^ % DENHAA« SJ^eo ; ißks 4s. 2 5 APR, ïsö3 ^,l3 e ct-^t 7/1. A. Holkamp No RENTABILITEIT VAN HET GESPECIALISEERDE FRUITTE E LTB EDR IJ F

Hele tekst

(1)

A . H o l k a m p N o . 4 . 2 3

R E N T A B I L I T E I T V A N HET

G E S P E C I A L I S E E R D E FRUITTE E LTB EDR IJ F

O o g s t j a a r 1 9 6 8 / 1 9 6 9

7/1

D e c e m b e r 1 9 6 9

^ % Üü

£ DENHAA« £

2 5 APR, ïSö3 ^

, l 3

e ct-^t

» WBUOTHEK «

L a n d b o u w - E c o n o m i s c h I n s t i t u u t A f d e l i n g T u i n b o u w

SJ^eo ; i ßks 4s

(2)

Inhoud

WOORD VOORAF HOOFDSTUK I

HOOFDSTUK II

HOOFDSTUK III

HOOFDSTUK IV

OPZET EN METHODE VAN ONDERZOEK

§ 1. Universum en steekproef

§ 2. De basisgegevens voor het onderzoek

§ 3. Het onderzoek naar de bedrijf suitkomsten DE BEDRIJFSRESULTATEN

§ 1. De bedrijfsresultaten gemiddeld per bedrijf

§ 2. De bedrijfsresultaten gemiddeld per hectare

§ 3. De samenstelling van kosten en opbreng- sten

§ 4. Vergelijking van de uitkomsten van kleine bedrijven met die van een parallel lopend onderzoek

§ 5. De bedrijfsuitkomsten in de "overige"

gebieden

§ 6. De rentabiliteit van bedrijven met jongere, resp. oudere fruitopstanden

§ 7. De spreiding van het netto-overschot

§ 8. Vergelijking van de rentabiliteit over 1968 met die van vorige jaren

§ 9. Berekening van de bedrijfsuitkomsten op andere basis dan die van continuïteit

Blz.

7 7 8 8

11 11 13 13

HET INKOMEN VAN DE ONDERNEMER

§ 1. Inleiding

§ 2. Het totale inkomen en de samenstelling daarvan, gemiddeld per ondernemer

§ 3. De liquiditeit van het inkomen

§ 4. De spreiding van het inkomen DE BESPARING OP HET INKOMEN

§ 1. De besparingen gemiddeld per ondernemer

§ 2. De liquiditeit van de besparingen

§ 3. De spreiding van de besparingen

15 16 16 21 21 23 26 26 26 28 31 33 33 34 34

SUMMARY 37

(3)

Biz.

BIJLAGEN 1. Grondgebruik en arbeidsbezetting ge- 40 middeld per bedrijf

2. Bedrijfsresultaten gemiddeld per bedrijf 41 3. Kosten en opbrengsten per hectare pit- en

steenvruchten 42 4. Spreiding van het netto-overschot 43

5. Spreiding Van het netto-overschot per

f. 100,- kosten 44 6. Inkomen, privé-uitgaven en besparing

gemiddeld per ondernemer 45 7. Spreiding van het arbeidsinkomen en het

ondernemersinkomen van de ondernemer 46

8. Algemene toelichting 47

(4)

Woord vooraf

Een belangrijk deel van het Nederlandse fruit wordt op bedrijven ge- teeld, waar de fruitteelt geen hoofdzaak is, maar waar ook landbouw wordt uitgeoefend. Om een indruk te verkrijgen van de rentabiliteit van de fruitteelt moet men daarom wel zijn toevlucht nemen tot de gespecia- liseerde fruitteeltbedrij ven. Dit onderzoek heeft dan ook betrekking op bedrijven (in de belangrijkste fruitteeltgebieden) waarvan het inkomen dat normaliter uit de teelt van pit- en steenvruchten wordt verkregen, sterk overweegt. Voor dit beperkte universum kan men het onderzoek een representatief karakter toekennen; het is dus geenszins representa-

tief voor de gehele Nederlandse fruitteelt. ' " "

Het onderzoek dat betrekking heeft op het oogstjaar 1968/69 werd in- gesteld op verzoek van het Landbouwschap en de Nederlandse Fruitte- lersorganisatie in verband met de ongunstige ontwikkeling van de fruit- prijzen. Eerder werden onderzoekingen naar de rentabiliteit van gespe- cialiseerde fruitteeltbedrijven door het L.E.I. ingesteld over de jaren 1958 t / m 1964.

In een volgende publikatie zal worden getracht een beeld te verschaf- fen van de financiële positie van de bij het rentabiliteitsonderzoek betrok- ken bedrijven.

Het onderzoek is op de afd. Tuinbouw van het L.E.I. verricht door A. Holkamp met medewerking van A.N. Groenewegen.

Den Haag, december 1969

(5)

HOOFDSTUK I

Opzet en methode van onderzoek

§ 1. U n i v e r s u m e n s t e e k p r o e f

Voor het onderkennen van het universum van dit onderzoek stonden in eerste aanleg de oppervlaktegegevens van de Landbouwtelling 1968 ten dienste. Ten einde tot de selectie van het universum der gespecialiseer- de fruitteeltbedrijven te kunnen komen, is begonnen met het selecteren van bedrijven met ten minste 3 ha pit- en steenvruchten. Deze keuze - welke door de Stichting Uitvoering Landbouwmaatregelen op basis van een steekproef van 50% is verricht - is beperkt tot bedrijven met pit- en steenvruchten in de belangrijkste gebieden, t.w. de provincies Zuid-Hol- land, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Limburg en Noord-Holland, benevens het westelijk deel van Noord-Brabant en de Noordoostpolder. De resulta- ten van deze selectie waren na omrekening voor het totale universum als volgt.

