 17.

63 Ibidem, 16.

(22)

Mocht deze hindernis overwonnen kunnen worden door middel van financiële ondersteuning, gedegen historisch onderzoek en goede technologische ontwikkeling, dan biedt een app de kans een historisch beeld terug te brengen, niet alleen van een losstaand gebouw, maar van een straatbeeld in een vroegere situatie. En zelfs nog meer dan dat. Dankzij de uitgebreide mogelijkheden van AR-apps kunnen gebruikers ook uitleg krijgen bij wat ze zien. Zo zou een gebruiker op verschillende onderdelen van het gebouw kunnen klikken en zo de ideeën achter het ontwerp kunnen lezen, of kunnen luisteren naar een verhaal over waarom dit gebouw van belang is. Daarnaast zou de gevonden historische documentatie tijdens de onderzoeksfase ook in de app gebruikt kunnen worden door waar mogelijk historische media zoals oude video’s, foto’s of plattegronden te laten zien ter illustratie en verdere detaillering van het verhaal rond het verdwenen bouwwerk.64 Dit biedt de gebruiker een inkijkje in historische documenten die ze anders niet snel zouden kunnen zien.

Een dergelijke vorm van informatievoorziening middels moderne technologieën zagen we 2019 al in de Oude Kerk in Amsterdam.65 Bezoekers konden op hun smartphone de bouwgeschiedenis van de Oude Kerk volgen vanaf 1300 tot 2019. Afhankelijk van de kijkrichting werden verschillende delen van de architectuur uitgelicht en toegelicht. Gebruikers van de app liepen om een plattegrond heen voor een beter begrip van het gebouw en vergeleken de 3D-projectie met het echte

gebouw om te zien of ze bouwfases konden herkennen (fig. 7). Dit voorbeeld illustreert een duidelijke onderscheidende kwaliteit van AR- apps op historische locaties. Door de tegenwoordige en vroegere stedelijke omgeving en bouwontwerpen met elkaar te vergelijken, wordt het begrip van de desbetreffende bouwhistorie versterkt.66

Onder beeldwaarde valt in het geval van een geromantiseerd verleden tevens een vorm van nostalgie. Deze nostalgiewaarde komt voort uit de wens om het stadsbeeld te completeren of aantrekkelijker te maken. Restauratie architect Sara Stroux noemt het de instandhouding van het ‘culturele geheugen’.67 Zo past een verloren gegaan grachtenpand in Amsterdam beter in het stedelijke ensemble dan moderne nieuwbouw en waarborgt de

64 Jens Keil e.a., The House of Olbrich – An Augmented Reality Tour through Architectural History (Bazel 2011) 16.

65 DEN Kennisinstituut, https://www.den.nl/actueel/artikelen/240/kijken-door-een-hololens-mixed-reality-voor- erfgoed (geraadpleegd 19 maart 2021).

66 Jason M. Harley e.a., ‘Comparing virtual and location-based augmented reality mobile learning: emotions and learning outcomes’, Educational Technology Research and Development 64:3 (2016) 359-388, aldaar 381.

67 Stroux, ‘‘Kein ästhetisches Heil, außer im Alterswert?’: Over het actuele Duitse reconstructiedebat’, 92.

Fig. 7 – Plattegrond Oude Kerk in AR

(23)

reconstructie van een kathedraal een beeld van het religieuze verleden.68 Een app met een virtuele reconstructie bevat dus ook een vorm van nostalgiewaarde door de visuele instandhouding van een stadsbeeldbepalend ensemble. De app brengt de beschouwer even terug naar een geromantiseerde historische situatie. Overgeleverde bouwsubstantie is ook hiervoor niet noodzakelijk.69

1.5 – Referentiële waarde

Vervolgens komen we op het terrein van de subjectieve historische waarden van een virtuele reconstructie binnen een AR-app op locatie. Naast het feit dat het gebouw virtueel terug wordt geplaatst op de oorspronkelijke plek, verwijst de reconstructie naar een historische gebeurtenis of situatie. Deze verwijzing

naar historische context noemen we de referentiële waarde.70 Een voorbeeld van een app met een grote mate van referentiële waarde is MauAR (fig 8).

Deze app maakt de afgebroken Berlijnse muur zichtbaar op de locatie waar deze zich vroeger bevond en refereert duidelijk naar de historische context van de Koude Oorlog door middel van informatieve

teksten in de app en acteurs die zich in AR voordoen als historische personages en zo het publiek de verhalen van mensen uit Oost- en West-Berlijn vertellen.

Een door oorlogsverwoesting verloren gegaan gebouw heeft politieke en cultuurhistorische waarde als herinnering aan het oorlogsverleden. Zo kunnen gebouwen en plaatsen naar veel verschillende historische gebeurtenissen, plekken of personen refereren.

Historicus Jo Tollebeek maakt hierbij typologisch onderscheid tussen plaatsen van geschiedenis (als onderdeel van het lokale of nationale romantische historiebeeld), plaatsen van expansie (waar rijkdom en vooruitgang werd gevierd), plaatsen van tweedracht (met associaties van de verdeeldheid van het land), plaatsen van crisis (met aangehechte traumatische herinneringen) en plaatsen van nostalgie (met persoonlijke herinneringen van vroeger).71

Een AR-app op locatie van oorlogsverwoesting heeft hoofdzakelijk een historische lading als plaats van crisis, zij het door een verzetsactie, een neerstortend vliegtuig of een

68 Ibidem, 92.

69 Ibidem, 99.

70 Kolen, ‘Topografie van de herinnering’, 201-202.

71 Tollebeek, België: een parcours van herinnering, 20-22.

Fig. 8 – MauAR met reconstructie Berlijnse Muur

(24)

bombardement. Referenties naar andere nationale of regionale historische gebeurtenissen, plekken of personen worden echter niet uitgesloten. Dit hangt af van verdere persoonlijke associaties die een toeschouwer bij de betreffende gebeurtenis, plek of persoon heeft. Al deze referenties kunnen motieven zijn om verdwenen bouwwerken terug te willen brengen, zowel virtueel als fysiek.72 Bovendien kan in de context van oorlogsverwoesting, de herbouw van een mooi gebouw of straatbeeld een vorm van troost bieden.