Aant. bedr. Aant. ha Aant. bedrijven in Nederland met pit- en steenvruchten 21558 45 718 Af : bedrijven buiten f ruitteeltgebieden 2 760 4 491

18 798 41227 Af: bedrijven < 3 ha pit- en steenvruchten 14 468 11 570 Aantal bedrijven in de fruitteeltgebieden > 3 ha

pit- en steenvruchten 4 330 29657 Na bewerking van de oppervlaktegegevens van 50% van deze 4 330 be- drijven met behulp van arbeidsbehoeftenormen werd het universum door de volgende oorzaken verder verkleind.

Agrarisch gemengd: < 67% pit- en steenvruchten 2 008 11 532 Gemengd met handel, nevenberoep of -bedrijf 336 2 924 Te klein: onvoldoende emplooi voor 1 manjaar 272 915 Aantal gespecialiseerde bedrijven blijkend uit

landbouwtelling 1714 14 286 Door onvoldoende informatie in het bijzonder betreffende vragen over neveninkomsten en boekjaar, is op 50% van deze 1714 bedrijven een en- quête verricht door de St. U.L.M., welke in een verdere verkleining van het universum resulteerde.

Bedrijven waarvan fruitteelt < 67% van het totale

inkomen <- 828 6 959 Specifiek gespecialiseerde bedrijven 886 7 328

(6)

Het aantal bedrijven als basis voor de steekproef is tenslotte beperkt tot 772 bedrijven (6 267 ha), nadat om praktische redenen nog bedrijven met een boekjaar afwijkend van het kalenderjaar uit het universum waren verwijderd.

Uitgaande van een aantal van 60 steekproefbedrijven is de theoretische steekproef bepaald op 10%, inclusief opslag voor bij nadere confrontatie met de bedrijven blijkende ongeschiktheden. Met inachtneming van gebied en bedrijfsgrootte vond deze steekproefkeuze willekeurig plaats. Tenslot- te werden 62 bedrijven voor het onderzoek geworven. Van 58 dezer be- drijven konden de benodigde gegevens worden verkregen, zodat het on- derzoek op deze 58 bedrijven betrekking heeft.

Voor verdere inlichtingen betreffende universum en steekproef wordt verwezen naar Inlichting No. 99 1).

§ 2 . De b a s i s g e g e v e n s v o o r h e t o n d e r z o e k

De gegevens voor dit onderzoek zijn onder meer ontleend aan de boek- houdingen der betreffende 58 bedrijven. Deze boekhoudingen worden me- rendeels verzorgd door administratiekantoren, in verband waarmede van 41 kantoren opgaven van de (fiscale) balans en winst- en verliesrekening werden ontvangen. Vervolgens is gebruik gemaakt van een groot aantal gegevens die niet uit de boekhouding waren te verkrijgen, doch die - met medewerking van de sectie Fruitteelt van het L.E.I. - op de bedrijven zelf zijn verzameld. Deze aanvullende gegevens waren nodig om de r e - sultaten volgens de in § 3 vermelde richtlijnen te kunnen berekenen. Zij omvatten een uitgebreide inventarisatie, zowel van de bedrijfsuitrusting als van de beteelde oppervlakten en gegevens betreffende de arbeidsbe- zetting.

§ 3 . H e t o n d e r z o e k n a a r d e b e d r i j f s u i t k o m s t e n De bedrijfsresultaten zijn bepaald volgens de bij het L.E.I. gebruike- lijke methode. Deze houdt in dat de berekening van rente en afschrijving van de duurzame produktiemiddelen in hoofdzaak is gebaseerd op de nieuwwaarde en dat kosten welke niet tevens uitgaven zijn (handenarbeid van de ondernemer en zijn gezin, rente van eigen vermogen e.d.) zijn ge- waardeerd.

De resultaten zijn in principe berekend over het oogstjaar (oogst- en bewaarseizoen). Dit geldt zonder m e e r voor de opbrengsten en voor de

1) "Universum en steekproef van het gespecialiseerde fruitteeltbedrijf in de belangrijkste fruitteeltgebieden van Nederland". De publikatie kan worden besteld door overschrijving van f. i , 5 0 op postrekening No.

4122 35 van het Landbouw-Economisch Instituut. Vermeld dient te wor- den "Zend inlichting No. 99.

(7)

door de veiling ingehouden verkoopkosten. Voor de kosten is uitgegaan van het kalenderjaar. De bedrijfsresultaten zijn derhalve berekend door de kosten van het kalenderjaar (uitgezonderd de voornoemde verkoopkos- ten die met het oogstjaar corresponderen) in mindering te brengen van de opbrengsten over het oogstjaar. Voor een toelichting van deze bereke- ningswijze, waarbij uitgegaan wordt van continuïteit, dus levensvatbaar- heid, van de bedrijven wordt verwezen naar bijlage 8. Alle berekeningen welke in de diverse bijlagen zijn vervat zijn op deze basis uitgevoerd.

Als gevolg van de ongunstige bedrijfsuitkomsten van de fruitteelt in de afgelopen jaren is de levensvatbaarheid van vele bedrijven echter sterk verminderd. Voor deze bedrijven is het niet reëel om de waarde der diverse produktiemiddelen op vervangingswaarde te baseren. In de gevallen waarin men tot liquidatie zal zijn genoodzaakt zal van de te v e r - wachten liquidatiewaarde moeten worden uitgegaan voor de berekening van rente en afschrijving. Voor jonge fruitpercelen zal de berekeningvan de waardetoeneming (aanwas) eveneens moeten worden herzien.

Aangezien de bedrijven van de steekproef bezwaarlijk op levensvat- baarheid kunnen worden gemeten (de ontwikkeling van de fruitprijzen in de toekomst vormt daarvoor de belangrijkste onbekende faktor) kan bij dit onderzoek alleen van voor alle bedrijven gelijke perspectieven (con- tinuïteit of liquidatie) worden uitgegaan. Behalve de op continuiteitsbasis berekende uitkomsten in de bijlagen, zijn in dit verband in de tekst daar- naast tevens resultatenberekeningen gemaakt, waarbij de waarde der duurzame produktiemiddelen als volgtjs_gesteld:

I a. grond = verkoopwaarde landbouwgrond b. fruitopstand = nihil

c. bedrijfsgebouwen = 25% van de bedrijfswaarde op basis en inventaris continuïteit

II a. grond = verkoopwaarde landbouwgrond + 50%

verschil tussen normale grondwaarde boomgaard en landbouw

b' f ™i t 0Ps t a n d 1 = 50% van de bedrijfswaarde op basis c. bedrijfsgebouwen V continuïteit

en inventaris J

In het kader van de sub I en II veronderstelde vermogensverliezen zullen de lagere waarden der duurzame produktiemiddelen leiden tot een vermindering van de kosten van rente en afschrijving, waardoor de be- drijfsuitkomsten gunstiger worden voorgesteld. Anderzijds zal aan in- vesteringen in jonge plantopstanden (die in de kosten zijn begrepen) geen of slechts de halve waarde moeten worden toegekend. Worden de daaruit resulterende vermogensverliezen in de berekening van de bedrijfsuit- komsten betrokken, dan worden deze laatste hierdoor ongunstig beïnvloed.

Nu is het in beginsel niet juist om vermogensverliezen of -winsten in de re sultatenbe rekening te betrekken. Wanneer dan ook een duidelijke schei- ding tussen kosten en vermogensverliezen zou kunnen worden gemaakt

(8)

zou er aanleiding zijn geweest om de investeringen uit de kosten te v e r - wijderen.

Door de onmogelijkheid hiervan zou in de gevallen I en n op dezelfde wijze als ten aanzien van de berekening op continuiteitsbasis is geschied, een aanwasberekening tegenover de kosten moeten worden gesteld. Het was echter, in het kader van dit onderzoek waarin een snelle oplevering van de cijfers moest prevaleren, niet mogelijk de daarvoor te hanteren normen te ontwikkelen.

In verband hiermede zijn de, zich in de kosten bevindende, investerin- gen in jonge plantopstanden in geval I volledig afgeschreven, in geval II tot een bedrag ad 50% van de norm die voor de aanwasberekening op continuiteitsbasis is gebruikt, naar balans gebracht.

Hoewel de termen: kosten, netto-overschot en inkomen voor deze voorstellingswijze niet geheel toepasselijk zijn, moesten zij om prak- tische redenen voor de gevallen I en II, t e r vergelijking met de bereke- ning op continuiteitsbasis, toch worden gehanteerd. Bij de interpretatie van de cijfers dient hier wel rekening mede te worden gehouden.

10

(9)

HOOFDSTUK II

De bedrijfsresultaten

§ 1. De b e d r i j f s r e s u l t a t e n g e m i d d e l d p e r b e d r i j f De resultaten van het onderzoek naar de bedrijfsuitkomsten over 1968 zijn gedetailleerd neergelegd in de bijlagen 1 t / m 7. In deze bijlagen zijn de bedrijven enerzijds onderscheiden naar gebied, anderzijds naar be- drijfsomvang. In de tekst zal tevens aandacht worden besteed aan de be- drijfsresultaten van bedrijven met jongere, r e s p . oudere fruitopstanden.

Bij interpretaties van de voor deze verschillende groeperingen gege- ven cijfers kon niet worden ingegaan op mogelijke intercorrelaties tus- sen de betreffende indelingscriteria. 1)

De genoemde bijlagen geven een overzicht van:

1. het grondgebruik en de arbeidsbezetting gemiddeld p e r bedrijf;

2. de bedrijfsresultaten gemiddeld p e r bedrijf;

3. de kosten en de opbrengsten, gemiddeld p e r hectare pit- en steen- vruchten;

4. de spreiding van het netto-overschot;

5. de spreiding van hét netto-overschot per f. 100,- kosten;

6. het inkomen, de privé-uitgaven en de besparing, gemiddeld p e r onder- nemer;

7. de spreiding van het arbeids- en het ondernemersinkomen van de on- dernemer.

De verkregen gegevens welke in de bijlagen 1 en 2 zijn vastgelegd, zijn samengevat in tabel 1 (zie blz. 12).

De tabel toont aan dat de exploitatie in alle onderscheiden groepen gemiddeld verliesgevend was (nettotekort van alle bedrijven gemiddeld f. 14 000,- per bedrijf). Het aantal verliesgevende bedrijven bedroeg in totaal 51 van de onderzochte 58 bedrijven (88%). Het Rivierkleigebied blijkt - met ruim f. 18 000,- gemiddeld p e r bedrijf - het meest v e r l i e s - gevend te zijn geweest. P e r hectare berekend (f. 2 270,-) was het nega- tieve resultaat bijna 2 x zo hoog a l s in het zuidwestelijk kleigebied.