Een virtuele reconstructie van een gebouw in AR kan net zo goed deze historische context in beeld brengen als het werkelijke gebouw, wellicht zelfs beter door de mogelijkheid op een aansprekende manier meer uitleg te geven bij een gebeurtenis. Hier zien we een van de sterke punten van op locatie gebaseerde publiekshistorische producten. Op de desbetreffende locatie over de referentiële waarde van die plek horen maakt indruk. Het idee dat deze historische figuren misschien wel op exact dezelfde plek als de beschouwer hebben gestaan maakt de oorlogsverhalen persoonlijk. Hierdoor krijgt de beschouwer een beeld van de relevantie van deze geschiedenis.

1.6 – Belevingswaarde

Een kwaliteit van AR die niet onderschat moet worden, is de mogelijkheid een toeschouwer mee te nemen in een historische gebeurtenis, alsof diegene er werkelijk zelf bij was. We spreken hier van de belevingswaarde van een historisch product.73 De belevingswaarde is een historische waarde die steeds makkelijker kan worden opgeroepen en geënsceneerd door middel van moderne technologische presentatietechnieken, waaronder AR.74 Het kunnen meebeleven van een gebeurtenis of verhaal binnen AR, bijvoorbeeld door een vliegtuig voor je neus in een gebouw te zien neerstorten of te luisteren naar een ooggetuige, maakt het voor de gebruiker makkelijker om zich persoonlijk

betrokken te voelen bij het verleden. Het is net alsof de gebruiker er echt bij was.

Het argument dat AR zorgt voor een grotere emotionele betrokkenheid bij het verleden wordt ondersteund door een onderzoek naar omgevingsimmersie in 2015, uitgevoerd door Yu-Lien Chang, Huei-Tse Hou, Chao-Yang

Pan, Yao-Ting Sung en Kuo-En Chang.75

72 Tussenbroek, ‘Reconstructie en verzet: over materiële authenticiteit,’ 10.

73 Richard Prentice, ‘Experiential Cultural Tourism: Museums & the marketing of the new romanticism of evoked authenticity’, Museum Management and Curatorship 19 (2001) 5-26, aldaar 5-26.

74 Kolen, ‘Topografie van de herinnering’, 199.

75 Chang e.a., ‘Apply an Augmented Reality in a Mobile Guidance to Increase Sense of Place for Heritage Places’, 166-178.

Fig. 9 – Gebruik AR-systeem in Tamsui Taiwan

(25)

Dit onderzoek vond plaats op verschillende historische erfgoedlocaties in het Tamsui District van New Taipei in Taiwan. Universiteitsstudenten werden hierbij onderverdeeld in drie groepen. De eerste groep kreeg een AR-installatie mee die gebouwen kon identificeren en extra informatie hierover gaf (fig. 9), de tweede groep kreeg alleen een vooraf opgenomen audiotour mee en de derde groep kreeg helemaal geen digitale hulpmiddelen. Voorafgaand aan het onderzoek werden de studenten getest op hun historische kennis en begrip van de locaties. Uit de onderzoeksresultaten na de tour bleek dat de locaties bij de groep met het AR- systeem de grootse emotionele reactie opwekten. De andere twee groepen hadden weinig tot geen emotionele reactie op de locaties. Ook constateerden Chang et al. dat de historische kennis van de groep met AR drastisch was verbeterd na het gebruik van AR in vergelijking met de groep met de audiotour.76 Hieruit kan de conclusie getrokken worden dat audio alleen minder effectief is in het creëren van een immersie ervaring voor het publiek. Een combinatie van audio met extra tekstuele informatie en interactieve elementen in AR zorgt daarentegen wel voor emotionele betrokkenheid bij het verleden, wat leidt tot een verhoogde interesse en een beter begrip van een historische situatie.77

Daarnaast is de mate van realisme voor het publiek van belang voor de belevingswaarde. Digitale mediaspecialist Marnix van Gisbergen stelt naar aanleiding van zijn onderzoek in 2016 dat verschil in realisme binnen virtuele omgevingen in AR en VR niet direct gevolgen heeft voor het historische begrip van het publiek bij het gebruik hiervan. Wel geeft een hogere mate van realisme het publiek sneller het idee zich echt in het verleden te begeven en een authentieke historische ervaring te beleven, wat de belevingswaarde van de app ten goede komt.78

76 Challenor, A Review of Augmented Reality Applications for History Education and Heritage Visualisation, 5.

77 M. Claudia tom Dieck, Timothy Jung en Eleni Michopoulou, ‘Experiencing Virtual Reality in Heritage Attractions:

Perceptions of Eldery Users’ in: M. Claudia tom Dieck en Timothy Jung eds. Augmented Reality and Virtual Reality: The Power of AR and VR for Business (Cham 2019) 89-98, aldaar 96.

78 Marnix van Gisbergen e.a., ‘What We Don’t Know. The Effect of Realism in Virtual Reality on Experience and Behaviour’ in: M. Claudia tom Dieck en Timothy Jung eds. Augmented Reality and Virtual Reality: The Power of AR and VR for Business (Cham 2019) 45-58, aldaar 45-46.

Fig. 10 – Linie 1629 route-app Fig. 11 – Archeo Route Limburg 2.0 app

Figure

Updating...

References

Related subjects :