De oorzaken van de verschillen tussen de diverse bedrijven en be- drijfsgroepen konden in het kader van dit onderzoek niet worden nage- gaan. Het algemene rentabiliteitsbeeld is sterk beïnvloed door de lage verkoopprijzen. Behalve door deze faktor zijn in het bijzonder de op-

1) Verschillen tussen de uitkomsten van grote en kleine bedrijven, b.v., zijn mede ontstaan onder invloed van factoren die samenhangen met het gebied, r e s p . de leeftijd van de plantopstand.

(10)

a

CO V u

• a CD

• H 4 = S> hO

t-i

<U

a

XI

u

to a.

u T 3 TD

•»H

s

g>

co

.CD

oo

<B

>

O

c a>

3 CO (1)

0) T5 a

m M

CD u m X!

CD T 3 ^

Ö ®

si

. 5 a>

a> bo S h

a l V CO O .

•8

H -M CD

-*^

O o u

•ot t-i

•a

V U a m a

bO Ö i-H CD T3.

CD

•|H X!

CD bO

<D P . bO Ö

w—t

CD T 3

â

J

0 5

Al

5

en

s ]

CO

co

overige gebie- den

rivier- kleige- bied

zuidw. kleige- bied

Aile bedrij- ven

N t t ) N M H H O T j i

H ! > « H • - N O N I—I

I H N C D I H O O O C O O O t H O O r - l t H r - r - i H i - l

« " " ^ CM i H 3e*-

C O O t - C O C O O O C M O O o o t - N H _ r ^ r r t < oo Th

i - l O

I f i O C O H H i O H O

O O O H H ' . ' H O

N O N ^

N N O ^ N T t l W C O

O t - N H • * H «

» N O N

00 iH ^

riNC-ONt-CBOO iH C-- CM i-l - _ - m iH

of M S M *

C N C O i H C M C M m T h T h OJ t - CM r-l - _ - < N <=>

c

CD

o o o o o o o o o

X X X

bO Ö c 3 CD

0 0 CO

«!.!

•e o 3

- CD eu 5 °P

S o. ^ > .3

J» «• a % |

* e3 cl ü CD

3^

> O) . Q h CD CO et —> T 3

O . CD

a >

CD T 3 co ^

ca T 3

• F H

0)

•s

Sn

«1

'5" cd cd

CD Ë 2 h

ca cu

<u o,

Is Sa

o o

i H CM CO T h I H t - C - 0 0

O O TC eo CM Th TM t - Th W

O O CM t - T h 0 5 o n co TC

o o CM 0 0 Th O 0 5 CN T h CO

o o

Th t - 1-1 c o TC CM Th CO

o o m eo t - co i - I CM m co

o o O CM CM eo 0 0 CM TC CO

o

I - t oo

o OS i H CO i - l

O i n

co i H

O co CO CM l-H

O co CM 0 0

O 0 0 oo o i H

O CM i H Th I H

oo

C O CM

i - t CO

-s-

o

CM

OS CM

, .

^

CO CM

oo i n I - I

. ,

eo co CM

. .

i H O CO i H

>vs.

co co CM

,

i H 0 5 CO

. ^.

t - TH I H

. .

Th CO CM

O O co i H

O m oo i-H

O t - l oo CM

O O oo i H

O

CM CM

O 0 5 i H i H

O oo

r H 0 0 I r -

i n C5

OS 0 0

oo

o o

i H

CO

0 0 ; 0 0 /

O eo 0 5 Th

o i n oo eo

o t - eo CM

O m i n T h

o

i n 0 5 i-H

o oo t - m

' ° i

CO 0 5

i n T C

i n eo

CM CM

t - t Th

oo r H

CO m

co eo

c

CD -*•>

CO bo Ö CD

x>

a O

o

o co u CD >

O

— § "

a bo 3

ÇD O >

bO > "*

g CD'S

& bO ** - S C CD <D

& 0 O S

^ ^ " ^ co C CD

•S »

o • * • CO l

^ ^-r

^ § gi-i è «H* ö CD <B <B CD CD

£ A S a< ft

(11)

brengsten beïnvloed door o.m. de geoogste hoeveelheden, de kwaliteit en door de verhouding van fruitsoorten en sortiment. Op een aantal bedrij- ven droeg ook een hoog uitvalspercentage tijdens de bewaringtotde on- gunstige resultaten bij. Wat de kosten betreft, deze lagen gemiddeld p e r gebied vrijwel op hetzelfde niveau (f.62 000 gemiddeld per bedrijf). Uit het feit echter dat de gemiddelde bedrijfsgrootte (aantal hectaren) per groep verschillend is, volgt reeds dat de verschillen in bedrijfsuitkomsten ook door de kosten zijn beïnvloed.

§ 2 . De b e d r i j f s r e s u l t a t e n g e m i d d e l d p e r h e c t a r e Per groep komen deze verschillen tot uiting door een vergelijking van de opbrengsten en de kosten gemiddeld per hectare beteelbare oppervlak- te pit- en steenvruchten. (Tabel 2, zie blz. 14.)

Het kostenniveau per hectare van de "overige" gebieden ligt belang- rijk hoger dan dat van de beide kleigebieden, in het bijzonder wat het zuidwestelijk kleigebied betreft. De opbrengsten zijn vrijwel navenant hoger, r e s p . lager, behoudens van het rivierkleigebied. Voor dit gebied werden de kosten op middelmatig, de opbrengsten op laag niveau becij- ferd.

De kosten van kleine bedrijven geven per gebied weinig niveauverschil te zien. De tendens dat de kosten van grote bedrijven lager zijn dan die van kleine bedrijven komt in de cijfers van de beide kleigebieden duide- lijk, in de "overige" gebieden iets minder duidelijk naar voren.

Hoewel het niveau van de opbrengsten per grootteklasse van gebied tot gebied veelal sterk verschilt, worden deze verschillen in de groep

"alle bedrijven" zodanig genivelleerd, dat tussen de opbrengsten per hectare van kleinere en grotere bedrijven nauwelijks verschil valt te constateren. Gemiddeld waren het dus in hoofdzaak de kosten die tot een zoveel slechtere rentabiliteit van de kleinere t.o.v. de grotere bedrijven hebben bijgedragen.

Uit de tabel kan overigens worden afgeleid dat de verschillen van be- drijf tot bedrijf, zowel wat de kosten als wat de opbrengsten betreft, per hectare groot zijn geweest (zie § 7). In verband hiermede dienen gemid- delden die op kleine aantallen bedrijven betrekking hebben met de nodige reserve ten aanzien van hun juistheid te worden geïnterpreteerd.

§ 3 . De s a m e n s t e l l i n g v a n k o s t e n e n o p b r e n g s t e n In bijlage 2 zijn in het bijzonder de kosten gemiddeld per bedrijf, in bijlage 3 per hectare pit- en steenvruchten, uitvoerig gespecificeerd.

De relatieve betekenis van de diverse bestanddelen ervan is in tabel 3 tot uitdrukking gebracht. (Tabel 3, zie blz. 15.)

Behoudens enkele nuances is het kostenpatroon van de diverse groe- pen vrijwel hetzelfde. De kosten van duurzame produktiemiddelen en van arbeid vormen te zamen twee derdedeel van de kosten. Bij de kleinere bedrijven ligt het accent iets sterker op de arbeidskosten dan bij de gro-

(12)

« M

• r - » rH

• a ai X ! u CD

• a ft

a>

T3 T3

•pH CD S

bO

o "

o o rH

•S a

CD

o

>

ai ai

4->

co fi

ai

J>

a

ai

4-»

o x : ai

a i

&

Ci 01 -4-»

CO M C 01

X !

S-o ci 0) c eu co o

CM

,__! CD X !

ci

H

Ci 0) 0)

•l-(

X !

••-* 0) tH 0)

>

O

T3 Ol X ! CD

'S 3

-H 0)

• i H

>

«rH

K

T 3

.2

0)

• » H

a i

3

s

N

CU CI

•>

• r - i U a i X ! a>

r—(

<

à)

O X I CO

il

1

3

C T3 Ö :

?

& 01 01 CS X ! >

i5o , . S c 4 . 2 3

O X I »

8 «

i

d 'F

H-> rH

ci - a e rf eu eu ai X ! >

o ci

4.8<2

O r O CO

S ai

r S 4->

3:rf |

C O fi cd o> ai es X5 >

i bD

c Cl

i . s |

O r Q C0 1

S «

t—t » r - i

ni -r;

Ö T3 Ci ai eu cu al X i >

U5

C<5 o f

t>

CD m"

rH o f

ao

co co'

co co

Tf

co co"

rH o f

05 r-t

^_^ ai

rC CO V

C CU

>

•»-H rH

01 X

0)

.3 01

3

co CD

i n co"

rH tH

CO CO"

• *

co"

W

co

•<*

o t-^

i n

CM CD

CO

rH CM

^^ cS

rC OS 1 CO,

t j T 3 CU X !

ù bD

"Ö>

T3 73 •1—1

s

CM co"

C5 CO

i n

o in"

o t>"

c~

•>*

in"

co CO

CO

en in"

CM C - '

CO rH

^_^ cet

rC OS

AI

Cl a i >

• r - >

• r H - J T 3 0) rO CU H-J O u

O o

C-"

co co"

co CM

i n in"

co t-^

o CM

t - w"

OS CO"

m

CD

Ci C-"

co m

ö

> CD

•i—j

'u

• a CD -O CD

r—i

<

(13)

Tabel 3. De procentuele samenstelling van kosten en opbrengsten (Gewogen gemiddelden)

Alle bedrij- ven

Indeling per gebied z.w.klei-

gebied rivier- kleigeb,

ov. be- drijven

Indelingnaarbedr.gr 3-6

ha

6-9 ha

9 ha

Kosten P a c h t A f s c h r i j v i n g R e n t e Onderhoud Subtotaal A r b e i d M a t e r i a l e n V e r k o o p k o s t e n O v e r i g e k o s t e n T o t a a l k o s t e n O p b r e n g s t e n P r o d u k t e n e.d.

Aanw. jonge p l a n t o p stand A f s c h r . volw.

p l a n t o p s t a n d T o t . o p b r e n g s t .

3 8 16 3 30 36 14 13 7 100

95 13 /• 8

100

4 7 17 3 3 1 38 12 12 7 100

88 17 /• 5

100

2 10 17 3 32 36 14 11 7 100

94 12

•/• 6 100

3 8 14 3 28 36 15 14 7 100

99 12

•/•Il 100

2 10 14 2 28 39 13 13 7 100

98 11

•/• 9 100

3 8 17 3 31 35 14 13 7 100

98 11

•/• 9 100

4 8 16 3 3 1 35 15 12 7 100

90 16 /• 6

100

t e r e bedrijven.

De opbrengsten van fruit e.d. zijn verhoogd met een bedrag voor aan- was jonge plantopstand, r e s p . verlaagd met afschrijving op volwassen be- plantingen. De invloed van deze normatieve berekeningen op het bedrijfs- resultaat was groot in de beide kleigebieden, r e s p . bij de grotere bedrij- ven.

§ 4 . V e r g e l i j k i n g v a n d e u i t k o m s t e n v a n k l e i n e b e d r i j - v e n m e t d i e v a n e e n p a r a l l e l l o p e n d o n d e r z o e k Voor de groep der kleinere bedrijven is ten aanzien van hetzelfde v e r - slagjaar een vergelijking mogelijk met de bedrijfsuitkomsten van 22 ge- specialiseerde fruitteeltbedrijven met een oppervlakte van minder dan 5 ha pit- en steenvruchten. Deze bedrijven maken deel uit van een aantal tuinbouwbedrijven welke in het kader van het E.E.G.-infomatienet bij het

(14)

rentabiliteitsonderzoek van het L.E.I, zijn ingeschakeld.

aantal bedrijven

oppervlakte pit- en steenvruchten per ha pit- en steenvruchten kosten

opbrengsten netto-overschot

Bedrijven

< 6 ha 19 4,83 ha 9100 6 300

•/. 2 800

E.E.G.-bedrijven

< 5 ha 22 3,67 ha 9700 5330 '/-4 370 De uitkomsten der E.E.G.-bedrijven waren - met hogere kosten en lagere opbrengsten - nog aanmerkelijk ongunstiger dan die van de be- drijven van dit onderzoek. Van deze E.E.G.-bedrijven, die eveneens wil- lekeurig zijn gekozen, zijn er 8 in het zuidwestelijk kleigebied, 8 in het rivierkleigebied en 5 in Noord-Holland gelegen (van de 19 kleinere be- drijven van dit onderzoek is de verdeling: zuidwestelijk kleigebied 4, rivierkleigebied 8, overige gebieden 7, t.w. Noord-Holland 3, Noordoost- polder 2 en Limburg 2).

§ 5. De b e d r i j f s u i t k o m s t e n i n d e " o v e r i g e " g e b i e d e n Van de 58 onderzochte bedrijven zijn er 23 in de "overige" gebieden gelegen. Door het geringe aantal per subgebied zijn zij in de bijlagen tot één groep verenigd. In verband met het - in meer dan een opzicht - hete- rogene karakter van deze fruitgebieden is e r behoefte aan een nadere specificatie. (Tabel 4, zie blz. 17.)

Door het geringe aantal bedrijven per subgroep kunnen deze cijfers slechts in orde van grootte een indicatie geven van de verschillen in be- drijfsuitkomsten van deze subgebieden.

§ 6 . De r e n t a b i l i t e i t v a n b e d r i j v e n m e t j o n g e r e , r e s p . o u d e r e f r u i t o p s t a n d e n

In verband met de vraag in hoeverre jonge, dus moderne, beplantin- gen in 1968 rendabeler, r e s p . minder verliesgevend zijn geweest dan oudere beplantingen zijn de bedrijven ook naar de gemiddelde leeftijd van de plantopstand onderscheiden. Tabel 5 geeft van een en ander een ' beeld (zie blz. 18).

Bedrijven met gemiddeld jonge plantopstanden waren iets minder ver- liesgevend dan bedrijven met opstanden van gemiddelde en hogere ouder- dom. De verschillen in hectare-opbrengsten werden voor een belangrijk deel gecompenseerd door de kostenverschillen per hectare.

Bij de beoordeling van de becijferde bedrijfsresultaten dient rekening te worden gehouden met de invloed daarop van normatieve berekeningen,

16

(15)

a <u

•a 0)

CD bO

*CD

So

>

o

CO T 3

a

CO t o 0 5

• i - l SH CD >

o

a CD 0 1

s

o

•i-H 3 CO

• M

CD

ffl

CD J 3

« j H

CD SH c j o CD Ä

P . CD

2

T 3 T 3

i-H

S

S

' M

•rp T 3 M CD X i

M CD p f - H 7 3 CD

• a 7 3

S

M U 3

•S S

hJ

•A .

1 8

" 'S

•° s SH *

o zl

£ X o o

ü i S CD SH CD

2 "o

e

CD

_>

• M W.

Cd J 2 7 3

be H 3 X! S

•!-H i J

l

"Ö ,

** -i g »

« 'S

•a S

5 ° o S

^ CD 7 3

a.

s

CD

>

a i | ,^>

S H CD SH cet X5 7 3

to'

Oïl

oo

CO

<N|

t o | i o i - i c- c- to

^ ! \ oj'rts en

V l°P ° °

aoico co I T f t - 1 ».

I t O

co|m o N O C O

, t >

I r t

•S

c

1 a>

1 3

>

le

, 0 1 CN CN

1-1 i - l

t o CM

00 i H

'S «

1 r H B c , J i ca eu C DU- a u

> i f t a <D :- à " tt 73,0 § a

S CD > >

• ° k O SH M

" d H u cd c«

C«|CD

<|W

I

r H CN f . . * 1 » t O <

O CM

r H Tt<

^CM O 0 5

0 0 c o CM ^ r

*. 0 9 O CM

O O l

" l o f

O CM

t o t - t o 0 t - 0 0 N rt

C i ^ » t o co m 0

d *M r H

CM 0 0 co 00 0 0 0 _ T '_ I "-1

r H

© r H O T H i H O

« NN,H

O O O

C * o 00

*H « 0

Ä j . 0

ai ' 0

£ £ -

•S a * " SH

bO a cd

S SB, d

••H DÛ •-->

s o g

e a I

.s s **

CO S* CD 73 . a

£ 1 s

^ S s

0 0 00 0 co 0

« 0 0 0

0 0 t D 1 0

\ ç o 05

0 0 O i CM 0 0 0 1 ira 0 0

0 0 i H r H 0 0 0 c - 0 0

0 0 en c . 0 C5 co CO

• * t o

0 of CM C -

O i (£>l CO T H I t o c-l

0 0 t o t >

00 co

CO LO

0 0 CM 0 0

C i CM

"tf to

1 a . »

1 CO

r 0 0 1 fi C

>H +->

1 X ! CO ft 0

; ow

0 CM t o r H

> ^ N

0 OS OS

O CO 0

CO

^

0 0 0 0 r H

O O OS O r-l

* ~ ^ V 0 1 0 t >

O 7-1 ira 03

<-<

0 t o t o CM

-^

- M O . 0 0 [0 p.

CD >

O

O - M - M CD

£

O

O CO M, CD >

O

h

-4-»

CD

Z

O CM

^

r H

T-<

>"

Tt<

CO

0 CM

-•

c~ CD M 0

a

- M CD co O

1 O O

U CD r H

CO t o 0 0 t o CM O CO • *

r H O l O

CM CO 0 0 O — ^ r H

^-i t~ CO rt o

t o

>^~^

c~ 0 0 0 0 0 0 CO r H 0 0 OJ

0 0

c o t o t - O j-t

CM 0 0 m Tt<

.^^. \

c

J 0

a ou c '„

CD ^ CD . ^ V . O 00 S > M °

O CD <t-> cq 0

§0 S 'S cl 1 ^.

A S • 'S a

> 00 in Î3 5

. M S rt S

> CD ft C ^

!-3 "S fi CD fi

CD * H CD CD

»—l +•* CQ ^H O

S -a -S œ

„ J CD - M

fi i-i u xi S °

« CD CD fc< 4} a

2 CM ft < 2 ï i

(16)

a

•a co

+-> §•

• P H

3 Sn

«<-(

CU

Sn

1

o

à

co eu u of

S-I bD a o S a

>

'u

7 3 01

a a>

+-»

CO S

o . M +-»

• i H

3 co

7 3

M

a>

CU

£ o

Ü

In V

a

TD

"ä>

7 3 7 3

•rH

«M

• P - H S *

-a

Ä CU

SH

eu a

2

CD 7 3 7 3

• i H

s s

• 4 - *

en a

+•> o

§

a

•a s ?

7 3 7 3

M - l

S CD

M

•H S Al .55,

3 fci

> H CS

oo£

h 0 0 CTJ

V A

Ö

eu >

<U i " ^ H 9) h

ni X! "O

-t->

m a

o

r - l T 3 ex

• n - »

2

>-H CU

73°

7 3 •I-t

s

9 bO

5 fc

i - l cS Al -52,

• * u

oo -Si,

°°c1

v .^>

a

CU

>

<u , : j 7 Ö <u s-i CS , Q 7 3

o o

CM

oo

CM

tN

CM

o i o o m

» o n •*

0 0 CM*

t - o e o t o c o H

CM co co

N O O H

a

0)

S -

> «

4) «

« S-

OS

§ s

I.

os

<M t o IH m OS t > CM i H

a cS ci

a*

O

Ê £

ai Ö S-l eu a

c es

>

s-i

ni cS

oo*

te

CM

«o

CM

© "

CD

CM

IH tra co i ira* o * o "

o os CO I co* es* o " j

H N m co* i-T©"

C- 00 •*

U3* O* O*

ira ^

I H O

* CM*

CO CD r f i

* c o n

tra co co

O O

§ g

bfl

S

CU N CU

X!

T l

•i-<

CU J 3 SH

<

SH

X cd Cfl - * J O

c

CQ O

w

< « - l

X - 7 3

0)

•fcè c 0 0 -t->

B . M CU 3

>H 7 3

X> O a «H O Pn

cd 'S S M

ni C M

co ira

co co*

oo co*

t>

CM t > CO I CO

ira - * D- I CM

oo

7 3 Q ,

S o o a S ö cS eu a co tu 5?

bû £

•Il

C CU

4->

CQ

bO Ö eu

SH

a o

"es

cS

•t~>

H o

CM ira

co

• CM

co

•CM

O O

CQ

Si

O O Ä O O i-I

CQ . 5 »H

fa

ö S

« -S

(17)

in het bijzonder van aanwas en afschrijving van de plantopstand. Bij jon- ge bedrijven kan men een sterke invloed van de toegepaste aanwasnorm verwachten, bij oude bedrijven zal - in verband met het degressief da- lend verloop - de afschrijving een relatief gering bedrag uitmaken en zal er van aanwas jonge plantopstand weinig of geen sprake zijn. Deze v e r - wachting wordt door de cijfers van tabel 5 niet volledig bevestigd. De oorzaak hiervan is, dat de bedrijven zijn ingedeeld naar de gemiddelde leeftijd van de beplanting, waardoor b.v. voor oude boomgaarden meteen deel jonge beplanting toch min of meer belangrijke aanwasbedragen kun- nen zijn berekend, terwijl anderzijds de resultaten van gemiddeld jonge bedrijven ook in min of meer sterke mate door afschrijvingen op het vol- wassen gedeelte kunnen zijn beihvloed.

Ter verkrijging van meer inzicht in de invloed van deze normatieve berekeningen op de bedrijfsuitkomsten zijn de kosten en de opbrengsten in tabel 6 weergegeven voor bedrijven met een t e r zake van de plantop- stand relatief hoog saldo van aanwas minus afschrijving per hectare, een gering saldo en een negatief saldo.

Tabel 6. De bedrijfsresultaten bij onderscheiding van de bedrijven naar het saldo van aanwas en afschrijving van de plantopstand in f. 1 000,- gemiddeld per bedrijf

A a n t a l b e d r i j v e n

Opp. p i t - en s t e e n v r u c h t e n (ha) W a a r v a n n i e t in v o l l e p r o d u k t i e

Gem. l e e f t i j d p l a n t o p s t . ( i n j r . ) K o s t e n

O p b r e n g s t e n P r o d u k t e n e.d.

A a n w a s jonge b e p l a n t i n g A f s c h r . volw. b e p l a n t i n g T o t a a l o p b r e n g s t e n N e t t o - o v e r s c h o t Idem in % van de k o s t e n

A l l e b e - d r i j - ven

58 7,92 2,74 12 6 2 , 3

4 5 , 5 6,3 /• 3,7

4 8 , 1 /•14,2 /• 23

M e e r a a n w . dan a f s c h r . s a l d o

> f . 500,- p e r h a

18 8,70 5,02 10 60,8

35,6 12,6 '/• 1,5

46,7 '/;14,1 '/• 23

s a l d o

<f. 5 0 0 , - p e r h a

15 8,05 1,96 14 60,4

43,8 3.7 '/• 2,2

45,3 '/•15,1 /. 25

M e e r af- s c h r i j v i n g dan a a n w a s

(neg. saldo) 25 7,28 1,57 12 64,6

53,8 / 3'4

/• 6,2 51,0 /.13,6

•/. 21

Uit deze cijfers blijkt dat een groepering van de bedrijven naar saldo van aanwas en afschrijving gemiddeld tot een voor alle groepen vrijwel gelijk bedrijfsresultaat leidde. De rentabiliteitsverhogende invloed van het hoge saldo van aanwas en afschrijving in de groep ^ f. 500,- per ha

(18)

Grafiek 1. De spreiding van kosten en opbrengsten per hectare (berekend op basis continuïteit)

Opbrengsten in gld per ha

2 000 4 000 6 000 8 000 10 000 12 000 14 000 Kosten in gld per ha

x Gemiddelde van alle bedrijven.

(19)

is blijkbaar door andere factoren genivelleerd. Wel zijn er tussen deze groep en de andere groepen vrij sterke verschillen tussen - uit de ex- ploitatie voortvloeiende - uitgaven en ontvangsten. In verband met het actuele karakter van dit financieringsaspect zijn in de hoofdstukken III en IV ook het inkomen en de besparingen voor deze groepering tot uit- drukking gebracht.

§ 7 . De s p r e i d i n g v a n h e t n e t t o - o v e r s c h o t

In de bijlagen 4 en 5 is een indruk gegeven van de verschillen in be- drijf suitkomsten der diverse bedrijven door vermelding van het aantal bedrijven per rentabiliteitsklasse. Zoals ook reeds uit tabel 1 kon wor- den geconstateerd werd voor niet minder dan 51 van de 58 bedrijven een negatief netto-over schot becijferd.

In grafiek 1 wordt in deze spreiding van de rentabiliteit meer inzicht verschaft door de opbrengsten welke per hectare pit- en steenvruchten werden verkregen, aan de kosten per hectare te relateren. (Grafiek 1, zie blz.20 .)

Opvallend is de zeer grote spreiding, zowel van de kosten als de op- brengsten per hectare: de kosten variëren van f. 4 000,- tot f. 13 000,-.

de opbrengsten van f. 2 000,- tot f. 12 000,- per hectare. De oorzaken hiervan zouden alleen door nadere studie kunnen worden geanalyseerd.

In het kader van dit onderzoek kunnen slechts enkele factoren worden genoemd die van invloed op dit verschijnsel zijn geweest, t.w. de leef- tijd van de plantopstand, de bedrijfsgrootte, de intensiteit van beplanting en verzorging, de bewaring, de pacht- en eigendomsverhouding, de liqui- diteit, enz.

§ 8 . V e r g e l i j k i n g v a n d e r e n t a b i l i t e i t o v e r 1968 m e t d i e v a n v o r i g e j a r e n

Van de ontwikkeling van de rentabiliteit in de afgelopen 10 jaar is ge- traeht in grafiek 2 een indruk te geven. Deze ontwikkeling geldt wederom voor het gemiddelde (op de teelt van pit- en steenvruchten gespeciali- seerde) bedrijf. De gegevens van 1958 t / m 1964 alsmede van 1968 zijn ontleend aan min of meer representatieve rentabiliteitsonderzoekingen van het L.E.I. Voor de overbrugging van de periode 1965 t / m 1967 is gebruik gemaakt van de uitkomsten van een 40-tal - door het L.E.I. ge-

administreerde - goed geleide fruitteeltbedrijven. ' Deze cijfers zijn op grond van waargenomen niveauverschillen met

de bedrijven van het rentabiliteitsonderzoek in vroeger jaren, gecorri- geerd. (Grafiek 2, zie blz. 22.)

Na de van j a a r tot jaar steeds wisselende, doch gemiddeld rendabele, uitkomsten in de e e r s t e jaren van de beschouwde periode, volgde sedert 1962 een periode van onafgebroken verliesgevendheid. In 1967 en 1968 heeft deze laatste ernstige vormen aangenomen.

Deze ontwikkeling was een gevolg van het feit dat de toeneming van

(20)

Grafiek 2. Ontwikkeling van de rentabiliteit van het g e s p e c i a l i s e e r d e fruitteeltbedrijf in de j a r e n 1958 t / m 1968

Opbrengsten p e r f. 100,- kosten

Produktiewaarde pit- en steenvruchten Nederland in gld p e r ha

'58 •CO '62 '64 '66 '68

gebaseerd op waarnemingen sectie rentabiliteitsonderzoek taxatie op b a s i s uitkomsten van boekhoudbedrijven sectie fruitteelt

1) Basisgegevens C.B.S.

22

Afbeelding

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :